maandag 3 maart 2014

SCHOUTEN; HET FLUITSCHIP 'HOORN' EN SPIEGELSCHIP DE 'EENDRACHT'.

DE REIS VAN DE EENDRACHT EN DE HOORN IN 1650.

EEN NIEUWE ROUTE OM KAAP HOORN.


In 1602 was door Nederlandse kooplieden de Vereenigde Oost-Indische Compagnie opgericht als fusie en als regulering van de handelsreizen naar Oost-Indië die al jaren plaatsvonden. Onder de rechten die de VOC bezat, waren de monopolie op de handel met het gebied, vrijstelling van invoerbelastingen, het hebben van een gewapende macht aan boord en het beginnen en beëindigen van oorlogen, het bouwen van forten en het slaan van een eigen munteenheid.
Het octrooi verbood ook ieder schip dat niet van de VOC was, gebruik te maken van de twee 'enige' vaarroutes naar Oost-Indië, De een via Kaap de Goede Hoop om de zuidpunt van Zuid-Afrika en de andere door de Straat Magalhães gelegen aan de zuidpunt van Zuid-Amerika.


De Amsterdamse koopman, Isaac le Maire, wilde dat monopolie doorbreken. In 1610 ontving hij het octrooi een eigen onderneming te beginnen om handel te gaan drijven met China (Tartarië), Japan, het 'Terra Australis' en de eilanden in de Zuidelijke Zeeën van de Stille Oceaan.
La Maire besefte dat het succes van de reis afhankelijk was van het vinden van een nieuwe route naar de Stille Oceaan, maar was zich er bewust dat deze route ten zuiden van de door de VOC gebruikte en gemonopoliseerde Straat Magalhães moest liggen. Zijn overtuiging dat deze route zou bestaan sloot aan bij die van Willem Coneliszoon Schouten, een bekwaam navigator die al drie reizen naar Oost-Indië had gemaakt.


La Maire en Schouten besloten een expeditie met twee schepen uit te rusten om te zoeken naar een zuidelijker gelegen doorgang naar de Stille Oceaan. Deze expeditie werd in het strengste geheim voorbereid.

Ze kozen voor twee vaartuigen; een fluitschip Hoorn en een klein spiegelschip de Eendracht.


De Hoorn een type fluitschip had drie masten.
De voorste twee masten, de hoofdmast en de fokkemast, waren vierkant getuigd en de achterste mast, de bezaansmast was voorzien van een langsscheeps getuigd zeil ( latijnzeil)










De Eendracht was uitgerust met een bemanning van 65 koppen en was voorzien van 19 kanonnen en twaalf draaibassen ( een onderstel waarop een licht verplaatsbaar geschut kon worden geplaatst ). Het schip stond onder commando van Willem Schouten.
De Hoorn een stuk kleiner dan de Eendracht had acht kanonnen en vier draaibassen en had 22 opvarenden.
Het schip stond onder commando van Jan Schouten, de jongere broer van Willem Schouten.
Jakob le Maire had het commando over de gehele expeditie. De leiders van de expeditie waren zich ervan bewust dat er een aantal kleinere vaartuigen nodig was voor de verkenning van de kusten en het uitvoeren van landingen. De Eendracht voerde daarom een grote zeilpinas en een kleinere roeipinas, een sloep en een kleine werkboot mee en de Hoorn had twee kleine boten.







De Eendracht was een klein formaat van een spiegelschip en was onder de boegspriet uitgerust met een galjoen.
Het schip was in de hoofdmast en de fokkemast voorzien van vierkant getuigde zeilen.
In de top van de bezaansmast was een vierkant getuigd zeil met daaronder een langsscheeps getuigd latijnzeil. 















De expeditie vertrok op 14 juni 1615 en had een voorspoedige reis tot Deseado (1) in de provincie Patagonië van het land Argentinië.
Bij deze kustplaats werd besloten de aangroei onder de waterlijn van de beide schepen te verwijderen, daar dit de vaarsnelheid van het schip deed afnemen.
De beide schepen werden op het strand getrokken om schoongemaakt te worden. Na het afschrapen van de aangroei besloot men de resten van de scheepshuid af te branden alvorens deze weer in de teer te zetten.
Bij het afbranden van de scheepshuid van de Hoorn ging het fout en vatte het schip vlam en brandde het bijna volledig uit.
Met man en macht wist men veel uitrusting en voorraden te reden, welke later werden overgebracht naar de Eendracht.
Na een maand vertrok de Eendracht opzoek naar de nieuwe doorgang ten zuiden van de Straat Magalhães 


Op 20 januari 1616 bevond de Eendracht zich ten zuiden van de ingang van  Straat Magalhães (2) en zeilde vijf dagen later door wat nu bekend straat als Straat Le Maire  (3) op weg naar de Stille Oceaan.
Na Juan Fernandez te hebben aangedaan voor proviand en drinkwater begon de Eendracht aan haar oversteek van de Stille Oceaan. Op deze oversteek overleed begin april Jan Schouten.

Na op de eilanden in de Indische Oceaan handel te hebben gedreven, arriveerde de Eendracht in de VOC-haven Bantam, waar de bemanning werd gedwongen het schip en haar volledige lading over te dragen aan de gevolmachtigde van de VOC aldaar. Men wilde namelijk niet geloven dat de Eendracht een nieuwe passage rond Zuid-Amerika had ontdekt en ging er vanuit dat men het monopolie van de VOC had geschonden.
Schouten, Le Maire en de overige bemanningsleden reisden terug naar Nederland aan boord van het VOC-schip Amsterdam, op deze thuisreis overleed Le Maire.
Bij terukeer in Nederland spande Schouten een proces aan tegen de VOC, wat twee jaar zou gaan duren. Uiteindelijk werd de wijlen Isaac Le Maire gecompenseerd voor de inbeslagname van zijn schip en lading en werd het bestaan erkend van de door de Schoutens en Le Maire gevonden nieuwe doorgang langs Kaap Hoorn. 





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen