woensdag 12 januari 2011

DE RAMP. (1953) Deel 2.

NEDERLANDERS EN HET WATER.

Reeds de eerste bewoners die zich in de lage landen bij de zee vestigden moesten zich te weer stellen tegen de aanvallen van het water. Zij wierpen heuvels op die als vaste woonplaats of tijdelijk vluchtoord dienden: de terpen en wirden op de Friese en Groningse klei, de hillen en vliedbergen op de Zeeuwse eilanden, de woerden van de Betuwe. Later in de 7e eeuw, werden de eerste dijken aangelegd die dorpen, akkers en weiden moesten beschutten tegen de hoge vloeden die de Noordzee regelmatig tegen dit land aanwierp. De voortdurende toeneming van de bevolking dwong de bewoners van de verdediging tot de aanval over te gaan. In de Middeleeuwen al begon men het grondgebied uit te breiden. Zo werden de gronden van de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden en die langs de kusten van de Zuiderzee en Waddenzee ingedijkt, nadat zij door aanslibbing daarvoor rijp waren geworden. De bedijkingen waren nodig om die gronden, die alleen nog bij zeer hoog water zouden overstromen, bewoonbaar en bebouwbaar te maken.
Maar al te vaak bezweken de dijken en duinen en ging zowel nieuw gewonnen land als ook het oude land verloren. In de loop der eeuwen hebben overstromingen, zoals de Sint Elisabethvloed van 1421 en de Allerheiligenvloed van 1570 de vorm van onze kust ingrijpend gewijzigd. Vooral de geschiedenis van het Zuidwesten van ons land is met zoutwater geschreven. De stormen die de Noordzee zeer hoog langs de kust opjagen en de hoge vloeden die door de zeegaten tot diep op onze rivieren binnenstromen, hebben menselijke nederzetting soms ernstig bemoeilijkt. Nieuwe wateren verzwolgen er oud land, oude wateren zijn er verland.



Achter de zeeweringen en rivierdijken liggen kwestbare gewesten van het lage Nederland. Al het land ten westen van de lijn, die ongeveer loopt van Woesdrecht in het westen van Noord-Brabant via Bergen op Zoom, Rosendaal, Heusden, Culenborg, Naarden, Elburg, Zwolle, Meppel, Dokkum naar Windschoten, ligt binnet het bereik van de gemiddelde vloedhoogte van de Noordzee.
Tweemaal per dag zou dit land door het zeewater overstroomd worden als dijk en duin dit niet beletten. Bij stormvloeden en hoge rivierstanden staat zelfs ongeveer 40% van ons grondgebied aan overstroming bloot.
Om overtollig regenwater te lozen tijdens de lage zeestanden bij eb kunnen de bewoners van de hogere kleigronden van Zeeland en de Noordelijke provincies meestal volstaan met uitwateringssluizen. Bij hoge stand van zee en rivier worden de sluisdeuren door dit water dichtgedrukt en in het tegengestelde geval door het afvloeiende water geopend.
Maar in de lagere streken van Holland en Utrecht, waar het land lager ligt dan de spiegel van de zee en de grote rivieren en de kanalen die het land doorsnijden, is van afwatering naar lager gelegen plaatsen geen sprake. Hier en daar ligt het land zelfs zo diep dat wij de schepen een paar manshoogten boven land en huizen voorbij zien varen.
De bescherming tegen de zee en rivieren heeft bovendien tot gevolg, dat de voortdurende aanvoer van regenwater en sneeuw binnen de waterkeringen van duinen en dijken die het land omringen wordt opgsloten.
De bewoners van deze gewesten zijn er daarom toe overgegaan het land te bepolderen: de bouwgrond met dijken van elkaar te scheiden en sloten en greppels te graven waarin hte teveel aan water wordt verzameld. Zwoegende windmolens, stoom- en electrische gemalen houden het land kunstmatig boven water. Het overtollige water uit de gerppels en de poldersloten wordt door de bemalingswerktuigen op hoger niveau gebracht en op buitendijks water geloosd.

In ons land liggen de gronden niet op gelijke hoogte. Bij Scherpenisse op Tholen ligt het maaiveld 1,5 meter beneden zeeniveau, bij Serooskerke op Schouwen en bij Maassluis 2 meter, in de Beemster 3,5 meter en in de Wieringenmeer en tussen Rotterdan en Gouda ligt het er bijna 7 meter onder. Het waterpeil is dan ook per polder verschillend. Beheersing van het waterpeil door bemalingswerktuigen is van groot belang vooral voor de gewassen op de akkers en het vee in de weiden.
Uiteindelijk moet het opgepompte water naar zee of naar een rivier die met de zee in verbinding staat worden afgevoerd. Maar lang niet alle polders grenzen aan zee of buitenwater. Vandaar dat de gemalen het overtollige water lozen op voorlopige waterbergplaatsen, boezems, waarvoor kanalen, plassen, meren en ringvaarten gebruikt worden. Van deze waterbergplaatsen uit wordt het water door een gemaal op zee gebracht, soms eerst nog na op een hoger gelegen boezem te zijn gebracht die tenslotte op zee loost.
Zo wordt het water van de Rijnlandboezem, waarvan de 5 meter beneden zeeniveau gelegen Haarlemmermeerpolder deel uitmaakt, bij Katwijk op de Noordzee geloosd, bij Gouda op de Hollandse IJsel, bij Spaarndam en Halfweg op het Noordzeekanaal.
Slechts doordat zeeweringen als de Schielandse Hoge Zeedijk, de Hondbosse Zeewering en de Afsluitdijk de stormvloed van 1e februari 1953 hebben weerstaan, kon dit kunstig en unieke systeem van polders, bemaling en kanalen onaangetast blijven.
Om de veiligheid van ons land in de verdere toekomst te kunnen garanderen werd het Deltaplan opstappel gezet en uitgevoerd. Hiervan zijn de Oosterscheldekering, de Maeslandkering en de Hartelkering een onderdeel van.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen