maandag 30 november 2020

SIGYN. (SCHIP)

 


           GEBOUWD IN GÖTEBORG, 

            MET PENSIOEN IN TURKU.



SIGYN.


De Sigyn werd in 1887 te Göteborg (Zweden) in 1887 gebouwd.
Zij is de laatste overgebleven houten bark die werd gebruikt voor de handel over de wereldzeeën.
In de tijd dat zij werd gebouwd, waren er duizenden soortgelijke schepen in de vaart, maar was zij een van de laatste die gebouwd werden.
Ze maakte haar eerste reis van Göteborg naar Southampton in 1887 en bleef in dienst van 1887 tot 1938.
Ze heeft een netto tonnage van 378 ton en was voor die tijd vrij klein.
Haar lengte is 57,5 meter en breedte 9 meter, volledig geladen een diepgang van 4 meter. Ze heeft een het zeilplan van een bark met 1000 m² zeil waardoor ze een snelheid van 11,5 kon lopen.
Haar vaste bemanning bestond uit 10 - 11 koppen.



De Sigyn werd gebouwd in de periode dat op de belangrijke routes, het Suezkanaal dat reeds was aangelegd en het latere geopende Panamakanaal, de vaart was overgenomen door de stoom aangedreven schepen, welke een grotere tonnage hadden hadden de zeilschepen.
De Sigyn kon door haar geringe diepgang de kleine afgelegen haven bereiken.
In het begin van haar bestaan voer het schip voor de 'wilde vaart'  met meestal hout van dennen, sparren, pekden, mahonie en ceder, maar ook met steenkolen, suiker en hooi.
In 1897 maakte ze een reis naar Bangkok en na 1900 verbleef ze hoofdzakelijk in de Europese wateren.


Nadat ze ernstig averij had opgelopen bij het voor een storm uit te wijken naar Kristiansand in 1913, werd ze na reparatie omgebouwd tot barkentijn.
Het schip raakte op leeftijd en omdat ze een een zachthouten romp had en de vrachtprijzen op de grote vaart daalden, bleef ze varen in de kustvaart op de Oostzee en de Noordzee.
Dit veranderde gedurende de Eerste Wereldoorlog door de transatlantische handel die zeer winstgevend werd, en stak ze tussen 1915 en 1916 twaalf keer de oceaan over.
Nadat ze in 1917 aan de grond lipe, werd de koperen kap ter bescherming tegen scheepsworm verwijderd en verkocht. Het schip was hiermee nier meer geschikt voor de oceaan vaart.

In 1927 werd het schip verkocht aan Arthur Lundqvist uit Vardo op de Alandeilanden in Finland. Hij was een van de laatste boerenreders.

In 1936 stelde Otto Andersson als vertegenwoordiger vooe de "nautische kringen" en rektor van Abo Akademi, voor de bouw van een maritiem museum in Turku de hoofdstad van Finland.
Er was een museumschip nodig en werd op 3 juni 1919 de Sigyn aangekocht.
Aan het einde van dat zelfde jaar brak de 'Winteroorlog" uit en daarna de Tweede Wereldoorlog. Het schip raakte zwaar beschadigd en er was geen geld voor reparatie en onderhoud.
Na de oorlog was men zelfs weer van plan het schip te repareren en weer in de vaart te brengen vanwege het gebrek aan tonnage. Het voorstel werd afgewezen.
Met geld bijeen gebracht uit donaties werd het schip opgeknapt en zeilde ze weer in de Oostzee voor de opname van twee films.
Haar romp werd in 1971/72 gedeeltelijk vernieuwd op de scheepswerf van Suomenlinna en pas in 1979 werd ze als museumschip weer geopend voor het publiek. Tussen 1998 en 200 werd werd opnieuw de romp grotendeels vernieuwd bij de scheepswerf Sjökvarteret in Mariehamn. 


Haar huidige ligplaats is in de Aura-rivier bij het Forum Marinum te Turku.












maandag 16 november 2020

MISSISSIPPI STATE - NIEUWE VLAG.

 

  HET AFSCHEID VAN HET SYMBOOL 

           VAN DE SLAVERNIJ IN DE 

ZUIDELIJKE STATEN VAN AMERIKA.





In een artikel: USA VLAGGEN, ZEGELS EN WAPENEMBLEMEN, (21 november 2015) werd reeds de vlag de Amerikaanse staat Mississippi beschreven. 

MISSISSIPPI. (MS).

De staat Mississippi dankt haar naam aan de rivier die als een levensader door de staat stroomt. De naam vindt haar oorsprong in de taal van de Indiaanse bewoners. 'Measi en Sipu' wat betekend "Lange rivier".
De bijnaam van de staat is "Magnolia state".
De staat wordt omringt door: (met de klok mee) door de staten: Tennessee, Alabama, de Caribische Zee, Louisiana en Arkansas.
De hoofdstad is Jackson, wat tevens de grootste stad is.
De grootste havenstad gelegen aan de monding van de Mississippi is New Orleans.
Mississippi kende in het verleden veel slaven en koos gedurende de Amerikaanse Burgeroorlog de zijde van de Confederatie, wat tot in 2020 was terug te vinden in de vlag van de staat die in 1894 werd aangenomen. De staat staat bekend om zijn rassendiscriminatie in de jaren 1962/63.
Op 10 december 1817 trad de staat toe tot de Verenigde Staten van Amerika.

VLAGGEN VAN  DE STAAT MISSISSIPPI.

De eerste vlag van de staat werd aangenomen op 9 januari 1861 toen de staat zich onafhankelijk verklaarde van de VS en tot de Geconfedereerde Staten toetrad.
De vlag bestond uit een wit veld met in het midden een magnoliaboom. Verder linksboven een blauw kanton met een witte vijfpuntige ster en aan de rechterkant een rode band.
De vlag bleef van 1861 tot 1894 in gebruik.



De tweede vlag was de langst gebruikte vlag van de staat; van 1894 tot 2020.
De vlag bestaat uit een horizontale driekleur in de kleuren van boven naar beneden: blauw-wit-rood.
Linksboven in het kanton staat de vlag van de Geconfedereerde Staten van Amerika afgebeeld en ook de horizontale banen verwijzen naar de Amerikaanse Burgeroorlog. De vlag werd aangenomen als een eerbetoon aan de gevallenen van de oorlog.
De vlag geraakte al snel in opspraak en op 17 april 2001 werd er een referendum gehouden deze te wijzigen, wat het niet haalde. Nog meer negatieve aandacht nadat de 21 jarige blanke moordenaar negen zwarte mensen doodschoot in een kerk in Charleston, en hij met de vlag van de Confederatie gefotografeerd wilde worden.
Sindsdien staat de vlag voor veel Afro-Amerikanen voor 'racisme' en 'haat', waardoor werd besloten de vlag te veranderen.

De symbolen in de vlag, zoals het kanton met de vlag van de Geconfedereerde Staten en de kleuren blauw, wit en rood kwamen opnieuw onder vuur te liggen na de dood
van George Floyd en de daaruit voortkomende protesten.

Het eerste ontwerp van de nieuwe vlag werd een vlag met in het midden een wit veld, dat drie keer de breedte had van de rode verticale banen links en rechts.
In het midden van het witte veld de afbeelding van een mug in het zwart omringt door de donkerblauwe sterren van de sten van de VS. Dit ontwerp haalde het niet.

De oude vlag van Mississippi werd op 28 juni 2020 officieel afgeschaft en vervangen door een nieuwe vlag.
De huidige vlag heeft in het midden een verticaal geplaatst donkerblauw veld met aan weerszijden afgezet door een brede verticale rode baan en een smalle gele baan.
In het midden van het blauwe veld staat een witte magnolia bloem afgebeeld verwijzend naar de bijnaam van de staat.
De bloem wordt omringt door witte sterren welke voorstellen de overige staten van de VS met in het midden een gele ster voor de staat Mississippi. Onder in de cirkel van de steren het moto; 'In god we trust'.






donderdag 12 november 2020

SCHELP.

 


           KLAKACHTIG, MEESTAL 

                      UITWENDIG,

       HARD DEEL VAN WEEKDIEREN.



SCHELP.

Schelp- of weekdieren, een zeer vormrijke diergroep die gekenmerkt is door een aan weerszijden van de rug afhangende huidplooi, mantel genaamd, die het overige lichaam omhult.
In de schelp van de weekdieren komt kalk meestal voor in de vorm van aragoniet.
De schelp wordt wordt afgescheiden door een klierrijke zoom in de mantelrand (schelpvergroting) en door kalkafzetting uit het weefsel in de rughuid (de schelp wordt dikker).
Dit proces gaat jaar in jaar uit door: het aantal groeiringen geeft een aanwijzing omtrent de ouderdom van het dier.
De schelp geeft stevigheid ('uitwendig skelet'), gelegenheid tot aanhechting van spieren en bescherming in het algemeen., bijvoorbeeld tegen roofvijanden, en bij landbewonende soorten tegen uitdroging. 

(Inwendige organen van een weekdier in een schelp.)

Tot de schelpdieren behoren enkele soorten die voor het leven in zee van grote betekenis zijn: de slakken, de inktvissen (Sepia, Loligo) en de tweekleppige schelpdieren. Deze schelpen kunnen tweezijdig
symmetrisch zijn, spiraalsgewijs gewonden (zoals bij de meeste slakken) of tweekleppige (zoals bij de tweekleppigen of Bivalvia. Bij deze laatste groep komt sporadisch zelfs driekleppige voor.)

                                                                                (Bilvalvia.)


Een (tweekleppige) klakachtige schelp komt eveneens voor bij de Brachiopoda.

INDUSTRIE.

Op industriële schaal worden schelpen in kalkovens verwerkt tot kalk. Het calciumcarbonaat van de schelpen dat wordt gebrand in de ovens levert ongebluste kalk.
het branden geschied in een kegelvormige toren die een hoogte heeft tussen de  15 tot 20 meter en een doorsnede aan de basis van 5 tot 7 meter.
Verder werden schelpen gebruikt voor wegdekverharding en ze leveren paarlemoer, wat wordt verwerkt in gebruiksvoorwerpen, sieraden of kunstobjecten.


'HET RUISEN VAN DE ZEE'.

Wanneer men een schelp met de opening tegen het oor houdt, hoort men een onbestemd geluid: 'het ruisen van de zee'.
Dit geruis treedt alleen op als er enig geluid in de omgeving is, en wordt veroorzaakt doordat de schelp als resonator werkt.

Andere holle voorwerpen vertonen het zelfde  verschijnsel.











vrijdag 6 november 2020

SPONZEN.

 


     EEN OPGEBOUWD MEERCELLIG 

                          ZEEDIER.




SPONZEN.

Sponzen, Porifera, een fylum van het dierenrijk.
De sponzen groeien alle op een vaste ondergrond.
Op één familie na leven al de sponzen in de zee.
Ze bestaan uit een dubbelwandige zak, waarvan de buitenwand het contact met de buitenwereld onderhoudt en de binnenwand voor de vertering van het voedsel zorgt.
De vorm en de afmetingen zijn zeer verschillend, maar het bouwplan van alle sponzen is gelijk: een tweelagige zak.
Het zenuw stelsel bestaat uit een netwerk van zenuwknoppen tussen de beide lagen. De buitenste laag is voorzien van talrijke kleine poriën (ostiën), waardoor water naar binnen stroomt en terecht komt in een centrale holte (spongocoel), die geheel is bekleed met trilhaarcellen (choanocyten); deze slaan het binnengekomen water met hun trilhaarslag in de richting van één grote uitstromingsopening (osculum).
Met het binnenkomende water komen tevens in het water opgeloste zuurstof en voedseldeeltjes naar binnen; deze laatste plakken op de trilharen vast en worden doorgegeven aan het cellichaam van de choanocyt, vanwaaruit het voedsel door het 'lichaam' verspreid wordt.
De hoeveelheid voedsel en zuurstof die met het water de spons binnenkomt en de hoeveelheid afvalproducten die afgevoerd moeten worden, worden in de eerste plaats bepaald door het aantal choanocyten, die het water dat door de spons stroomt in beweging moeten houden, en dus ook van de totale met choanocyten bezette oppervlakte van de centrale holte.
Grotere sponzen vertonen dan ook een oppervlakte vergroting van de choanocytenlaag; tevens wordt het volume van de centrale holte, dus de hoeveelheid water die verplaatst moet worden, door opvulling met cellen verkleind.
Verder wordt tussen buiten- en binnenwand steunweefsel afgezet. Naar de aard hiervan kan men drie groepen onderscheiden: die met een kalk, kiezel- of hoornskelet. Alleen de laatste categorie levert sponzen voor huishoudelijk gebruik.


De pijlen in de afbeeldingen geven de stroomrichting van het water aan.

Afbeelding 1 toont het zogenaamde ascon-type, dat wat afmetingen betreft tussen het sycon-type (afb. 2) en het leucon-type (afb. 3) in staat. Tot dit laatste type behoren de meeste sponzen.


Afbeelding 4 is een Leucandra aspera een kalkspons van het leucon-type.
Afbeelding 5 is een Ascette primordalis, een kalkspons.
Afbeelding 6 is een Callyspongis vaginalis, een hoornspons met een diameter van 4 cm, lengte 10 cm en filtert per etmaal ongeveer 78 liter water.
Afbeelding 7 is een Spheciospongia vesparia, een kiezelspons.
Afbeelding 8 is een Euplectellum aspergillum, een kiezelspons.

De sponzen kennen ongeslachtelijke en een geslachtelijke voortplanting. De eerste vindt plaats door middel van knopvorming of afsnoering.
Blijven de knoppen aan de spons vastzitten, dan ontstaan kolonies. Ook vallen de knoppen wel af en hieruit ontstaan nieuwe sponzen.
Van de zoetwatersponzen en van enkele zoutwatersponzen zijn zgn. gemmulae bekend: klompjes cellen (archaeocyten) die nog tot alle typen cellen uit de spons kunnen differentiëren.
Zij zijn weer omgeven door een laagje cellen, die een hard omhulsel  afscheiden. Deze gemmulae zijn overwinteringslichaampjes, waaruit zich bij gunstiger wordende omstandigheden weer een nieuwe spons kan ontwikkelen.

Geslachtelijke voortplanting geschiedt hier door hermafrodiete dieren of door dieren van gescheiden geslacht. De spermatozoïden worden in het spongocoel geloosd, verlaten het dier door het osculum, en komen via de ostiën van de vrouwelijke spons bij de eicellen. Uit de bevruchte eicel ontstaat een vrijlevende larve die zich na enige tijd vastzet en vervolgens tot een spons uitgroeit.
Het regeneratievermogen  van sponzen is zeer groot. Zelfs de cellenbrij van een spons die door een zijden doek was geperst groeide weer uit tot een normale spons. Sponzen zijn al uit het Precambrium
bekend. Er zijn ongeveer 10.000 recente soorten.
Reeds vóór het begin van de christelijke jaartelling werden hoornsponzen opgedoken en gebruikt als badspons.
Een kiezelspons, Cliona, vormt laagjes op oesterschelpen en boort hier gaten in; ook kalksteen kan worden aangetast. Er is een groot aantal kalk- en kiezelsponzen; zij hebben bijgedragen tot de vorming van bodemafzettingen, al in zeer oude aardlagen.


SPONSDUIKERS.

Sponzen komen vrijwel voor in alle subtropische tot in tropische zeeën voor. Op veel plaatsen wordt visserij op deze sponzen uitgeoefend.
Zij worden door duikers of door middel van korren en van langstellige vorken met weerhaken aan de tanden opgehaald.
De belangrijkste productie gebieden zijn de Middellandse Zee bij Tunesië, Griekenland, Libië en bij Cuba, de Bahama eilanden en Florida VS.
In vele gebieden zijn beschermde maatregelen ingevoerd om de stand op peil te houden.
De sponzenvisserij is achteruit gegaan doordat de vraag afgenomen is door het gebruik van synthetische sponzen. Alleen Griekenland en Tunesië hebben nog een productie van enige betekenis. Dit gebrek aan afzet is ook de reden dat kunstmatige teelt nooit tot bloei is gekomen. In beginsel is de teelt eenvoudig: kleine stukjes gesneden sponzen groeien gemakkelijk weer aan en leveren na ongeveer 4 jaar sponzen van bruikbare grootte.

KALYMNOS.

Het Griekse eiland Kalymnos, gelegen tussen de eilanden Kos en Lerops, wordt ook wel het 'eiland van de sponzenduikers' genoemd.
Al eeuwenlang is op het eiland het sponsduiken een beroep, het is voor de bewoners van dit eiland altijd een grote bron van inkomen geweest.
Kalymnos werd door het sponzenduiken een rijk eiland.
Het sponzenduiken is geen ongevaarlijk beroep, er zijn tijdens het duiken naar sponzen heel wat duikers omgekomen, vooral in het verleden toen men nog ging duiken zonder duikpakken.
Er zijn nog steeds kleine sponsfabriekjes, maar het hoofdinkomen van de bewoners is tegenwoordig het toerisme.


GENEESMIDDEL.

Sponzen hebben de eigenschap jodium te absorberen; er zijn soorten doe 0,3% van het drooggewicht aan jodium bevatten.
Onbewust heeft men vroeger hiervan gebruik gemaakt door as van sponzen bij kropziekte voor te schrijven.






woensdag 28 oktober 2020

SMAK. (NL. - B. SCHIP)

 


                          UIT DE TIJD VAN 

                        DE 'LAGE LANDEN'.




SMAK.



De smak is een Nederlandse en Belgische kustvaarder, wadden vaarder en binnenvaartuig voor de vaart op Frankrijk, Engeland en Scandinavië, ook gebruikt als beurtvaarder in de Nederlanden.
De smak was een licht vaartuig en kon gemiddeld 60 ton aan last aan boord nemen.
Smakken waren reeds in de vaart in het begin van de 16e eeuw. Zij werden ook gebruikt voor de oorlogsvoering.
In de 17e eeuw waren het een soort buikige, zwaargebouwde hektjalken. De romp was voor- en achter rond en de bodem was nogal plat.
Zoals veel Nederlandse schepen was de slak voorzien van twee zijzwaarden. Het schip had een kleine roef met schippershut, bemanningsverblijf en kombuis. De inrichting was meer die van een binnenvaarder dan van een zeeschip.



Achter de mast lag een reeks luiken tot aan de lage roef vóór de stuurplaats.
Deze lag voor een in het achterschip ingelaten paviljoen.
Het achterschip was gebouwd met een staatie of hennegat.
De tuigage bestond uit een korte mast een zwaar spriettuig met hoge nok.
Als voorzeilen werden een stagfok en een kluiver gevoerd. Soms werd een breefok bijgezet.
Op het hek stond een druilmastje met een bezaantje, waarvan de schoot werd uitgehouden op een papegaaistok.
In de 18e eeuw werd het type verzwaard; het bereikte toen een tonnenmaat van max. 140 ton.
het spriettuig was op het einde van de 17e eeuw vervangen door een staand gaffeltuig met opgelaste steng. Daardoor konden behalve een breefok ook een ratopzeil en een bramzeil worden bijgezet.
De voorzeilen waren een stagfok, kluiver en jager. het druilzeil op het hek was groter en zwaarder, maar behield de papegaaistok voor de schoot.

In ander talen van Europa komen min of meer gelijknamige scheepsbenamingen voor: smack (Engels en Amerikaans), schmack (Duits), smakkejolle (Deens), semaque (Frans), semacco (Italiaans).
Schepen met de buitenlandse benaming hebben echter niets gemeen met de Nederlandse smak.













zaterdag 24 oktober 2020

NYDAMBOOT.

 

OUDST BEWAARDE SCHIP 

       UIT SCANDINAVIË.




NYDAMBOOT.


De nydamboot is een eiken roeiboot van ongeveer 300 n.Chr, het einde van de Romeinse ijzertijd, die in 1863 bij Nydam (Alesund, Sleeswijk-Holstein) werd gevonden in een turfmoeras. 
Het uiteengedrukte vaartuig werd gerestaureerd en wordt bewaard in het Schleswig-Holsteinisches Museum Vorgeschichtlicher Altertúmer (Schloss Gottorp) te Schleswig.
De scheepshuid is overnaads geklonken aangebracht op een zo goed als rechte kielplank die naar voren  en achteren oploopt naar gebogen, hoog boven de romp uitschietende stevens.
De boordplanken uit één stuk zijn voorzien van in het hout uitgespaarde klampen, waarmee ze door middel van schorstouwen aan de spanten zijn verbonden.
De dwarsdoorsneden van de romp heeft een afgeronde V-vorm.
De uiteinden van de spanten zijn verbonden door doften die door drie stijlen op het spant worden ondersteund.
In de kimmen van ieder spant werd aan iedere zijde van de doften een soort schoorverband geplaatst, waarvan de uiteinden elkaar boven de doften, midscheeps kruisten.
De schoren waren aan de uiteinden voorzien van een gat.



Door de gaten heen werden bundels samengebonden stokken gestoken, die op de kimmen een soort kimweger vormden en in het midden boven de doften een langsscheeps verband.
Vermoedelijk werden naast deze schoren ook nog twee touwgordings gelegd die in voor- en achterschip vast zaten aan een 'doorbalkte' doft.

De boot heeft een aan bakboord zijdegeplaatst roerblad, in plaats aan de gebruikelijke stuurboordzijde, en werd voortbewogen door 15 paar roeiriemen.
Het schip was niet ingericht om te zeilen.
De vorm van het schip bleef behouden op de schepen voor gebruik in beschutte wateren zoals; fjorden, rivieren en meren tot 900 n.Chr.
De Nydamboot wordt door haar ontwerp beschouwd als een voorloper van het Vikingschip.
Afmetingen: lengte 23,7 meter; breedte 3,75 meter en holte 1,2 meter.

Op de plaats waar de boot is gevonden zijn nog twee andere boten aangetroffen. Bij een archeologische opgraving in 1989 vond men hier tevens grote hoeveelheden wapens en persoonlijke eigendommen uit de periode van 250 tot 550 n.Chr.
Aangezien er gaten in de bodem van het schip waren geboord, gaat men er vanuit dat het tot zinken werd gebracht om de lading niet in handen van de vijand te laten vallen.
De plaats van de persoonlijke eigendommen is dan ook vermoedelijk een rituele begraafplaats zijn geweest.




zondag 18 oktober 2020

SMACK. (SCHIP)

 

           EEN ALGEMENE NAAM VOOR 

            ENGELSE VISSERSSCHEPEN 

                     UIT DE 19e EEUW.




SMACK.


Smack is een Engelse benaming die gegeven wordt aan vissersschepen die de trawlvisserij beoefenen en aan sommige andere die ook getuigd zijn met smackzeilen of gaffelzeilen. Zij kwamen voor aan de Engelse kust vanwaar zij opereerden uit de havens van Brixham, Grimsby en Lowesoft, en verder aan de Atlantische westkust van de Verenigde Staten.
Tot het begin van de 19e eeuw waren de snacks volgebouwde overnaadse schepen met een zware kop en getuigd met een kottertuig.
Ze waren zwaar gebouwd en hadden een lopende boegspriet.
In de loop van de zelfde eeuw werden hogere eisen aan de snelheid van de schepen gesteld terwille van de verder afgelegen markten. Dus werden de schepen langer gebouwd, het enorme grootzeil werd ingekort en aangevuld met een druilmast, daarna met een bezaansmast, waardoor het een kitstuig of dandytuig werd.

(Een Essex smack.)

Engelse smacks van verschillende herkomst waren niet identiek met elkaar. Over het algemeen hadden ze een rechte of lichtgebogen voorsteven en een overhangend achterschip met een platte, sterk vallende spiegel of een rond hek. De romp was met een vrij scherp grootspant gebouwd en had een sterk gepiekt stuurlastig achterschip.
De tuigage was een kitstuig, de grote mast met het grootzeil, een gaffeltopzeil en een stagfok.
Op de vrijwel horizontaal liggende kluiverboom werden een kluiver en een jager bijgezet.
De bezaansmast voerde een bezaanzeil en een gaffeltopzeil.
In Engeland waren de zeilen van wit katoen totdat er een coating op werd aangebracht, meestal nadat het zeil een paar jaar opud was. Hierdoor kregen de zeilen hun kenmerkende oker rode kleur.
Smacks werden in de later jagen ook als composietschip en in ijzer gebouwd. Smacks werden in de jaren vijftig vaak omgebouwd tot stoomboten.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden de Smacks gebruikt als Q-schepen in de Britse kustwateren om als verdekte vissersschepen de strijd aan te gaan tegen de Duitse U-boten.

Sommige oude smacks werden na de oorlog opnieuw opgetuigd tot kist en worden gebruikt als zeilopleidingsschepen voor jonge zeilers.
Andere worden bewaard in musea of gebruikt als een drijvend museum.






dinsdag 6 oktober 2020

ROBBEN E.A. ZEEZOOGDIEREN.

 

 EEN ZOOGDIER DAT ZICH HEEFT 

    AANGEPAST AAN HET LEVEN

                        IN ZEE.



ROB.

De rob komt voor in diverse soorten. de voorste ledematen zijn kort, de achterste vormen in het water een horizontale vin. Tussen de tenen bevinden zich de zwemvliezen. Oren en neus kunnen door kleppen worden afgesloten. De rob behoort tot de roofdieren.
Hun jongen werpen zij op het land en ook wel op het ijs; hier rusten zij ook uit, gewoonlijk in kudden verzameld.
Onder de huid bevindt zich een dikke speklaag voor warmte-isolatie; de speklaag kan 35% van het lichaamsgewicht uitmaken. Het vlees bevat zeer weinig vet en is goed eetbaar. Het voedsel van het dier bestaat overwegend uit vis.
Tot de robben behoren de zeehonden, de oorrobben en de walrussen.
De zeehond onderscheidt zich van beide andere groepen doordat de achterpoten niet naar voren gericht onder de buik gebracht kunnen worden. Oorschelpen ontbreken.
Bijna alle soorten leven in zee.

ZEEHOND.

De zeehonden van de Noordzeekust, Phoca vitulina, leven in de nabijheid van stranden en zandbanken. Hier wordt ook het jong geboren, omstreeks eind juni: wanneer de zandbank onder water loopt bij wassend tij, moet het jong vlak na zijn geboorte  kunnen zwemmen.
Na de moedermelk vormen garnalen vaak de eerste voeding. Hij kan twee meter lang worden.
In de binnenzeeën kan hij schadelijk zijn voor de visserij.
Tot in de dertige jaren vorige eeuw stond in Nederland een premie op het doden. Tegenwoordig neemt echter hun aantal ondanks volledige bescherming voortdurend af.
Door de komst van de Delta-werken werden zij afgesloten van hun verblijfplaatsen, terwijl ook vergiftiging onder andere door kwik, sterfte veroorzaakte.
De zeehond komt langs alle kusten van de noordelijke Atlantische Oceaan voor tot Portugal.

GRIJZE ZEEHOND.

In de Noordzee komt nog de grijze zeehond, Halichoerus grypus, voor, kenbaar aan de lange gerekte snuit. 
De lengte bedraagt soms bijna drie meter.
Het verspreidingsgebied is ongeveer gelijk aan dat van de vorige soort, maar zij leven aan rotsachtige kusten.
In de werptijd, omstreeks januari, verzamelen zij zich tor kudden. De jongen gaan eerst ne een paar weken te water. Ook deze soort kan schadelijk zijn voor de visserij.

RINGROB.

Een arctische soort die ook nog in de Noordzee voorkomt is de ringrob, Pusa hispida, ook wel bekend onder de naam stinkrob of kleine zeehond.Het is het kleinste zoogdier  in de Noordzee en is kenbaar aan de tekening van witte ringen, vooral op zijn rug. Het dier weegt meestal niet meer dan 71 kg bij een lengte van 1,3 meter.
Komt vrij veel in de Oostzee voor, tot in de Botnische Golf; ook in de van de zee afgesloten meren. Het dier is het belangrijkste prooidier voor de ijsbeer.

BAARDROB.

Op de arctische ijsvelden leeft de baardrob, Erignathus barbatus, en zijn herkenbaar aan de naar binnen krullende snorharen, waardoor zij zich onderscheiden van de andere zeehonden. Ze gebruiken deze snorharen bij het opsporen van hun prooidieren onderwater.
Het dier kan 2,2 tot 2,5 meter lang worden bij een gewicht tussen de 200 en 360 kilogram. Baardrobben hebben slechts gereduceerde tanden en bij volwassen dieren ontbreken zij meestal.
De baardrob verschilt ook van de andere zeehonden door de tenen op de achterflippers, die bij deze soort praktisch even lang zijn. De voorflippers hebben sterke nagels die zijn schopvormig. Op het dier wordt door de robbenjagers van Noorwegen en Newfoundland jacht gemaakt om hun vellen en de traan.

ZADELROB.

De zadelrob, Pagophilus groenlandicus, komt voornamelijk voor in de Noordelijke IJszee en rond de Noordpool.
Het dier heeft een lichtgrijze vacht en een zwarte kop en op de vacht donkere vlekken. De jongen hebben een witte vacht bij hun geboorte.
Een volwassen zadelrob kan een lengte krijgen van 1,6 tot 1,9 meter bij een gewicht van 120 tot 140 kilogram.
De vrouwtjes worden gemiddeld 1,79 meter lang bij 120 kilogram. Deze robben leven van schaaldieren en vissen. Het zijn sociale dieren die in kudden leven.


De bovenste drie genoemden waren vooral de prooi van de robbenjagers
(robbenkloppers) die het vooral voorzien hadden hadden op de jongen welke op het ijs geworpen werden en een zachte witte langharige pels hebben, die voor bontwerken, whitecoat, gebruikt word. Deze pels dragen zij slechts enkele weken en in die periode gaan ze niet te water. Tegen het doden van deze jonge robben is internationaal protest ontstaan.
De West-Europese zeehond, die na de geboorte moet kunnen zwemmen, verliest deze langharige pels vlak vóór de geboorte. De arctische zeehonden voorzagen vroeger grotendeels in het levensonderhoud van de Eskimo's

KLAPMUTS.

De klapmuts, Cystophora cristata, is een zeeroofdier en is het enige soort uit het geslacht
Cystophora. De klapmutsen hebben net als de niet verwante zeeolifanten een korte slurfachtige huidzak.
De klapmuts heeft zilvergrijze vacht met een onregelmatig donkerbruin tot zwart vlekkenpatroon en zwarte kop. De volgroeide mannetjes zijn groter dan de vrouwtjes. De mannetjes hebben een gemiddelde lengte van 2,6 tot 3,5 meter en een gewicht van 192 tot 352 kilogram. De vrouwtjes hebben een gemiddelde lengte van 2 tot 3 meter bij een gewicht van 145 tot 300 kilogram.
Over het voorhoofd van het dier loopt een "muts", een zwarte huidzak, die bij mannetjes als een slurfje over de bek hangt. Die van de volwassen mannetjes is veel groter dan die van de vrouwtjes. Na het opblazen van de "muts" kan het mannetje ook zijn neustussenschot opblazen.
De dieren leven vooral in de Noordelijke Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee, van Spitsbergen en Nova Zembla via de Witte Zee en de Noorse kust tot de kust van Noord-IJsland, Zuid-Groenland en Newfoundland.

ZEEOLIFANT.

In het antarctische gebied komt ook een aantal soorten voor van welke de zeeolifant, Mirounga, het meest bekende is. De zeeolifanten behoren tot de grootste levende zeeroofdieren. Ze danken hun naam aan hun grootte en de slurfachtige neus van de mannetjes.
De mannetjes ("bullen") kunnen zes meter lang worden en een gewicht hebben van 3000 kilogram; de wijfjes blijven kleiner en zijn drie meter lang bij 650 kilogram.
De neus van de mannetjes is sterk uitgegroeid  tot een slurf, die over de bek heen hangt. Zij kunnen hiermee brulgeluiden produceren, vooral bij competitie om vrouwtjes. Zij hebben vaak meerdere vrouwtjes.
De zeeolifanten zijn zeer goede duikers tot een diepte van anderhalve kilometer, waarbij ze een uur onderwater kunnen blijven. Door hun dikke speklaag zijn ze goed beschermd tegen de kou.
We kennen twee soorten zeeolifanten: de noordelijke, die voorkomt langs de westkust van Noord-Amerika, en de zuidelijke, die voorkomt in de gematigde en subantarctische wateren van de Zuidelijke Oceaan.

ZEELUIPAARD.

Het eveneens antarctische zeeluipaard, Hydrurga leptonyx,  is een zeehond uit de familie Phocidae.
Het dier is sterk gestroomlijnd, waardoor het hoge snelheden onderwater kan bereiken. De kop is sterk afgeslankt als bij een reptiel.
Ze bewegen zich voort met hun lange voorvinnen. Een mannetje is ongeveer 3 meter lang en heeft een gewicht van 270 kilogram, vrouwtjes zijn groter tot een lengte van 4 meter en zijn 600 kilogram zwaar. De dieren hebben een sterk roofdiergebit.
De kleur is aan de bovenzijde van het lichaam donkergrijs en aan de onderzijde zilverwit. Op de kop en zijflanken komen grijze vlekken voor. Ze leven langs de randen van het pakijs in de wateren rond Antarctica. Ze voeden zich het liefst met met warmbloedige dieren zoals de pinguïns en de weddellzeehonden, verder met de pijlinktvis, krill en zeevissen.

WEDDELLZEEHOND.

De weddellzeehond, Leptonychotes weddellii, is een van de meest voorkomende zeehonden in Antarctica en is genoemd naar de Weddellzee, een deel van de Zuidelijke Oceaan.
De pels is staalgrijs van kleur en heeft over het geheel lichtte, witte of gelige vlekken.
Het dier kan tussen de 2,5 en 3 meter lang worden en weegt gemiddeld 400 kilogram.
De kop is in verhouding klein met een korte snuit, waardoor gemakkelijk te onderscheiden van andere zeehonden. Ze kunnen wel 600 meter diep duiken en voeden zich met vis.
Levend op het ijs zijn ze traag en hebben ze geen vijanden, in het water zijn hun grootste vijanden de zwaardwalvis en de zeeluipaard. Als ze vluchten verschuilen ze zich dicht onder de ijskorst.

OORROB.

De oorrob, Otariidae, kan in tegenstelling tot de zeehond de achterpoten wel naar voren richten en onder de buik brengen. Hij kan daardoor gemakkelijker op het land bewegen.
Verder bezit hij oorschelpen, waaraan hij de naam dankt.
De mannetjes zijn veel groter dan de vrouwtjes die een harem vormen. Tot deze soort behoren de zeeberen en de zeeleeuwen.
Ze hebben een lengte van 1,2 meter en een gewicht van 30 kilogram. De kop is langwerpig met een spitse snuit.
Het dier heeft een sterk gebit dat bestaat uit 34 tot 38 tanden.
De oorrobben komen voor langs de kusten van de Grote Oceaan, van Japan tot Mexico, rond de Galápagoseilenden, langs de Zuid-Amerikaanse kust van Noord-Peru rond Kaap Hoorn tot de Atlantische Oceaan.

ZEEBEER OF PELSROB.

De zeebeer, Arctocehalinae, is gekenmerkt door een zachte pelsbeharing. Zij zijn verwant aan de zeeleeuwen. Ze hebben een verspreid leeft gebied, waarvan één soort op het noordelijk halfrond en zeven andere soorten op het zuidelijke halfrond.
De mannetjes worden tot 2,5  meter lang en de vrouwtjes tot 1,25 meter
De pels vormt het kostbare seal-bont. Terwille hiervan werden zij zo intensief gejaagd dat zij dreigden uit te sterven. De ondervacht kan goed als leer gelooid worden.
Door internationaal overeengekomen beschermingsmaatregelen is de stand nu weer opgelopen tot boeven de 3 miljoen stuks. De zeeberen levend in de noordelijke Stille Oceaan verzamelen zich voor het werpen van hun jongen en de paring vooral op de Pribilof Eilanden.

ZEELEEUW.

De zeeleeuwen vormen een groep van zeeroofdieren uit de familie van de oorrobben, Otariidae.
De zeeleeuw onderscheidt zich van de zeebeer door een stug en kort haarkleed. Zeeleeuwen zijn slank gebouwd, zeer behendig en intelligent, zodat zij veel veel in circussen en dergelijke show's gehouden worden.
De zeeleeuwen splitsten zich zo'n drie miljoen jaren geleden af van de zeeberen. Ze zijn groter dan de zeebeer en hebben een stompe snuit en kleinere flippers. Het belangrijkste verschil tussen de zeeleeuw en de zeebeer is dat de zeeleeuw geen ondervacht heeft. Ze komen voor in de gematigde en subpolaire kuststreken van de Grote Oceaan, de Atlantische kust van Argentinië tot Zuid-Brazilië, en het zuiden van Australië en Nieuw-Zeeland.

WALRUS.

De walrus, Odobenus romarus, is een robben soort en kan zijn achterpoten ook onder zijn buik brengen. De huid is sterk gerimpeld; de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en kunnen tot drie kilogram wegen. Verder is opvallend de borstelachtige snorharen die van de bovenlip naar beneden hangen
De walrus leeft in de kustwateren van de Noordelijke IJszee.
Hij kan een gemiddelde lengte bereiken van 3,2 meter en een gewicht tussen de 1270  en 850 kilogram.  Mannetjes, de stieren zij groter dan de vrouwtjes, de koeien. Het voedsel bestaat uit schelp- en schaaldieren, stekelhuidigen, vissen, vogels en zeehonden. De huid is bijna kaal maar leent zich uitstekend tot looien.
Terwille van de enorme tanden, waarvan één enkele tand tot drie kilogram uitstekend ivoor oplevert, huid en traan is er veel jacht opgemaakt, zodat het aantal sterk is afgenomen.

ROBBENKLOPPER.

Robbenklopper is een vroegere benaming voor schepen en de bemanning die naar Groenland voeren voor de robbenjacht.
Deze schepen hadden een vrij grote bemanning die op de kust of op het ijs gekropen robben te doden met een essenhouten robbeknuppel.
Het dikke eind van deze knuppel was voorzien van een soort ijzeren hamerkop; aan het dunne eind zat een haak om de gedode robben mee weg te slepen.
Het was deze "jagers" vooral te doen om de witte pels van de net geboren en nog jonge robben.
Aan deze beestachtige manier van jagen is  onder internationale druk, zo goed als een eind aan gekomen.