maandag 16 oktober 2017

KURKUMA. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






KURKUMA.

De Latijnse naam is Curacuma longa. In de volksmond wordt het de gele gember genoemd.
Verder staat het bekend in het Surinaams-Nederlands als koenier, het Indisch-Nederlands als koenijt of als de Indiase geelwortel.

Kunyit is de van oorsprong Maleise naam van dit specerij, wat wordt gemaakt uit de wortel van de plant.
het is een vast bestanddeel van de kerriepoeder en geeft hieraan zijn gele kleur, wat de naam Indiase saffraan verklaart.
De meeste kurkuma-oogst komt uit India. het specerij heeft een milde bittere smaak.







De bloem bestaat uit vele kleine bloemen en hebben een paars-rode kleur.
De vermeerdering van de plant gebeurt net als bij de gember door scheuren van de wortel.
Anders dan bij de gember heeft deze plant iets meer ronde bladeren en kan de steel een meter hoog worden.



De wortel heeft een kurkachtige schil. Deze kan vers meegekookt worden, maar is ook als poeder in de handel.
Het wordt vaak toegevoegd om een gele kleur aan de rijst te geven. verder wordt het gebruikt als kleurstof voor inkt. 
Papier dat in een kurkuma oplossing is gedrenkt en vervolgens gedroogd, wordt wel als reagens gebruikt om de alkaliteit van het water aan te tonen. het krijgt hierbij een bruinrode kleur bij een omslag punt van pH 8-9.
Bij  hindoe festivals in India kleurt men vaak de handen geel hiermee.





GEMBER. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






GEMBER.

De Latijnse naam is Zingiber officinale. Deze naam is afgeleid van het sanskrit shringavera, hetgeen beteken "gevormd als een hertengewei".
De plant bereikt een hoogte van 0,6 tot 1,2 meter hoogte en heeft smalle bladeren welke 2 cm breed en 18 cm lang zijn.
De stengels van de plant ontspruiten elk jaar uit de knoppen van de wortelstok. De wortelstok is de grondstof voor de gember.



GESCHIEDENIS.

Het is niet met zekerheid te zeggen waar de eerste gemberplant vandaan komt. Men spreekt over het zuiden van China, maar ook over India.
De plant is door de eeuwen heen over de wereld verspreidt, van Azië naar West-Afrika en later zelfs naar de Verenigde Staten van Amerika.
Het zou een van de eerste planten zijn die uit het verre Oosten naar Europa zijn gebracht.
 Zo werd de plant door de Spanjaarden geïntroduceerd in Amerika. Deze was door Francisco de Mendosa mee gebracht uit Oost-Indië. In 1547 werd reeds gember vanuit Spaans-Zuid Amerika geëxporteerd.
De gemberwortel werd al in de eerste eeuw n.Chr. geëxporteerd naar Europa voor de lucratieve specerijenhandel. De route liep via India en de Rode Zee naar Alexandrië. Op vrachtbrieven uit 1228 van de haven van Marseille komt de import reeds voor.

Om gember te kweken heeft men een beschaduwde plaats nodig met een voedzame bodem.
De bloem is aarvormig, waarbij deze een lengte van 8 cm kan bereiken.
De kleur van de bloemen zijn bleekgeel met een purperachtig gekleurde lip met roomkleurige stipjes en streepjes.













De wortel heeft een kurkachtige schil. 
De plant wordt vermeerderd door de wortels te scheuren.
Men gebruikt dus de binnenkern van de wortel. Deze wordt veel gebruikt in Aziatische gerechten, geconfijt met suiker zo gegeten en ook als kruidengeneesmiddel gebruikt.
De wortel is vers, gedroogd en als poeder verkrijgbaar.
Familie van de gember is de Curcuma longa.


PEPER. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






PEPER.

Groene peper, rode peper, zwarte peper en witte peper het komt allemaal van de zelfde plant.

Peper is een specerij met een scherpe smaak en groeit als bessen aan de tropische peperplant. De smaak ontstaat door het bestanddeel piperine.

GESCHIEDENIS.

Peper werd reeds vermeld in de oude Indiase geschriften in het Sanskriet, waar het "pipali" genoemd werd.
Vis Perzië kwam het gebruik van peper bij de Egyptenaren en de Oude Grieken terecht. De naam peper zoals wij die gebruiken komt van het Romeins "piper".
Peper werd oorspronkelijk door de Arabieren naar Europa gebracht. Het oude Alexandrië werd de belangrijkste doorvoerhaven voor peper.
Al spoedig ging er een monopolie heersen over dit product en deze lag in de 15e eeuw bij de Italiaanse handelssteden Venetië, Genua, Pisa en Florence.
Door de ontdekking van de scheepvaartroute rond de Kaap de Goede Hoop door de Portugezen kwam dit product de "Portugese peper" in Europa terecht.
Ook de Hollandse VOC zag in dit kruid een aanzienlijke winst en wist door haar monopolie de prijs ervan hoog te houden.

PEPERPLANT.

De oorsprong van de plant ligt in India, maar wordt ook verbouwd in Sri Lanka, Indonesië, Maleisië, Vietnam, Cambodja en Brzilië.
De peperplant is een slingerplant die vaak andere bomen gebruikt om omhoog te klimmen en een hoogte van 15 meter kan bereiken.
Daar het een schaduwplant is zal deze gebruik maken van het bladerendak van de boom waarin zij zich omhoog groeit. Tevens houdt de plant van een vochtige warmte.
De plant draagt bessen van ongeveer 5 mm groot. De groene bessen groeien in trossen die ongeveer 12 centimeter lang zijn.


Door het bewerkingsproces van deze bessen kennen we vier soorten peper, die door de bewerking weer van sterkte in smaak verschillen. Vroeger weren deze bessen met de hand afgeritst, wat een tijdrovend werk was. tegenwoordig wordt dit machinaal gedaan.

Groene peper; ontstaat uit het plukken van de onrijpe vrucht, waarna deze wordt geconserveerd in azijn of zoutwater. Wordt veel gebruikt in salades en roomsaus.
Zwarte peper; ontstaat uit het plukken van de onrijpe vrucht, die bij het drogen bruin tot zwart zal kleuren. Door het drogen is de buitenkant gerimpeld.
Rode peper; ontstaat door de bes te laten rijpen aan de plant. Door het drogen krijgt deze een roodbruine kleur en wordt zoeter en zachter van smaak.
Witte peper; ontstaat uit de rijpe vruchten van de peperplant. Deze bessen worden geweekt in water, waardoor zij gaan gisten. De bessen barsten open en de korrel komt tevoorschijn. Deze korrel wordt goed gewassen. De witte peper ontstaat in feite door het verwijderen van de schil van de bes.
Witte peper is pikanter en aromatischer van smaak

Het langdurige verwerkingsproces van de witte peper en de rode peper maakt deze twee tot de duurste van de vier.





KRUIDNAGEL. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






KRUIDNAGEL.

De kruidnagel kwam gedurende de rondreis over Sri Lanka wel ter sprake, maar de bomen hebben we niet gezien in het landschap.
Sri Lanka is de vierde in de ranglijst op de wereld van de productie van de kruidnagel. De grootste is Indonesië, waar het grootste deel van de oogst wordt verwerkt in de kretek sigaretten.

De Latijnse naam is Eugenia caryophyllata.
De naam in het Nederlands kreeg dit kruid door zijn vorm die op een draadnagel of gesmede spijker lijkt.


GESCHIEDENIS.

In China en in Indonesië was de kruidnagel al eeuwen voor onze jaartelling bekend. Zo was het in het Oude China het gebruik, dat als men het woord wilde voeren tot de keizer, men eerst een kruidnagel in de mond moest nemen en op kauwen om de adem te zuiveren.
Vanaf het toenmalige Ceylon werden de kruidnagels over de karavaanroute naar Alexandrië vervoert, waar de Romeinen er kennis mee maakten en het weer introduceerden in Europa.
Gedurende de middeleeuwen werd de kruidnagel nog amper in Europa gebruikt daar zij te duur was en alleen de rijken gebruik konden maken van de medicinale werking van dit kruid. Door het ontdekken van de scheepvaart route rond Kaap de Goede Hoop, door de Portugezen kwam de handel van de kruidnagel in hun handen.
Zij veroverden de Molukse archipel. Kruidnagels werden toen alleen nog verhandeld in Lissabon en Antwerpen.
Ook de Hollanders zagen winst in deze handel en veroverden met hun troepen van de VOC de Molukken op de Portugezen in 1629 en stelden de doodstraf in op het illegaal verhandelen van dit product.

(Het lichte groen van de kruidnagel-bomen.)

Omstreeks de 17e eeuw had de VOC de gehele handen beperkt tot Ambon en enige kleine eilandjes ten oosten daarvan. Alle bomen buiten dit gebied werden omgehakt en de sultans van Ternate en Tidore kregen een financiële vergoeding. Daar waar de groei van de bomen nog was toegestaan, was men verplicht alle kruidnagels aan de VOC te leveren die het monopolie op deze handel zo had verkregen.
In 1770 lukte het de Kransman Pierre Poivre om in het geheim op de Molukken enige jonge kruidnagel boompjes te bemachtigen, die hij op Mauritius in de botanische tuin plantte.
De boompjes groeiden naar tevredenheid en werden daar vandaan in 1818 naar Zanzibar en Pemba geïntroduceerd.

WAT IS DE KRUIDNAGEL?

De kruidnagels zijn de gedroogde bloemknoppen van een tropische boom uit Zuid-Oost Azië.
De knoppen worden geplukt voordat deze in bloei komen en worden hierna gedroogd in de zon bij kleine lokale producties.
Bij grote hoeveelheden wordt dit tegenwoordig in een fabriek gedaan.





De kruidnagel werd oorspronkelijk meer als een medicijn gebruikt, dan als een kruid in de gerechten.
Vooral in de Indiase geneeskunde, de Ayureda genaamd, wordt de kruidnagel al eeuwen gebruikt om zijn  weldadige eigenschappen.
Ze bevatten onder andere de stof eugenol, een sterk ontsmettend middel en is actief tegen virussen en bacteriën.
Het helpt bij kiespijn door op een kruidnagel te kauwen maar ook bij een opkomende keelpijn door op een nagel te sabbelen, het vocht zal de bacteriën doden.
De kruidnagel wordt in  zijn oorspronkelijke gedroogde vorm. gemalen en geperst als olie in de handel gebracht.
Bekend is de Friese kruidnagelkaas.



vrijdag 6 oktober 2017

VLIEGENDE HOND OF VOS. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






VLIEGENDE HOND OF VOS.

Tijdens onze vaartocht in de delta van de Maduwa rivier, zagen we hoog in de bomen de vliegende honden hangen.
Deze ook wel 'vleerhonden' (Pteropodidea) genaamd bestaan uit een familie van 200 soorten in ongeveer 45 geslachten.
Het soort dat voorkomt op Sri Lanka staat bekend onder de naam 'vliegende vos' of 'Indische reuzenkalong' (Pteropus giganteus).
Deze dieren kunnen een spanwijdte hebben tussen de 24 en de 180 centimeter.

Hun gewicht kan oplopen tot een kilo voor de grootste soort de kalong.
De kleinste soorten verschillen qua grootte nauwelijks van de vleermuissoorten die niet tot deze familie behoren.
Er zijn kleine soorten, zoals de 'kleine epaulettenvleerhond' die tussen de 15 en 20 gram wegen.
Vleerhonden danken hun naam aan hun typerende kop, die overeenkomsten vertoont met die van een hond of een vos.
Ze hebben spitse oren en relatief lange nekharen.
Vleerhonden hebben relatief grote ogen aan de voorkant van hun kop, zodat ze zien met een stereoscopisch beeld. Daardoor kunnen ze de afstand precies inschatten.

Omdat ze niet op jacht hoeven, zoals de andere vleermuizen, missen de meeste vliegende honden het orgaan dat echolocatie mogelijk maakt. het zijn nachtdieren die zich oriënteren middels hun gezichts- en reukvermogen.

Vleerhonden komen voor in Afrika, Azië en Australië.
Ze leven in tropische en subtropische bosrijke gebieden.
 De meeste vleerhonden zijn frugivoor, dat wil zeggen dat ze hoofdzakelijk van fruit leven.
Ze kunnen een ware plaag zijn voor de mango- en bananenplantages.
Kleinere soorten leven van nectar en stuifmeel.
De voortplanting geschiedt hangend in de boom, waarbij het vrouwtje door de vleugels van het mannetje wordt omringt. Na een zwagerschap van zes maanden wordt er één hooguit twee jongen geboren. Bijzonder aan deze familie is dat de zogende vrouwtjes in aparte groepen bij elkaar hangen. Na de geboorte blijft de moeder nog een maand bij het jong, maar na deze periode zal ze jong achterlaten in de verblijfplaats om voedsel te gaan zoeken. Na twee maanden kan het jong zelf vliegen, maar het zal dan nog een maand duren eer het zelf meegaat op zoek naar voedsel. Tussen 4 en zes maanden is het geheel onafhankelijk, maar wordt pas na 18 maanden vruchtbaar.
Natuurlijke vijanden zijn arenden, grote uilen, boomslangen, varanen en de mens. De laatste wegens bescherming van zijn fruitoogst, maar ook om ze op te eten, wat in Afrika veel voorkomt.
Vleerhonden kunnen ziekte veroorzakende bacteriën en virussen overdragen aan de mens en zijn huisdieren, zonder dat zij zelf symptomen hebben van die ziekte, maar hebben wel veel antistoffen in hun bloed. Zo waren er vleerhonden positief bevonden op het ebolavirus in Afrika.



AZIATISCHE OLIFANT. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.





AZIATISCHE OLIFANT.

De Aziatische olifant kreeg de wetenschappelijke naam in 1758 van Elephas maximus.
De Aziatische olifant kan in het wild een leeftijd bereiken van gemiddeld 60 jaar.
Het mag dan verre familie van elkaar zijn, toch zijn er duidelijke verschillen tussen de Aziatische- en de Afrikaanse olifant.
Links op de afbeelding (1) de kop Aziatische olifant er (2) de kop van de Afrikaanse olifant.
De Aziatische olifant is veel kleiner dan zijn Afrikaanse soortgenoot, zijn schouderhoogte ligt ongeveer tussen de 2 en 3,5 meter en het gewicht tussen de 3000 en 5000 kilo.


Een ander duidelijk verschil zijn de oren die veel kleiner zijn en naar beneden wijzen en meer tegen de kop liggen. Een van de redenen is dat de Aziatische olifant in meer dicht bosrijk gebied woont en zo zijn oren niet beschadigd. 
tevens verliest de Aziatische olifant zijn warme niet door met zijn oren te flapperen zoals zijn Afrikaanse soortgenoot, maar gebruikt hier zijn slurf voor, wat de Afrikaanse niet doet.
ook heeft de Aziatische olifant pigment vlekken op zijn oren.
Een mannetje wordt stier of bul genoemd, het vrouwtje koe of vaars en het jong is een kalf.
Bij de Aziatische olifanten heeft alleen het mannetje slagtanden.



De slurf van de Aziatische olifant (links) heeft aan het einde een vinger aan de bovenkant.
Zijn Afrikaanse soortgenoot (rechts) heeft boven en onder aan het einde van de slurf een vinger.

Verder verschillen de vorm van de kiezen. (linksonder)



Buiten de kiezen verschillen ook het aantal nagels aan de poten van deze olifanten. 
De Aziatische olifant heeft aan zijn voorpoot vijf nagels en aan zijn achterpoot vier nagels (rechts).
De Afrikaanse olifant heeft aan zijn voorpoot Vier nagels en aan zijn achterpoot drie.

De Aziatische olifant wordt onderscheiden in vier soorten: Ceylon-olifant of Sri Lankaanse olifant (Elephas maximus maximus); de Indische olifant (Elephas maximus indicus); de Sumatraanse olifant (Elephas maximus sumatresis en de Borneo olifant (Elephas maximus borneensis).

De Ceylon olifant is de ondersoort van Aziatische olifant en leeft op Sri Lanka. Ze zijn donkerder van kleur en het zwaarst. Hij valt op omdat vaak slagtanden bij de bullen ontbreken.

De Aziatische olifant eet gemiddeld per dag 150 kilogram plantaardig voedsel, drinkt 80 tot 160 liter water en is zodoende daar 18 uur van de dag mee bezig. Daarbij produceren zij 100 kilo mest per dag, waarin zich nog veel onverteerde etensresten bevinden.


Een vrouwtjes olifant is in het wild pas na 8 jaar vruchtbaar en een mannetjes olifant pas later.
Bovendien zorgt de rangorde ervoor dat een jonge stier nog niet in staat is om te paren. Pas bij het veroveren van een hoge rang mag hij paren en dat is ongeveer met de leeftijd van 25 jaar. De draagtijd van het vrouwtje bedraagt 22 tot 23 maanden en een geboren jong heeft een gewicht van 80 tot 115 kilogram.
Bij de vrouwtjes bevinden zich de tepels tussen de voorpoten. Het jong zwaait de slurf opzij en zet zijn mond om te tepel van de moeder, net zoals de andere zoogdieren drinken.


Een olifant kan  twee jongen tegelijk zogen. Jonge olifanten kunnen ook bij andere vrouwtjes drinken die melk geven.
Na de geboorte kan het jong al meteen lopen en gaat na twee dagen met de kudde mee. Hij blijft in het begin dicht bij de moeder.
Binnen een groep olifanten lopen de vrouwtjes aan de buitenkant om de kleintjes in het midden te beschermen tegen hun natuurlijke vijanden, de hitte en de zon. Verlaten de vrouwtjes de kudde om voedsel te zoeken, dan blijven de jongen achter bij een "oppasolifant".



                             (Kijk jongens zo doe je het als je later groot en oud genoeg bent.)


ORANJE IN HET BOEDDHISME. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






ORANJE IN HET BOEDDHISME.


In de Aziatische landen is het direct duidelijk wie er precies boeddhist is en wie niet, althans onder de professioneel religieuzen, hetgeen wil zeggen de monniken en de nonnen.
Zij dragen kenmerkende kleding zoals die door de regels van de sangha worden voorgeschreven.





De volgelingen van Boeddha, de monniken (bhikkhu's) en de nonnen ((bkikkhuni's) droegen oorspronkelijk kleding die was weggegooid, vaak ging het om lijkwaden of andere kleding stukken die achterbleven na een crematie.
Deze kleding werd gekookt in saffraanwater of in dat water dat was vermengd met kasaya leem.
Dit verklaart de typerende roodachtige of geelachtige kleur van de pijen. De haren werden afgeschoren hetgeen een teken was van rouw en dood, het uitreden van het wereldse leven.



Boeddha bereikte zijn verlichting uiteindelijk in Bodh Gaya, nadat hij eerst een gave van kwark had aangenomen van het herdersmeisje Sujata.
Hij verbrak daarmee zijn periode van zware ascese.
Vervolgens wisselde hij zijn kleding met de lijkwade van een dienares van Sujata die net was overleden. Gekleed in dit doodsgewaad ging hij zitten onder de Bodhi boom en kwam hij na 49 dagen tot zijn ultieme inzicht.
De 49 dagen is eveneens cruciaal in deze, daar het voor veel Aziaten 49 dagen duurt voor een persoon opnieuw incarneert na zijn dood.

De kleur oranje komt ook voor in de Boeddhistische vlag; het staat symbool voor wijsheid en de leerlingen van Boeddha.
Oranje wat nu al duizenden jaren de kleur van het Boeddhisme is, wordt ook gezien als de kleur van de verlichting, de rijzende zon en het geestelijk en spiritueel ontwaken. De gewaden staan symbool voor het achterlaten van het normale wereldse leven


PAALVISSERS. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.







PAALVISSERS.

De afbeelding van de paalvissers  aan de stranden rond Colombo is het toeristische plaatje geworden van Sri Lanka, Maar zijn het nog wel die paalvissers van toen?

De kust van Sri Lanka heeft mooie zandstranden, waarop kleurrijke bootjes liggen en omringt zijn door palmbomen.
Meer naar het zuiden is een strook met rotsen en daarvan wordt handig gebruik gemaakt door de paalvissers.
Ze plaatsen een stevige paal tussen de rotsen en aan de paal bevestigen zij een zijstokje, waarop de visser kan zitten tijdens het vissen.
Dit wordt dan ook meestal gedaan in de vroege ochtend of laat in de middag, want in die periode is de vangst het grootst.
Van oudsher werd er gevist met een baboe hengel, maar tegenwoordig wordt ook al de werphengel gebruikt.



Wat is de reden dat deze vissers op een stok zitten? Na de WO-II waren er zeer veel vissers, maar er was geen voldoende ruimte op de rotsen voor al deze vissers. Om dit gebrek aan ruimte op te lossen, besloten enkelen van hen om ijzeren palen, overgebleven uit de kustbescherming van de oorlog, in het rif te plaatsen. Al snel werden deze ijzeren palen schaars, daar ook handelaren in oud ijzer er brood in zagen. Als alternatief plaatsten de vissers houten palen.
Ze vissen niet met een net, daar deze de vissen verjagen, maar omdat ze ook in het rif vast komen te zitten, tevens bestaat de kans met het vissen met een net dat de vissen verder de zee worden
opgedreven. Het afwachtende visgedrag van de paalvissers zorgt er dus voor dat men kan blijven vissen op de zelfde locatie.
De echte paal- of steltvissers zijn zo goed als uitgestorven door de moderne visvangst op zee.
gelukkig voor de toeristen die het willen zien, zijn er nog enkele vrijwilligers die in ruil voor een flinke fooi een stok beklimmen en de vissende houding aannemen. Zo blijft een oude traditie toch nog te zien en te fotograferen, als reclame voor Sri Lanka.



donderdag 5 oktober 2017

TEMPELWACHTERS EN HALVE MAANSTEEN. SRI LANKA RONDREIS.

SRI LANKA RONDREIS.






TEMPELWACHTERS OF WACHTERSTENEN.

 Aan de voet van de trap naar de tempel staan aan beide zijden twee stenen wachters: fraaie beelden die zijn uitgekapt uit rechthoekige platen met een ronde, vaak rijkversierde bovenrand.
Het geeft de voorstelling van de koning weer in een gracieuze houding, met een versierde tiara op het hoofd en met daarboven als in een aureool zeven koppen van de beschermende cobra (naga).
In de ene hand houdt de wachter een vaas met bloemen en in de andere hand een bloeiende tak: beide symbolen van voorspoed. Vaal is de cobra ook afgebeeld beneden in een hoek, waar een kleine dikbuikige dwerg (bhoeta) of boze geest vol schrik naar de slang kijkt en om genade vraagt.
Het dikbuikige figuurtje ook vaak afgebeeld onderaan iedere traptrede, wordt ook wel ganna genoemd en is in die hoedanigheid een symbool van de welvaart.

MAANSTEEN EN DE SYMBOLEN.

Tussen de beide stenen wachters ligt onderaan de trap voor het boeddhisme in Sri Lanka de zo typerende maansteen, het is een halfcirkelvormige drempelsteen die de toegang vormt tot de trap. deze steen is versiert met beeldhouwwerk in halve concentrische cirkels, waar zich in het midden een halve lotusbloem bevindt. De treden tot de tempel stellen de verschillende fasen voor die de gelovige moet doorlopen om tot een verlossing te komen.
Het beeldhouwwerk van de maansteen moet de geest van de pelgrims beïnvloeden. De afbeeldingen kunnen verschillen, wat blijkt uit de beschrijving van een maansteen zoals die te zien is in Anuradhapura en andere tempels.

De buitenste kring met de vlammende tongen maakt de pelgrim duidelijk dat hij als eerste stap de wereld met haar verlangens en begeerten de rug moet toekeren.
Dan volgt de kring die duidelijk maakt wat het lijden in dit korte aardse bestaan inhoudt, gesymboliseerd door dieren: geboorte door olifanten, ouderdom door stieren, ziekte door leeuwen en de dood door paarden.
De volgende kring, met bladeren en bloemen, symboliseert het binnendringen van verlangens en begeerten in de mens.
Het moment dat de mens het verschil tussen goed en kwaad kan onderscheiden is aangegeven door een kring ganzen. De ganzen kunnen volgens overlevering melk drinken uit een mengsel van melk en water zonder een druppel water binnen te krijgen. 
Dan volgt de kring van bloeiende waterlelies, tekenen van beheerste verlangens. Vervolgens bereikt de gelovige de halve lotus. Staande op deze steen, de wereld de rug toekerend, overweegt hij de vier geestvervoeringen die Boeddha brachten tot het hoge inzicht. De vier of meer treden leiden omhoog naar het terras van het heiligdom. Hier staat een beeld van Boeddha, een uitbeelding van het bereiken van het inzicht.