donderdag 19 januari 2012

SIBOLGA en CORRUPTIE.



SIBOLGA. WEST-SUMATRA. 

       INDONESIË. 1989.



SIBOLGA EN CORRUPTIE.


DINSDAG 3 JANUARI 1989.

Na een nachtelijke reis van 14 uur kwamen we in de haven van Sibolga aan. Hier stond me een nieuwe verrassing te wachten en maakte ik kennis met het corrupte politie systeem in Indonesië. Op het moment dat we de havenpoort uit wilden lopen werd ik vriendelijk verzocht om mee naar het havenkantoor te gaan door een havenautoriteit welke mij verzocht mijn bagage te openen. Het bleek hem uiteindelijk te doen te zijn om de zak waarin ik het houtsnijwerk en de kris had verpakt.



( Een houtsnijwerk voorstellende een Nias koning.)

Volgens dit figuur hadden we een export vergunning moeten hebben van het Nias Cultuur Departement. Toen we vroegen waar dit dan wel gehuisvest was wist hij dat zelf niet. Het was duidelijk dat het om geld te doen was en toen ik hem mijn lege beurs liet zien en hem duidelijk maakte dat als ik geld had gehad hem niets had betaald leverde hij ons aan de lokale politie uit.








                                 ( De Nias-kris welke ik ruilde tegen mijn Zwitsers zakmes.)

De politie bleek geen interesse te hebben in het houtsnijwerk, maar begon een moeilijk verhaal op te hangen over import van steekwapens op het eiland Sumatra en het was hun duidelijk om de kris te doen om die in te pikken.
Torang adviseerde mij om hier ook niet toe te geven en ik liet ze dit ook duidelijk merken en ik hun duidelijk vertelde dat ik van hun verhalen geen barst geloofde, daar Nias ook Indonesië was net als Sumatra en Java en in ieder huisgezin een dergelijk soort kris aanwezig was.
Nadat de hoogste in rang die daar aanwezig was zich er ook mee had bemoeid en me via Torang hed medegedeeld dat alles in beslag werd genomen begon het twee uur lang durende ambtelijke getik op een oude schrijmachine door de laagste in rang voor een proces verbaal op te maken. Het koste ze een hoop papierwerk en ze vingen van mij geen cent. ( Ik had mijn valuta bij Torang thuis achter gelaten voor we naar Nias vertrokken).
Alles werd op Torang zijn naam gezet, omdat zoals hij tegen mij verklaarde dit de enigste manier was om mijn eigendommen terug te krijgen, iets waar ik niet zo zeer in geloofde.
De gedachten gang van deze 'vriendelijke' autoriteiten was, dat Torang een lokale gids was en ik een rijke toerist die hem had ingehuurd.




            (Twee uit kalksteen gesneden beeldjes voorstellende een koninklijk echtpaar.)

Zo bereikten we dan zonder mijn aandenken aan Nias Torang's ouderlijk huis waar het hele verhaal aan zijn vader werd verteld en zijn zwager die als aanklager bij het gerecht werkte. De vader van Torang bleek ook een man van aanzien te zijn in Sibolga daar hij er een artsenpraktijk had gehad en medeoprichter was van het lokale ziekenhuis. Ze zouden aktie ondernemen om mijn eigendommen terug te krijgen, daar ze geen recht hadden deze zomaar in beslag te nemen.
Na wat gegeten te hebben heb een hotelkamertje genomen bij een neef van Torang om de familie niet verder tot last te zijn en om wat slaap in te halen.
Torang vertelde ook de geschiedenis aan zijn neven in het hotelletje en deze wisten te vertellen dat deze 'hoge chef' een vieze schuinsmarcheerder was en er wel eens kwam met jonge meisjes voor een kamer. Ook dit werd weer aan de zwager van Torang doorgespeeld die werkte bij het gerechtshof.

Die avond in een klein restaurantje heerlijk gegeten en na gepraat over de afgelopen dagen.
Het was nu verder afwachten wat er zou gebeuren. Ook kwam ter sprake wat mijn verdere planning was en vertelde ik dat ik nog verder wilde reizen naar Bukit Tinggi. Alleen?; was de reactie van Torang. "Ja want jij moet weer naar Jakarta om te werken" was mijn antwoord.


woensdag 18 januari 2012

PULAU NIAS. PASIR LAGUNDRI. (Deel 4)




PULAU NIAS. INDONESIË.               

              1988/89 (4)


EEN SAMENVATTING VAN DE LAATSTE DAGEN OP PULAU NIAS.


Vrijdag 30 december 1988.

Met stijve spieren van de afdgelopen twee dagen opgestaan en ze losgemaakt met zwemmen in de baai. In de naochtend verscheen Wisnu op zijn motorfiets en bracht mijn houtsnijwerk mee en kreeg hij zijn 'niet lange broek' weer terug van Torang.
Hij moest naar Tulukdalam en vroeg of we zin hadden met hem mee te gaan en we konden dan gelijk de overtocht naar Sibolga met de boot regelen. Tot onze verrassing bleek de eerste boot pas op 2 januari 1989 uit Tulukdalam te vertrekken en daar we geen zin hadden de hele lange terugreis naar Gunung Sitoli weer te maken boekten we met behulp van Wisnu voor de tweede januari de overtocht naar Sibolga.
In Tulukdalam nog wat kleine geschenken gekocht voor Torang thuis en voor thuis in Nederland. Veel was er niet te zien en te beleven in deze plaats.



Terug naar ons logement en brachten de rest van de dag door op het strand en in de zee. s'Avonds heerlijk gegeten. Mr. Milyar had op ons verzoek een kratje bier gekocht en vroeg zich af hoe we dat koud kregen, daar ze geen koelkast hadden. Gewoon in de waterput achter het huis. Genietend van de tropische avond en de koele dronk vielen de jongsten uit het gezin op onze schoot in slaap.



Zaterdag 31 december 1988.



Zo werd het dan 31 december de laatste dag van het jaar 1988. Een dag die we zonder benul van tijd doorbrachten. Gegeten als we honger hadden en verder de tijd gedood met zwemmen, zonnen en lezen. In de baai monde een kleine rivier uit en daar gingen we met de jeugd speervissen, wat moeilijker was dan het leek.

Maar wat doet men dan lokaal met zo'n jaarwisseling vroegen we ons af? Nou een stevig vuurtje stoken op het strand en lekker eten. We gaven dus mevrouw wat extra geld om een lekkere cake te bakken voor die avond.

Zo werd het strand gereinigd van het drijfhout en palmtakken voor het vreugde vuur die avond.Het was voor de jeugd te lang wachten tot middernacht en zo ging om tien uur de vlam in de hoop hout.



We hadden die dag ook nieuwe gasten erbij gekregen in het logement; een jong echtpaar uit Nieuw Zeeland en een jonge Duitse rugzak toerist en het klikte goed onderling.

Het vreugde vuur laaide hoog op en waar plotseling al het andere volk vandaan kwam was ons een raadsel. Jongelui met muziekinstrumenten vulden de avond met muziek en zang. Een ieder had nog wat te drinken meegebracht en zo werd het een uitbundige jaarwisseling.

Met de familie Milyar en de overige gasten werden de laatste bierflessen leeggemaakt terwijl de laatste resten van het oude jaar op het strand lagen weg te smeulen.




Zondag 1 januari 1989.



Het was ruim 02.00 uur geweest eer een ieder naar zijn bed ging. We waren in alle rust, stilte en vrede 1989 ingegaan. Maar lang uitslapen was er niet bij, want onder het raam stond de jeugd te roepen, dat Oom moest komen zwemmen, ondanks de waarschuwing van de moeder dat ze stil moesten zijn. Dus eerst maar gaan zwemmen en na wat gegeten te hebben langs het strand naar het dorpje Batohili gewandeld. Torang was niet meegegaan daar hij een blaar op zijn hiel had. Het was de verdere dag het motto doe waar je zin in hebt. Zo bouwden we met de jeugd een vlotje en luierden wat aan het strand.

s'Avonds draaide wind onverwachts en deze werd zelfs stormachtig, waarna we uren regen kregen met een onweer waarbij het vuur niet van de hemel weg was. Toch nog Nieuwjaarsvuurwerk. Het werd een kille natte tropische nacht.



Maandag 2 januari 1989.



We werden deze ochtend stijf van de kou wakker en zochten snel het warme zeewater op en de zon. Na een stevig ontbijt onze bagage bijeen gezocht en ingepakt. In de dagen dat we in Lagundri-bay waren slachjte Mr.Milyar enige kippen en een bighgetje met een orginele Nias-kris. Ik liet hem weten dat ik die graag van hem zou willen kopen voor mijn verzameling, maar kopen dat kon niet, maar wel ruilen. Dus verwisselde ik mijn Zwitsers zakmes tegen zijn kris. Een ieder gelukkig.

Het was verder de gehele dag benauwd en drukkend weer.



Om vier uur in de middag werden we met de motorfiets naar Tulukdalam gebracht voor de bootvaart naar Sibolga. Bij het aan boord gaan rezen er problemen, daar bleek dat de persoon bij wie we de reis betaald hadden en het gebruik van een kleine hut om te slapen de bemanning maar gedeeltelijk had betaald en zo goed als zeker de rest van het geld in eigen zak had gestoken. Iedereen begon zich er mee te bemoeien, maar ik hield voet bij stuk en weigerde ook maar één Rupiah bij te betalen.

Midden in deze Babylonische spraakverwarring verscheen plotseling Wisnu die ons kwam uitzwaaien. Nadat dat hij verklaard had getuige te zijn geweest van onze betaling was de zaak snel opgelost. We vroegen hem of de dief van de 'niet lange broek' al gevonden was. Dragen in het dorp durfde de persoon, als hij uit het dorp kwam, hem zeker niet. Maar het kon iemand uit een ander dorp zijn geweest, daar het vaak gezien werd als een competitie om iets uit een ander dorp mee te nemen. Lachend voegde hij er aan toe ; "Vroeger waren het huwbare meisjes en nu zijn het sportbroekjes, waar blijf de traditie"? We moesten er hartelijk om lachen.

Uiteindelijk vertrokken tegen achten uit de haven van Tulukdalam met een kalme zee en een licht bewolkte hemel naar Sibolga.

Een ding was zeker; we hadden een mooie en avontuurlijke tijd gehad op Pulau Nias. Maar het belangrijkste was, dat er een vriendschap was ontstaan met de mensen die we ontmoet hadden. Vooral de fam. Milyar en Wisnu.


NATUURGEWELD.

Op 26 december 2004 werd Nias getroffen door een alles verwoestende tsunami als gevolg van een zware aardbeving, waardoor veel doden en gewonden vielen.

Op 28 maart 2005 werd Nias getroffen door een aardbeving met een kracht van 8.7 op de Schaal van Richter. Ruim twee duizend mensen kwamen om en de stad Gunung Sitoli werd voor 80% verwoest. Er deed zich geen tsunami voor. Op 25 en 27 april 2006 was er weer een aardbeving met een kracht van 6 op de Schaal van Richter. 









dinsdag 17 januari 2012

PULAU NIAS. BINNENLAND EN DORPEN. (Deel 3)




PULAU NIAS. INDONESIË. 

                 1988 (3)


PULAU NIAS. DORPEN EN BINNENLAND. 


DONDERDAG 29 DECEMBER 1988.

Het had de afgelopen nacht behoorlijk geregend, maar een ieder had zo goed geslapen dat we daar niets van hadden gemerkt. Toen Torang de gedroogde 'schone was' had gehaald kwam hij met de mededeling " Mijn niet lange broek is weg". Gelukkig was het een oude sportbroek, maar onze gastheer, Wisnu, en onze gids waren er helemaal niet gelukkig mee, want gasten besteel je niet. Daar de rest van de tocht in een sarong af te leggen niets was kreeg hij van Wisnu een korte broek te leen en deze zou hij dan de volgende dag op komen halen en gelijk mijn houtsnijwerk souvenirs komen afgeven.







Na het ontbijt nog even door het dorp gewandeld te hebben in het gezelschap van een groep kleine kinderen namen we afscheid en vervolgden we onze tocht door het binnenland.



Het was door de regenval van afgelopen nacht broeiend heet en het zweet gunstste ons weer van het lijf en de paden waren zo goed als onbegaanbaar. Het werd het zwaarste gedeelte van deze voettocht.









Overal zagen we prachtige vlinders en hoorden we het geluid van vogels en insecten. Via het dorpje Bawosali bereikten we bij Hilisimaetano de 'verharde weg'. De laatste paar kilometers waren moordend geweest. Het was toen nog vijf kilometer lopen naar de plaats waar we weer door de motorfietsen zouden worden opgepikt die ons terug naar Lagundri zouden brengen.
Zowaar ze stonden op ons te wachten.

Het was tegen vieren toen we weer terug waren in ons logement 'Yanty Inn' en na eerst heerlijk in het water van de baai gezwommen te hebben lieten we ons stevig masseren met klapperolie door onze gastvrouw.
Na een stevige smakelijke maaltijd, want koken kon de gastvrouw zeer goed, nog genoten van een gezellige avond met het Franse echtpaar dat de volgende dag verder zou reizen.
We moesten maar eens vertellen wat we de volgende dag wensten te eten. Met het geruis van de branding in onze oren vielen we in slaap.


                                                                     (vervolg deel 4.)



PULAU NIAS. BINNENLAND EN DORPEN. (Deel 2)





PULAU NIAS. INDONESIË. 

               1988 (2) 



PULAU NISAS. DORPEN EN BINNENLAND.


WOENSDAG 28 DECEMBER 1988.

Door de drukke bedrijvigheid buiten onze kamer om 08.00 uur opgestaan en eerst een frisse duik in zee genomen om onze spieren wat los te maken. Na ons afgespoeld te hebben met zoet water in de kamer-mandi onze bagage ingepakt buiten de reisbenodigdheden voor de twee daagse tocht. Gepakt met onze spullen naar ons nieuwe logement gegaan 'Yanty Inn' om daar eerst van een ontbijt te genieten en de overtollige bagage achter te laten.
Het logement was gebouwd op palen van palmbomen en verder geheel opgetrokken uit stevbige bamboepalen, wqanden van gevlochte maten van plambladeren, zo ook de vloeren en een dakbedekking van plambladeren. Beneden leefde de eigenaar met zijn gezin en boven de gasten. Achter het huis was de wasplaats en de keuken. Geen electrisch, maar verlichting van palmolie lampen. Het was met recht 100% eco-stijl, maar het was schoon.


Het was tegen negenen toen we uit Lagundri-bay vertrokken en legden we het eerste deel van onze tocht naar het plaatsje Orahili af achter op een motorfiets. het was een reisje van 11 kilometer met het mooiste weer van de wereld door een prachtige groene natuur.



Orahili lag net als de overige traditionele dorpen verstopt gebouwd op een heuvel en was te bereiken via een smal geplaveid paadje. Al de huizen stonden aan weerszijden van een met grote stenen geplaveide hoofdstraat. Op sommige plaatsen was nog een bamboe omheining te zien en het was dus een klein fort.




Vanaf Orahili hadden we een prachtig uitzicht over het landschap en konden we in de verte Lagundri-bay zien liggen. We vervolgden onze voettocht naar het dorp Bawömataluo wat maar hemelsbreed op anderhalve kilometer van Orahilli lag. Het leek allemaal eenvoudig wat de afstanden aanging, maar dat viel al snel tegen. Het was constant klimmen en afdalen over zeer smalle voetpaadjes die soms niet te zien waren door de begroeiing. De zon brande ook genadeloos boven ons en het zweet gutste ons van het lijf.




Ook de huizen in het dorp Bawömataluo (betekend zonneheuvel) lagen aan weerszijden van een geplaveide hoofdstraat. Onze gids, Mr.Milyar, die goed Engels sprak legde ons alles goed uit over de bouw van de huizen en de enorme stenen die er voor lagen.

De woningen in de dorpen staan allemaal op hoge zeer stevige palen, maar hebben ergens aan de voorkant de vorm van de achtersteven van een Chinese- of Vietnamese Junk (schip).


Het verhaal gaat dat eeuwen geleden een schip met die vorm op het eiland strandde en de bemanning er achter bleef en zich er vestigde. Deze gezichtstrekken kom je bij de huidige bevolking nog tegen. We bezochten het koningshuis en ik liet het aan mijn reisgenoot, Torang, over om over de prijs te pingelen van wat kleine uit hout gesneden souvenirs.

In het dorp staat een indrukwekkend 150 jaar oud koningshuis (paleis) het 'omo seuba'. Het gebouw is 15 meter hoog en wordt gesteund op enorme pilaren. Het is versierd met rijk houtsnijwerk, krokodillen, zeevarenden en prinsessen voorstellende. Vlak voor het koningshuis ligt een enorme steen. In het dorp staan ongeveer 287 megalieten.

DE STEEN.

De enorme steen (megaliet) van 'Darodaro'voor de gestorven Saoenigeho van Bawömataluo werd ruim drie kilometer verder uit een rivier bedding gekapt en op een speciale sleepconstructie naar het dorp gebracht. Volgens de overlevering heeft het 525 mannen drie dagen gekost om deze steen op zijn plaats te krijgen. (anno 1915)





Vlak na het dorpje Siwala dacht ik het geluid te horen van een waterval. Het was dan wel vallend water maar wel met bakken uit de hemel en waren binnen een paar tellen volledig doorweekt. Het smalle voetpad veranderde snel in een ware modderstroom. Maar na regen kwam ook weer de zonneschijn en liepen we alweer snel te stomen en op te drogen.


Helaas had het opdrogen weinig zin, daar de brug over een kleine rivier die we moesten oversteken volledig verdwenen bleek te zijn. Afgedaald van de oever naar het water net zolang door het snelstromende rivierwater gewaad tot we aan de andere oever redelijk omhoog konden klimmen. Vuil van het zweet, modder en rivierwater bereikten we om 15.00 uur het dorp Hininawalö, wat het eindpunt was van deze dag. het was een interessante dag geweest zowel de tocht als het bezoek aan de eerste dorpen.

Zomaar blijven overnachten in het dorp, dat gaat niet. Eerst werden we aan het dorpshoofd voorgesteld, waarbij we schuw werden omringt door de bewoners, wat ons westerlingen eerst een indruk gaf dat we er niet welkom waren, maar daar we rekening hielden met de traditionele levenswijze van de bevolking klonk al snel uit de mond van het dorpshoofd, in het Niha, YA'AHOWU, het woord voor welkom en werden we uitgenodigd om in het koningshuis te overnachten. Voor het koningshuis lag de oude gerechtsplaats met enorme stenen stoelen en tafels, van wel 15 ton, welke er al eeuwen stonden.

In de lokale wasgelegenheid, mannen en vrouwen gescheiden, wasten we ons het vuil van ons lichaam en uit onze kleding onder de nodige belangstelling van de dorpsjeugd die helemaal door het dolle heen raakten toen gebruik mochten maken van ons stuk toiletzeep.


Terwijl ons eten werd klaar gemaakt hield Torang de jeugd bezig, zittend op de stenen tafel, met het leren van een Frans liedje over een zwaluw en kreeg al snel begeleiding van enige gitaren.

We werden onthaald op enige lokale melodieën en onder het genot van een zeer sterke lokale rode wijn werd het een gezellige avond en sliepen we die nacht als 'vorsten'.


                                                                   (Vervolg deel 3.)






Binnen in het koningshuis hing een zware houten trom, enige afbeelding uit houtgesneden van de vroegere koningstroon en een paar zeer fraaie raamafsluitingen.

maandag 16 januari 2012

PULAU NIAS. INDONESIË. (Deel 1).




PULAU NIAS. INDONESIË.

                  1988. (1)




In dit verslag gaan we terug naar eind december 1988. Ik had de eer, tijdens mijn reis over Sumatra, de Kerstdagen door te mogen brengen bij een christelijke Batak-familie te Sibolga op Noord-West Sumatra. Ik besloot de dagen tussen de Kerst ende jaarwisseling te gebruiken om een bezoek te brengen aan het eiland Nias, voor de kust gelegen van Sumatra, met haar eigen taal, cultuur en huizenbouw. Het zat de gast-familie niet lekker dat ik deze reis allen ging maken, daar ik de taal niet goed kende en zo werd er besloten dat een zoon met me mee zou reizen die op vakantie was vanuit Jakarta waar hij werkte. We beloofden te proberen met de jaarwisseling weer 'thuis' te zijn in Sibolga.


PULAU NIAS.

Het eiland Nias ligt zo'n 120 kilometer uit de kust van Sumatra in de Indische Oceaan. Het ie het grootste eiland van een reeks eilanden, de Mentawai-eilanden, die parallel lopen aan de kust van Sumatra. Het eiland is ongeveer 100 kilommeter lang en 50 kilometer breed. Het eiland Nias is een regentschap (kabupaten) in de provincie Nopord-Sumatra en telt een half miljoen inwoners. De bevolking spreekt een eigen taal en is voor het merendeel christen. De hoofdstad is Gunung Sitoli.




DE OORSPRONKELIJKE BEVOLKING.

Etnologen zijn het nog steeds niet eens waar de eerste bewoners van het eiland vandaan zijn gekomen. Afgaande op de bouw van de huizen wijst het er op dat ze van overzee zijn gekomen en vroeger tijden onder invloed van de Dong-son cultuur van Annan (Noord-Vietnam) hebben gestaan. Andere denken dat ze verwant zijn aan de Burmaanse Naga-stammen en weer anderen menen dat ze van het eiland Madagaskar afkomstig zijn. Een feit is zeker, dat ze een lichtere huidskleur hebben dan de bevolking van Sumatra.

In oude geschriften, van Arabische zeevarenden, wordt melding gemaakt dat de bevolking naakt rondliep en dat het koppensnellers waren, maar ze aten hun slachtoffers niet op. De 50 onderlinge dorpen (oeri) raakten regelmatig slaags met elkaar en de door hun onderling buit gemaakte gevangenen werden als slaaf verkocht aan de inwoners van Ache en Padang voor goud, ijzer, tabak en parels. Dorpen werden op een omheinde heuvel gebouwd als bescherming tegen invallen.


In 1863 ging het eiland deel uitmaken van het toenmalige Nederlands-Indië, waarna in 1865 de eerste zendelingen op het eiland arriveerden en er een einde kwam aan de onderlinge strijd en het koppensnellen.

DE EERSTE REISDAG 26 DECEMBER 1988.

Voorzien van de hoognodige bagage gingen we naar de haven van Sibolga waar we hoopten een overtocht naar de plaats Tulukdalam op Nias de kunnen bemachtigen, maar er ging alleen nog maar een boot naar Gunung Sitoli, zo'n 120 kilometer reizen noordelijker aan de kust gelegen van onze reisbestemming. Rond 18.00 uur hadden we uiteindelijk een overvaart weten te regelen, maar het duurde nog enige tijd eer het scheepje haar lading had ingenomen, de luiken waren gesloten eer de passagiers aan boord mochten gaan.

Zodar we aan boord konden gaan wisten we een overdekt plaatsje te bemachtigen bij een van de ladingluiken bij het voorruim. Benedendeks zat het vol met passagiers en hun bagage.
Met een prachtige gekleurde hemel van de zonsondergang verlieten we tegen tienen de haven van Sibolga. Het merendeel van de oversteek brachten we op de voorplecht door, alwaar een groepje studenten de tijd verdreef met gitaarspelen en zingen, en waarvan ik de nodige vragen kreeg te verwerken. Helaas dreef een zware regenbui ons naar binnen, waar mensen in de meest vreemde houdingen lagen- en zaten te slapen, op- en naast hun bagage, ondanks het geschetter van een radio. Het bleef de verdere overtocht zwaar regenen.


PULAU NIAS 27 DECEMBER 1988.

Om zes uur in de ochtend bij het eerste daglicht meerden we aan in de haven van Gunung Sitoli. Het was gelijk een drukte van belang om een plaatsje te bemachtigen in een van de twee bussen die naar Tulukdalam zouden vertrekken. Het koste dan ook de nodige overredingskracht om een plaatsbewijs te verkrijgen. Het zou een rit gaan worden over slecht begaanbare wegen door de regenval de afgelopen dagen. 'Geen zorgen we komen er wel', daar ging men gewoon vanuit.
In het begin van de reis konden we nog over een redelijk wegdek spreken, maar dit werd al spoedig slechter en slechter.




De eerste verrassing was dat bij een kleine rivier overgang enige palen van de houten 'brug' gebroken waren en het te gevaarlijk was om er met de busjes over te steken. Iedereen moest uitstappen en via de gammele brug het riviertje oversteken terwijl de busjes met hoge snel;heid door het water de andere oever wisten te bereiken. In stappen en daar gingen we weer verder.
De volgende stop was na een poging een berghelling op te komen 'in the middle of know where', wat niet lukte in de volledig diepe sporen vol modder van eerder verkeer. Weer moesten alle mannen uitstappen om te voet te helling op te gaan, waarna de busjes één voor één met veel moeite de helling opkropen terwijl we droge palmtakken voor de wielen legden. Eenmaal boven ging de reis verder en we zaten nu in het tweede busje.





Zo bereikten we weer een kleine snelstromende ondiepe rivier, waar de brug van hout geheel weggespoeld was. Het eerste busje reed volle kracht de oever af om de rivier over te steken aar bleef halverwege steken. Intussen denderde onze chauffeur even verder de rivier in en wisten we veilig de ander oever te bereiken. Hier was het weer uitstappen en nadat ik mijn bagage had veiliggesteld bij mijn reisgenoot, evacueerden we eerst de vrouwen en kinderen uit het busje terwijl er intussen allerhande stukken touw aan elkaar geknoopt werden om met behulp van ons busje het andere busje uit het water te trekken. Na veel pogingen lukte dit uiteindelijk en konden de passagiers hun bagage uitladen. Tot mijn verbazing werd er door de geredde passagiers allerlei potjes en pannetjes uitgepakt en ging men rustig zitten eten op de rivieroever terwijl er getracht werd de motor van het busje nieuw leven in te blazen, maar hier bleef onze chauffeur niet opwachten. Al met al was het een avontuurlijke reis geworden. Een reis van ruim negen uur toen we uiteindelijk werden afgezet op een wegsplitsing richting Lagundri.






De laatste 6 kilometer naar Lagundri legden we af achterop een motorfiets in zonnig overgoten landschap. In Lagundri een kamer in het Fanayama logement weten te krijgen nog geen honderd meter van het strand wat volledig omringt was door palmbomen, maar er bleek niets te drinken te zijn te krijgen of te eten en ook in het deurslot had ik geen vertrouwen.
Na eerst de vermoeienissen en het vuil van ons afgespoeld te hebben in het verkwikkende klaar heldere zeewater maakten we een korte wandeling en kwamen bij het logement Yanty Inn terecht waar we te eten en te drinken konden krijgen. Zo raakten we in gesprek met een Frans leraar-echtpaar uit de Frans Caledoniën-Eilanden en de eigenaar van Yanty Inn, Mr. Milyar.
Het bleek dat ze de volgende dag een voettocht gingen maken door het binnenland langs oude historische dorpen en we besloten ons bij het gezelschap aan te sluiten. 



Zo namen we ook het besluit om de volgende ochtend te verhuizen naar het Yanti Inn logement vlak aan de zee. Het werd uiteindelijk tien uur eer we als een blok in slaap vielen op onze harde bedden.

                                                                   (Vervolg deel 2.)

zaterdag 7 januari 2012

AMSTERDAM CENTRAAL STATION. (DEEL 3)





AMSTERDAM CENTRAAL 

              STATION. (3)







Opvallend is, dat het smeedwerk op de rechter dak nok is voorzien van een gekroonde 'W'. In dit gedeelte van het station ligt het 'Koningspaviljoen'. In dit paviljoen liggen de koninklijke wachtkamers, alwaar koninklijke gasten en andere hoogwaardigheidsbekleders welke met de trein aankomen worden ontvangen door de Nederlandse delegatie.




















Het 'Koningspaviljoen' heeft een fraaie vergulde smeedijzeren ingang op het eerste perron. In de rechter toren is een poort aangebracht, waar vroeger de koetsen in konden rijden en nu de statie wagens om de gasten te vervoeren.
















Helaas is aan de binnenzijde van het stationsgebouw nog maar weinig zichtbaar van de toenmalige fraaie aankleding van plafond en wanden.












Alleen een gedeelte van het plafond en de versierde omlijstingen van de voormalige wachtkamers is nog zichtbaar. Veel gaat verscholen achter de puien van de nieuwe winkel gallerei en de schermen met de aankomst- en vertrektijden van de treinen.























Het station vertoont een sterke gelijkenis met het door Cuypers ontworpen Rijksmuseum, wat in 1885 werd opgeleverd.

AMSTERDAM CENTRAAL STATION. (DEEL 2)




AMSTERDAM CENTRAAL

            STATION.(2)


Na de herindeling van het stationsplein heeft men nu een beter zicht op het stationsgebouw.
De hoofdingang wordt geflankeerd door twee vierkante torens, waarvan de linker is voorzien van een windwijzer en de rechter van een uurwerk.



Midden in het fronton boven de ingang prijkt het wapen van het Koninkrijk der Nederlanden voorzien van de sreuk 'Je Maintaindrai'; 'Ik zal handhaven'.
Beide torens en het middenstuk zijn versierd met fraai beeldhouwerk, zowel aan de gevel als boven de vensters en onder de dakrand diverse wapenschilden van steden.


















Op de zijgevels van de torens zijn fraai omlijste spreuken aangebracht. Beide torens moesten volgens Cuypers de 'nieuwe stadspoort' uitbeelden.








Het gehele dak van het station en ook de beide torens zijn voorzien van fraaie dak-kapellen en op de nok kunstig siersmeedwerk.
Cuypers heeft met recht iedere ruimte benut om deze te versieren met afbeeldingen of mozaïekwerk.






vrijdag 6 januari 2012

AMSTERDAM CENTRAAL STATION. (DEEL 1)


 

AMSTERDAM CENTRAAL                     STATION. (1)






Een gebouw in Amsterdam waar dagelijks meer dan 250.000 mensen in- en uitlopen is het fraaie Centraal Station gelegen aan het IJ. Het is een juweeltje om te zien nu het geheel is opgeknapt, maar de jachtige reiziger ontgaat deze schoonheid van architectuur.




Het ontwerp is van de Roermondse architect Cuypers, die ook het Rijksmuseum heeft ontworpen. De overkappingen van de perrons vielen buiten Cuypers opdracht.


Het station verving in 1878 het gesloten Station Amsterdam Willemspoort en het van 1878 - 1889 gebruikte tijdelijke Station Westerdok. Voor de bouw werden er drie eilandjes in het IJ aangeplemt met zand uit de duinen bij Velzen, dat vrijkwam bij het graven van het Noordzee-kanaal. Om een stevige ondergrond voor de fundatie te verkrijgen werden er 8687 houten palen in de grond geslagen, maar ondanks dit traden er verzakkingen op wat de bouw enige jaren vertraagde.

Daar Cuypers geen opdracht had tot het ontwerpen van de perron overkapping werd het gebouw in oktober 1884 zonder overkapping opgeleverd.

De eerste perron overkapping werd ontworpen door L.J.Eijmer, civiel ingenieur bij de Staats Spoorwegen. De kap welke de eerste perrons overkapt bestaat uit boogspanten van 45 meter. Voor deze overkapping ontwierp Cuypers wel wel de decoraties voor de spanten en de kopgevels. Boven op deze overkapping staat aan iedere zijde het klassieke symbool van de spoorwegen; het 'gevleugelde wiel'. Uiteindelijk werd het station op 15 oktober 1889 geopend onder enorme publieke belangstelling.



In 1922 werd een tweede , smallere en langere overkapping aan de IJ-zijde van het station voltooid. Tot de beide overkappingen bleef een aantal perrons niet overkapt tot 1996, toen de derde middenkap gebouwd werd.








Door de aanleg momenteel van de Noord-Zuid Metrolijn kreeg het stationsplein een geheel nieuwe herindeling en werd er aan de IJ-zijde van het station een verhoogd busstation gebouwd met een overkapping. Het station heeft nu vier verschillende overkappingen.


                                                                     (Vervolg deel 2.)