vrijdag 5 juni 2015

'WILLEM BARENDSZ' FABRIEKS- EN MOEDERSCHIP. WAT EN HOE?


TWEE SCHEPEN MET EEN HISTORISCHE 

NAAM VERBONDEN MET NOVA ZEMBLA.


WALVISVAART n.v.

NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ VOOR DE WALVISVAART.

(De Willem Barendsz 1.)


Op 22 juni 1946 werd te Amsterdam onder directie van Vinke en Co. het Zweedse tankschip 'Pan Gothia', gebouwd in 1931 en 10.409 brt, aangekocht, terwijl gelijktijdig van de Vestfold Corp. te Panama acht walvisjagers werden overgenomen.
De door de Amsterdamse Droogdok Maatschappij en de Nederlandse Dok en Scheepsbouw Maatschappij tot drijvende traankokerij verbouwde tanker werd herdoopt in 'Willem Barendsz'.
Het schip had een brt van 10.635. 
Op 17 december 1946 kon met de vangst in de wateren van de Zuidpool worden begonnen met eerst vier en later acht walvisjagers en deze vangt duurde tot 8 april 1947. Op 21 mei 1947 keerde de 'Willem Barendsz 'terug in Amsterdam, haar jagers waren achter gebleven in Kaapstad.
Omdat de vangst in het seizoen 1947/48 beneden het vangresultaat beneden de verwerkingscapaciteit was tegen gevallen van het moederschip, werd besloten de jagersvloot uit te breiden.
Hiertoe werden twee voormalige Britse korvetten aangekocht, terwijl van de Nederlandse regering een drietal Japanse jagers, die in 1945 in Nederlands-Indië waren aangetroffen, werden overgenomen.
Deze vangboten werden in Nederland voor hun nieuwe taak ingericht.



Vrijwel steeds werd de traan doorverkocht aan de Nederlandse regering, hetgeen een belangrijke deviezenbesparing betekende.
Met de nieuwe vangboten werd de jagersvloot successievelijk gemoderniseerd en werden oudere eenheden vervangen.

In 1951 werd met de regering een overeenkomst gesloten en kon bij de werf Wilton-Fijenoord te Schiedam een nieuwe drijvende traankokerij worden besteld.
Deze aanwinst werd voorzien van installaties voor het vervaardigen van diverse bijproducten.
Om de vangcapaciteit van de jagersvloot aan te passen werden enkele Britse korvetten aangekocht, zodat 12 vangboten aan de jacht konden deelnemen.
Op 9 juli 1955 werd de nieuwe 'Willem Barentsz' (26.830 brt) opgeleverd en de naam van het eerste schip gewijzigd in 'Bloemendael'; het schip werd verder gebruikt als tanker voor de aanvoer van brandstof naar en het ophalen van traan uit het vangstgebied.



In juni 1960 werd de 'Bloemendael' aan Nitto Hogei KK in Tokyo Japan verkocht, waar het schip werd herdoopt als de 'Nitto Mau'.
In 1964 werd het weer doorverkocht aan Nippon Suisan KK en kreeg wederom een andere naam 'Nichiei Maru'. Uiteindelijk werd ze gesloopt in 1966.






( De nieuwe 'Willem Barendsz'.)

De steeds kleiner wordende vangstmogelijkheden leidden in 1964 tot het besluit het bedrijf voorlopig stilte leggen.
Vangrechten voor de seizoenen 1964/65 en 1965/66 werden verkocht.
Dit was slecht mogelijk door gelijktijdig het fabrieks- moederschip inclusief de vangstquota aan Japan te verkopen zonder voorwaarde van terugkoop.

Ook de laatste twee moderne motorvangboten werden aan het buitenland verkocht.
In de eerste helft van 1065 werden met de in Zuid-Afrika gevestigde visserijonderneming Atlantic Harvesters (pty) Ltd. onderhandelingen gevoerd  met het doel in Zuid-Afrika een rederij op te richten, die de 'Willem Barendsz' zou aankopen en, na de nodige verbouwingen voor de productie van vismeel, visolie en andere producten, aan de Zuid-Afrikaanse kust zou exploiteren.
Daartoe werd in Zuid-Afrika de 'Willem Barendsz Ltd' opgericht, nadat van de regering van Zuid-Afrika toestemming was verkregen het bedrijf onder Zuid-Afrikaanse vlag uit te oefenen.
Het schip werd op 27 oktober 1965 overgedragen aan de Willem Barendsz Ltd voor een bedrag van 2 miljoen gulden rond; tevens nam de Nederlandse Maatschappij voor de Walvisvaart deel in het aandelenkapitaal  van de Atlantic Harvesters.
De resterende jagers werden verkocht en daarmee hield de rederij op te bestaan.





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen