zaterdag 29 september 2018

AFRIKAANSE OLIFANT; DE LAATSTE DER GROOTSTEN. (VERHAAL)

AFSCHEID VAN EEN DER LAATSTE

   DER GROOTSTE ZOOGDIEREN

           LEVEND IN HET WILD 

               OP ONZE AARDE.



DE AFRIKAANSE OLIFANT.

De Afrikaanse olifant is het grootste landdier ter wereld met de wetenschappelijke naam Loxodonta.
We onderscheiden de Savanneolifant en de Bosolifant. De Savanneolifant heeft een schouderhoogte van gemiddeld 3,3 tot 4,2 meter, een gewicht van 6.000 tot 12.250 kilo en het wijfje heeft een draagtijd van 22 maanden.
De Bosolifant heeft een gewicht van 2.700 kilo. Hun leeftijden liggen tussen de 60 tot 70 jaar.
Beide soorten worden zwaar bedreigd met uitsterven vanwege de stroperij op het ivoor van hun slagtanden.

De Afrikaanse olifant is groter dan de Aziatische olifant en er zijn duidelijke verschillen tussen de twee soorten.
1; De Aziatische olifant en 2; de Afrikaanse olifant.
De oren van de Aziatische olifant (in de vorm van India) zijn veel kleiner dan de oren (in de vorm van het werelddeel Afrika) van de Afrikaanse olifant.
De Afrikaanse olifant gebruikt zijn oren door met ze te flapperen om zich te koelen, wat de Aziatische olifant niet doet.
Een ander groot verschil is, dat de bij de Afrikaanse olifant zowel het mannetje als het vrouwtje slagtanden heeft, wat bij de Aziatische olifant niet het geval is en
alleen het mannetje slagtanden heeft. 

Een ander verschil is de vinger aan de slurf. De Aziatische olifant (links) heeft aan het einde een vinger aan de bovenkant; de Afrikaanse olifant (rechts) heeft boven en onder aan het einde van zijn slurf een vinger.


Buiten de kiezen verschillen ook het aantal nagels aan de poten van deze olifanten. De Aziatische olifant heeft aan zijn voorpoot vijf nagels en aan zijn achterpoot vier.
De Afrikaanse olifant heeft aan zijn voorpoot vier nagels en aan zijn achterpoot drie.

Beide soorten zijn opportunistische herbivoren, die in matriarchale groepen leven: de vrouwtjes leven in groepen, onder leiding de de oudste of grootste sterkste koe. Het zijn over het algemeen familie groepen welke hun hele leven bijeen blijven. Niet vruchtbare vrouwtjes zorgen tevens voor de kleine olifanten als de moeder wegvalt. Worden de groepen te groot dan splitsen ze zich vanzelf op, maar blijven vriendschappelijke banden onderhouden. De mannetjes leven in losse mannengroepen. Wordt een mannetje te oud om nog te kunnen dekken, dan verlaat hij de groep en leeft alleen verder.




HET VERHAAL VAN DE LAATSTE DER GROOTSTEN

Een verhaal over een van de laatste grote olifanten, dat door de rangers van de natuurparken in geuren en kleuren wordt verteld en wat gedeeltelijk op waarheid en fictie berust. We gaan terug naar het jaar 1915, waarin onder leiding van de Duitse generaal von Lettow-Vorbeck, de Duitse tropen Oost-Afrika teisterden en grote kuddes olifanten achteloos werden afgeslacht voor hun ivoor.
We noemen onze olifant Furie (afkorting van Furious uit het Engels oftewel 'woedende' in het Nederlands.)



Het was in die periode. dat zijn forse moeder na 22 maanden zwangerschap haar kalf moest baren.
Samen met een onvruchtbaar ander vrouwtje, dat al jaren haar metgezellin was, verliet ze de kudde en trol naar de moerasgebieden van de Zambesi rivier en baarde tussen het papyrusriet op een zandbank haar eerste mannelijke jong. In haar leven was ze door zes stieren van de kudde bestegen en gedekt.


Haar metgezellin fungeerde als vroedvrouw en zo baarde zij dan haar eerste zoon.
Nog bedekt met het vlies. dat de metgezellin begon te verwijderen, en nog gedeeltelijk blind, trachtte het met roze haren bedekte jong op eigen poten te gaan staan en zocht met zijn slurfje naar de tepels van zijn moeder. Ze bleven gezamenlijk op de zandbank totdat het jong wist zijn poten te gebruiken, voordat zij terug keerden na de kudde. Intussen was het pigment van zijn huid donker geworden en  hadden zijn ogen zich aangepast aan de felle Afrikaanse zon.
Met veel kabaal en getrompetter werd het kalf verwelkomd in de kudde, waar hij door iedere soortgenoot werd besnuffeld om zijn geur te leren kennen en zo elkaar later altijd weer te kunnen herkennen. In de enorme kudde leerde hij snel zijn plaats kennen en genoot van zijn twee jaar durende kleuter tijd.

In deze periode verloor hij zijn melktanden, waarmee hij was geboren, waarna zijn echte slagtanden naast zij lippen doorkwamen.
Hij leerde om op alarmsignalen te reageren  en groeide al snel op spelenderwijs in door de koeien beschermde omgeving in het centrum van de kudde.
Op zijn derde jaar wist hij welke houding hij moest aannemen om anderen te bedreigen of zich aan hen te onderwerpen. Hij groeide onstuimig op en ontwikkelde zijn ongewoon robuuste lijf verder.


Het leefgebied van deze kudde strekte zich uit van de oevers van het Nyasameer in Melawi tot aan de regenwouden van het Chimanimanigebergte in Zimbabwe. Naar het westen van het stroomgebied van de Zambezi rivier tot aan de kust van de Indische Oceaan in Mozambique en vaak grensoverschrijdend in het noordelijke deel van Zuid-Afrika. Zo leerde Furie de bergpassen en de eeuwenoude olifantenpaden, plaatsen waar de aarde zoutrijk was en de mineraalrijke aarde uit de grond wrikten. Het belangrijkste was de kennis van de oudste koe die hen in de droogte periode naar plaatsen leidde  waar ze water konden vinden. Ze moesten iedere dag drinken om hun conditie op peil te houden en hun huid schoon  te houden door zich in de modder rond te wentelen.
Maar oorlogen in het gebied deden de kudde vaak van hun beschermde plaatsen afwijken. Ze hadden geen angst voor de lokale, halfnaakte primitieve stammen, die meer angst voor hun hadden, maar Furie leerde snel, dat de lucht van een menselijk wezen niet veel goeds voorspeld en het de kudde onrustig maakte. 


Furie reeds tien jaar oud toen hij zijn eerste ontmoeting met de mens had.

De oude leidster van de kudde. leidde de kudde tegen de windrichting in en snoof de geur op van aangeplante maïs op een kortgeleden geïrrigeerd gebied. De kudde kreeg de lucht te pakken en stormde zich op het maïsveld, rukte de planten uit de grond en propte zich vol. Het werd er een grote ravage.
Ze hoorden ineens geschreeuw van mensen en het slaan op drummen en door dit helse spektakel sloegen sloegen ze in paniek op de vlucht , en terwijl ze het veld uitstormden klonken er geweerschoten en waren er lichtflitsen te zien van het geweervuur. het was de eerste keer dat Furie de lucht van verbrand cordiet leerde kennen. Enkele uit de kudde werden geraakt en gilden van de pijn en vielen neer door bloedverlies. Ook dit vreselijke gegil zou hem altijd bijblijven.
Een van de koeien kon nog meekomen, maar zakte later in elkaar door het bloedverlies. Gezamenlijk trachten ze haar overeind te houden, maar het was zinloos. Ze raakten met hun slurf de gevallen dode koe aan om afscheid te nemen. De kudde trok verder, maar de leidster bleef achter en Furie bleef bij haar en gezamenlijk bedekten ze het kadaver met afgerukte boomtakken.


Het nog zogende jong trachtte bij zijn moeder achter te blijven, maar werd door de leidster tussen haar voorpoten naar voren  geduwd en leidde het naar naar een moeder die nog een zogend jong had.
Zo trok de kudde verder, landsgrenzen overschrijdend, maar het leek of zij steeds meer met mannen met vuurwapens in aanraking kwamen. De volwassen stieren die een losse band met de kudde hadden, dwaalden alleen of in kleine vrijgezellen groepjes van de kudde af, maar leken deze altijd weer terug te vinden.
Furie was volwassen geworden in de jaren en in die tijd hadden er zes enorme stieren tot de kudde behoord, maar in die jaren waren zij een prooi geworden van stropers en jagers.
Zo snel als Furie groeide zo snel ging de gezondheid van zijn moeder, de leidster achteruit. Ze had nog maar een enkele afgebroken kies, kon zodoende niet genoeg voedsel verwerken en raakte vel over been en namen haar krachten af. Bij het bereiken van een drassige drinkplaats raakte een jonge olifant vast te komen zitten in de zuigende modder, de leidster trachtte het dier te hulp te komen en raakte zelf vast in de zuigende modder die haar langzaam naar beneden zoog. Na twee dagen nutteloos vechten gaf zij het op, haar gegil werd zwakker en zwakker en haar ademhaling was nog een sissend geluid. Furie bleef al die tijd bij haar terwijl de kudde verder trok. Hij bedekte het kadaver van zijn moeder met takken en zwierf alleen door het landschap.
Het duurde twee jaar eer hij zich weer bij de kudde aansloot en in die tijd was hij geslachtsrijp geworden en kon hij de bronsgeur die door de wind werd meegevoerd niet weerstaan. 


Hij vond de kudde terug aan de oever van de Zambezi rivier en werd door hen verwelkomt door het verstrengelen van hun slurf en het tegen elkaar drukken van hun voorhoofd. 
In de kudde waren twee bronstige koeien en een van hen was van de zelfde leeftijd als Furie.
Het duurde dan ook niet lang eer ze het liefdesspel bij elkaar uitvoerden en elkaar prikkelden tot het uitoefenen van de geslachtsdaad. Furie leidde haar de rivier in waar eerst het spel verder ging, waarna hij haar nam en zijn voortplantingsdaad uitvoerde.
Hierna verbleef hij nog enige tijd bij de kudde om op een zekere dag alleen te vertrekken en weg te blijven tot het volgende seizoen.
In de daarop volgende jaren groeide hij uit tot een volwassen stier van zeven ton, drieënhalve meter hoogte, enorme slagtanden en wist zijn positie in de kudde onder de stieren zeker te stellen. Zijn enorme lichaam had veel voedsel nodig en hierdoor verloor hij de waakzaamheid uit het oog en kwam in aanraking met jagers toen hij zich te goed deed aan jong gewas.


Olifanten hebben een slecht gezichtsvermogen en ze kunnen stilstaande voorwerpen op slechts enkele meter afstand niet onderscheiden, maar beweging nemen ze ogenblikkelijk waar. Bovendien liggen hun ogen ver naar achteren in hun kop, waardoor ze minder goed recht vooruit kunnen kijken en hun oren belemmeren hun achterwaart zicht.

De jagers naderden hem van achteren, maar een onverwachte beweging alarmeerde Furie op het moment dat de jager zijn schot loste. Hij raakte met het schoot de kop net boven het linkeroog, maar de schedel ving de klap op. Woest en brullend draaide Furie zich om in de richting vanwaar het schot was gelost en schoot razend snel met uitgestrekte slurf in de richting van de jager welke struikelde. Door zijn val bevond hij zich direct onder de uitgestrekte slurf. Hij trachtte nog een schot te lossen, maar de slurf kreeg hem te pakken om zijn been. Woedend sloeg Furie het lichaam van de jager tegen een boom tot het in stukken uiteen viel. Hij had wraak genomen en besefte dat de mens voor hem een dodelijk gevaar was. De wond op zijn kop genas, maar inwendig was hij veranderd.
Hij vocht met andere stieren om de koeien in de kudden en werd een dwangmatig plunderaar van stukken landbouwgrond met gierst, maïs, zoete aardappelen en suikerrriet. In het begin liet hij zich wegjagen door brandende fakkels en trommels, maar begon op de duur de mensen zelf aan te vallen bij zijn acties.

Vreemd genoeg bleef Furie steeds weer de contacten met mensen opzoeken. Plunderde gewassen en en koelde zijn woede zelfs tegen motorvoertuigen.
Zijn slagtanden bleven gestaag groeien tot enorme afmetingen, maar hij was er mee gestopt de kudde op te zoeken en zwierf ver weg uit de beschermde gebieden. regelmatig trachtten lokale bewoners en stropers hem te doden, wat niet lukte en waar hij alleen verwondingen aan overhield welke een constant etterend abces werden. Angstige inheemse bewoners die hem bezig zagen vanuit de verte met het uit de grond trekken van bomen noemden hem de 'woedende'.
Bij een van de acties van de parkopzichters, was het gelukt door een verdovingsspuit, om hem een band met zender om zijn nekt te doen op zo zijn spoor te kunnen volgen, maar zelfs deze band wist hij los te krijgen. Buiten het beschermde gebied van de parken was hij vogelvrij.


Op deze wereld zijn er mensen die er veel geld voor over hebben om op groot wild te kunnen jagen in Afrika. Ze betalen achteloos een paar duizend dollar voor het afschieten van een mannelijke leeuw om de kop thuis als trofee aan de muur te hangen. Voor dit soort jagers worden speciale vergunningen afgegeven en zij trekken voorzien van een geheel kampement onder toezicht van een safarigids er op uit om hun wild af te schieten, en zo kwam ook Furie op het verlang lijstje van een jager te staan, vanwege zijn enorm grote bijna gelijke slagtanden.



Furie keerde steeds terug naar het moerasland aan de oevers van de Zambezi, wat hij herkende als zijn geboorte grond. Hij vond het water er koeler en zoeter en het gras groeide er weelderig, het gaf hem een gevoel van diepe vrede. Hij had intussen de leeftijd van zeventig jaar bereikt. Zijn gewrichten deden hem pijn en zodoende liep hij met een stijve geforceerde gang.  Zijn verweerde oude kop werd door het gewicht van zijn ivoren slagtanden van 70 kilo per stuk omlaag getrokken. Hij voedde zich nog enkel met gras en papyrus, daar zijn kiezen volledig waren versleten en hij geen jonge takken meer kon kauwen. Hij vermagerde en zijn huid hing als een zak om zijn lichaam, maar zijn haat tegen het menselijk wezen werd alleen maar groter.

De safarigids liet het kampement opbouwen tot een geriefelijk onderkomen voor zijn goed betalende gast. Generators voor licht en de koelkasten, waarin buiten de beste dranken het duurste voedsel werd opgeslagen, zodat de koks en het overige personeel aan de wensen van de gast konden voldoen. Spoorzoeker werden er op uit gestuurd om Furie te lokaliseren. Furie wist ze steeds voor te blijven en ontdekte het kampement eerder , dan de spoorzoeker hem lokaliseerden.
Zo viel hij in zijn woede het kampement aan na enige dagen, vertrapte alles en slingerde met zijn slurf alles in het rond. Zelfs een safari-jeep moest het ontgelden. het personeel wist nu weg te kunnen vluchten. De safarigids besloot de jacht voorlopig op te schorten, maar zijn gast wilde er niets van weten, het enigste waar hij aan kon denken waren de twee enorme slagtanden als trofee thuis aan de muur. Terwijl ze die nacht zo goed als mogelijk doorbrachten met dat wat was overgebleven van het kampement, sloop de jager het kampement uit om zich bij een eerder door Furie gebruikte drinkplaats zich te verschuilen onder een enorm dikke boom. Hij voelde de nabijheid van het dier.
Vermoeid als hij was viel hij onder de boom in slaap en ontwaakte bij het eerste daglicht en wreef de slaap uit zijn ogen. Hij had het gevoel of dat hij oog in oog stond met zijn prooi. 
Furie was zeer in de nabijheid van de jager, maar kon hem niet zien door zijn beperkte gezicht vermogen en had ook zijn geur nog niet geroken. 
Toen maakte de jager een enorme fout; hij stak zoals iedere ochtend gewend te zijn een sigaar op en blies vol genot de rook uit zijn longen. Furie kreeg deze lucht in zijn neus en het leek of daarmee al zijn haat en woede tegen het menselijke wezen zich samenpakten en stormde het struikgewas uit waarin hij stilletjes verborgen was geweest in de richting waarvan de rook vandaan kwam.
Hij stormde recht op de jager af  die tegen de boom geleund stond. Deze wist op het laatste moment zijn geweer te richten en schoot de aanstormende Furie in zijn kop en dode hem, maar de enorme massa van het dier werd niet afgeremd. Furie zakte door zijn voorpoten, ploegde met zijn slagtanden de grond om en en kwam met zijn kop tegen de boom tot stilstand. Zijn kop had de jager die zich van schrik niet meer had kunnen bewegen geplet tegen de stam van de boom. beiden waren één geworden in deze uitbeelding van de dood. Toen de safarigids en zijn personeel hen vonden lieten zij hen zo achter als eerbetoon aan Furie.



Dit verhaal heb ik geplaatst als eerbetoon aan hen die hun best doen het leven van deze dieren te reden voor het nageslacht. Soms moeten ze dit zelfs met de dood bekopen bij een treffen met stropers doe meestal zwaarbewapend zijn en er zelfs niet voor terugschrikken om hun slag te slaan in de beschermde wildparken voor het ivoor van de slagtanden van de olifant of de hoorn op de neus van de neushoorn. Het zien van deze dieren in hun eigen leefomgeving is zeer indrukwekkend  en onvergetelijk.



vrijdag 24 augustus 2018

INDONESIË 'DE GORDEL VAN SMARAGD' EN HAAR BEWONERS. (DEEL 2)


HET DUIZEND EILANDEN 

     RIJK INDONESIË. (2)





DE EERSTE BEWONERS.

(Homo erectus uit het pleistoceen. ca. 5000.000 jaar oud.)

De eilandbewoners uit de lang vervlogen prehistorische tijden hebben weinig getuigenissen  van hun dagelijks leven nagelaten, tot dusver zijn alleen wat stenen gebruiksvoorwerpen, vervaardigd uit kiezel of steenslag, gevonden op Java, Kalimantan, Sulawesi, Flores en Timor.
Andere gebruiksvoorwerpen moeten uit been, bamboe en hout zijn vervaardigd. Naar alle waarschijnlijkheid hebben zij geleefd als nomaden, verenigd in kleine groepen, en voorzagen zij zich in hun levensonderhoud met het jagen op dieren en het verzamelen van plantaardig voedsel.
Etnisch gezien is Indonesië een van de meest gecompliseerde gebieden ter wereld. Maleise volkeren drongen onophoudelijk op in oostelijke richting en overstroomden het land. Door het doorbreken van de verbindingen tussen de hoger gelegen gebieden werden zij onderling van elkaar afgescheiden en ontstond er een soort eigen volk. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de Dayaks op Kalimantan, de Bataks op Sumatra en de Toraja's op Sulawesi.


Op Java werden de eerste resten van de 'rechtop lopende aapmens' gevonden, die men nu homo erectus erectus noemt, welke grote overeenkomst vertoond met die in China gevonden sinanthropus pekinensis.

(Met de moderne kennis van tegenwoordig zou de mens er zo hebben moeten uitzien als op linkse afbeelding.)





DE HUIDIGE BEVOLKING.

Het is eigenlijk niet mogelijk om het enorme aantal Indonesische volksstammen nu in te delen in 'genetisch-etnische'groepen, omdat deze indeling in werkelijkheid nooit bestaan heeft. Van oorsprong zijn de Indonesiërs afkomstig van het Maleise schiereiland, maar ten gevolge van het feit dat vele stammen in de prehistorie lange tijd geheel afzonderlijk van elkaar hebben gewoond en daardoor verschillende beschavingsvormen hebben aangenomen, is er een grote verscheidenheid van volken ontstaan.



(Links een Balinees en rechts een Javaan.)

De Atjehers in Noord-Sumatra, de Bataks, de Manailing en Minanggkabauers, de Maleiers van de Samantraanse oostkust, de bewoners van de Lampong en die van rondom Palembang, de Batammers en Javanen op Java, de Toradja's in Midden-Sulawesi en de Manadonezen in het noorden, de Dajak's van Kalimantan, de Balinezen en andere volken van de Kleine Sunda-eilanden, de bewoners van de Molukken en op Irian, zij allen vormen een bont tapijt, uiterlijk en innerlijk, in hun zeden en gebruiken, dat zo kenmerkend is voor de Indonesische samenleving. 


 (Links een vrouw van Celebes en rechts een vrouw van Kalimantan.)









De volken van Sumatra, met name de Bataks zijn over het algemeen extrovert; de Atjehers en de Minangkabauers zijn overtuigde moslims. Ook de Mandailing zijn moslims, terwijl hun Batakse buren voor het merendeel tot het christelijk geloof zijn overgegaan.. beide volken hebben een grote hang naar onafhankelijkheid en zijn bekwame handelaars en hebben een uitgesproken aanleg tot studeren.


 (Een Sumatraanse vrouw met kind.)

De Javanen zijn meer introvert en vriendelijker in de omgang, zij neigen veelal tot de mystiek en zijn beschouwelijk van aard. Zij worden als goede soldaten beschouwd die met geduld en volharding de ontberingen overleven.
Ook de krijgshaftige Menadonezen en Ambonezen zij uitstekende soldaten.
De Balinezen hebben de eenheid van kunst en religie kunnen handhaven, het is een krachtig volk met een groot gevoel van eigenwaarde.


(Rechts een Papua  met kind uit Irian.)

De volkeren van Irian staan nog het dichtst bij de natuur, ook zij kenmerken zich door hun waardige levenswijze.

In grote lijn komt de volksaard van de Indonesiërs overeen met die van hun Maleise voorvaders, ze zijn vriendelijk en makkelijk in omgang, ze lachen graag en hebben een groot gevoel voor humor, maar hun stemming kan snel omslaan in boosheid wanneer zij het gevoel hebben dat ze beledigd worden.
Gezichtsverlies is een ernstige zaak voor hen en wanneer vijandschap eenmaal is ontstaan, is het buitengewoon moeilijk om tot een verzoening te komen.
De Indonesiërs houden van het goede leven en als zij de macht en aanzien bezitten, hebben zij de neiging toe te geven aan de aantrekkingskracht van rijkdom en luxe. Het zijn echter ook kunstenaars zoals dat te zien is aan hun kunt en kunstnijverheid, misschien is hun sterkste karaktertrek gelegen in hun vermogen tot artistieke expressie.


                                 (De Indonesische Rijken bij de komst van de Europeanen.)


GROTE CULTUREN EN TEMPELBOUWERS.

Over de periode waarin grote culturen, geloven en tempelbouwers van de vasteland van Azië in Indonesië zijn terecht gekomen, zijn de geleerden het nog steeds niet eens. Een feit is zeker, dat de handel overzee met India, China en Arabië pas na het begin van onze jaartelling is ontstaan.
Dit neemt niet het feit weg, dat de mogelijkheid bestaat, dat men vanuit het toenmalige Indonesië  met kleine vaartuigen het vasteland van Azië wist te bereiken. Van het vasteland van Azië kwam het Hindoe en Boeddha geloof in Indonesië terecht en door de Arabieren het moslim geloof. 

DIËNGPLATEAU.

Het Diëngplateau op Midden-Java ligt op een hoogte van ongeveer 2000 meter boven de zeespiegel.
De naam is afgeleid van Di Hyang, de Verblijfplaats der Goden. Het Hindoe tempelcomplex werd omstreeks 800 jaar n.Chr. in opdracht van koning Sanjaya gebouwd en is voornamelijk aan de god Sjiwa gewijd.
Het hindoeïsme is de belangrijkste godsdienst in India.

BOROBUDUR.

De Borobudur gelegen op Midden-Java nabij Jogjakarta is een van de belangwekkendste religieuze bouwwerken van Zuidoost-Azië.
Het gehele complex is gebouwd in de vorm van een stupa en is eerder een heilig monument gewijd aan Boeddha, dan een tempel.
De bouw van dit enorme complex begon 750 n.Chr. en was een ontwerp van de architect Gunadharma. De naam stamt mogelijk uit het Sanskriet `Vihara Buddha Ur´, dit betekend vrij vertaald "boeddhistische tempel op de berg". Het monument heeft een afmeting van 123 bij 123 meter, heeft negen etages waarvan de onderste zes vierkant zijn en de bovenste drie rond. De etages vertegenwoordigen de kosmos. Op de bovenste etages bevinden zich 72 kleine stupa's, die gebouwd zijn rondom één grote stupa welke symbool staat voor het Nirwana. Het complex staat vol met reliëfs afbeeldingen. De bouw moet ruim 80 jaar hebben geduurd. Het gehele bouwwerk werd pas herontdekt geheel overwoekert door het oerwoud in 1814 door de Nederlander H.C.Cornelius.

PRAMBANAN.

De Prambanan is het grootste Hindoe-Javaanse tempelcomplex in Indonesië en is gelegen op Midden-Java nabij Jogjakarta.
 Prambanan betekend "veel priesters", welke met een lange baard in reliëfs staan afgebeeld.
Het hoofdgebouw is de "Shiva-tempel", waarop men veel reliëf afbeeldingen ziet van dieren en een hoogte heeft van 47 meter.
De bouw van deze tempel werd in opdracht van Rakai Pikatan, een Shivaïtische koning begonnen rond 850 n.Chr. Pas in 1893 werd er begonnen met het uitgraven van het midden complex. De renovatie van het hoofdgebouw werd pas in 1953 voltooid.
Deze enorme tempel complexen staan allemaal op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

QUO VADIS.


Heden ten dagen rijst nog steeds de vraag; "waar zijn deze dynastieën en bouwers gebleven, waarom hebben ze deze tempel complexen verlaten, waar bleef hun cultuur"? Had het verlaten te maken met de opkomst van het moslim geloof  of had het natuurgeweld er schuld aan?
Een kleine hindoe tempel op Oost-Java is nog te vinden aan de voet van de Bromo-vulkaan, verder veel op het eiland Bali, waar ook nog een kleine Boeddha-tempel staat, en één op het eiland Lombok.


Indonesië is en blijft een land van contrasten, in natuur en bevolking, uitgespreid over meer dan duizend eilanden. Over de geschiedenis van het land na de kolonisatie en de onafhankelijkheid zijn meer dan genoeg publicaties gedaan.


dinsdag 21 augustus 2018

INDONESIË 'DE GORDEL VAN SMARAGD' EN HAAR ONTSTAAN. (DEEL 1)


HET DUIZEND EILANDEN

     RIJK INDONESIË. (1)





Over de juiste geschiedenis van het ontstaan van het duizend eilanden rijk staat weinig op schrift. De eerste vertellingen over de bevolking en hun cultuur komen uit India, waarvan de zeelieden dit gebied aandeden. Later van de Chinezen en de Arabieren, maar het meeste is op schrift gesteld door de koloniale machten die er geheerst hebben. De eigen bevolking leeft heden ten dage met vertellingen die van vader op zoon gaan, over onderlinge stammenstrijd en de strijd tegen de koloniale overheerser. 

EEN SCHEPPINGSVERHAAL.

Alle scheppingsverhalen beginnen beginnen in feite met het zelfde, of het nu de oervolken uit Afrika, Amerika , Azië of de Oude Egyptenaren zijn, of welk geloof dan ook; "In het begin was er niets".....

HET SCHEPPINGSVERHAAL VAN DE BATAKS OP SUMATRA.

(Mulajadi na Bolon is de oppergod in de Batak-mythologie. Hij creëerde drie wereldniveaus, namelijk Banua Ginjang, Banua Tonga en Banua Toru. Dit gebeurde met zijn vrouw Manuk Patiaraja, die later drie eieren kreeg. Van de drie eieren, kwamen ze uit bij Batara Guru, Soripada en Mangala Bulan. Deze drie goden creëerden vervolgens drie niveaus van de wereld).

Ver weg en in de oneindige hoogte, buiten het gezichtsveld van de mensen en onbereikbaar voor hun verlangens troonde Debata Mula Jadi na bolon, de god van de schepping.
In het begin bestond er niets, daar ver onder de zetel van Debata Mula Jadi na bolon, er was slechts een grote leegte omgeven door oceanen en gedragen door de onderwereld. Een zwarte diepte, een doodse stilte waarin geen menselijke stem, geen dierengeluid of windzucht te horen was.....
De golven van de onëindige zeeën rolden geruisloos voort, er waren geen kusten die de golfslag belemmerden. Er bestond slechts één levend wezen dat de eenzaamheid van de Eeuwige en Almachtige mocht delen, dat was 'manuk-manuk', het blauw gevederde oerkuiken.

                                                                                       (manuk-manuk)

En aldus baarde 'manuk-manuk', de gade van de Schepper, drie eierene, en uit deze eieren verrezen drie goden: Batara Guru, Soripada en Mangala Bulan. 
Een van hen, Batara Guru schiep de aarde en de mens........



DE OERTIJD. 

Begrensd door de Indische Oceaan, het Aziatische vasteland en Australië en zich aan beide zijden van de evenaar uitstrekkend over een oppervlakte van meer dan twee miljoen km² bevindt zich her grootste eilandenrijk van de wereld.  De duizenden eilanden en eilandjes noemt men de Maleise of Indische archipel, een gebied dat men kan onderverdelen in drie groepen en wel: de Sunda eilanden, de Molukken en de Fillippijnen
Honderdduizenden jaren geleden, in de oertijd werd het gebied gevormd door een grote massieve landbrug die het vasteland van Zuidoost-Azië verbond met het Australische continent, waarschijnlijk onderbroken met kleine en smalle ondiepe wateren naar binnenmeren.
Zo konden tot aan de periode waarin de Laatste IJstijd overgaat in het mesolithicum, ongeveer 10.000 jaar v.Chr, mens en dier afkomstig van het Aziatische continent, deze gebieden binnentrekken.
Een reusachtig uitgestrekt gebied wat grotendeels werd gevormd tijdens de langdurige glaciale perioden die onderbroken werden door relatief korte en warme tijden.
In deze periode's kende men tijden van regen en grote droogte en had het gebied een karakter van een savannelandschap gedurende de droogte en gedurende de regenval veranderde het in uitgestrekte oerwouden.



(Het Sunda-platvorm en het Sahulp-platvorm waarover de prehistorische volken van het Oost-Aziatische vasteland in zuidelijke en zuidoostelijke richting zijn getrokken.)


Oorspronkelijk bestond er dus de verbinding tussen het Aziatische vasteland en de Sunda-eilanden. het Sundaplatvorm. De voortzetting hiervan is nog te zien in het oosten van Thailand, Khmerland, Laos en Vietnam. Het Sunda-plat, een onder de waterspiegel liggend plateau zelden dieper dan 100 meter. Met zijn oppervlakte van 1.850.000 km² is het het grootste vastelandplateau ter wereld. 
Het behoort tot een van de oudste gedeelten van Zuidoost-Azië en maakte vroeger deel uit van het vasteland. Aan het einde van de laatste ijstijd was het Sunda-plat een laagvlakte; toen door het smelten van het ijs de zeespiegel steeg werd het gehele plateau overspoeld. Diepe geulen in het Sunda-plat geven de loop van oude rivieren weer.
Twee parallel lopende bergketens hangen samen met de plooidalen. Ze liggen ten zuiden van Java in open zee en in het diepzeebekken bij Timor, de Timor-trog. Deze plooidalen bereiken bij Java een diepte tot 7450 meter, in de Bali Zee tot 1500 meter, in de Flores Zee tot 5140 meter en in de Banda Zee tot 5400 meter. Sulawesi staat niet in verbinding met  het Sunda-plat, waarvan het wordt gescheiden door de diepe Straat Makasar. Hier begint het Sahul-plat, waarop ook de Molukken, het eiland Seran en West-Irian rusten. Eens vormde deze sokkel samen met Australië een continent.


(Vulkaan Tangkuban Prahu  bij Bandung met een hoogte van 2984 meter.)

Door vulkanische uitbarstingen rees het land tot ver boven de zeespiegel en ontstonden er eveneens hoogvlakten met bergen en kratermeren. Deze boog van vulkanen loopt van Sumatra, doorkruist in de gehele lengte Java, om dan van Bali via Lombok en Sumbawa zich uit te strekken tot Timor. Een gordel die heden bekend staat onder de naam "Ring of Fire".


Naarmate de ijskappen smolten, stegen de temperaturen in de gebieden rond de evenaar. Het smeltwater veroorzaakte overstromingen waardoor grote en kleine landstreken van elkaar gescheiden werden door zeeën en straten. Zo ontstond beetje bij beetje de Indonesische archipel die nu ruim drieduizend eilanden omvat. Een reusachtige laagvlakte werd herschapen in wat wij nu kennen als de Java Zee. Landverbindingen die het zuiden van Maleisië met Sumatra en Kalimantan verbonden, werden op veel plaatsen verbroken.

(Mangroven)

Grote gedeelten van de archipel werden gevormd door aanslibbing, afkomstig van de moerassige vlakke kusten van de tot het Sunda-plat behorende eilandjes.
Dit aangeslibde laagland ligt vaak tussen de brede delta´s van de oerwoudrivieren, omzoomd door mangroven; deze moerasgebieden worden regelmatig door de vloed overstroomd.



DE VULKANEN. 

Vulkanen hebben een grote impact gehad op de vorming van de eilanden en hun landschap; altijd brachten zij zowel onheil als zegen over het land
Gedurende hun uitbarstingen konden zij hele gebieden veranderen en ook de weersgesteldheid wereld wijd. Zij vormden grote woestijn gebieden. maar ook enorme vruchtbare hellingen.
Op alle vulkanische eilanden zijn de vlakten bedekt met alluviale grond of met lava, en dus buitengewoon vruchtbaar voor de terrasvormige rijstvelden, de zgn. natte rijstcultuur.

(Natte rijstcultuur op Bali.)

Deze vulkanen beheersen het beeld op Sumatra, Java, Bali, Lombok en de meeste kleine Sunda-eilanden.
Een contrast hiermee vormen de niet-vulkanische, uit kalk of zandsteen bestaande bergen, die zich aan de zuidkant van de eilanden in vaak schilderachtige formaties als een soort karstgebergte verheffen. Hierbij komt dan ook nog dat de kleine Sunda-eilanden zoals Sumba, Flores en Timor in een droog gebied liggen. 
De meeste uit verschillende lagen opgebouwde Indonesische vulkanen stammen uit het tertiair of Pleistoceen; gedeeltelijk zijn zij ook nog actief, op Java alleen al zevenentwintig.
De Indonesische archipel wordt gerekend tot een van de gebieden waar de meeste vulkanen ter wereld voorkomen; het land kent sinds 1600 meer dan 70 uitbarstingen met rampzalige gevolgen.
heden verschijnen er onverwachts vanuit de zeebodem nieuwe kleine eilandjes, die vaak even onverwachts weer verdwijnen.
De kust van de eilanden gelegen aan de Indische Oceaan vindt een afkalven plaats door de golfslag, terwijl aan de andere zijde land aangroeit door het aanslibben. Het land is en blijft in beweging.


Zie vervolg: INDONESIË 'DE GORDEL VAN SMARAGD' EN HAAR BEWONERS. (DEEL 2)

zondag 12 augustus 2018

KAAPSE WIJNEN HUN GESCHIEDENIS.

VAN SPAANSE WIJNSTOK

    TOT EEN NATIONAAL

            PRODUCT.



HET BEGON MET DE EUROPESE ZEEVAARDERS.


Het was de Portugese zeevaarder Bartholomeu Dias die in 1488 het zuidelijkste punt van Zuid-Afrika, Kaap Agulhas ronde en in de huidige Mosselbaai voor anker ging om zoet water in te nemen en reparaties aan zijn schepen te verrichten. Zijn landgenoot Vasco da Gama volgde hem een paar jaar later. Deze omzeilde het gehele zuidelijkste deel van Afrika in 1497/98 op weg naar Indië.
Ook hij ankerde in de Mosselbaai.
De Hollanders die in het kielwater van de Portugezen voeren om zo ook de weg naar Indië om de kaap open te leggen gebruikten de Tafelbaai bij het tegenwoordige Kaapstad als verversingsplaats en reparaties te verrichten.

De Heren van Zeventien van de Vereenigde Oostindische Compagnie zagen hier wel brood in  om er een verversing- proviandering-station te vestigen. Zij gaven Jan van Riebeeck hiertoe de opdracht en zo ontstond de Nederlandse handelsonderneming in de Tafelbaai in april 1652.
In het toen nog te ontginnen gebied, dat later zou uitgroeien tot de Kaapkolonie en uiteindelijk tot de huidige Republiek Zuid-Afrika.

WIE WAS JAN VAN RIEBEECK.

Jan Anthoniszoon van Riebeeck werd geboren in Culemborg op 21-04-1619. Hij was de zoon van chirurgijn die nog dienst had gedaan in het Spaanse leger, dus hij kreeg deze opleiding van thuis reeds mee en ook de kennis van het Spaans.
Hij vertrok in 1639 als onder chirurgijn in dienst van de VOC naar Batavia.
Hij keerde in 1648 terug naar Holland en vestigde zich als koopman in Amsterdam en maakte reizen naar groenland en West-Indië.
Toen het eiland Sint-Helena niet langer de aanloop en verversingsstation bleek te voldoen, zette van Riebeeck in zijn 'Nadere consideratie' de mogelijkheden van de Kaap de Goede Hoop uiteen.
In 1651 werd hij door de Heren Zeventien aangesteld als koopman en op 06-04-1652 kwam van Riebeeck bij de Kaap aan.
Hij stichtte er een fort en enige huizen, het begin van Kaapstad. Hij wist binnen tien jaar tijd de Kaapkolonie tot een onmisbaar verversingsstation te bouwen. Hij werd uiteindelijk de eerste gouverneur van de Kaap. In 1662 ging hij naar Indië als commandeur van Malakka. In 1665 werd hij secretaris van de Raad van Indië en overleed op 18-01-177 in Batavia.

ZIJN KENNIS VAN VOEDSEL OP DE ZEEVAART.

Als chirurgijn verdiepte hij zich in het feit, dat  op de Portugese- en Spaanse schepen minder zeelieden overleden aan scheurbuik tijdens een Kaapvaart dan bij de Hollanders.
Door zijn kennis van het Spaans, kwam hij er snel achter dat op de Portugese- en Spaanse schepen en heel andere voeding werd gepresenteerd dan op de Hollandse schepen; zoals het verstrekken van rode wijn en citrusvruchten. Deze kennis nam hij met zich mee op zijn eerste reis op de Kaapkolonie op te zetten en zo importeerde hij de eerste uitheemse wijnstokken in Zuid-Afrika. Zaden van de citrus planten, maar ook zaden van bomen en planten tijdens het verblijf gedurende de oversteek vanuit Zuid-Amerika. dit was het begin van de Zuid-Afrikaanse wijncultuur.

RELIGIEUZE VERVOLGING IN EUROPA.

Na het afschaffen van de religieuze vrijheid in hun eigen land vluchtten in 1688 Franse en Vlaamse hugenoten naar de Kaap. Ze legden uiteindelijk met hun kennis en verbetering van de landbouw-productie er de kennis voor de basis van  de Zuid-Afrikaanse wijnproductie.

DE ZUID-AFRIKAANSE WIJNEN.


De Zuid-Afrikaanse wijnen hebben in hun opgang een zeer zware tijd meegemaakt. Het was op de eerste plaats het wijn producerende land Frankrijk, dat de Kaapse wijnen mondspoelwater noemden. Ook ziekten werden overwonnen en door het enten werden nieuwe soorten geteeld
Het traditionele centrum van de Kaapse wijnstreek, en tevens het gebied met de hoogste concentratie wijngaarden, is de bergachtige regio direct ten oosten van Kaapstad, die bekend staat onder de naam Boland (Hoogland).
In principe omvatten de Zuid-Afrikaanse wijngaarden twee gebieden: het westen, dicht bij de Kaap, waar het weer beïnvloed wordt door de Atlantische Oceaan, er valt gemiddeld 625 mm regen, gewoonlijk in de winterperiode, en het gebied achter de bergen in Little Karoo, waar maar 250 mm regen valt en irrigatie onmisbaar is. De beste wijnen komen uit het eerste gebied, het tweede kan worden vergeleken met Languedoc in Frankrijk en Central Valley in Californië. Gebieden waar wel vooruitgang is met verbeterde druivenrassen, maar die nog lang niet interessant zijn voor de internationale markt.



De bovenstaande kaart geeft de beste wijngaarden van de Kaap.  Verder staan op de kaart de meest interessante gebieden de oude Constantia-wijngaarden, ten zuiden van Kaapstad, en Tulbach, 55 km ten noorden van Paarl, waar enkele van de beste witte wijnen worden geproduceerd.
Château Alphen is tegenwoordig de bekendste naam van Constantia. Groot Constantia, het prachtige oude witte landhuis van Van der Stel, ligt nog steeds temidden van de wijnstokken, maar er wordt geen wijn meer bereid.



Immers onversterkte zoete wijnen behoren tot het verleden. Volgens de Zuid-Afrikaanse wetgeving, moet elke wijn met meer dan 2% suiker worden versterkt; een overblijfsel uit de tijd vóór de moderne techniek stabiliteit kon garanderen. Alphen-wijnen zijn goede rode en witte tafelwijnen, maar niet uitzonderlijk bijzonder.
Twee Jonggezellen is de naam van het beste wijngoed in Tulbach.
Het produceert verschillende wijnen, inclusief Zuid-Afrikaanse 'sherry', maar is vooral bekend om een goede droge riesling, een druif die zeldzaam is in Zuid-Afrika.



Een plaatselijke variëteit, de steen of stein, wordt meestal gebruikt voor witte wijnen van het Duitse type. Steenwijnen op hun best zijn uitstekend.

Uit de Zuid-Afrikaanse Kaapprovincie kwam eens een van de grootste wijnen ter wereld; de legendarische Constantia. Velle Europese hoven kochten in het begin van de 19e eeuw liever Constatia dan Yquem, tokajer of madeira, en dat bewijst wel dat de Kaap wijnen kan produceren van de allerhoogste klasse.
Om mooie kwaliteitswijnen te produceren moet echter niet alleen het klimaat meewerken, maar moer er ook worden voldaan aan bepaalde sociale voorwaarden. Die waren er in het begin van het Nederlandse bestuur. De tweede Nederlandse gouverneur, Van der Stel, plantte de wijngaard van Constantia. Maar later is Zuid-Afrika meer een land geworden van sterk-alcoholische dranken en pas na de boycot halverwege de 20e eeuw is het wijnverbruik weer gaan stijgen. Toch verdwijnt nog steeds een groot deel van de hele wijnoogst in de distilleerketel.


 In 1972 voerde de Zuid-Afrikaanse overheid een omvangrijk controlesysteem in voor 'inheemse' wijnen, vergelijkbaar met de bepalingen die in de EEG gelden. Er werden 14 herkomstgebieden ingesteld (zie kaart) terwijl tevens het ongebreideld gebruik van termen als Estate en Superior aan banden werd gelegd, alsmede jaargangen en de vermelding van de druivenvariëteit.
Tegenwoordig moet elke bewering omtrent herkomst, druivenvariëteit, jaargang, productie van het wijngoed of superioriteit officieel worden bevestigd door middel van een 'banderol' op de hals van de fles en moet deze 'banderol'voorzien zijn van een identificatie nummer.
De groene band garandeert de druiven variëteit; 80% van de wijn is van de genoemde variëteit. 'Superior'is een wijn die voor 100% uit de op het etiket genoemde variëteit bestaat.
De naam Estate mag slechts door ca. 40 wijngoederen worden gevoerd die uitsluitend wijn van eigen bodem bottelen

Het hart van het beste wijngebied van Zuid-Afrika, rond Stellenbosch en Paarl, wordt bij de volgende kaart gedetailleerd besproken.


De belangrijkste blauwe druif is de cinsaut uit Zuid-Frankrijk, die in Zuid-Afrika betere wijn voortbrengt dan in Europa. Door kruising met de pinot noir verkreeg men de pinotage, een nog betere druif, evenals de Californische ruby cabernet, die ontstond door kruising van cabernet en carignan.
Verder verbouwt men pinot noir, shiraz en steeds meer cabernet.







De traditionele witte druif voor de fruitige wijnen is de chenin blanc, hier steen genoemd.
Voorts ziet men er semillon, die hier geen grape wordt genoemd, palomino (Frans grape), clairette en riesling; en in het binnenland voor zoete rode wijn muscatel en muscat (hanepoot).



WIJNCENTRUM VAN ZUID-AFRIKA.


Stellenbosch is het wijncentrum van Zuid-Afrika en het hoofdkwartier van de grootste wijnfirma van het land, de Stellenbosch Farmers Winery.

Paarl is de sherry- en dessertwijnstad en de grote staatscoöperatie, de KWV, is er gevestigd.
De wijnproducenten van Paarl trachten de wereld duidelijk te maken, dat hun wijngaarden op bijna de zelfde breedtegraad liggen als de Jerez, zij het ten zuiden van de evenaar. De Zuid-Afrikaanse sherry, waarbij zij zowel het solera-systeem als de 'flor' toepassen, heeft sinds zij er in de jaren 1930 mee begonnen, een fortuin opgeleverd. Inderdaad maken zij de beste imitatie van Spaanse sherry ter wereld. De kalkgrond van Jerez, die de wijn zijn uiterste finesse geeft, is het enige wat hier ontbreekt.


Vrijwel loodrecht boven de wijnvallei ten zuiden van Paarl verrijzen de Klein Drakensbergen met een hoogte van 1700 meter.
De grote KWV-kelders in Paarl vormen ook het centrum van de imitaties van tawny, ruby en vintage port.
Dit zijn wijnen die van nature thuis zijn in Zuid-Afrika, zelfs in koele streken. Toch is het klimaat overwegend mediterraan. Tafelwijnen waren vroeger veel te zwaar en leden vooral aan de gevolgen van te snelle gisting, zoals oxydatie en een te donkere kleur en te geringe geurigheid. 
Nu maakt men met koeling evenwichtige, voortreffelijke tafelwijnen, vooral in de omgeving van Stellenbosch.
De boden van Stellenbosch varieert van licht en zandig in het westen, grotendeels beplant met steendruiven, tot verweerd graniet aan de voet van de Simonsberg en het Stellenbosch gebergte. Hier maakt men de cinsaut, pinotage en cabernet goede ronde rode wijnen.


Tot voor een tiental jaren was onversterkte zoete wijn bij de wet verboden, maar een nieuwe bepaling heeft de Nederburcht
Winery toegestaan enige late riesling te vervaardigen, die voortreffelijk is.

De opkomst van de Zuid-Afrikaanse wijn en is blijven groeien en het is nu het tweede wijn exporterende land van de wereld.
Opvallend zijn de vaak vrolijke etiketten, waar zelfs de dieren en bloemen van het land opstaan afgebeeld, dit vergeleken met de traditionele Franse etiketten met de afbeelding van een chateau.


    GEDENK DAAROM, HET LEVEN IS TE KORT OM SLECHTE WIJN TE DRINKEN.