zaterdag 29 juli 2017

CARTOGRAFIE HAAR GESCHIEDENIS. (DEEL 1)

VERRE VOORLOPER 

VAN DE HEDENDAAGSE 

ROUTE PLANNER. (1)

CARTOGRAFIE.

Cartografie is de kunst van het afbeelden van het aardoppervlak of een deel daarvan in een plat vlak.

Reeds in de verre oudheid maakte men dergelijke afbeeldingen in primitieve vorm, onder meer voor het vastleggen van grondbezit, maar ook wegenkaarten en stadsplattegronden. In de loop der eeuwen kwamen de drijfveren voor de beoefening van de cartografie vooral voort uit de wens de steeds groeiende geografische kennis dienstbaar te maken voor de handel en de scheepvaart.
De cartografie kent dan ook een lange moeizame geschiedenis met een strijd tussen de kerkelijke instanties en de ontdekkers.

OUDHEID.


In de oudste historische tijden stelde men zich de wereld voor als een platte schijf, omgeven door de oceanen. Een Babylonisch kleitablet uit ongeveer 500 v.Chr. beeldt de wereld aldus af. 
Waar de grens precies lag was onbekend, maar men geloofde, en dat zou zeker nog eeuwen zo zijn, dat men aan het einde naar beneden stortte.
Reeds echter omstreeks de 6e eeuw v. Chr. hadden de Griekse wijsgeren uit de school van Pythagoras de theorie van de bol vorm gesteld. Anaximander van Mylete maakt in de zelfde tijd nog een platte wereldkaart, maar hij wordt ook vermeld als de eerste die leerde dat de ecliptica een helling maakt met het vlak van de equator. Hij zou ook de uitvinder zijn van de gnomon, een primitieve zonnewijzer en het oudste bekende hoekmeetinstrument, waarmee dus ook de tijd gemeten kon worden.
Waarschijnlijker is echter dat dit instrument reeds eerden bekend was , maar in andere vorm bij de oude Egyptenaren. Aristoteles (384-322 v.Chr.) leidde de bolvorm van de aarde af uit de ronde vorm van de aardschaduw op de maan.


Het was Eratosthenes van Cyrene, die ongeveer 250 v.Chr, het eerst er in slaagde de omtrek van de aarde met vrij grote nauwkeurigheid te benaderen en daarmee ook de waarde van een lengte graad.
Zijn meridianen en parallellen waren echter nog betrekkelijk willekeurig getrokken lijnen over belangrijke punten, die men veronderstelde op de zelfde lengte of breedte te liggen.
Honderd laar later stelde Hipparchus voor de aarde te verdelen door elf parallellen (climata) in zones van gelijke bewoonbaarheid.
Deze parallellen werden getrokken over punten waar de langste dag even lang was. Voor de lengtebepaling ging hij uit van het geconstateerde tijdsverschil in de plaatselijke tijd op twee plaatsen, waar het begin van een maansverduistering werd gezien.
Hij maakte ook als eerste gebruik van de stereografische projectie. Marinus van Tyrus (ongeveer 120 n.Chr.) werkte de theorieën en methoden van Hipparchus verder uit en beeldde als eerste een kaartnet af van rechthoeken, een zogenaamde platkaart. Min of meer haar afsluiting vond de ontwikkeling van de Hellenistische geografie en cartografie door de werken van Claudius Ptolemaeus in het midden van de 2e eeuw van onze jaartelling.



(Het Christelijke wereldbeeld, kaart uit het commentaar bij de Openbaring van Johannes door Beatus van Liébana ( 730-798). Het oosten met de voorstelling van het paradijs is bovenaan, rechts daarvan de Jordaan. het linker kwadrant bovenaan stelt Azië voor, daaronder Europa. De verticale middenstrook is het water van de Middellandse Zee. Rondom in de Oceaan, waarin nog een aantal eilanden ligt.)

Ptolemaeus ontwierp in zijn Geographica twee kaartprojecties, beide kegelprojecties, en slaagde er aldus in een wereldkaart te maken met cirkelvormige, concentrische parallellen en straalsgewijze rechte, bij zijn tweede methode gebogen meridianen. In dit netwerk werden astronomisch bepaalde punten ingetekend. Het voor de gehele latere cartografie zeer belangrijke werk van Ptolemaeus is eerst vele eeuwen later voortgezet. Gedurende de tijd van het Romeinse keizerrijk en de middeleeuwse christelijke beschaving bleef Ptolemaeus in Europa tot het begin van de 14e eeuw vrijwel onbekend.


(Het wereldbeeld van Ptolemaeus uit de eerste gedrukte editie van zijn Geographia, verschenen in Bologna, 1477)


ROMEINEN.                               

De Romeinse heersers en hun veldheren waren, evenmin als de Romeinse kooplieden, geïnteresseerd in de vorm van de wereld. Zij hadden kaarten nodig van het wegennet over land en routes over zee, waardoor het imperium werd bijeengehouden. Hun cartografische waren dan ook gericht op deze behoeften en hun wereldbeeld was zeer schijfvormig. Romeinse kaarten waren gebaseerd op de gegevens van landmeters, die veelal met de legers meetrokken. 



Een van de weinige documenten die iets laten zien van de Romeinse cartografie is de zogeheten Peutinger kaart (zie afbeelding hier boven), waarschijnlijk een 12e of 13e eeuwse kopie naar een kaart uit de 1e eeuw, genoemd naar de 16e eeuwse ontdekker. Deze Peutinger kaart is tot een lange strook samengedrukt deel van wat mogelijk een veel grotere kaart van het Romeinse rijk was.
De afstanden van plaats tot plaats zijn langs de wegen met cijfers aangegeven.


MIDDELEEUWEN.

De voorstelling die de vroeg-christelijke beschaving zich van de wereld maakte, stond sterk onder invloed van bijbelse motieven.
Kaarten van de wereld waren groetendeels symbolisch, rond van vorm, met Jeruzalem als middelpunt en het Oosten met het paradijs aan de bovenzijde.
Veelal ook waren zij binnen de cirkel in drie parten gedeeld, in de vorm van een T. De horizontale balk stelde het water van de NIJL, Egeïsche Zee, Zwarte Zee en Don voor. Daarboven lag Azië. De staande balk was de Middellandse Zee met links daarvan Europa en rechts Afrika.







Deze kaarten, mappae mundi genoemd, werden soms in zeer vereenvoudigde diagramvorm, soms ook ingevuld met meer gedetailleerde begrenzingen van landen en zeeën en met plaatsen en hun namen, gegevens die veelal werden ontleend aan Romeinse kaarten of reisbeschrijvingen (itinerariae) van pelgrims en kooplieden.
Bekende voorbeelden zijn die uit het Duitse Benedictijner klooster Ebstorf, wat verwoest werd in WO-II, van 1220 en van de kathedraal te Hereford in Engeland uit ongeveer 1280.
Het spreektvanzelf dat dergelijke kaarten aan reizigers en zeevaarders zeer weinig betrouwbare gegevens konden verschaffen.


(Kleine kopie van de door Al Edrisi in 1154 voor koning Rogier II van Sicilië gemaakte kaart.)

De Ptolemaeische cartografie is buiten Europa in de Byzantijnse en de Arabische wereld bewaard gebleven.
Een geograaf, die in dit verband vermeld dient te worden , is Aboe Addallah al Edrisi, ook wel Idrisi genoemd, geboren in Ceuta in 1100 en in Palermo in 1166 overleden.
In Palermo schreef hij, in opdracht van de vorst van Sicilië Rogier II, zijn Boek van Rogier (Kitab Roejar), een beschrijving van de gehele toenmaals bekende wereld, voorzien van 70 kaarten.
Edrisi voegde daarin veel elementen samen, ontleend aan de oosterse en westerse geografische kennis, terwijl hij eveneens gebruik maakte van de geschreven aantekeningen en verslagen van zeereizen, door de Grieken periploi (Periplous) genoemd. door de Italianen portolani (Portolaan).
De oudste bekende middeleeuwse zeekaart dateert van omstreeks 1300 en werd gevonden in Pisa en is waarschijnlijk gemaakt in Genua.


De eerste dergelijke kaart die kan worden gedateerd, werd in 1311 gemaakt door Petrus Vesconte, te genua. het zijn beide portolaan-kaarten. Meestal hadden portolaan-kaarten betrekking op het gebied van en om de Middellandse Zee. Soms werden zij in atlassen verzameld, zoals de grote Catalaanse Atlas van 1375, bijeengebracht door Abraham Cresques in opdracht van Peter van Aragon als geschenk voor Karel V.
Met getekende portolaan-kaarten, waarbij in de landen van de Middellandse Zee in de 11e eeuw ook een primitief magnetische kompas in gebruik kwam, vonden zeevaarders hun weg naar alle windstreken. Zij bleven als paskaarten of kompaskaarten in gebruik tot in de 17e eeuw, ook buiten het gebied van de Middellandse Zee.
In de 16e eeuw verschenen zij in gedrukte uitvoering en werden dan veelal gecombineerd met een leeskaart of zeemansgids. Een van de eerste uitgaven in deze vorm was die van Cornelis Anthonisz uit 1543 te Amsterdam.


15E - 16E EEUW.

In deze periode was er nog steeds een sterke overtuiging onder de bevolking en de zeelieden dat de aarde een platte schijf was. Zij die de theorie durfden te verkondigen dat de aarde rond was, kwamen in problemen met de katholieke kerk die nog steeds vol hield dat de aarde plat was, en de kans groot was dat men voor de ronde aarde koos men op de brandstapel terecht kwam. 
Een van hen die de theorie over de ronde aarde verkondigde was Columbus.
Voor het varen van haven tot haven waren lange tijd een goede portolaan- of kompaskaart, een lineaal en een steekpasser voldoende geweest, samen met het sinds in de 13e eeuw verbeterde scheepskompas. Maar voor verdere riezen, vooral in noordelijke en zuidelijke richting, was de variatie, door het aardmagnetisme. een moeilijkheid en waren de rechte lijnen op de kaart niet meer bruikbaar omdat zij over grote afstanden geen constante koers aangaven.
In deze periode was het Hendrik de Zeevaarder (1415-1460), Hertog van Visau, zoon van de Portugese koning Johan I en stichter van het zeevaartonderwijs te Sagres, die de kapiteins van de Portugese vloot opdracht gaf kaarten te tekenen van de kusten waar zij langs voeren en een journaal bij te houden van de reis.


(Portolaan-kaart van de Zwarte Zee, 1318. gemaakt door Petrus Vesconte van Genua. Het noorden is op de kaart aan de onderzijde.)


De Renaissance bracht hernieuwde belangstelling en waardering voor de klassieke wetenschap en kennis. De omstandigheden waren gunstig voor een omwenteling in de cartografie, die dan ook geleidelijk op gang kwam
Martin Behain (1459-1507) uit Neurenberg in Duitsland maakte in 1492 zijn beroemde globe, nadat hij veel kosmografische kennis had opgedaan bij de Portugezen (zie afbeelding rechts), die als opvolgers van de Italiaanse en Catalaanse kaartmakers een reputatie in de wetenschappelijke geografie begonnen te verwerven.
Ptolemaues werd herontdekt, zijn Geographi werd in het Latijn vertaald en in Europa bekend.
De eerste uitgave met kaarten was in 1477 te Bologna verschenen en werd door vele anderen gevolgd. Zij werden aangevuld met nieuwe kaarten, tabulae modernae, waarin recente ontdekkingen werden opgenomen.
Bekend geworden zijn onder meer de edities door Martin Waldseemüller (1520), Sebastian Münster (1540) en Gerardus Mercator (1578 en 1584). 


                                Zie vervolg: CARTOGRAFIE HAAR GESCHIEDENIS. (DEEL 2) 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen