donderdag 4 juni 2015

WALVISVANGST. HOE EN WAT?


VROEGER EEN STRIJD TUSSEN

MENS EN DIER.




WALVISVAART.

(Een type walvisvaarder uit rond 1840)

De walvisvaart was de jacht op de walvissen met behulp van zeegaande schepen. Dit bedrijf is zeer oud.
Langs de Vlaamse kust werden in de 9e, 10e en 11e eeuw walvissen veelvoudig gevangen.
Omstreeks het jaar 1000 werd de walvisvaart uitgeoefend door de Noren en de Basken; vooral bij de laatsten kwam ze tot hoge ontwikkeling; zij jaagden op de Noordkaper walvis. Hun jachtgebied breidde zich steeds verder uit en in 1372 kwamen zij reeds bij New-foundland; in 1578 lagen hier meer dan 300 schepen.

De Nederlandse walvisvaart begon zich te ontwikkelen nadat Engelse en Hollandse zeevaarders bij hun poging een noordoostelijke doorvaart route te vinden, melding maakten van een grote rijkdom aan walvissen.
Alle zeevarende naties van Noord-Europa gingen aan de jacht op deze walvissen deelnemen, voornamelijk op de Groenlandse walvis. In de 18e eeuw voegden zich de Amerikanen zich hier nog bij.
Aanvankelijk kon men dicht onder de kust voldoende walvissen vangen, meestal minder dan vijf stuks per seizoen per schip. Zij konden dan later aan de wal verder bewerkt worden zoals op het eiland Jan Mayen. Op Spitsbergen stichtten de Hollanders een vestiging met de naam Smeerenburg waar zij een traankokerij hadden. Hier waren in het seizoen ruim 1000 man aan het werk.


WALVISSLOEP.

De walvissloep was een open roei- en zeilboot waarvan de walvisvaarder meerdere exemplaren meevoerde aan boord om er de jacht op walvissen mee te bedrijven.
Oudere walvissloepen uit de 17e eeuw werden Groenlandse boot genoemd. Het waren zwaargebouwde boten, met rond voor- en achterschip, platboomd of met een vlak grootspant.Zij werden gaande weg lichter gebouwd; in de 18e eeuw waren deze Groenlandse boten gebouwd met een in de lengte gebogen kiel en met steil staande stevens. 
De romp had een zwaar berghout met veel zeeg. Er waren een kleine voor- en achterplecht en er lagen 7 doften, waarvan de derde als zeildoft werd gebruikt. Afmetingen waren: lengte 7,7 meter en breedte 1,8 meter.


DE WALVISJACHT.

De walvisjacht koste menig vaarde het leven. 
Nadat de walvis was geharpoeneerd begon de strijd om te overleven door de vis. Het gebeurde regelmatig dat de sloep volledig door de staart aan stukken werd geslagen en de bemanning in het ijskoude pool water terecht kwam, wat meestal de dood betekende. Ook kwam het voor de de lijn van de harpoen nog vast zat aan de sloep en deze geheel met opvarenden door de walvis onder water werd getrokken. Het was duidelijk een strijd tussen mens en dier.

In het begin van de 18e eeuw was de Nederlandse walvisvaart achteruitgegaan, vooral ten gevolge van de vele oorlogen. Na de Napoleontische oorlogen is het bedrijf niet meer tot bloei gekomen, hoewel de Engelsen en Amerikanen nog voort bleven gaan.
Toen tegen het einde van de 19e eeuw de Groenlandse walvis en de Noordkaper schaarser begonnen te worden, gingen de Amerikanen vanuit de havens aan de oostkust, o.a. Nantucket en New Bedford, zich toeleggen op de vangst van potvissen. De jacht begon zich in de eerste helft van de 18e eeuw te ontwikkelen; ook Engelsen, Spanjaarden en Portugezen namen er aan deel.
Aanvankelijk beperkte men zich tot de Atlantische Oceaan. Tegen 1800 begon men ook de Stille Oceaan te bevaren. Deze reizen om Kaap Hoorn duurde vaak 2 tot 3 jaar. Het hoogte punt werd bereikt omstreeks 1840; ruim 800 schepen, waarvan 600 Amerikaanse namen aan de jacht deel.
De vangt bedroeg ongeveer 10 potvissen per schip per jaar. Het waren vrij kleine schepen van rond de 300 ton.Het bedrijf begon al te vervallen vóór de ontdekking van de aardolie in 1859.
De petroleum verdrong toen zeer snel de traan voor verlichting. Toch heeft het nog tot 1925 geduurd eer de laatste potvisjager in de haven terugkeerde.


De jacht werd zo uitgeoefend dat, als een walvis in zicht kwam, de sloepen trachten hem te benaderen, zodat de harpoenier zijn harpoen in de walvis kon werpen. Gewoonlijk werd meer dan één harpoen geworpen. Het getroffen dier matte zich dan af om de ontkomen en werd uiteindelijk met lanssteken afgemaakt.
Deze methode was alleen bruikbaar bij langzaam zwemmende walvissen die met een roeisloep te benaderen waren.
De grote vinvissen moesten met rust gelaten worden daar zij te snel waren en zelfs, indien gedood, moeilijk te bemachtigen waren daar zij zonken.


DE HARPOEN.

De harpoen is een van de oudste vistuigen en bestaat uit een schacht met een van één of meer weerhaken voorziene punt, waaraan een lijn is verbonden.
De harpoen wordt gebruikt voor de jacht op vissen, robben en walvissen. Vaak is de lijn aan de punt met de weerhaak en laat de schacht los na het treffen.
Harpoenen zijn op vele plaatsen op aarde tot ontwikkeling gekomen. Bij de walvisvaart was de met de hand geworpen harpoen alleen bruikbaar voor de vangst van traag zwemmende vissen.
Toen de traag zwemmende vissen schaars begonnen te worden, wierp men zich op de constructie van een harpoen die geschoten kon worden. Het eerste bruikbare exemplaar werd geconstrueerd in 1865 door Svend Foyn; de harpoen werd door een klein kanon afgeschoten. Later werd de kop van de harpoen nog van een granaat met tijdbuisontsteking voorzien, welke het getroffen dier opslag dode.

HET PRODUCT; TRAAN.

Traan is het uitgekookte vet van mariene zoogdieren en het is vloeibaar bij 20 graden Celcius.
Belangrijke producenten voor traan zijn walvissen, robben en vissen uit de familie der haringachtigen. De traan werd vroeger o.a. gebruikt als lampolie, productie van zeep en smeermiddelen.
Traan voor medicinale doeleinden wordt gewonnen uit de levers van walvissen, kabeljauw, heilbot en haaien. Alle soorten traan bevatten een hoog percentage aan onverzadigde vetzuren. Vissen slaan hun reserve vet meestal op in de lever; deze vetten kunnen rijk zijn aan vitamines A en D (kabeljauw en heilbot) of aan vitamine A (haaien en walvissen). De traan uit de kaken van dolfijnen heeft een zeerlaag smeltpunt en wordt gebruikt voor het smeren van zeer fijne instrumenten.




DE GEMODERNISEERDE VANGST. 

DE WALVISJAGER.

De walvisjager was een snelle mechanisch voortgestuwde snelle boot voor de vangt van walvissen en vinvissen. De snelheid bedraagt 14 tot 17 zeemijl per uur.
Boven op de voorsteven bevindt zich het harpoenkanon waarmee de harpoenier de harpoen, tegenwoordig voorzien van een explosieve landing, in de walvis moet schieten.
Aan de harpoen is een lange tros bevestigd. Als de harpoen doel heeft getroffen gaat de walvis op de vlucht en ontwikkeld daarbij een snelheid die groter is dan de scheepssnelheid. De walvis sleept de walvisjager mee aan de tros. Om de daardoor optredende krachten soepel over te kunnen brengen bevindt zich op het schip een kracht accumulator, bestaande uit een groot aantal sterke veren.
Tussen de brug en het bordes voor het harpoenkanon bevindt zich een open loopbrug, omdat de kapitein van de walvisjager tevens de harpoenier is. Bij de walvisjagers behoorde een 'moederschip' het fabrieksschip.


(Een harpoenkanon op het voorschip van een walvisjager.) 

Door de uitvinding van het harpoenkanon begon de jacht op de vinvissen zich te ontwikkelen. Vooral ook in de Antarctis, aanvankelijk vanaf eilanden; later begonnen de Noren als eerste het spek aan boord van schepen te koken, terwijl de walvis langszij werd gehaald en geflensd.
In 1910 waren er 14 van dergelijke schepen in gebruik. In 1925 werd de 'slipway' ingevoerd, waardoor het mogelijk was de walvis aan boord te slepen; de gehele bewerking kon toen aan boord plaats vinden.


(Een slipway aan boord van een fabrieksschip met daarop gevangen walvissen.)

Deze fabrieks- of moederschepen namen voortdurend in grootte toe; in het seizoen 1938/39 waren er 34 in gebruik met een gemiddelde tonnage van 14.000 ton. Het maximum werd bereikt in 1961 met 21 moederschepen van gemiddeld 22.000 ton en met 261 jagers die aan de vangst deelnamen.
In 1963 was dit aantal gedaald tot 16 moederschepen, afkomstig uit Noorwegen (4),
Japan (7), Rusland (4) en Nederland (1).
Het was te voorzien dat de walvisstand tegen een zo intense jacht niet opgewassen zou zijn. Reeds in 1934 werden er internationale maatregelen genomen om de stand zo mogelijk op peil te houden.
In 1946 werd de International Whaling Commission opgericht die een conventie in het leven riep waarop beschermende maatregelen werden genomen: enkele soorten mogen in het geheel niet worden geschoten behalve door de inheemse bevolking; voor de andere bestaat een gesloten tijd; voor belangrijke soorten zijn minimummaten vast gesteld; zogende dieren zijn beschermd en het aantal walvissen dat in een seizoen door de expedities geschoten mag worden wordt elk jaar van te voren vastgesteld. Aan boord van elk moederschip moeten zich twee inspecteurs bevinden die op de naleving van de voorschriften toezien.
Bij de Japanners, voor wie het vlees een belangrijk product is, worden deze regels heden nog vaak overtreden onder het mom van wetenschappelijk onderzoek.





(Zie vervolg: 'WILLEM BARENDSZ' MOEDERSCHIP. WAT EN HOE?)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen