donderdag 20 juli 2017

VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 5)

ZE ZIJN ER IN 

VERSCHILLENDE SOORTEN 

EN MATEN OP HET WATER. (5)



BOOT. (HOLLANDSE)

De Hollandse boot een een platboomde van het aak type die in geheel Nederland en eveneens in België voorkwam als bijboot van binnenvaartschepen maar ook als werkboot, veerboot en vissersvaartuig voor de rivieren.
De boot kon ook gezeild worden en werd getuigd met een spriettuig en voorzien van zwaarden en een roer. het vlak liep voor en achter op in een heve. Aan de achterkant was een scheg voor het roer voorzien. De beplanking werd zowel gladboordig als overnaads gelegd. Boven het berghout was een naar binnen vallend boeisel met aan iedere zijde twee roeidollen geplaatst.
het spantwerk bestond om beurten geplaatste liggers en knieën. Van de vier doften was de tweede voorzien van een mastgat en een overloop.
Afmetingen: lengte tot 6 meter; breedte tot 2 meter; holte tot 85 centimeter.


BOODSCHIP.

Een bootschip is een koopvaardijschip, ook gebruikt als walvisvaarder in de tweede helft van de 17e eeuw.
De benaming 'boetscepe' wordt al in de 15e eeuw in geschreven bronnen aangetroffen.
In de 16e eeuw moet een 'boetscepe' een vrij groot zeilschip zijn geweest, waarmee zelfs oceaanreizen konden worden gemaakt.
De bewering dat het bootschip als een variante uit de fluit zou zijn ontwikkeld blijkt onjuist, vermits dit laatste type eerst in 1595 in de vaart kwam.
Bootschepen werden vooral in Nederland gebruikt, maar kwamen ook in Duitsland en Scandinavië voor.


Bootschepen hadden de romp van een galjoot, maar werden opgeboeid als een fluit, echter minder ingehaalde boorden.
Zij hadden een hekbalk en de ronding van de romp liep door tot tegen de achtersteven. Daarboven het brede hakkeboord met ramen.
Bootschepen voor de walvisvaart hadden dwars over het achterschip een zware balk liggen, die buiten de romp uitstak en gebruikt werd als davit voor twee boven elkaar hangende walvissloepen.
Deze waren er met de achtersteven aan opgehangen; de voorsteven hing aan een zware takel die in de grote mars was bevestigd. De schepen waren uitgerust met 6 slopen.
Zij  voeren een driemasttuig met onder- en marszeilen; in de 18e eeuw ook bramzeilen eaan de de fokke- en grote mast, een kruiszeil aan de kruismast, evenals een gaffelzeil in plaats van het gebruikelijke latijnzeil. Stagzeilen werden gevoerd aan de fokke- en groet mast.
Afmetingen: lengte 27 el 9 duim (27 meter); breedte 6 el 9 palm 1 duim.

BOTTER.

De botter is een vissersvaartuig, vooral uit het zuidelijke deel van de toenmalige Zuiderzee, nu IJsselmeer. Viste in het bijzonder met sleepnetten en met kuilnetten (dwars- en kwakkuil, wonderkuil).
De botter heeft zich vermoedelijk ontwikkeld uit de tochtschuit of drijver. het is een snelvarend schip en een van de meest elegante Nederlandse vissersschepen. De botter werd op vele werven rond de Zuiderzee gebouwd; te Monnikendam, Durgerdam, Marken, Spakenburg, Kuinre, Blokzijl, Urk, Muiden en vooral te Huizen.
De botter had een licht V-vormig vlak met een uitspringende kiel, hoekige kimmen en een bol openvallend, gladboordig beplankt boord. De lichtgebogen voorsteven viel vrij sterk naar vore, de rechte achtersteven had een nogal sterke valling. Het voorschip was bol, maar niet vol gebouwd en sterk weggeveegd, evenals het slank gebouwde achterschip.

Boven het berghout was een smal naar binnen hellend boeisel. De botter had een hoge kop die in een zwierige zeeg naar het lage achterschip afdaalde. Hetvoorschip was gedekt tot aan de mast. Daarachter bevindt zich het ruim waarin bij visbotters een grote bun stond.
De tuigage bestond uit een ongestaagde steekmast die getuigd was met een bezaantuig met smal grootzeil en een brede botter- of zeemansfok. De kluiverboom reikte tot tegen de waterlijst nabij de de mast en voerde een kluiver. Soms werd ook nog een 'aap' (bras of ransel) achter het grootzeil bijgezet en op de kwak een breefok aan een ra voor de mast.
Al naar de herkomst hadden de botters verschillende detailmerken. men onderscheidde onder meer: zuidwalbotters (Huizen, Muiden, Spakenburg) die een hogere kop en sterk geveegd achterschip hadden, een groter vrijboord en meer gebogen spanten dan de Marker en Monnikerdammer botter

 Bij de zuidwalbotter ontbrak ook de verdubbeling aan de kopen de voorsteven, de berenklamp.
Urker botters hadden een kleiner vlak en dus meer diepgang. Bij de botters uit Elburg en Harderwijk was de lagere kop en het brede achterschip karakteristiek.
Afmetingen: lengte 46 voet; breedte 14 voet; holte 6 voet. Dit soort schip had minder zeeg en de waterlijst lag achter de mast; bij de gewone botter ervoor. het boeisel verbreedde zich naar voor, bij de andere botters werd het zeer smal.
De laatste vissersbotters waren voorzien van een motor. Evenals de botter wordt de kwak nog slechts als een jacht gebruikt.
In België werden in de 19e eeuw ook botters gebouwd en gebruikt. Zij hadden vooral Baarsrode aan de Schelde als thuishaven eb verzorgden de bevoorrading van de plaatselijke en andere markten met paling die uit Nederland werd aangevoerd. Na de afsluiting van de Zuiderzee, en het ontstaan van het IJsselmeer, werd een aantal botters in Zeeland gebruikt voor de oester- en mosselkweek.
Voor de Noordzee visserij bouwde men een zwaarder schip, de noordzeebotter. Deze had een minder geveegd onderwaterschip, een vollere kop en achterschip. De zeeg lag praktisch horizontaal, zodat het achterschip hoger was. De romp was geheel gedekt. De tuigage was het zelfde als bij de andere botter.
Afmetingen: lengte 60 voet; breedte 17 voet 3 duim; holte 7 voet.

BRAGOZZO.

(Bragozzo, vissersschip van de Adriatische Zee, 1882)

De bragozzo is een Italiaans vissersvaartuig dat thuishoort in Chioggia nabij Venetië en dat in de streek Ancona schiletto genoemd wordt.
het vaartuig heeft een rond voor- en achterschip, een plat vlak zonder kiel en gebogen stevens waarvan de voorsteven naar achteren toe buigt boven het boord.
Het schip heeft weinig diepgang en daarom een vissend roer, dat kan worden opgehaald door middel van een takel die aan de grote mast hangt. De romp is gedekt behalve achter de grote mast waar zich een stuurkuip bevindt. De tuigage bestaat uit een grote mast die bijna midscheeps staat en een naar voren hellende fokkemast die in het voorschip staat. Beide dragen een loggerzeil met boom, het voorste aanzienlijk kleiner dan het achterste. Soms wordt ook een kluiver bijgezet op een boom.


De zeilen van de bragozzo zijn geverfd in helle kleuren en ook de voorsteven is vaak fraai beschilderd.
Afmetingen: lengte 28 tot 46 voet; breedte 7 voet 7 duim; holte 2 voet 7 duim tot 4 voet.

Tegenwoordig worden deze scheepjes weer gebouwd door de Bragozze vereniging die er zeilwedstrijden mee organiseert.   







                 Zie vervolg: VAARTUIGEN BEGINNEND MET LETTER 'B'. (DEEL 6 SLOT)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen