zondag 10 juli 2022

BALI. AMBACHTELIJKE KUNSTEN.

 

 

EEN AMBACHT ALS KUNSTENAAR

       MET STEEN, HOUT EN VERF.




BALINESE BOUWKUNST.

Omdat voor de tempelbouw, de gespleten poorten en ander heilige gebouwen een zachte zandsteen gebruikt wordt, is geen tempel of monument op Bali bestand tegen de tand des tijds.
Deze zachte zandsteen is een samenklontering van vulkanische as en wordt hoofdzakelijk aan de oevers van de rivieren gevonden. Hoewel het materiaal gemakkelijk is te bewerken, brokkelt het na korte tijd toch af. Hierdoor is het duidelijk waarom er geen werkelijk oude bouwwerken op Bali bewaard zijn gebleven.
Daarom is de Balinees echter ook verplicht zijn tempels constant bij te werken en wat vervallen is te restaureren.

De kunst blijft daarom voortdurend in beweging en is dientengevolge een zeer levende kunst.
De overdadige ornamenten zijn vermoedelijk hiervan het gevolg; de bouwwerken zijn vaak zo overladen met rijke versieringen, dat de oorspronkelijke lijn niet meer te herkennen is.

Men kent in de Balinese tempels geen godenbeelden, maar wel stenen demonenbeelden; deze togot-batu beschermen tempels, wegenkruisingen, huizen en hoven.
De godenbeelden die door de Balinees wel worden gemaakt zijn uit hout en niet voor de tempel bestemd. Vroeger bestonden ook stenen beelden.

In de periode dat Bali sterk door de Javaanse cultuur werd beïnvloed, van de 11e tot de 15e eeuw, werden de rots-candi's van Tampaksiring gebouwd. Ook het prachtige beeld van Mahendradatta, de moeder van Airlangga, die als godin van de dood (Durga) is afgebeeld in de tempel van Bukit Darma, stamt uit deze periode. Uit dezelfde periode stamt het beeld van Ganasha in de 'olifantengrot' Goa Gaja.

               (Het zagen van de blokken zandsteen.)

Het meest opvallend aan de tempels zijn de gespleten poorten, die bijzonder kunstzinnig versierd zijn. Het bouwmateriaal bestaat uit blokken zandsteen (para's), rode baksteen en aan de kust blokken koraalsteen.
Deze bouwmaterialen zijn zonder mortel of specie op elkaar gepast.
Als het zandsteen pas is uitgehakt, is deze nog zacht en laat het zich nog gemakkelijker bewerken. Soms echter begint men pas jaren na de voltooiing van de temp[el met het aanbrengen van de versieringen. 

Ook de muren met de rode baksteen zijn geheel zonden specie of mortel opgebouwd en hebben geen voegen die met mortel worden afgewerkt.
Deze rode bastenen worden met lokale rode klei gevormd; vroeger een voor een met de hand, nu machinaal.
Het baken van deze steen geschied in ovens die gestookt worden met de bast van de kokosnoot, die olieachtige bestanddelen bevat. Tijdens het bakken vloeien de olieachtige bestanddelen van de bast in de klei van de steen.
Gaat men nu deze baksteen gebruiken voor de bouw van de tempel, dan worden deze eerst door en door nat gemaakt, waarna men ze gladschuurt op elkaar en ze in de juiste positie laat drogen. De olieachtige bestanddelen vormen samen met het water een soort natuurlijke lijm.
Dit is dan de reden dat deze tempelmuren geen voegen hebben.

Er is een duidelijk verschil te herkennen tussen de bouwkunst van Noord- en Zuid-Bali.
In Badung, Gianyar, Tabanan, Bangli en Klungkung zijn de tempels van de koninklijke familie vaak uit rode baksteen gemaakt; voornamelijk bij de poorten; de muren rond de tempelhof worden meestal van para's gebouwd.
De Zuid-Balinese bouwstijl maakt een compacte indruk; de stijl van het noorden is veel weelderiger. Ook de poorten zijn slanker en sierlijker. Op bepaalde bouwwerken zijn de versieringen bovendien nog dikwijls wit, blauw of rood geschilderd zodat ze meer in het oog springen. De keuze van onderwerpen, die men in de versieringen als inspiratie gebruikt, is in het noorden veel vrijer. Hier worden ook veel scènes uit het dagelijks leven enb hedendaagse voorwerpen afgebeeld.

HOUTSNIJKUNST.

Hoewel juist deze kunstuiting samen met de schilderkunst zeer sterk door het toerisme van de laatste vijftig jaar beïnvloed is, heeft de houtsnijkunst toch zijn typisch Balinees karakter behouden.
Omdat bepaalde figuren bijzonder in trek zijn bij de toeristen en hiernaar grote vraag bestaat, moet zeer snel gewekt worden. Daardoor ontstaat een stereotiepe stijl en hoewel de beelden, die nu op de markt verschijnen, de houtsnijder zeer veel geld opleveren, kunnen de moderne figuren op geen enkel punt meer vergeleken worden met het oorspronkelijke 'bezielde' beeldhouwwerk.

Het zelfde geldt ook voor de maskers. De maskers, die in het bezit zijn van een befaamde topeng-danser, zijn vermoedelijk door hem zelf uitgesneden en beschilderd.
Zij hebben een groot uitdrukkingsvermogen en lijken zelfs 'bezield' als ze door hem worden gedragen.


De puur voor de verkoop vervaardigde exemplaren lijken op het eerste gezicht misschien dezelfde kwaliteiten te hebben, maar er ontbreekt een bepaalde uitstraling. Natuurlijk zijn ook hierbij uitzonderingen.
Zo nu en dan kan men tussen al het houtsnijwerk dat te koop wordt aangeboden, nog echte kleine kunstwerken aantreffen.
Zo staat de plaats Negari bekend voor de productie van houten maskers en Mas om haar houtsnijwerk.

(Houtsnijder in Mas.)

De maskers worden uit twee harde houtsoorten vervaardigd; hiervoor gebruikt men onder meer het hout van de jati (teak), de nangka, een soort moerbeiboom, en een mooi donkerrood hout dat sawo genoemd wordt.




(Een antieke beschilderde deur.)

Een goede houtsnijder heeft een enorme ervaring; het is evenwel verbazingwekkend om te zien met welke handigheid en hoe zelfverzekerd ook jonge kinderen het hout soms al kunnen bewerken.
Bij het houtsnijden worden soms wel meer dan dertig verschillende gereedschappen gebruikt.
Vroeger, vóór 1930 werden alle houten beelden beschilderd en gelakt of zelfs met bladgoud bestreken. Bij uitzondering werden ze toen blank gelaten. Pas door het contact met buitenlanders raakten onbeschilderde beelden in trek.




SCHILDERKUNST.


(Balinese kalender; pelelintangans.)

 Tot aan het begin van de vorige eeuw speelde de schilderkunst lang niet zulk een belangrijke rol op Bali als dans, theater en muziek.
Men beschilderde wel al heel lang de zelf geweven stroken katoen, die bij feesten in de tempel of in huis werden opgehangen.
ook werden pelelintangans, Balinese kalenders met symbolische tekens, geschilderd, die gebruikt werden bij het trekken van horoscopen.
De schilderkunst bleef echter zuiver traditioneel. 
Men schilderde mythologische verhalen, goden, demonen, koningen. prinsen en prinsessen in kostuums uit de Hindoe-Javaanse tijd. Deze schilderingen werden volgens strenge regels vervaardigd.

De schilderkunst was echter weinig expressief, omdat alle afbeeldingen tweedimensionaal waren en het doek geheel opgevuld moest worden. Bij afbeeldingen uit de heldendichten werd één en dezelfde persoon vaak in verschillende situaties afgebeeld. De gezichten mochten nooit en profil en slechts zelden en face geschilderd worden. Meestal zag men ze schuin van opzij.
Er waren 'goede' (alas) figuren, waartoe goden, priesters, prinsen en prinsessen behoorden en 'slechte' (kasar) zoals demonen en reuzen. Met behulp van kleuren en vooral ook door de oogopslag werd het karakter aangegeven. Er bestaat ook een verschil in oogvorm voor mannen en vrouwen.
Voor de compositie en het kleurenscala bestonden vaste regels; vijf basiskleuren stonden ter beschikking: zwart, wit, rood, indigoblauw en geel. Daarnaast werden de mengkleuren groen en bruin gebruikt. De verfstoffen werden uit mineralen en planten gewonnen.

(Lontarpalm.)

Omdat hun handschriften met afbeeldingen versierd werden, kwam op Bali ook een unieke grafische kunst tot ontwikkeling. Uit de bladeren van de lontarpalm werden lange smalle, rechthoekige vellen gesneden. Hierop werden met een ijzeren griffel eerst de tekst en de minuscule illustraties gekerfd. Hier overheen werd een mengsel van olie en roet gestreken, dat in de ingekerfde delen bleef zitten en van de gladde delen werd afgeveegd.

                                                                     (Leporelloboek.)

Nadat de bladeren op elkaar waren gelegd, kregen ze aan beide uiteinden een dunne, fraai versierde deksel van sandelhout. In het midden van de stapel werd een gat geboord, waardoor een koord werd geregen zodat het boek bijeengehouden werd.
In Singaraja is een beroemde bibliotheek, waar veel oude lontar-manuscripten bewaard worden; hieronder bevinden zich ware juwelen van grafische kunst.


Omstreeks 1930 begon zowel voor de houtsnijkunst als voor de schilderkunst een nieuwe periode.
In de omgeving van Ubud kregen enkele jongeren het idee om dingen uit het dagelijkse leven zoals landschappen, tempelfeesten, markten, allerlei gebeurtenissen in het dorp te schilderen.
Zij schilderden dus niet meer de stereotiepe goden en prinsen, maar hun dorpsgenoten op de markt, bij hanengevechten of tijdens de dans.

In die tijd leefden op Bali twee Europese schilders, de Nederlander Rudolf Bonnet en de Duitser Walter Spies.
beiden hadden op Bali hun tweede vaderland gevonden en beiden hebben zich er ook voor ingezet dat de Balinese cultuur in stand werd gehouden.
Beide schilders hielpen het jonge talent door de werkstukken te kopen en in het museum van Denpasar tentoonstellingen te organiseren. Ze zorgden voor goed schildermateriaal en moedigden de jonge schilders aan in de nieuwe stijl verder te werken  zonder hen daarbij te beïnvloeden. De jonge kunstenaars schilderden wel traditionele thema's zoals goden en prinsen, maar schiepen ook geheel nieuwe fantasiefiguren zonder rekening te houden met de traditionele regels en voorschriften.


(Op de linkerzijde Rudolf Bonnet met daaronder een van zijn werken.
Op de rechterzijde Walter Spies en een van zijn werken.)

De figuren werden tegen een geheel andere achtergrond afgebeeld, waardoor alles plotseling tot leven scheen te komen. Elke boom, ieder blad en alle dieren van het oerwoud werden tot in detail afgebeeld, zij het nu driedimensionaal. De nieuwe kunst bleef echter trouw aan het Balinese karakter. De traditionele schilderkunst werd echter ook in ere gehouden.
ook nu nog zijn er schilders, die in de oude stijl werken en volgens strenge religieuze regels de ider-ider (tempelgordijnen) en de peletintangan (Balinese kalender) beschilderen.


Een Balinees is niet lang kind: op zijn vijfde jaar begint hij met dansen en als hij twaalf is, leert hij beeldhouwen en schilderen; al snel ontwikkelt hij zich dan tot een vaardig kunstenaar.
Muziek maken is ze met de paplepel ingegoten.
Gelukkig bleef de Balinese kunt haar eigen karakter behouden en heeft zij zich niet aan de nieuwe westerse invloeden aangepast, zoals dat op vele plaatsen wel gebeurd is. 


WALTER SPIES.

Walter Spies heeft er toe bijgedragen dat de Balinese cultuur behouden bleef.  Hij leefde zich in in de Balinese cultuur en bestudeerde de Balinese muziek. Hij stond bij de Balinezen hoog in aanzien. Hoezeer hij Bali liefhad en hoe goed hij de Balinezen begreep, blijkt uit enkele passages uit een van de laatste brieven voor zijn dood:

'Het leven is voor een Balinees iets heerlijks door zijn primitiviteit, zijn onbedorvenheid en het feit dat hij nog zo dicht bij de natuur staat; de religie dient om het leven te leren liefhebben, om het leven te leren te leren leven; de kunst is er om de heiligheid van het leven tot uitdrukking te brengen.
Buiten het geloof en het leven om heeft kunst hier geen bestaansrecht... Muziek bestaat niet om beluisterd te worden, maar om het heilige, het levende ook door middel van klanken te eren.
De dans niet om te aanschouwen, maar beweging is een van de mogelijkheden om het heilige, levende element van ritme en beweging te onderstrepen...'








Geen opmerkingen:

Een reactie posten