vrijdag 29 augustus 2025

BALI. 1934. (DEEL 10)

 

BALI IN DE KOLONIALE PERIODE

GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDER.

                                         DEEL 10.


BALI.....


                                    VII. VOLKSKUNST.

DE LEGENDE VAN CALON ARANG.

Reeds al bij het noemen van de naam van deze demonische schrikwekkende vrouwenfiguur brengt bij iedere Balinees onwillekeurig een gevoel van afkeer en huivering teweeg.
En het lijkt wel of de Balinese volksziel in de legende, waarvan Calon Arang het middelpunt vormt, alle ellende en jammer heeft willen tekenen, die bij een geweldige epidemie het heerlijke eiland zou kunnen teisteren.

In Girah, zo luidt het verhaal, woonde eens een weduwe, Calong Arang genaamd, met een beeldschone dochter, Ratna Manggali. Het gemoed van menig jongeman geraakte in verwarring, wanneer hij eenmaal zijn ogen op de lieftallige verschijning van Ratna Manggali, had laten vallen.
Maar wanneer de aanbidder dan vernam, dat de moeder van zijn uitverkorene aan zwarte kunst  deed, bekromp hem het gevoel van vrees en trok hij zich in de regel na korte tijd terug.
Maar toen uiteindelijk bleek, dat Ratna, niettegenstaande haar deugdzaamheid en grote lieftalligheid, toch ongehuwd bleef, kwam er een gevoel van grote bitterheid in het hart van Calon Arang, en besloot zij zich te wreken op de mensheid, dat de goede hoedanigheden van haar dochter zo miskende.
Als de mensen dan met alle geweld wilden, dat zij zich met de zwarte kunst ophield, goed, dan zou zij de mensheid een tonen, wat daarvan inderdaad de gevolgen konden zijn. En zo maakte zij in de nacht haar opwachting in de dodentempel, de pura-dalem, bij de godin Durga, en smeekte haar demonische macht te verlenen om, gelijk de godin zelf, de mensen ziek te maken en te vernietigen.

Durga willigde haar verzoek in, waarna Calon Arang in het middernachtelijk uur op een viersprong van het dorp met haar vrouwelijke volgelingen een heksendans uitvoerde onder begeleiding van bekken en gongmuziek.
Reeds de volgende dag brak er in het land een hevige epidemie uit, en overal, waar volgelingen van Calog Arang verschenen, werden de mensen plotseling en op geheimzinnige wijze ziek.
In de woningen, op de erven, op de pasars en op de openbare wegen, allerwege talrijke gevallen van personen, die plotseling neervielen, en na korte tijd de geest gaven.
Landschappen met een welvarende en gelukkige bevolking, welke door Calo Arang tot veld van haar actie werden uitgekozen, waren in korte tijd ontvolkt. Zij die gespaard bleven werden door panische schrik bevangen en ontvluchten de streek, en na korte tijd was er van de welvarende dorpen niets anders over dan verlaten kampongs en verdorde gewassen, terwijl ook van de vluchtelingen vele nog langs de weg in elkaar zakten en stierven.


                                             ( Vorst Erlangga zitten op de Garuda.)

De vorst Erlangga, die zijn soldaten er op uit stuurde om de gevaarlijke toverheks te doden, zag slechts enkele van de uitgezondenen terugkeren. Zij, die Calon Arang wilden aangrijpen, waren op het zelfde ogenblik verlamd, anderen, die op een afstand stonden, werden gedood door de vlammen uit haar mond en uit haar ogen schoten, en de enkelen die gespaard bleven, sloegen op de vlucht.
Aangemoedigd door dit succes besloten Calon Arang en haar volgelingen metnog grottere kracht op te treden, en zij verdeelden voor dit doel de verschillende hemelstreken onder elkaar: Lende zou het zuiden krijgen, Larung het noorden, Gujang het oosten en Gandi het westen. Calo Arang zelf met haar getrouwen Woksirca en Mahisa-wadana zouden het centrum met het zenith nemen.
Intussen had koning Erlangga een vergadering belegd met zijn talrijke raadslieden, Siwaïtische en Boeddhistische priesters, geleerden en bestuurders; en op deze vergaring werd de vorst aangeraden om de hulp in te roepen van de kluizenaar van Lemahtulis, Sri Baradah. Alleen deze heilige man, die langdurig ernstig de ascese had beoefend, achttemen in staat om Calon Arang te bedwingen.

Baraha verklaarde zich bereid zijn krachten te beproeven; hij wist te bewerken, dat zijn leerling Bahula met Ratna Manggali in het huwelijk trad. Na zijn huwelijk echter merkte de laatste al spoedig , dat Calon Arang in de nacht regelmatig bezoeken aan de begraafplaats bracht en de dodentempel.  Dit was voor hem een aanleiding om de toverboeken van zijn schoonmoeder aan zijn leermeester Sri Baradah ter hand te stellen en hem bovendien op de hoogte te brengen van haar nachtelijke bezoeken aan de dodentempel. Toen was het ogenblik van de verlossing nabij.
Baradah riep Calon Arang ter verantwoording en toen deze laatste als antwoord de kracht van haar vlammen op de kluizenaar  beproefde, bleken deze volkomen onmachtig om iets tegen hem uit te richten.
Omgekeerd echter wist Baradah eerst de volgelingen van Calon Arang te bekeren en vervolgens Calon Arang door zijn blik te doden. Dank zij de wonderdadige kracht van de kluizenaar was de rust in hetland spoedig hersteld; de bevolking keerde weer, de markten herleefden en de pas overleden doden werden door Baradah in het leven terug geroepen, kortom land en volk herstelden zich en de welvaart keerde terug.

HET VERHAAL ACHTER DEZE LEGENDE.

Dat de legende als het Calon Arang verhaal in verband wordt gebracht mat de naam van een bekend vorst, die 900 jaar geleden regeerde is iets, dat meer voorkomt; maar het verhaal, zoals de op de lontarbladen te boek gestelde legende het geeft, vindt in de Balinese volksmond nog een curieuse aanvulling.
Calon Arang, de boze weduwe (Rangda) van Girah, zou volgensd die opvatting niemand anders zijn dan de moeder van Erlangga, de Javaanse prinses Mahendrdatta. Toen de Balinese "prins gemaal" Udajana stierf, beschuldigde zijn zoon Erlangga de koningin-weduwe van moord op haar gemaal door betovering, en werd zij naar het bos verbannen. Uit wraak zou zij toen werkelijk de zwarte kunst zijn gaan beoefenen met de bedoeling om Erlangga's rijk te verwoesten. In hoeverre er geschiedkundige waarheid in dit volksverhaal ligt opgesloten, is niet na te gaan. Merkwaardig is het intussen, dat een van de mooiste Hindoe-Balinese stenen beelden, aangetroffen bij Kutri en beschouwd als een bijzettingsbeeld van Erlangga's moeder, een uitbeelding van Durga voorstelt, de godin die, zoals reeds werd opgemerkt, op Bali het middelpunt vormt van de begraafplaatsen en de heksencultus.

HET CALON-ARANG TONEEL.

Wij verlaten nu de rampspoedige periode van de verschrikking uit Calo Arang's tijd en keren terug naar het hedendaagse Bali met zijn gelukkige bevolking, welke zich door haar goden en tempels, haar offers en priesters beveiligd weet tegen al te zware rampen en ongelukken.
Van het tempelterrein klinkt zacht het klingelende gamelanspel ons tegemoet. Het is reeds donker, maar in het rossige schijnsel in de rook welke hier achter de tempelmuren opstijgt, het gaan en komen van bezoekers in feestkleding, mannen, vrouwen en kinderen, het stemgezoem van een slenterende menigte voor het tempelterrein, alles wijst er op, dat er iets bijzonders aan de hand is.



En inderdaad blijkt er in de tempelhof een toneelvoorstelling in volle gang, een exotisch openluchtspel in een sfeer, welke zich zo volkomen aan de vertoning aansluit, dat iedere andere omgeving aan de schoonheid van dit fantastische spel slechts schade zou doen. 
 


De Rangda, de boze weduwe wordt vertoond. Zeker het is slechts een spel, maar met welk een spanning volgt een belangstellend publiek met beweeglijke trekken en met verschrikte ogen de demonische vertoning van de hierboven beschreven geschiedenis.

Hoe werkt hier alles mee om de toeschouwer van het eerste ogenblik af te boeien en voortdurend in spanning te houden! Welk een fantastisch figuur, deze Rangda zelf, met haar in groten stijl uitgesneden demonenmasker, met rollende ogen en slagtanden, en haar  lange lange met vuurrode vlammen versierde tong. Hoe dreigend klinken de krachtige gamelan-melodieën als in het spookachtige schijnsel van de fakkelverlichting van het tempelterrein het monsterachtige wezen nu naar deze, dan naar de andere kant uitschiet, en haar zwaaiende tong duidelijk de illusie schept van een vuurspuwend monster. Al zijn de aanvallen van dood en verderf om zich heen verspreidende calon Arang krachtig en plotseling. soms zelfs ruw en geagiteerd, toch treft het ritme, dat het gehele spel beheerst.

Want dat, wat in dit spel vooral tot de toeschouwer spreekt, is de volmaakte bewegingskunst, welke daarbij tot uiting komt. Standen en bewegingen zijn alle even stijlvol, streng van opvatting, onberispelijk en beheerst van uitvoering.
Vrouwen en kinderen, die in deemoedige houding om medelijden smeken, vluchtelingen die uitgeput neerzijgen, soldaten, die vruchteloze aanvallen op de verschrikkelijke demonische gestalte en haar volgelingen ondernemen en sneuvelen, bij allen is iedere beweging vol uitdrukking. Buitengewoon bekoorlijk is het smekende gebaar van de vrouwen en meisjes, de soepele beweging van handen en vingers, het gebaar van lijdende berusting bij het neerzijgen voor de brute overmacht.

En op wonderlijke schone wijze vloeien de cadans en de melodie van het in deze tropische maannacht zo melodieus door de avondlucht klokkende gamelanspel samen met dit stijlvolle evenwichtige bewegingsspel, fantastisch verlicht door de onrustig flakkerende vlammen van toortsen en houtvuren.

BARONG.


Bijna nog fantastischer dan de Rangga vertoning is die van de barong, een bijzonder achtig monster met een afschrikwekkende kop, grote dreigende ogen, slagtanden, en een lichaam geheel met lange haren bedekt. Twee mannen zijn nodig om dit diermonster te dragen en te laten optreden; de voorste van wie zijn benen de voorpoten vormen, draagt het voorstuk, de ander het achterstuk.

Wanneer uit de beschaduwde achtergrond van de tempelhof plotseling de dreigende kop van de barong te voorschijn komt en een ogenblik en later het grote gestalte van het beweeglijke ondier  een groot deel van de voorgrond in beslag neemt, gaat er een gemompel van een niet te bedwingen vrees door de toeschouwers. De barong is dan ook wel een van de expressiefste figuren van het Balinese tonaal; en de rossige gloed van de primitieve verlichting geeft het demonische van de grote ogen, de wilde haren, de in het toortslicht schitterende spiegeltjes van kop en staart en de grillige, vergulde uit buffelleer uitgesneden kopversiering een nog fantastischer aanzien. Niet altijd verschijnt de barong in de zelfde gestalte: soms is het een gestileerde tijger figuur, dan weer een olifant, een gevleugelde leeuw, of het alles verwoeste wilde zwijn Damalung.
Vooral het spel, waarin de barong in deze laatste gedaante optreedt is zeer geliefd.
In een in de 11e eeuw bewerkt oud-Javaans gedicht de Ardjunawiwaha (Ardjuna's bruiloft) komt een episode voor, waarin de held van het verhaal Ardjuna als kluizenaar leeft, en door de godheid Shiva op de proef wordt gesteld. Deze verschijnt in de gedaante van een jager (Shiva-kiratarupa), terwijl de barong optreedt in de gedaante van het demonische zwijn Damalung. Het wilde zwijn Damalung wordt bij een gelijk tijdig schot van Shiva en Ardjuna gedood, en dan ontstaat een twist over de vraag door wiens pijl het wilde zwijn werd getroffen. Dedurende deze twist heeft Ardjuna de gelegenheid om verschillende blijken te geven van zijn behendigheid en kracht, maar als Shiva zich tenslotte kenbaar maakt, bewijst Ardjuna hem de verschuldigde eer.


WAYANG TOPENG.

Zoals uit de beschrijving blijkt, zijn de hierboven genoemde Calon Arang en barong spelen nauwverwant aan het maskerspel, de ook bij de Javanen bekende wayang topeng. Toch maakt de Balinees onderscheidt tussen beide eerst genoemde spelen en de eigenlijke wayang topeng, welke de Rama legenden, Pandji verhelen en dergelijke ten tonele brengt. De reeds uitgebreide verscheidenheid van maskers wordt nog vergroot doordat de spelers
bij de verschillende momenten in hun rollen ook verschillende maskers met andere gelaatsuitdrukkingen dragen. het is duidelijk, dat deze eigenaardigheid hoge eisen stelt aan de bedrevenheid en kunstvaardigheid van de Balinese maskervervaardiger.

WAYANG WONG, PARWA, GAMBUH.

Evenals de Javaan een toneel kent, waarbij de rollen worden gespeeld door ongemaskerde personen, heeft ook de Balnees naast wayan topeng een dergelijk spel van ongemaskerden. Terwijl op Java echter deze spelen worden samengevat onder de algemene naam wayang wong, geeft de Balinees er naar gelang van het repertoire een andere naam aan. Alleen het toneel waarbij de Rama legenden worden opgevoerd draagt de naam wayang wong; de toneel stukken, welke hun stof hebben ontleend aan het Mahabharata en Bratajuda worden wayang parwa genoemd, terwijl onder de naam gembuh de Pandji-cyclus ten tonele wordt gebracht. Bij al deze toneelspelen wordt door de spelers zelf de tekst uit de rol gesproken of gezongen.


( Van links naar rechts: Balinese toneel speelster; Legong danseres; Sangjang danseres; Djanger danseres.)

WAYANG KULIT.

 
Het op Java zo geliefde schimmenspel, de wayang kulit, waarbij de dalang de dialoog uitspreekt, is ook op Bali zeer in trek.
De Javaanse onderscheiding in wayang purwa (klassiek Hindoe repertoire) en de wayang gedog (Pandji cyclus) kent de Balinees echter niet.
Het repertoire van de Balinese wayang kulit is er evenwel niet minder uitgebreid om: Mahabaharata, Bratajuda, Rama legenden, Pandji cyclus, Calon Arang verhaal, ze worden aal ook als schimmenspel opgevoerd.


LEGONG.

Even geliefd als de hierboven genoemde spelen zijn de door jonge meisjes opgevoerde legong dansen.
Al mag dan bij de vorige spelen aan de westerse toeschouwer menige fijne nuance in spel en dans ontgaan, veel minder is dit het geval bij de legong.
De aanschouwing van deze fijne gestileerde danstonelen is ook voor de westerling een kunstgenot.
Gelijk aan de sangjang's in de tempels geven zij alle danskunst, welke op een hoog peil staat, en men kan zich geen mooiere kunst uit de oost denken, dan de soepele dansbewegingen, welke deze slanke fragiele figuurtjes in hun exotische, beheerste stijlvolle danskunst te aanschouwen geven.
Bij de legong treden slechts twee of drie danseresjes tegelijk op, waarbij een dalang de rollen vertolkt en tekst en uitleg van de verschillende dansmomenten geeft.

JANGER.

Van heel andere aard en van veel modernere opzet, maar minstens even populair is de Janger vertoning.
Bij dit spel, dat door jonge jongens en meisjes tezamen wordt uitgevoerd, zitten de spelers in een vierkant: twee rijen jongens tegenover elkaar en twee rijen meisjes langs de beide andere zijden. De leider van het spel, de dag, bevindt zich gedurende de uitvoering in het midden. In tegenstelling tot de andere spelen wordt bij de janger opvoeringen op allerlei wijzen de traditionele voorschriften afgeweken, en aan de fantasie van de leider en zijn spelers ook het scheppen van nieuwe creaties overgelaten. Bij een vergelijking met de opvoeringen van de Javaanse wayang wong en wayang topeng en met de Javaanse dansen van serimbi, beddjd en ronggeng treft de veel grotere levendigheid en beweging bij spel en dans op Bali.

GAMELAN.


Het is dan ook begrijpelijk, dat de gamelan op Bali, welke ook hier voor een groot deel zijn karakter ontleent aan de begeleiding van toneel- en dansspel, veel levendiger klinkt dan de Javaanse. Niet alleen levendiger, maar ook voller en melodieuzer. Bij de Javaanse gamelan klinkt vooral in de begeleiding de sterk bewogen tonelen da krachtige klank en de rustige slag van saron en bonang sterk boven de andere instrumenten uit. Op Bali echter is aan de soepeler en melodieuzer klinkende gender een veel over-
heersende plaats ingeruimd. Zelfs bij het geluidskrachtigste van alle gamelan systemen op Bali, die geheel uit messing instrumenten samengestelde gamelan gong overheerst het warme volle en tedere klokkenspel van de gender's dat van al de andere instrumenten.

GAMELAN GONG.

Terwijl de zwaardere toetsen van de saron op een onderlaag van vilt rusten, djongkok (zitten) zegt de Balinees, zij de toetsen ven de gender aan draden boven bambu klankborden opgehangen (gantung).
Het sympathisch meeklinken van deze losse klamkbodems wordt bevorderd door een zorgvuldig afstemmen van de luchtkolommen in de kokers van de bovenliggende toetsen.
De overige instrumenten dienen slechts om het klankvolle weke geluid van de genders aan te vullen en te versterken: 

( Gender)

In de eerste plaats de sarons, waarvan een tweetal één octavige gongsa-djongkok tot de insrumenten van de gamelan gong behoren en die als tjoring bij de semar-pagulingan een paraphraserende functie hebben.

( Van links naar rechts: Tjoring; Gangsa Djongkok.)

Een van de hoofdinstrumenten is de trompong, die altijd minstens twee octaven omvat, en uit een tiental klankketels van het bonang-type bestaat.
Wanneer het orkest een leider heeft (pangliman-gong) gespeelt deze dan ook altijd de trompong, waarop hij de inleiding zowel het tussenspel geeft, en bovendien met variaties op het hoofdthema aan het gehele spel een eigen accent geeft.

Tot de oudste instrumenten behoort de rejong, bestaande uit een halterstang, aan eleke uiteinden twee bonang-ketels zijn bevestigd.
De speler legt de stang op zijn schoot, zodat hij belde handen voor de bespeling van de ketels vrij heeft. 
Op Java wordt de rejong tegenwoordig niet meer aangetroffen, alhoewel uit bas-reliëfs van de Panataran-tempel blijkt, dat eeuwen geleden ook daar dit instrument in gebruik was.

                                                                                                   ( Rejong.)
Evenals op Java wordt de interpunctie, de afsluiting van de
muziekstroom en muziekzinnen door de verschillende gongs,
aangegeven, terwijl de trombespeler de leiding heeft bij de regeling
van het ritme.
Tot de geraas makende instrumenten in de gamelan-gong behoren van schellenrak (gentorag) waarmee inderdaad dikwijls heel wat geraas kan worden verwekt, maar welke tenslotte weinig bijdragen tot de verfraaiing van de uitvoering.


De hierboven in grote trekken aangegeven gamelan-gong behoort wel tot de populairste gamelan orkesten van Bali. 
Wegens het krachtige geluid is deze gamelan hoofdzakelijk in gebruik bij tempelfeesten, optochten, bruiloften, lijkverbrandingen en dergelijke grote feesten.


GAMELAN-SEMAR-PAGULINGAN.


De gamelan-semar-pagulingan heeft een zachter geluid en wordt vooral gebruikt bij kleinere huislijke feesten, en als begeleiding van legong, djanger, Calon Arang en dergelijke vertoningen. De gentorag is dan ook bij deze gamelan niet in gebruik, en aan de bekkens (rintjik) is een veel bescheidener plaats ingeruimd dan bij de gamelan-gong.
Dit meer "con sordino" ingestelde orkest is trouwens voortgekomen uit de bedoeling om de vorst bij het ter ruste gaan in een tevreden, behagelijke stemming te brengen: semara pagulingan betekend eigenlijk bevredigende rust, behagelijkheid in het slaapvertrek (pagulingan).
Wanneer na een bewogen dag met drukke, zwoele warmte de weldadige  frisse avondlucht ontspanning brengt, geeft de vorstelijke of adellijke eigenaar van een gamelan zich gaarne over aan de bekoring van een zacht gespeelde muziek. Dan geeft het half dromend, half dommelend liggen luisteren naar de in de open nachtlucht wegtrillende deining van de klokketonen van zijn semar-pagulingan hem de gezochte verkwikking.



                                                     Zie vervolg: BALI. 1934. (DEEL 11)



Geen opmerkingen:

Een reactie posten