BALI IN DE KOLONIALE PERIODE
GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDER.
DEEL 8.
BALI.....
VI. HET DORP EN HET WATERSCHAP.
NJEPI. (DE DAG VAN DE STILTE)
Het kan gebeuren, dat de oningewijde, die een Balinees dorp bezoeken wil, de anders zo bedrijvige nederzetting, waar zich op paden en wegen gewoonlijk een druk verkeer beweegt, waar de markt druk is met bont vertier en de lucht voortdurend vervult met gezellige ritmisch geklop van de rijststampers op de erven, op klaarlichte dag in een doodse stilte gehuld vindt.
Geenlevende ziel beweegt zich door het dorp, geen
lesong (rijststamblok), geen kukulan (seinblok), zelfs geen menselijke stem laat zich horen en vreemd genoeg zijn ook de honden doodstil.
Waar blijven de huisvrouwen, die anders op dit uur van de dag passeren op weg naar de bron, om daar rijst te wassen en het water te halen voor het middagmaal. Waarom blijft de houtsnijwerker onzichtbaar, die anders altijd op zijn voorerf zo met vakkennis zit te werken aan zijn houten garuda, die hij al enige weken onder handen heeft? Waarom trekt trekt vandaag niemand naar de sawa, en liggen ploeg en patjul onaangeroerd en werkeloos in de hoek? Waarom geen spelende kinderen, geen passerende voetgangers, geen vee op weg naar de wei om te grazen? Waarom deze verlatenheid en beklemmende stilte over het hele eiland? Het is vandaag de dag van het njepi, "de dag van de stilte", waarop niemand buiten zijn woonerf mag treden, geen rijststamper mag worden gebruikt, geen gamelan om muziek te maken, geen warung's die open zijn, geen eten wordt gekookt.
(Stilte en nog eens stilte.)
Het is het feest van de jaarlijkse zuivering van het dorp en het gehele eiland, was eens per jaar gehouden wordt, een dag die altijd op nieuwe maan moet vallen. De Balinees zou dit njepi (sepi = stil, eenzaam) niet gaarne verwaarlozen. Want het is in zijn ogen nodig, heel nodig zelfs.
Bij al zijn optimisme, bij alle vreugde over de gaven van zijn gezegend land heeft de Balinees toch één nachtmerrie, die zijn bestaan versombert: dat zijn demonen en boze geesten, de kala's en de buta's, arglistige, onzichtbare vijanden van de mens, die overal in de lucht rond zwerven, die de aarde en het water bevolken, en zich in spelonken. knoestige oude bomen, moerassen, diepe ravijnen, en waar al niet meer zich ophouden, die trachten overal binnen te dringen, in het dorp, in de tempels, in huis en hof, en dan ziekte en dood, ongeluk en verderf brengen.
Wel is waar is men steeds waakzaam, heeft zijn huis- en tempelwachters, in de vorm van leeuwen, raksasa's en andere demonische beelden, legt zo nu en dan kleine offers op de vier- of driesprongen van wegen, of bij de ingang van erven: wat bloemen een sirihpruimpje of sigaret op een pisangblad, wat rijst en gebak, enz.; in de hoop dat de buta's daar mee tevreden gesteld, weer hun weg gaan.
Ook maakt men een enkele keer zelfs grotere offers voor de kala's en buta's gereed, en houdt ook op zijn tijd hanengevechten, krissendansen, enz. opdat het dan vloeiende bloed de demonen zal bevredigen. Maar ten spijt van dit alles, weten de buta's in de loop van het jaar, toch geleidelijk hoe langer hoe meer in het dorp door te dringen, en daarom is een grondige reiniging, een behoorlijke opruiming, eens per jaar een absoluut vereiste.
Dan worden de grenzen van het dorpsgebied afgebakend, en overal, waar in de vier hemelstreken wegen of voetpaden de grens kruisen, merktekens geplaatst. bestaande uit jonge palmbladeren van de suikerpalm, die bovendien de kracht gebben om kwade invloeden en demonen af te weren.
De grote offers voor de buta's worden op de voornaamste viersprong van het dorp opgesteld, en de volkspriester, de sengguhu, die de leiding bij de plechtigheid heeft, wijdt de offers door het reciteren van oude spreuken: onbegrepen sanskriet verzen, die echter in de loop van bijna 1500 jaar dat zij door overlevering van mond tot mond op Bali bewaard zijn gebleven, in veel gevallen nog tot hun oorspronkelijke vorm zijn terug te brengen.
Ook de hoofdgoden worden niet vergeten. De hoeder van het oosten, Iswara, krijgt als offer een witte gans, de godheid van het zuiden, Brahma, krijgt een rode hond, Mahadewa in het westen wordt een kalf geofferd, en Vishnu in het noorden een zwarte geit. Het is begrijpelijk, dat bij dergelijk feest evenmin het altaar voor Surya, de zonnegod, niet ontbreekt, in dit geval bestaande uit een tijdelijk hoog, slank bambu altaar in het midden van het terrein, en daar tegenover een verhoogde bid-stellage, de pawedan voor de pedanda, de Brahmaanse priester.
Tegen het invallen van de schemering verschijnt de padanda in vol ornaat, bestijgt de pawedan, en met de altaarbel in de ene, en de wijwaterkwast in de andere hand, prevelthij zijn gebeden en mantra's, en zegent de offers met wijwater.
De korte schemering is spoedig afgelopen, en tegen een uur of zeven, als het intussen donker is geworden, kondigt een langdurig klingelen van de priesterbel, dat de wijding van de offers is afgelopen, en de sengguhu zijn hoorn van tritonschelp ter hand kan nemen.
Een langgerekt getoeter is voor de demonen het sein, dat zij tot de maaltijd worden uitgenodigd. Lang duurt deze laatste niet, want reeds kort daarop ontsteken enige helpers hun fakkels aan, aan de altaarlamp van de priester, en dan begint de grote uitdrijving van de kala's en buta's.
Gevolgd door de feestvierenden verspreiden de fakkeldragers zich in alle richtingen door het dorp langs hoofd- en zijwegen, steeds roepende: "Megedi, megedi !!!!" (Verwijder u, ga weg).
Op verschillende erven klinkt het geluid van voortdurend kloppen op de rijstblokken, op deuren en kozijnen, op lege blikken, kortom op alles wat maat lawaai kan veroorzaken, zo nu en dan afgewisseld met geweerschoten met los kruit: en de verschrikte buta's en kala's weten niets beter te doen dan ijlings de vlucht te nemen.
Plotseling verstomt al het lawaai, om gevolgd te worden door een doodse stilte, die ook de volgende dag moet aanhouden. Niemand mag zich meer op straat vertonen en ook van geen enkel erf mag meer enig geluid weerklinken. Want de verdreven buta's die natuurlijk de neiging hebben om weer zo spoedig mogelijk terug te keren, moeten in de waan gebracht worden, dat zij hier verkeerd zijn, en op een onbewoond eiland zijn aangekomen. Als uitgestorven moet de nederzetting er uit zien, en alleen de wachters, die toezicht hebben te houden op een nauwgezette naleving van het njepi, het "stilzijn", die eventuele overtreders beboeten, en vreemdelingen de toegang moeten weigeren, zijn zo nu en dan op straat te zien.
( Anno 21ste eeuw, wachters controleren het naleven van de voorschriften van "de dag van de stilte" op Bali. Het enige verkeer dat is toegestaan, zijn dat van de hulpdiensten en politie.
Toeristen aangekomen op het vliegveld worden met speciale taxi's naar hun hotel gebracht en dienen die dag ook niet buiten het hotel te verblijven, zelfs niet in het zwembad van het hotel. Geen licht mag naar buiten schijnen. Bali is donker. Stranden zijn dan ook geheel leeg op de zwerfhonden na.)
DE AVOND VOOR "DE DAG VAN DE STILTE".
Voor een een niet Balinees klinkt het vreemd in de oren, een dag van stilte te vieren. Dit terwijl al de overige feestdagen op Bali vol zijn van vreugde en muziek. Nyepi is het tegenovergestelde. Deze religieuze dag wordt intens beleefd door de Balinezen en het is de eerste dag van hun kalenderjaar Icaka genaamd.
De dag voor Nyepi begint man vroeg in de ochtend met het gereedmaken van de ceremonie Tawur Agubg Kesanga, een Hindoeïstische ceremonie die voorafgaat aan deze Balinese dag van stilte.
Dit wordt gehouden om het universum te zuiveren en de balans tussen de mensheid, de natuur en het goddelijke te herstellen. Tijdens dit ritueel worden negatieve invloeden verdreven door het aanbieden van giften, het maken van lawaai en het ritueel verbranden van de Ogoh-Ogoh, grote poppen die kwade geesten symboliseren.
In iedere dorpsgemeenschap of stadswijk is men reeds maanden van te voren druk bezig met het vervaardigen van deze Ogoh-Ogoh figuren. Iedere vereniging zet zich hiervoor in.
De geheel wordt uit stoken bambu in elkaar gezet en met papier overplakt, waarna men aan de uiterlijke versiering kan gaan beginnen. Uiteraard is het ook een soort van competitie geworden tussen diverse groepen, waarbij het een geheim moet blijven wat de Ogoh-Ogoh moet gaan uitbeelden. Als het nog daglicht is worden deze Ogoh-Ogoh's naar een verzamelplaats gebracht met gamelanmuziek, om in de avond aan een gezamenlijke optocht deel te nemen.
Op de verzamelplaats worden ook weer offers gebracht en worden de Ogoh-Ogoh's door een priester met wijwater besprenkeld. Het is een geweldige vrolijke drukte en een kleurrijk geheel.
Als dan de avond valt en het eenmaal donker is komt het geheel tot leven, de processie trek door de straten verlicht door fakkels en het harde geluid van trommen en ander slagwerk. In deze optocht worden de enorme monsterlijke Ogoh-Ogoh poppen meegedragen op bambu onderstellen.
Met veel lawaai en het ronddraaien van de poppen wordt tijdens de processie het kwade verdreven.
De processie eindigt uiteindelijk op het strand, waar de Ogoh-Ogoh worden neergezet met het gezicht naar de zee.
Later zullen ze door de makers worden verbrand.
De dag na Nyepi, "Ngembak Geni", als al de spanningen zijn weggenomen gaan de Balinezen elkaar bezoeken en komen samen om elkaar het goede toe te wensen en vergeving te vragen voor wat er in het verleden fout mag zijn gegaan.
Dit is gebaseerd op drie dingen van vreugde en geluk in het leven; de relatie tussen god en mens, de relatie tussen mensen onderling en relatie tussen mens en cultuur.
HET DORP EN DE DORPSVERENIGING.
( Van links naar rechts: Balinees erf; Varkensteelt.)
Dit njepi is wel een van de oorspronkelijkste feesten, die de Balinees kent; en de leiding daarvan gaat dan ook uit van een van de oudste instellingen van de Balinese gemeenschap, de desa. Want de desa, het dorp. de territoriale grondslag van de Balinese maatschappij, bestond reeds als een stevig gefundeerde sociale instelling op het ogenblik, dat de Hindoe's bijna 1500 jaar geleden Bali begonnen binnen te dringen. Ook nu nog heeft deze organisatie nog niets van haar fundamentele kracht verloren.
Als vertegenwoordiger van het dorp treedt op de dorpsvereniging, de sekaha-desa, dat zijn de mannen, die gezamenlijk de belangen van het dorp behartigen, en die het bestuur en de regeling van de inwendige zaken in handen hebben. Ook naar buiten treedt de desa-vereniging namens het dorp op.
( Offerhuisje voor Dewi Sri.)
De vergadering van de leden van deze vereniging heeft voor ieder dorp op een vaste dag van de 35 daagse maand plaats. Zeer gewilde dagen, omdat zij voor deze vergaderingen "geluk brengen" zijn onder andere dinsdag-, woesdag-, of wel zaterdag-kliwon.
Alhoewel dus ieder op de hoogte is van de dag, waarop de seakaha-desa vergadert, wordt toch bij wijze van herinnering de avond van te voren op de kul-kul, het signaalblok in de dorpstempel, geslagen.
Dit signaal wordt de volgende dag voor het begin van de vergadering nog driemaal herhaald, telkens met tussenpoos van een tijdseenheid van het wateruurwerk. De regeling van deze signalen is het werk van de saja's, een soort ceremoniemeesters, leden van de vereniging, die in de regel voor de tijd van een maand als zodanig dienst doen.
Zodra de verenigingsleden zijn verschenen, in grote vergaderloods, de bale-agung, van de dorpstempel, wordt door het dorpshoofd en de saja's geofferd, wierook gebrand en de gunst van de goden afgesmeekt. Intussen wordt door de andere leden, die hun patjuls (hakvormige schep) hebben meegebracht, het gehele tempelerf behoorlijk schoon gemaakt.
DE DORPELINGEN.
De dorpsbewoners zijn gesplitst in drie groepen. De voornaamste groep is die van de Krama-desa, dit zijn de kerndorpers, de mensen, die in het bezit zijn van een grondaandeel, waar onder een woonerf. Deze kerndorpers dragen de volle lasten van het bestuur en de verplichte diensten van de desa, waartegenover staat het medezeggenschap in alle dorpszaken. In verhouding tot de gehele desabevolking is hun aantal vaak zeer gering. De tweede groep vormen de mannelijke familieleden van de krama-desa. Overal en altijd waar de vertegenwoordiger van hun familie in het statuut van de krama-desa het verlangt, moeten zij hem bijstaan in het vervullen van zijn openbare en maatschappelijke plichten. Uiteraard is het aantal familieleden van deze kerndorpers soms vrij talrijk.
De derde groep bestaat uit immigranten, zij die "manggurang", dat wil zeggen ledig zitten, bestaan zonder eigenlijk arbeid te verrichten; waarschijnlijk slaat dit op de gewoonte om dergelijke immigranten één jaar of iets langer van desa diensten vrij te stellen. Aanvankelijk trekken zij in op het woonerf van een krama-desa of vaneen van zijn familieleden. Wanneer de tijd van de vrijstelling van dorpsdiensten eindigt, kunnen zij aanspraak maken op een eigen woonerf, en worden dan sampingan geheten.
DE OUDSTEN OF KRAMA-DESA.

Alhoewel alle leden van het dorpsbestuur dezelfde rechten hebben, en er zo nodig bij meerderheid van stemmen wordt beslist, kent de sekaha-desa toch een soort van dorpsbestuur, dat uit een zeker aantal van de oudste leden bestaat. Deze laatsten leiden de vergaderingen, geven de anderen leden de nodige voorlichting en kunnen bij voorkomende gelegenheid ook de vereniging vertegenwoordigen. Zij hebben verschillende titels, ook weer in volgorde van ouderdom van hun lidmaatschap: perwajah, kubajan, bau, singguhan, pengabin enz. maar vedelen de werkzaamheden van het dorpsbestuur vrij willekeurig onder elkaar. De gewone opschuiving zoals reeds voor de krama-desa werd beschreven, heeft ook bij de bestuursleden plaats. Komt een kubajan te overlijden, dan wordt hij vervangen door de oudsten van de bau's, terwijl ook de volgende bestuursleden op de zelfde wijze opschuiven. Naast dit als dorpsbestuur optredende raad van oudsten, bestaat er binnen het krama-desa verband nog een andere groep, namelijk die van de pelajan.

De laatst bijgekomen leden worden door de anderen niet dadelijk als volwaardig beschouwd. Zij moeten eerst nog een soort leertijd doorlopen; gedurende die tijd van voorbereiding mogen zij niet bij de anderen op de balebale plaats nemen, maar zitten gedurende de vergaderingen op de grond, moeten de naderen bedienen, en overigens hun beurt afwachten totdat zij door de periodieke opschuivingen tenslotte bij de gewone krama-desa kunnen worden ingedeeld. Er zijn desa's waar bovendien nog een dorpshoofd tevens volkspriester, de pasik, in functie is.
In het bovenstaande werd in enkele hoofdlijnen de organisatie van de desavereniging aangegeven, zoals deze in de ouderwetse dorpen bestaat.
Bij tal van nieuwerwetse dorpen is deze regeling anders. Zo is in de nieuwere dorpen het aantal leden van de vereniging niet constant, want ieder gehuwde mannelijke desabewoner moet hier lid zijn.
Ook kennen denieuwe desa's geen pasik, ook geen raad van oudsten, en is de leiding van de profane belangen opgedragen aan een titularis klian genaamd, terwijl de tempeldienst door de pemangku wordt waargenomen. Bij een groot aantal dorpen trouwens vertoont het bestuur en de organisatie van de vereniging hier meer, daar minder afwijkingen van het oorspronkelijke type.
DE DORPSADMINISTRATIE.
Nu nog een enkel woord over de middelen, waarover de desa vereniging en het desa bestuur beschikken. De diensten, welke de mannelijke ingezetenen aan het dorp verschuldigd zijn, de zo geheten ajahan-desa, zijn werkzaamheden te verrichten in het belang ven de dorpstempels, de gebouwen, de openbare veiligheid (wachtdiensten) en de wegen. Bovendien ontvangt de desa gelden in de vorm van zo geheten upeti. Als teken van erkenning dat de desa over droge gronden het beschikkingsrecht uitoefent, moet jaarlijks een klein bedrag, upeti genaamd, aan de dorpsgemeenschap worden voldaan. Een tweede bron van inkomsten zijn de hanengevechten. Heeft het dorp geld nodig, dan worden er hanengevechten gehouden, waarbij ieder lid van de vereniging met een bepaald aantal vechthanen moet opkomen. Wanneer het niet mogelijk is, om met behulp van deze middelen de dorps- uitgaven te bestrijden, dan bestaat nog demogelijkheid om door middel van hoofdelijke omslagen (paturunan) het ontbrekende aan te vullen. Ten slotte vloeien ook de door de vereniging opgelegde boeten in de dorpskas. (Sedert Bali geheel onder direct bestuur is gebracht, worden de hanengevechten zoveel mogelijk beperkt.) voor het bijhouden van de administratie van deze inkomsten en uitgaven, beschikken verschillende desaverenigingen over een dorpsschrijver, de penjarikan-desa, die zijn aantekeningen met behulp van een scherp mesje inkrast in lontarbladrepen. Een zeer originele wijze van aantekenen is die op de kerfstok, de ganti, een primitief, maar ingenieus bedacht systeem, dat nog bij enkele ouderwetse desa's in gebruik is.
DE KERFSTOK OF GANTI.
Elk van de desaleden heeft op deze kerfstok een eigen plaats, waarop de door hem verrichte desadiensten worden aangetekend en bijgehouden. Een dergelijk aantekenvlakje bestaat uit een vierkantje van ongeveer drie centimeter zijde, waarop voor de ingeschrevene alle door hem gepresteerde desa- en herendiensten zijn hele leven lang worden bijgehouden. Voor elke dag dat deze diensten worden verricht, tekend de "bahan", het lid van het dorpsbestuur, die dit primitieve register bijhoudt, met houtskool twee stippen op het vakje van de betrokkene aan. Zodra tien stippen zijn bereikt, worden ze uitgewist en vervangen door een kleine inkeping aan de rand van de stok.
Tien van dergelijke inkepingen worden vervangen door het inslaan van een klein pinnetje van bambu aan de bovenzijde van het vakje. waarbij de inkepingen weer met een mes worden glad glad gesneden.
Wanneer er tien bambu stiftjes bij elkaar zijn, worden zij weer vervangen door een enkel stiftje, maar van dubbele breedte. Een dergelijk breed stiftje vertegenwoordigt dus tien gewone stiftjes, honderd inkepingen, of duizend zwarte stippen.
Bovenstaande beknopte beschrijving moet voldoende zijn, om enig beeld te geven van de wijze waarop de aantekening op de ganti plaats heeft. Ook zonder verdere details is het duidelijk, dat niet alleen de werkbeurten, maar ook de verzuimdagen, de boeten, de schuld wegens boeten en verzuim, enz. enz. door het vermeerderen en verminderen van stippen, inkepingen en pinnetjes kunnen worden aangegeven.

(Rijst stampen tot rijstmeel.)
Veel Balinese desa's zijn nog onderverdeeld in bandjar's. Een belangrijke taak van de bandjar vereniging is de zorg voor wederzijdse hulp van de leden van de vereniging bij de lijkbezorging. Ook de bandjar heeft een eigen vergaderloods, een bale-bandjar, en een eigen bandjar bestuur, bestaande uit de klian (de voorzitter), de pengenti (plaatvervangend voorzitter), en enkele saja's ( de personen, die de bevelen van de klian overbrengen)). Alhoewel het bandjar bestuur met de leden van de vereniging tal van zaken geheel zelfstandig regelt, komt daarmee de ondergeschiktheid aan de desa niet te vervallen.
Iedere bandjar heeft dan ook zijn aandeel in de zorg voor het onderhoud van de desa tempels en van de desa wegen. Daarnaast echter kan als eigen taak worden genoemd: het reeds genoemde onderlinge hulp betoon bij lijkverbrandingen, maar ook bij andere feesten zoals de gelegenheid van het tanden vijlen en bij huwelijksfeesten, hulp bij het dekken van woningen, bij bestrijding van eekhoorn en muizenplaag, enz. tenslotte regelt de bandjar ook de handhaving van orde en veiligheid in zijn gebied, waakt voor een behoorlijk onderhoud van de erven, voor onderlinge hulp bij brand, tegen overlast van loslopend vee, en dergelijke.
Dit alles is behoorlijk gereglementeerd, terwijl door bepaling van boeten en andere straf maatregelen tegen verzuim wordt gewaakt.
DORPSWIJKEN, TEMPEK.
Veel Balinese dorpen hebben doordat zij langs de hoofwegen zijn gebouwd een lange vorm met aan weerszijden van de wegen enkele rijen woonerven welke met klei- of stenen muurtjes of muren zijn omgeven. De toegang tot de erven geschiedt door de erfpoort, vaak met fraai beeldhouwwerk versierd.
Deze erfcomplexen zijn door smalle zijweggetjes in blokken verdeeld, en met deze blokken komt men tot een nog kleinere indeling van desa of bandjar, namelijk de tempek.
Aan het hoofd van een dergelijke buurt of wijk staat een klian tempek. Eigenlijk zijn de tempeks slechts een soort oproepkringen, welke in de praktijk van het desabestuur het overzicht vergemakkelijken. Bij lijkverbrandingen rusten de voornaamste plichten van het onderling hulpbetoon op de tempek-genoten.
Zie vervolg: BALI. 1934. (DEEL 9)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten