zondag 10 oktober 2010

GESPREK dd 3 april 1940.

GESPREK MET "OOME AI'.


In het bootenhuis aan een van onze plassen treffen we "Oome Ai": Vanzelfsprekend.
Oome Ai is bij ons weten altijd aanwezig: s'zomers als er gezeild wordt, in het najaar als de booten worden opgeborgen, in den winter als er boten worden gebouwd of opgeknapt en in het voorjaar als ze weer te water gaan.
Oome Ai, klein stevig mannetje, felle blauwe zeemansoogjes, grijs haar ( hij is al zeventig), onafscheidelijk pijpje en blauwe schipper trui, is steeds bezig op of bij het water. Hij is bij iedere watersporter in de omgeving bekend om zijn humor en om zijn verhalen over het leven als zeeman en later als binnen schipper, die soms werkelijk aan het ongeloofelijke grenzen.
Maar Oome Ai wordt ook algemeen gewaardeerd op zijn hulpvaardigheid. Heel wat nieuwelingen heeft hij ingewijd in de geheimen van de edele watersport. En in zijn mororboot, een halve woonschuit van alle gemakken voorzien, hebben heel wat Hollandsche jongens de eerste aarzelende stappen gezet op het glibberig pad van het splitsen en knoopen.
Was er iets kapot of wist je ergens geen raad mee, Oome Ai stond altijd klaar om je te helpen of een vaderlijken raad te geven.

Vandaag is hij in overall gekleed en druk in de weer met bussen verf en blikken vernis. Wij begroten hem, na onze winterslaap als watersportelingen als een soort lentebode en er ontspint zich een gesprek. We vinden dat Oome Ai er goed uit ziet. Ja, dat klopt, zegt hij, want dezen winter heeft hij weer een poosje gevaren op een Rijnschip en dat heeft hem weer jong opnieuw gemaakt. Hij haalt zijn portefeuille uit zijn zak en vertoont ons fotokaarten uit Duitschland en België en vertelt een en ander van zijn belevenissen met zijn gewonnen humor.


Natuurlijk komt het gesprek op den oorlog. Een van ons zegt ongezouten zijn mening over het torpedeeren en beschieten van onze schepen.
"Ja, jongens" zegt Oome Ai op een gegeven oogenblik, als het gaat over het onlangs getorpedeerd schip, "zoo is het nou ook gegaan met de X..... Hein, mijn kleinzoon, was machinist op die boot".
We kennen Hein. Een flinke aardige kerel, vol enthousiasme voor zijn werk, knap om te zien in zijn blauw uniform. Met zijn meisje kwam hij tijdens zijn spaarzame verlofdagen wel eens zeilen.
We kenden hem nog meer uit de verhalen van Oome Ai. Wat was hij trots op "zijn enige jongen".

"Is Hein gered, Oome Ai?" vraagt een van ons. de blik van Oome Ai zwerft af naar buiten, waar de voorjaarszon teere tinten toovert op het wijde water. dan zegt hij: "Hein zat in die sloep waar ze nooit meer iets van hebben gehoord ..... Hein is gebleven, jongens".
Zijn lichte blauwe oogen staren over de plassen. Er vertrekt geen spier op zijn bruin gegroefde gezicht. Dan kijkt hij ons weer aan en langzaam zegt oome Ai: "Die meneer in Den Haag weet er meer van. Op die onderzeeër wisten ze precies wat de X..... in had en waar hij naar toe ging".
Er is geen spoor van toorn of verwijt in zijn stem. Onbegrijpelijk. Geen van ons durft iets te zeggen of te vragen. We probeeren de beteekenis van Oome Ai's woorden tot ons te laten doordringen. Het lijkt opeens kil op dezen mooie lentedag. Het tocht natuurlijk ook bij de open deur van die loods.

Oome Ai pakt zijn bussen op, recht zijn rug en zegt: "Nou jongens, ik ga nog een beetje kwasten, hoor. Als je me soms noodig hebt, hé . . . . "

( Dit artikel, dd 3 april 1940, vermoedelijk uit het Rotterdams Dagblad kwam ik tegen in een oud boekje met tekeningen uit Rotterdam van voor de 2e Wereldoorlog bij het opruimen van de zolder. Ik heb hierbij de originele tekst aangehouden.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen