vrijdag 16 november 2018

BAROMETER EN BAROGRAAF.

     
    

                     BELANGRIJK 

                   VOOR DE WEER 

               VOORSPELLINGEN.



KWIK-BAROMETER.


De barometer is een instrument om de luchtdruk te meten.
De voornaamste twee typen zijn de kwikbarometer en de aneroïde-barometer.
De kwikbarometer, uitgevonden door Torricelli in 1643, bestaat uit een verticale, gedeeltelijk met kwik gevulde niet te nauwe buis, die aan het boveneinde dicht is en met de ondereinde in een vat met kwik of in open verbinding met een dergelijk vat staat; het kwik in dit vat staat onder druk van de buitenlucht; de ruimte boven het kwik in de buis is luchtledig.
De hoogte van het kwik in de buis boven het niveau van het kwik in het ermee communicerende vat geeft de luchtdruk weer, uitgedrukt in de lengte l van de ermee equivalente kwikkolom. Het gewicht van deze kwikkolom is echter nog afhankelijk van het soortelijk gewicht van het kwik (de dichtheid s, die afhangt van de temperatuur) en de waarde van de zwaartekracht ter plaatse (de zwaartekrachtversnelling g, die verandert met de geografische breedte en de hoogte waar gemeten wordt, zodat luchtdruk = l x s x g.
Voor s en g zijn normaal vastgesteld: s  bij nul graden Celcius = 13,5955 gram per cm³, 
g op 45 graden breedte = 980.6665 cm per sec². De afgelezen lengte van de kwikkolom kan met deze normaal waarden gecorrigeerd worden, d.w.z. luchtdruk = l x s / 13,5955 x g / 980,665 .
In de praktijk gebruikt men voor deze correctie (resp. temperatuurcorrectie en de breedtecorrectie) genoemd tabellen, die bij gegeven temperatuur en geografische  breedte (en eventueel hoogte) direct de correctie geven.
Op deze wijze vindt men de druk in internationale (absolute) 'millimeters kwik'. Tegenwoordig is het echter gebruikelijk de luchtdruk in millibaren (mb) uit te drukken: 1 mm kwik = 1,3333 mb; 1 mb = 100 newton/m³ = 0,750 mm kwik.


SCHEEPS-KWIKBAROMETER.

Doorsnede van een scheeps-kwikbarometer.
a. kwikbuis.
b. kwikbak.
c. deksel. 
d. kwikbuishouder.
e. messingen ring ter bescherming van de kwikbuis.
f. luchtvang.
g. beschermglas.
h. nonius.
k. instelwiel.


De scheeps-kwikbarometer is speciaal voor het gebruik op een schip ontworpen en wordt door het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut aan de ervoor in aanmerking komende 'select ships' verstrekt.
De kwikbuis is geplaatst in een kwikbak van roestvrij staal en loopt door een deksel dat de kwikbak afsluit, Hij is boven de bak beschermd door een messing buis. Door middel van een cardanusring hangt het instrument aan een verende beugel, die aan het schot wordt bevestigd.
De kwikbuis heeft een luchtvang om eventueel in het kwik ontstane luchtbelletjes op te vangen. 
Boven deze luchtvang is een gedeelte van de kwikbuis sterk vernauwd, het capillair, om het op en neer gaan (pompen) van het kwikoppervlak, door bewegingen van het schip, tegen te gaan.
Waar het instrument moet worden afgelezen is de kwikbuis verwijd en bedraagt de inwendige doorsnede daarvan 8 mm. Kwikbuishouder en kwikbak zijn geheel luchtdicht, maar er is een opening in het deksel van de kwikbak zodat de lucht vrij boven het kwik in de bak kan toetreden. Deze opening kan met een schroef worden afgesloten voor her geval het instrument vervoerd moet worden.
Om aflezing van het instrument mogelijk te maken is het bovenste gedeelte van het huis aan de voor- en achterzijde open. De luchtdruk kan door middel van een nonius op tiende mm nauwkeurig worden bepaald. De temperatuur van het kwik (voor de temperatuurcorrectie) , wordt afgelezen van een aangehechte thermometer.


ANEROÏDE-BAROMETER.

 De anroïde-barometer werd in de jaren veertig van de 19e eeuw uitgevonden. 
Het bevat een drukgevoelig element een platte, luchtdichte, gedeeltelijk luchtledig gemaakte, metalen doos (vididoos) met buigzame, maar door een veer gesteunde boven- en onderwand, of een stapeltje van dergelijke dozen, waarbij boven- en onderwanden telkens door een kort staafje verbonden zijn.
Vermeerdering of vermindering van de druk van de buitenlucht doet de bovenwand van de doos meer of minder meegeven, hetgeen door een overbrengingsmechanisme wordt omgezet in de beweging van een wijzer, die aldus de luchtdruk op een schaalverdeling aanwijst.

Daar de luchtdruk bij deze instrumenten door een veer gecompenseerd wordt en niet door de zwaartekracht, vervalt de breedtecorrectie. 
De instrumenten, die bestemd zijn voor gebruik aan boord van schepen, zijn precisie-instrumenten, die zeer nauwkeurig zijn afgesteld en zodanig gecompenseerd, dat evenmin een temperatuurcorrectie behoeft worden toegepast.
De aneroïde-barometer leent zich gemakkelijk voor automatische registratie van de druk door de wijzer te voorzien van een schrijfpen die beweegt over een , door middel van een uurwerk, draaiende trommel, voorzien van een registratiestrook, de barograaf.

BAROGRAAF.

De barograaf is een zelfregistrerende aneroïde-barometer, die het atmosferisch luchtdrukverloop op een papierstrook noteert (barogram).
Aan boord van schepen gebruikt men veelal de barograaf van de Gebroeders Richard. het instrument wordt verend opgehangen opdat schokken en trillingen van het schip niet op de schrijfpen overgaan.
Het barogrampapier is horizontaal in etmalen en twee-uurs perioden verdeeld en wordt wekelijks verwisseld. De verticale verdeling en de mechanische overbrenging zijn niet nauwkeurig genoeg voor exacte luchtdruk aflezingen, maar de barogram maakt het luchtdrukverloop snel zichtbaar.
Onregelmatigheden ten opzichte van de normale dagelijkse gang spelen een rol bij de weersvoorspellingen. Behalve voor eigen informatie dient het karakter van de luchtdrukverandering op 'select ships' ook voor het opmaken van de verzenden weerrapporten.
De vorm van deze curve wordt dan in een codenummer uitgedrukt en met vele andere gegevens overgeseind naar desbetreffende walstations.

 

dinsdag 6 november 2018

LUIK EN LUIKHOOFD OP SCHEPEN.


  OM DE RUIMTE AF TE SLUITEN 

            WAARIN DE LADING

            VERVOERD WORDT.



VERVOER VAN LADING.

Sinds de mens het water is gaan gebruiken om lading te vervoeren, over rivieren en zeeën, kampte deze met het drooghouden van deze lading.
De eerste ladingen, zowel mens als materiaal werden gewoon op een open dek of ruim vervoerd en trachtte men dit droog te houden door deze goed in de pakken of in vaten te vervoeren.
Toen eenmaal de handel over zee in opkomst kwam en de vrachten groter en kostbaarder werden, ging men deze in ruimen vervoeren van het schip die men  kon afdichten.

LUIK.

Luik, opening in het dek van een schip waardoor licht en lucht in het ruim kunnen toetreden, die toegang geeft tot het ruim en lager gelegen dekken en voorts dient om goederen in en uit het ruim te laden en te lossen. Ook de afdekking, waarmee de opening gesloten wordt, wordt luik genoemd.

HOUTEN SCHEEPSBOUW.

Een luik werd meestal midscheeps geplaatst. 
Men onderscheidt: gezonken luiken die gelijk met het dek lagen op plaatsen waar veel gelopen werd. Platte luiken waren iets hoger. Verheven luiken luiken waren de meest gebruikte.
Het luikgat was aan  de zijkanten afgesloten door een opstaande rand of luikhoofd, bestaande uit zware balken die op dekbalken en klamaaien van het dek gebout werden. De bovenkant van het hoofd werd aan de binnenkant voorzien van een sponning waarin het roosterluik paste. Door deze roosters konden licht en lucht toetreden terwijl het luik gesloten bleef.
Aan de buitenkant was eveneens een sponning aangebracht waarin een gesloten stolpluik paste.
Wanneer het luikgat te groot was, werden de roosters en het stolpluik uit meerdere delen gemaakt en gesteund door een dwarsscheepse steunbalk of merkel. Over de luiken werd een zwaar stuk zeildoek gelegd dat als bescherming tegen regen en buiswater diende. Vroeger werd dit zeildoek met pressingspijkers in een sponning van het luik vastgelegd. Naderhand heeft men het zeil bevestigd door het te schalken met schalklatten die met keggen in schalklippen gehamerd werden.

Op sommige luiken werd een koekoek geplaatst. Dit is een wegneembare kap waarvan de zijkanten uit glas bestonden.
Ook werden lantaarns of schijnlichten over lantaarngaten en -luiken geplaatst. Dit waren dakvormige luiken waarvan de bovenkant uit twee opklapbare vleugels met glazen ramen bestond, die beschermd werden met een roosterwerk.
Op luiken die door middel van een trap toegang tot het ruim verleenden werd eveneens een kap geplaatst. Dit was een houten opbouw waarvan één zijde door een of twee deurtjes geopend kon worden. De bovenkant kon ten dele geopend worden door een schuifluik. 
Licht en luchtkappen konden weggenomen worden en vervangen door een stolpluik.


LUIKHOOFD.

Luikhoofd, ook laadhoofd, de opstaande houten of plaatconstructie (coaming) rondom de grote openingen in de dekken van schepen waardoor de lading in en uit de ruimen gebracht kunnen worden.

STALEN SCHEEPSBOUW.


(fig 1;Luikhoofd met luikschild waarop de luiken liggen.)

Aan het luikhoofd op het bovenste dek en de afdichting ervan worden zware eisen gesteld voor wat betreft sterkte en waterdichtheid.
Met name de hoeken en de luikhoofden, waar onderbrekingen in de langsscheepse constructie optreden, vereisen veel aandacht.
Dit spreekt des te meer wanneer de luikhoofdopeningen heel groot zijn, zoals bijvoorbeeld bij open schepen, dat wil zeggen schepen waarbij de lading door de luikhoofden heen direct op de juiste plaats in de ruimen gezet kan worden zonder verder horizontaal transport in het ruim. Hiertoe behoren ook schepen voor containervervoer. Daarom geven de classificatiebureaus voorschriften voor de constructie van luikhoofden, vooral de minimum hoogte op de bovendekken en de dikte van de verband delen (zie fig. 1 linksboven). De principeschets geeft de constructie aan van vroeger veel toegepaste en nu nog op veel schepen voorkomende luikhoofden, waarbij de dekopeningen meestal niet breder zijn dan een derde tot de helft van de scheepsbreedte.
De afdekking vindt plaats door middel van houten luiken, die rusten op luikschilden die op hun beurt steunen in nesten op de langscoaming. Schilden en nesten zijn voorzien van corresponderende gaten om de schilden met merkelbouten te kunnen borgen. Vroeger werden tussen de schilden ook nog wel langsscheepse balken gelegd, die pasten in nesten op de schilden. Deze merkels steunden de houten luiken. De naam merkel werd ook wel aan het schild gegeven; vandaar de naam merkelspruit, een spruit die diende om de schilden uit de nesten te lichten.



(fig. 2; Het vastzetten van de presenning met schalklatten en schalkkeggen; verticale en horizontale doorsnede.)

De luiken worden waterdicht afgesloten door middel van presennings of tarpaulins en schalklatten die met houten keggen worden vastgezet tussen schalkmannetjes (schalklippen) en de luikhoofdplaats. (zie fig.2)
De pressenning wordt verder op de luiken gedrukt en op de plaats gehouden  tegen opbollen en scheuren door sluitlatten of -balken op bepaalde afstanden.
Deze methode van afsluiten van een laadhoofdopening is niet altijd even veilig gebleken en vaak werden bij zwaar weer de luiken ingeslagen. Bovendien was het sluiten en openen van de luiken een arbeidsintensieve en tijdrovende bezigheid.
Een verbetering was de toepassing van pontonluiken, grote, holle stalen dozen, die dwars over het luikhoofd werden gelegd. Zij waren veel sterker dan houten luiken en maakten ook de schilden overbodig.



(fig. 3; Systeem Kvaerner Trans-Roto met zelf kantelende luiken.)

(fig. 4; Stalen luik  dat met hydraulische plunjers en hefbomen wordt bediend. Wordt veel toegepast op bulkcarriers vanwege de snelheid van het openen en sluiten van de luiken.
Ook op omgebouwde conventionele vrachtschepen voor container vervoer.)


Er bestaan vele systemen, waarvan Mac Gregor en Kvaerner wel de meest bekende zijn.
Veel toegepast worden ook luiken met een hydraulisch scharnier. Op bovendekkenzijn deze stalen luiken op de randen waterdicht afsluitend, zodat geen presennings nodig zijn en ook zó sterk dat zij een deklading kunnen dragen.
De luikhoofden in tussendekken zijn gewoonlijk lager of geheel als vlakke constructie (flush-deck) uitgevoerd, zodat de bovenkant van de luiken gelijk ligt met het omringende dek.


(fig 5; Kvaerner elektro-hydraulisch beweegbaar polyfolding luik, voor toepassing op tussendekken.)

Op moderne schepen zijn in de tussendekken ook stalen, mechanisch of hydraulisch beweegbare luiken aangebracht. Een moderne uitvoering is weergegeven in figuur 5.


TANKSCHEPEN.

Op tankschepen zijn alle tanks voorzien van luikhoofden ook wel tankhoofden genaamd.
Ze worden niet gebruikt voor beladen van de tanks, maar dienen om toegang tot de tanks te verlenen, na volledig gasvrij gemaakt te zijn, en voor ventilatie. Deze toegang is meestal voor inspectie van de tank of reparaties.
De hoofden kunnen rechthoekig, maar zijn tegenwoordig over het algemeen rond. De doorsnede bedraagt ongeveer 1,25 meter en de hoogte ongeveer 90 centimeter.
Het water-, olie- en gasdicht afsluiten geschiedt met deugdelijk geconstrueerde scharnierende stalen deksel, verpakt met speciaal hiervoor bestemde afdichtingspakking, die niet door olie aangetast kan worden.
Knevels drukken de deksels stijf op de pakking, die in een speciaal aangebrachte ronde goot is aangebracht.
In het deksel is een olie- en gasdicht kijkglas aangebracht, beschermd door een stalen stormdeksel aan de buitenkant.
De scharnieren zijn vaak voorzien van een krachtige veer, waardoor de deksels bij openen vanzelf opslaan en door één man bediend kunnen worden. Een ander systeem is een zwenkarm die over het deksel steekt en waaraan een wiel met schroefdraad is bevestigd, die vast zit aan het deksel. Met behulp van het handwiel draait men het deksel omhoog en zwenkt het weg met de arm.
Daar de openingen betrekkelijk klein zijn kunnen ze sterk uitgevoerd en effectief gesloten worden.
Hierdoor kan een tanker veilig dieper afgeladen worden dan een schip met een droge lading.

BINNENSCHEEPVAART.

Op schepen van de binnenvaart strekt het luik zich doorgaans uit over een groot deel van de romp. Het luikhoofd wordt hier gevormd door een opstaande rand die in de dwarsscheepse richting schild wordt genoemd en in langsscheepse richting dennenboom of den.
Het schild heeft aan de bovenkant een bocht of de hoek die gelijk is aan de ronding of helling van de luiken. De Dennenboom volgt in grote trekken de zeeglijn van de romp. De dennenboom wordt op sommige plaatsen dwarsscheeps gesteund door een wegneembare balk of gebint, die als steun voor een langsscheepse schaarbalk die van het ene schild tot het andere reikt. Dwars over de schaarbalk en steunend in inkepingen van de dennenboom worden de merkels gelegd die hier goot heten. Over de goot liggen de luiken. Ieder luik ligt met de rand op de hartlijn van een goot die aan de bovenzijde is voorzien van een holle groef voor de afvoer van lekwater dat tussen de naad de naad van twee luiken vloeit. Bij gebogen luiken spreekt men van ronde den. Sommige schepen hebben een zo geheten 'Friese den', waarvan de luiken bestaan uit rechte deksels die slechts de helft van het luikgat bedekken. De naad tussen de twee halve luiken wordt gedekt door een ijzeren langsscheepse kap.
Door het steeds meer toenemende transport van containers via de binnenvaart zijn hierom veel schepen uitgerust met een Kvaerner elektro-hydraulisch beweegbaar polyfolding luik.


zaterdag 20 oktober 2018

DOODSTRAF, DE ZWAARSTE GERECHTELIJKE STRAF ALS VOLKSVERMAAK.


        EEN EXECUTIE ALS AFSCHRIKKING 

        EN TEGELIJK ALS VOLKSVERMAAK 

               OP EEN PUBLIEKE PLAATS.



GESCHIEDENIS.

In de middeleeuwen werd de doodstraf toegepast wegens misdaden tegen de staat of tegen de heersende kerk, alsmede andere zware misdaden, bijvoorbeeld moord, moordbrand (brandstichting met de bedoeling degene die zich in het perceel bevindt van het leven te beroven), vergiftiging en diefstal van voorwerpen boven een zekere waarde.


De meest gebruikelijke wijzen van voltrekken van de doodstraf waren onthoofden, met zwaard of bijl. ophangen en radbraken.
Het voltrekken van een dergelijk vonnis ging vaak vooral met vreselijke martelingen.
De onthoofding met het zwaard droeg een niet onterend karakter en zag men vaak als een soort privilege voor lieden van hogere stand. Galg en rad waren zeer onterend.
Het voltrekken van het vonnis werd meestal door de stadsomroeper bekend gemaakt om volk te trekken ter lering, van wat je te wachten staat als je buiten het boekje ben gegaan, maar meestal was het een groots volksvermaak.


Ophangen was een zeer verbreide straf, in de regel voor dieven, en geschiedde oorspronkelijk aan een bladloze boom, later aan een galg, geplaatst aan de openbare weg.
In Amsterdam kende men het 'galgenveld' gelegen aan de oever van het IJ, een gebied dat heden ten dagen nog deze naam draagt. Het ophangen geschiedde niet altijd door de val van een luik onder de veroordeelde, maar ook door langzaam ophijsen.
Vrouwen werden gewoonlijk niet opgehangen, maar levend begraven of verdronken.
Radbraken was één van de zwaarste vormen van de doodstraf: de straf werd opgelegd voor zware, met list gepleegde misdaden.


Een hiervan was het vierendelen, waarbij de ledematen van het lichaam werden getrokken door vier paarden.
Ook het levend verwijderen van de ingewanden en het hart van de veroordeelde.
Verder het stukslaan van de ledematen waarop gewoonlijk een dood veroorzakende genadeslag volgde, daarna werden de lichaamsdelen door spaken van een rad gestoken, het rad werd op een galg gehesen of in zee geworpen.
In de Nederlanden was verdrinken in het bijzonder gesteld als straf op kindermoord. Het geschiedde door het versmoren in een ton met water op het schavot of door de veroordeelde in een zak in te naaien en in het water te werpen.


Het was vooral in de Middeleeuwen dat de doodstraf werd voltrokken door verbranding, vooral bij tovenarij of ketterij.
Vooral vrouwen viel deze straf ten deel, vaak op valse beschuldiging van hekserij. Het was een straf die de toen heersende kerk dagelijks uitvoerde en waarbij de veroordeelde nog een plaats in het hemelrijk kon verkrijgen door schuld te bekennen bij een geestelijke.

Een bijzondere straf had men voor valsmunters door ze in een ketel met kokende olie te werpen, het zogeheten 'rechten mitten ketel'.


Tijdens de Republiek der Nederlanden bestonden als de doodstraf: onthoofden met het zwaard, hangen, verbranden, radbraken en verdrinken. De tegenkanting tegen de doodstraf is vooral in het midden van de 18e eeuw opgekomen.


DE BEUL.

De beul of "scherprechter" was belast met het uitoefenen van het vonnis. Veelal had deze een gezichtsbedekking om niet herkent te worden door het publiek. Het was trouwens een eerzaam beroep. Een beul die een onthoofding verprutste door mis te slaan of meerdere slagen nodig had om het hoofd van de romp te scheiden berokkende het slachtoffer onnoemlijk veel leed. In dergelijk geval liep hij dan ook zijn betaling mis of liep zelfs kans door het publiek gelyncht te worden.
Een Franse beul had zoveel faam, dat hij door de Engelse koning Hendrik VIII werd verzocht om vanuit Calais naar Londen te komen voor een onthoofding. Vaak werd na de onthoofding het hoofd op een stok gezet en getoond aan het publiek.
Gedurende de Franse Revolutie werden er zoveel personen per dag onthoofd, dat de beul er een bloederig geheel van begon te maken door vermoeidheid. Het gebruik van de guillotine versnelde het proces.


AFSCHAFFING.

In de 19e en 20e eeuw schaften vele landen de doodstraf af, behalve in het militaire recht.In Nederland werd in 1854 de civiele doodstraf beperkt tot ophanging boven een valluik.
Sinds 1860 werd geen enkel doodvonnis meer voltrokken en in 1870 werd de doodstraf afgeschaft ten aanzien van misdrijven in vredestijd en niet voor de vijand gepleegd.
Tenslotte werd gedurende de WO-II, toen de Nederlandse regering was uitgeweken naar Londen de doodstraf weer in het burgerlijke  strafrecht ingevoerd voor ernstige oorlogmisdaden.

De Bundes Republiek Duitsland schafte de doodstraf in 1949, West Berlijn in 1951 af. In Groot Brittannië bleef de civiele doodstraf na de WO-II een fel omstreden kwestie en pas in 1965 werd de doodstraf voor moord vervangen door levenslange gevangenisstraf.
In 1947 werd in de toenmalige USSR de civiele doodstraf afgeschaft, maar tot op heden wordt deze nog steeds in enkele staten van de VS uitgevoerd, door dood via een dodelijke injectie of de elektrische stoel. In 1972 heeft het Hooggerechtshof in de VS verklaard, dat de doodstraf, zoals zij werd toegepast (nl. arbitrair), in strijd was met het achtste amendement van de Amerikaanse Grondwet, dat een verbod inhoudt van toepassing van wrede en ongebruikelijke straf; het gaf echter in 1976 een uitsprak in tegengestelde zin, waardoor in 1977 de eerste terechtstelling sinds tien jaar in Utah plaatsvond 
In landen waar de sharia, "de islamitische wet", nog bestaat schrikt men niet terug voor massa executies door ophanging, doodschieten en zelf steniging onder het oog van veel publiek.


zaterdag 29 september 2018

AFRIKAANSE OLIFANT; DE LAATSTE DER GROOTSTEN. (VERHAAL)

AFSCHEID VAN EEN DER LAATSTE

   DER GROOTSTE ZOOGDIEREN

           LEVEND IN HET WILD 

               OP ONZE AARDE.



DE AFRIKAANSE OLIFANT.

De Afrikaanse olifant is het grootste landdier ter wereld met de wetenschappelijke naam Loxodonta.
We onderscheiden de Savanneolifant en de Bosolifant. De Savanneolifant heeft een schouderhoogte van gemiddeld 3,3 tot 4,2 meter, een gewicht van 6.000 tot 12.250 kilo en het wijfje heeft een draagtijd van 22 maanden.
De Bosolifant heeft een gewicht van 2.700 kilo. Hun leeftijden liggen tussen de 60 tot 70 jaar.
Beide soorten worden zwaar bedreigd met uitsterven vanwege de stroperij op het ivoor van hun slagtanden.

De Afrikaanse olifant is groter dan de Aziatische olifant en er zijn duidelijke verschillen tussen de twee soorten.
1; De Aziatische olifant en 2; de Afrikaanse olifant.
De oren van de Aziatische olifant (in de vorm van India) zijn veel kleiner dan de oren (in de vorm van het werelddeel Afrika) van de Afrikaanse olifant.
De Afrikaanse olifant gebruikt zijn oren door met ze te flapperen om zich te koelen, wat de Aziatische olifant niet doet.
Een ander groot verschil is, dat de bij de Afrikaanse olifant zowel het mannetje als het vrouwtje slagtanden heeft, wat bij de Aziatische olifant niet het geval is en
alleen het mannetje slagtanden heeft. 

Een ander verschil is de vinger aan de slurf. De Aziatische olifant (links) heeft aan het einde een vinger aan de bovenkant; de Afrikaanse olifant (rechts) heeft boven en onder aan het einde van zijn slurf een vinger.


Buiten de kiezen verschillen ook het aantal nagels aan de poten van deze olifanten. De Aziatische olifant heeft aan zijn voorpoot vijf nagels en aan zijn achterpoot vier.
De Afrikaanse olifant heeft aan zijn voorpoot vier nagels en aan zijn achterpoot drie.

Beide soorten zijn opportunistische herbivoren, die in matriarchale groepen leven: de vrouwtjes leven in groepen, onder leiding de de oudste of grootste sterkste koe. Het zijn over het algemeen familie groepen welke hun hele leven bijeen blijven. Niet vruchtbare vrouwtjes zorgen tevens voor de kleine olifanten als de moeder wegvalt. Worden de groepen te groot dan splitsen ze zich vanzelf op, maar blijven vriendschappelijke banden onderhouden. De mannetjes leven in losse mannengroepen. Wordt een mannetje te oud om nog te kunnen dekken, dan verlaat hij de groep en leeft alleen verder.




HET VERHAAL VAN DE LAATSTE DER GROOTSTEN

Een verhaal over een van de laatste grote olifanten, dat door de rangers van de natuurparken in geuren en kleuren wordt verteld en wat gedeeltelijk op waarheid en fictie berust. We gaan terug naar het jaar 1915, waarin onder leiding van de Duitse generaal von Lettow-Vorbeck, de Duitse tropen Oost-Afrika teisterden en grote kuddes olifanten achteloos werden afgeslacht voor hun ivoor.
We noemen onze olifant Furie (afkorting van Furious uit het Engels oftewel 'woedende' in het Nederlands.)



Het was in die periode. dat zijn forse moeder na 22 maanden zwangerschap haar kalf moest baren.
Samen met een onvruchtbaar ander vrouwtje, dat al jaren haar metgezellin was, verliet ze de kudde en trol naar de moerasgebieden van de Zambesi rivier en baarde tussen het papyrusriet op een zandbank haar eerste mannelijke jong. In haar leven was ze door zes stieren van de kudde bestegen en gedekt.


Haar metgezellin fungeerde als vroedvrouw en zo baarde zij dan haar eerste zoon.
Nog bedekt met het vlies. dat de metgezellin begon te verwijderen, en nog gedeeltelijk blind, trachtte het met roze haren bedekte jong op eigen poten te gaan staan en zocht met zijn slurfje naar de tepels van zijn moeder. Ze bleven gezamenlijk op de zandbank totdat het jong wist zijn poten te gebruiken, voordat zij terug keerden na de kudde. Intussen was het pigment van zijn huid donker geworden en  hadden zijn ogen zich aangepast aan de felle Afrikaanse zon.
Met veel kabaal en getrompetter werd het kalf verwelkomd in de kudde, waar hij door iedere soortgenoot werd besnuffeld om zijn geur te leren kennen en zo elkaar later altijd weer te kunnen herkennen. In de enorme kudde leerde hij snel zijn plaats kennen en genoot van zijn twee jaar durende kleuter tijd.

In deze periode verloor hij zijn melktanden, waarmee hij was geboren, waarna zijn echte slagtanden naast zij lippen doorkwamen.
Hij leerde om op alarmsignalen te reageren  en groeide al snel op spelenderwijs in door de koeien beschermde omgeving in het centrum van de kudde.
Op zijn derde jaar wist hij welke houding hij moest aannemen om anderen te bedreigen of zich aan hen te onderwerpen. Hij groeide onstuimig op en ontwikkelde zijn ongewoon robuuste lijf verder.


Het leefgebied van deze kudde strekte zich uit van de oevers van het Nyasameer in Melawi tot aan de regenwouden van het Chimanimanigebergte in Zimbabwe. Naar het westen van het stroomgebied van de Zambezi rivier tot aan de kust van de Indische Oceaan in Mozambique en vaak grensoverschrijdend in het noordelijke deel van Zuid-Afrika. Zo leerde Furie de bergpassen en de eeuwenoude olifantenpaden, plaatsen waar de aarde zoutrijk was en de mineraalrijke aarde uit de grond wrikten. Het belangrijkste was de kennis van de oudste koe die hen in de droogte periode naar plaatsen leidde  waar ze water konden vinden. Ze moesten iedere dag drinken om hun conditie op peil te houden en hun huid schoon  te houden door zich in de modder rond te wentelen.
Maar oorlogen in het gebied deden de kudde vaak van hun beschermde plaatsen afwijken. Ze hadden geen angst voor de lokale, halfnaakte primitieve stammen, die meer angst voor hun hadden, maar Furie leerde snel, dat de lucht van een menselijk wezen niet veel goeds voorspeld en het de kudde onrustig maakte. 


Furie reeds tien jaar oud toen hij zijn eerste ontmoeting met de mens had.

De oude leidster van de kudde. leidde de kudde tegen de windrichting in en snoof de geur op van aangeplante maïs op een kortgeleden geïrrigeerd gebied. De kudde kreeg de lucht te pakken en stormde zich op het maïsveld, rukte de planten uit de grond en propte zich vol. Het werd er een grote ravage.
Ze hoorden ineens geschreeuw van mensen en het slaan op drummen en door dit helse spektakel sloegen sloegen ze in paniek op de vlucht , en terwijl ze het veld uitstormden klonken er geweerschoten en waren er lichtflitsen te zien van het geweervuur. het was de eerste keer dat Furie de lucht van verbrand cordiet leerde kennen. Enkele uit de kudde werden geraakt en gilden van de pijn en vielen neer door bloedverlies. Ook dit vreselijke gegil zou hem altijd bijblijven.
Een van de koeien kon nog meekomen, maar zakte later in elkaar door het bloedverlies. Gezamenlijk trachten ze haar overeind te houden, maar het was zinloos. Ze raakten met hun slurf de gevallen dode koe aan om afscheid te nemen. De kudde trok verder, maar de leidster bleef achter en Furie bleef bij haar en gezamenlijk bedekten ze het kadaver met afgerukte boomtakken.


Het nog zogende jong trachtte bij zijn moeder achter te blijven, maar werd door de leidster tussen haar voorpoten naar voren  geduwd en leidde het naar naar een moeder die nog een zogend jong had.
Zo trok de kudde verder, landsgrenzen overschrijdend, maar het leek of zij steeds meer met mannen met vuurwapens in aanraking kwamen. De volwassen stieren die een losse band met de kudde hadden, dwaalden alleen of in kleine vrijgezellen groepjes van de kudde af, maar leken deze altijd weer terug te vinden.
Furie was volwassen geworden in de jaren en in die tijd hadden er zes enorme stieren tot de kudde behoord, maar in die jaren waren zij een prooi geworden van stropers en jagers.
Zo snel als Furie groeide zo snel ging de gezondheid van zijn moeder, de leidster achteruit. Ze had nog maar een enkele afgebroken kies, kon zodoende niet genoeg voedsel verwerken en raakte vel over been en namen haar krachten af. Bij het bereiken van een drassige drinkplaats raakte een jonge olifant vast te komen zitten in de zuigende modder, de leidster trachtte het dier te hulp te komen en raakte zelf vast in de zuigende modder die haar langzaam naar beneden zoog. Na twee dagen nutteloos vechten gaf zij het op, haar gegil werd zwakker en zwakker en haar ademhaling was nog een sissend geluid. Furie bleef al die tijd bij haar terwijl de kudde verder trok. Hij bedekte het kadaver van zijn moeder met takken en zwierf alleen door het landschap.
Het duurde twee jaar eer hij zich weer bij de kudde aansloot en in die tijd was hij geslachtsrijp geworden en kon hij de bronsgeur die door de wind werd meegevoerd niet weerstaan. 


Hij vond de kudde terug aan de oever van de Zambezi rivier en werd door hen verwelkomt door het verstrengelen van hun slurf en het tegen elkaar drukken van hun voorhoofd. 
In de kudde waren twee bronstige koeien en een van hen was van de zelfde leeftijd als Furie.
Het duurde dan ook niet lang eer ze het liefdesspel bij elkaar uitvoerden en elkaar prikkelden tot het uitoefenen van de geslachtsdaad. Furie leidde haar de rivier in waar eerst het spel verder ging, waarna hij haar nam en zijn voortplantingsdaad uitvoerde.
Hierna verbleef hij nog enige tijd bij de kudde om op een zekere dag alleen te vertrekken en weg te blijven tot het volgende seizoen.
In de daarop volgende jaren groeide hij uit tot een volwassen stier van zeven ton, drieënhalve meter hoogte, enorme slagtanden en wist zijn positie in de kudde onder de stieren zeker te stellen. Zijn enorme lichaam had veel voedsel nodig en hierdoor verloor hij de waakzaamheid uit het oog en kwam in aanraking met jagers toen hij zich te goed deed aan jong gewas.


Olifanten hebben een slecht gezichtsvermogen en ze kunnen stilstaande voorwerpen op slechts enkele meter afstand niet onderscheiden, maar beweging nemen ze ogenblikkelijk waar. Bovendien liggen hun ogen ver naar achteren in hun kop, waardoor ze minder goed recht vooruit kunnen kijken en hun oren belemmeren hun achterwaart zicht.

De jagers naderden hem van achteren, maar een onverwachte beweging alarmeerde Furie op het moment dat de jager zijn schot loste. Hij raakte met het schoot de kop net boven het linkeroog, maar de schedel ving de klap op. Woest en brullend draaide Furie zich om in de richting vanwaar het schot was gelost en schoot razend snel met uitgestrekte slurf in de richting van de jager welke struikelde. Door zijn val bevond hij zich direct onder de uitgestrekte slurf. Hij trachtte nog een schot te lossen, maar de slurf kreeg hem te pakken om zijn been. Woedend sloeg Furie het lichaam van de jager tegen een boom tot het in stukken uiteen viel. Hij had wraak genomen en besefte dat de mens voor hem een dodelijk gevaar was. De wond op zijn kop genas, maar inwendig was hij veranderd.
Hij vocht met andere stieren om de koeien in de kudden en werd een dwangmatig plunderaar van stukken landbouwgrond met gierst, maïs, zoete aardappelen en suikerrriet. In het begin liet hij zich wegjagen door brandende fakkels en trommels, maar begon op de duur de mensen zelf aan te vallen bij zijn acties.

Vreemd genoeg bleef Furie steeds weer de contacten met mensen opzoeken. Plunderde gewassen en en koelde zijn woede zelfs tegen motorvoertuigen.
Zijn slagtanden bleven gestaag groeien tot enorme afmetingen, maar hij was er mee gestopt de kudde op te zoeken en zwierf ver weg uit de beschermde gebieden. regelmatig trachtten lokale bewoners en stropers hem te doden, wat niet lukte en waar hij alleen verwondingen aan overhield welke een constant etterend abces werden. Angstige inheemse bewoners die hem bezig zagen vanuit de verte met het uit de grond trekken van bomen noemden hem de 'woedende'.
Bij een van de acties van de parkopzichters, was het gelukt door een verdovingsspuit, om hem een band met zender om zijn nekt te doen op zo zijn spoor te kunnen volgen, maar zelfs deze band wist hij los te krijgen. Buiten het beschermde gebied van de parken was hij vogelvrij.


Op deze wereld zijn er mensen die er veel geld voor over hebben om op groot wild te kunnen jagen in Afrika. Ze betalen achteloos een paar duizend dollar voor het afschieten van een mannelijke leeuw om de kop thuis als trofee aan de muur te hangen. Voor dit soort jagers worden speciale vergunningen afgegeven en zij trekken voorzien van een geheel kampement onder toezicht van een safarigids er op uit om hun wild af te schieten, en zo kwam ook Furie op het verlang lijstje van een jager te staan, vanwege zijn enorm grote bijna gelijke slagtanden.



Furie keerde steeds terug naar het moerasland aan de oevers van de Zambezi, wat hij herkende als zijn geboorte grond. Hij vond het water er koeler en zoeter en het gras groeide er weelderig, het gaf hem een gevoel van diepe vrede. Hij had intussen de leeftijd van zeventig jaar bereikt. Zijn gewrichten deden hem pijn en zodoende liep hij met een stijve geforceerde gang.  Zijn verweerde oude kop werd door het gewicht van zijn ivoren slagtanden van 70 kilo per stuk omlaag getrokken. Hij voedde zich nog enkel met gras en papyrus, daar zijn kiezen volledig waren versleten en hij geen jonge takken meer kon kauwen. Hij vermagerde en zijn huid hing als een zak om zijn lichaam, maar zijn haat tegen het menselijk wezen werd alleen maar groter.

De safarigids liet het kampement opbouwen tot een geriefelijk onderkomen voor zijn goed betalende gast. Generators voor licht en de koelkasten, waarin buiten de beste dranken het duurste voedsel werd opgeslagen, zodat de koks en het overige personeel aan de wensen van de gast konden voldoen. Spoorzoeker werden er op uit gestuurd om Furie te lokaliseren. Furie wist ze steeds voor te blijven en ontdekte het kampement eerder , dan de spoorzoeker hem lokaliseerden.
Zo viel hij in zijn woede het kampement aan na enige dagen, vertrapte alles en slingerde met zijn slurf alles in het rond. Zelfs een safari-jeep moest het ontgelden. het personeel wist nu weg te kunnen vluchten. De safarigids besloot de jacht voorlopig op te schorten, maar zijn gast wilde er niets van weten, het enigste waar hij aan kon denken waren de twee enorme slagtanden als trofee thuis aan de muur. Terwijl ze die nacht zo goed als mogelijk doorbrachten met dat wat was overgebleven van het kampement, sloop de jager het kampement uit om zich bij een eerder door Furie gebruikte drinkplaats zich te verschuilen onder een enorm dikke boom. Hij voelde de nabijheid van het dier.
Vermoeid als hij was viel hij onder de boom in slaap en ontwaakte bij het eerste daglicht en wreef de slaap uit zijn ogen. Hij had het gevoel of dat hij oog in oog stond met zijn prooi. 
Furie was zeer in de nabijheid van de jager, maar kon hem niet zien door zijn beperkte gezicht vermogen en had ook zijn geur nog niet geroken. 
Toen maakte de jager een enorme fout; hij stak zoals iedere ochtend gewend te zijn een sigaar op en blies vol genot de rook uit zijn longen. Furie kreeg deze lucht in zijn neus en het leek of daarmee al zijn haat en woede tegen het menselijke wezen zich samenpakten en stormde het struikgewas uit waarin hij stilletjes verborgen was geweest in de richting waarvan de rook vandaan kwam.
Hij stormde recht op de jager af  die tegen de boom geleund stond. Deze wist op het laatste moment zijn geweer te richten en schoot de aanstormende Furie in zijn kop en dode hem, maar de enorme massa van het dier werd niet afgeremd. Furie zakte door zijn voorpoten, ploegde met zijn slagtanden de grond om en en kwam met zijn kop tegen de boom tot stilstand. Zijn kop had de jager die zich van schrik niet meer had kunnen bewegen geplet tegen de stam van de boom. beiden waren één geworden in deze uitbeelding van de dood. Toen de safarigids en zijn personeel hen vonden lieten zij hen zo achter als eerbetoon aan Furie.



Dit verhaal heb ik geplaatst als eerbetoon aan hen die hun best doen het leven van deze dieren te reden voor het nageslacht. Soms moeten ze dit zelfs met de dood bekopen bij een treffen met stropers doe meestal zwaarbewapend zijn en er zelfs niet voor terugschrikken om hun slag te slaan in de beschermde wildparken voor het ivoor van de slagtanden van de olifant of de hoorn op de neus van de neushoorn. Het zien van deze dieren in hun eigen leefomgeving is zeer indrukwekkend  en onvergetelijk.



vrijdag 24 augustus 2018

INDONESIË 'DE GORDEL VAN SMARAGD' EN HAAR BEWONERS. (DEEL 2)


HET DUIZEND EILANDEN 

     RIJK INDONESIË. (2)





DE EERSTE BEWONERS.

(Homo erectus uit het pleistoceen. ca. 5000.000 jaar oud.)

De eilandbewoners uit de lang vervlogen prehistorische tijden hebben weinig getuigenissen  van hun dagelijks leven nagelaten, tot dusver zijn alleen wat stenen gebruiksvoorwerpen, vervaardigd uit kiezel of steenslag, gevonden op Java, Kalimantan, Sulawesi, Flores en Timor.
Andere gebruiksvoorwerpen moeten uit been, bamboe en hout zijn vervaardigd. Naar alle waarschijnlijkheid hebben zij geleefd als nomaden, verenigd in kleine groepen, en voorzagen zij zich in hun levensonderhoud met het jagen op dieren en het verzamelen van plantaardig voedsel.
Etnisch gezien is Indonesië een van de meest gecompliseerde gebieden ter wereld. Maleise volkeren drongen onophoudelijk op in oostelijke richting en overstroomden het land. Door het doorbreken van de verbindingen tussen de hoger gelegen gebieden werden zij onderling van elkaar afgescheiden en ontstond er een soort eigen volk. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de Dayaks op Kalimantan, de Bataks op Sumatra en de Toraja's op Sulawesi.


Op Java werden de eerste resten van de 'rechtop lopende aapmens' gevonden, die men nu homo erectus erectus noemt, welke grote overeenkomst vertoond met die in China gevonden sinanthropus pekinensis.

(Met de moderne kennis van tegenwoordig zou de mens er zo hebben moeten uitzien als op linkse afbeelding.)





DE HUIDIGE BEVOLKING.

Het is eigenlijk niet mogelijk om het enorme aantal Indonesische volksstammen nu in te delen in 'genetisch-etnische'groepen, omdat deze indeling in werkelijkheid nooit bestaan heeft. Van oorsprong zijn de Indonesiërs afkomstig van het Maleise schiereiland, maar ten gevolge van het feit dat vele stammen in de prehistorie lange tijd geheel afzonderlijk van elkaar hebben gewoond en daardoor verschillende beschavingsvormen hebben aangenomen, is er een grote verscheidenheid van volken ontstaan.



(Links een Balinees en rechts een Javaan.)

De Atjehers in Noord-Sumatra, de Bataks, de Manailing en Minanggkabauers, de Maleiers van de Samantraanse oostkust, de bewoners van de Lampong en die van rondom Palembang, de Batammers en Javanen op Java, de Toradja's in Midden-Sulawesi en de Manadonezen in het noorden, de Dajak's van Kalimantan, de Balinezen en andere volken van de Kleine Sunda-eilanden, de bewoners van de Molukken en op Irian, zij allen vormen een bont tapijt, uiterlijk en innerlijk, in hun zeden en gebruiken, dat zo kenmerkend is voor de Indonesische samenleving. 


 (Links een vrouw van Celebes en rechts een vrouw van Kalimantan.)









De volken van Sumatra, met name de Bataks zijn over het algemeen extrovert; de Atjehers en de Minangkabauers zijn overtuigde moslims. Ook de Mandailing zijn moslims, terwijl hun Batakse buren voor het merendeel tot het christelijk geloof zijn overgegaan.. beide volken hebben een grote hang naar onafhankelijkheid en zijn bekwame handelaars en hebben een uitgesproken aanleg tot studeren.


 (Een Sumatraanse vrouw met kind.)

De Javanen zijn meer introvert en vriendelijker in de omgang, zij neigen veelal tot de mystiek en zijn beschouwelijk van aard. Zij worden als goede soldaten beschouwd die met geduld en volharding de ontberingen overleven.
Ook de krijgshaftige Menadonezen en Ambonezen zij uitstekende soldaten.
De Balinezen hebben de eenheid van kunst en religie kunnen handhaven, het is een krachtig volk met een groot gevoel van eigenwaarde.


(Rechts een Papua  met kind uit Irian.)

De volkeren van Irian staan nog het dichtst bij de natuur, ook zij kenmerken zich door hun waardige levenswijze.

In grote lijn komt de volksaard van de Indonesiërs overeen met die van hun Maleise voorvaders, ze zijn vriendelijk en makkelijk in omgang, ze lachen graag en hebben een groot gevoel voor humor, maar hun stemming kan snel omslaan in boosheid wanneer zij het gevoel hebben dat ze beledigd worden.
Gezichtsverlies is een ernstige zaak voor hen en wanneer vijandschap eenmaal is ontstaan, is het buitengewoon moeilijk om tot een verzoening te komen.
De Indonesiërs houden van het goede leven en als zij de macht en aanzien bezitten, hebben zij de neiging toe te geven aan de aantrekkingskracht van rijkdom en luxe. Het zijn echter ook kunstenaars zoals dat te zien is aan hun kunt en kunstnijverheid, misschien is hun sterkste karaktertrek gelegen in hun vermogen tot artistieke expressie.


                                 (De Indonesische Rijken bij de komst van de Europeanen.)


GROTE CULTUREN EN TEMPELBOUWERS.

Over de periode waarin grote culturen, geloven en tempelbouwers van de vasteland van Azië in Indonesië zijn terecht gekomen, zijn de geleerden het nog steeds niet eens. Een feit is zeker, dat de handel overzee met India, China en Arabië pas na het begin van onze jaartelling is ontstaan.
Dit neemt niet het feit weg, dat de mogelijkheid bestaat, dat men vanuit het toenmalige Indonesië  met kleine vaartuigen het vasteland van Azië wist te bereiken. Van het vasteland van Azië kwam het Hindoe en Boeddha geloof in Indonesië terecht en door de Arabieren het moslim geloof. 

DIËNGPLATEAU.

Het Diëngplateau op Midden-Java ligt op een hoogte van ongeveer 2000 meter boven de zeespiegel.
De naam is afgeleid van Di Hyang, de Verblijfplaats der Goden. Het Hindoe tempelcomplex werd omstreeks 800 jaar n.Chr. in opdracht van koning Sanjaya gebouwd en is voornamelijk aan de god Sjiwa gewijd.
Het hindoeïsme is de belangrijkste godsdienst in India.

BOROBUDUR.

De Borobudur gelegen op Midden-Java nabij Jogjakarta is een van de belangwekkendste religieuze bouwwerken van Zuidoost-Azië.
Het gehele complex is gebouwd in de vorm van een stupa en is eerder een heilig monument gewijd aan Boeddha, dan een tempel.
De bouw van dit enorme complex begon 750 n.Chr. en was een ontwerp van de architect Gunadharma. De naam stamt mogelijk uit het Sanskriet `Vihara Buddha Ur´, dit betekend vrij vertaald "boeddhistische tempel op de berg". Het monument heeft een afmeting van 123 bij 123 meter, heeft negen etages waarvan de onderste zes vierkant zijn en de bovenste drie rond. De etages vertegenwoordigen de kosmos. Op de bovenste etages bevinden zich 72 kleine stupa's, die gebouwd zijn rondom één grote stupa welke symbool staat voor het Nirwana. Het complex staat vol met reliëfs afbeeldingen. De bouw moet ruim 80 jaar hebben geduurd. Het gehele bouwwerk werd pas herontdekt geheel overwoekert door het oerwoud in 1814 door de Nederlander H.C.Cornelius.

PRAMBANAN.

De Prambanan is het grootste Hindoe-Javaanse tempelcomplex in Indonesië en is gelegen op Midden-Java nabij Jogjakarta.
 Prambanan betekend "veel priesters", welke met een lange baard in reliëfs staan afgebeeld.
Het hoofdgebouw is de "Shiva-tempel", waarop men veel reliëf afbeeldingen ziet van dieren en een hoogte heeft van 47 meter.
De bouw van deze tempel werd in opdracht van Rakai Pikatan, een Shivaïtische koning begonnen rond 850 n.Chr. Pas in 1893 werd er begonnen met het uitgraven van het midden complex. De renovatie van het hoofdgebouw werd pas in 1953 voltooid.
Deze enorme tempel complexen staan allemaal op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

QUO VADIS.


Heden ten dagen rijst nog steeds de vraag; "waar zijn deze dynastieën en bouwers gebleven, waarom hebben ze deze tempel complexen verlaten, waar bleef hun cultuur"? Had het verlaten te maken met de opkomst van het moslim geloof  of had het natuurgeweld er schuld aan?
Een kleine hindoe tempel op Oost-Java is nog te vinden aan de voet van de Bromo-vulkaan, verder veel op het eiland Bali, waar ook nog een kleine Boeddha-tempel staat, en één op het eiland Lombok.


Indonesië is en blijft een land van contrasten, in natuur en bevolking, uitgespreid over meer dan duizend eilanden. Over de geschiedenis van het land na de kolonisatie en de onafhankelijkheid zijn meer dan genoeg publicaties gedaan.