dinsdag 18 januari 2011

DE DELTAWERKEN. (7c)

De Oosterscheldekering - De pijlers.

De pijlers waren de belangrijkste elementen van de dam. Ze werden gemaakt in een bouwput, bij het werkeiland Neeltje Jans, die 15,2 meter onder het zeeniveau lag en een oppervlakte had van on geveer 1km². Een ringdijk hield het zeewater buiten de bouwput en pompen verwijdereden het grondwater.

De bouw van een peiler nam bijna 1,5 jaar in beslag. Om de twee weken begon men aan de bouw van een nieuwe pijler. Zodoende was men altijd aan dertig pijlers tegelijk bezig. Het vergde een enorme organisering en planning om de complexe bouwwerken op tijd af te krijgen. De 65 pijlers waren ieder tussen de 30,25 en 38,75 meter hoog en wogen maximaal 18.000 ton. De pijlers waren gedeeltelijk hol van binnen daar het anders onmogelijk was ze te lichten als ze eenmaal in het water zouden staan.


Voor elke pijler was 7000 kubiekemeter beton nodig. Het dok kan dan ook beschreven worden als een grote betonfabriek, waarin tussen maart 1979 en 1983 450.000 m³ beton werd verwerkt. Als de pijlers in de bouwput gereed waren, dan werd deze onder water gezet en de damwand verwijderd. Aan dit project werd dag en nacht doorgewerkt omdat het beton anders niet op de juiste manier kon harden. Voor de zekerheid werden er twee pijlers extra gebouwd mocht er iets fout gaan met het transport of het plaatsen.

Het plaatsen van de pijlers.


Nadat men de bouwput van de gereed gekomen pijlers onderwater had gezet kon het transport naar de plaats waar ze geplaatst moesten worden beginnen. Voor dit transport was de vaartuig de Ostrea gebouwd. De Ostrea kon een pijler per keer optillen van de bodem en vervoerde het naar de plek waar de pijlers moest worden afgezonken. De plek werd gemarkeerd door een drijvend ponton.

De Ostrea (oester).
Aan de Ostrea werd het vaartuig de Macoma gekoppeld, wat in feite een grote stofzuiger was. De plaatsing van een pijler was een precisiewerk en kon alleen plaats vinden als de stroming zo klein mogelijk was: bij kentering van de getijden. Eerst verwijderde de Macoma alle zand en grind deeltjes van de mat om te voorkomen dat er water onder de pijler door kon stromen nadat deze geplaatst was.

De Ostrea en de Macoma (nonnetje een schelpdier) aan het werk.
In de ruimte tussen de pijlers werden dorpels gelegd. De holten tussen de pijlers en de matten werden opgevuld, zodat deze naadloos op de matten aansloten. Om verder een betere stabiliteit te verkrijgen werden de holle pijlers gevuld met zand. Tenslotte werden de pijlers ingepakt in een drempel van stortsteen. De kering moest absoluut onwankelbaar zijn. Als bijvoorbeeld een schuif niet zou kunnen sluiten zou de stroming in de opening gigantisch groot worden. In totaal werd er 5 miljoen ton steen rond de pijlers gelegd.

De stenen, die per stuk maximaal 10 ton wogen, werden door het kraanvaartuig Trias keurig op hun plaats gelegd, zodat pijlers en dorpels volledig verankerd werden met de zeebodem. Een groot deel van deze enorme sten kwam uit Duitsland, Finland, Zweden en BelgiĆ«, omdat Nederland deze niet kon leveren. Bovendien was het een soort gesteente met een hoge dichtheid (2,8 tot 3 ton/m³) nodog, zodat de getijden er geen greep op konden krijgen.

(Gegevens Rijkswaterstaat & Deltawerken online.)


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen