woensdag 20 juli 2016

ACHTERSCHIP EN STEVEN. HOE, WAT EN WAAR?


DAAR WAAR DE VOORTSTUWING

VAN HET SCHIP PLAATS VINDT.



ACHTERSCHIP.

Het achterschip is het deel van het schip achter de grote mast of achter het grootspant.
Achtersteven, hek, of achteruit.

ACHTERSTEVEN. 

De achtersteven is de achterste afsluiting van de stalen plaatvlakken van het onderwatergedeelte van de scheepsromp. De constructie kan zeer verschillend zijn al naar gelang het schip is voorzien van een of meer schroeven voor de voortstuwing. Bovendien is de vorm afhankelijk van het toegepaste type roer of roeren.
De achtersteven moet vooral bij enkelschroefschepen sterk zijn geconstrueerd en is in verreweg de meeste gevallen zodanig dat de achtersteven de vorm van een raam krijgt, zodat men twee stevens heeft, welke voor elkaar op het knielende, drempel of zool staan.
Achterschip met achtersteven, bestaande uit schroefsteven en roersteven voor het Simplex balansroer.


Aan de bovenkant zijn zij verbonden door het boogstuk. De voorste van de stevens is de schroefsteven, de achterste de schroefsteven. Het raam waarin de schroef draait heet het schroefraam. De binnen dit raam liggende ruimte noemt men de schroefkapel. Op halve hoogte is de schroefsteven verbreed rond een buisvormige opening voor de doorlating van de schroefaskoker, waardoor de schroefas naar buiten wordt gevoerd. De verdikking met de opening in de schroefsteven noemt men de knoop.

Op grotere schepen wordt de roersteven voorbij het boogstuk doorgetrokken in de romp en aan een vrangplaat verbonden. De roersteven loopt eveneens door de romp en wordt meestal aan de transomplaat, ook wel stevenwrang, hek of wulfplaat genaamd, verbonden.
Aan de achterkant van de roersteven kunnen op regelmatige afstanden aangegoten of -gesmede ogen worden aangebracht, die vingerlingen heten en die dienen als draaipunten voor het roer.
Als steunpunt voor het roer dient dan het achter de steven uitstekende deel van de kieleinde, dat cilindrisch is uitgeboord en hak of hiel genoemd wordt.
Het hangt van het type roer af of vingerlingen worden aangebracht. Soms zelfs is de roersteven een los gedeelte in de vorm van een roeras waarom het roer draait (simplex-balansroer).
Bij veel moderne scheven ontbreekt de stevenhak. De roersteven is dan een kort sterk draagstuk voor een half-balansroer geworden. Het kieleinde loopt nog tot ongeveer drie spanten voorlijker door en wordt dan aan de platte kiel bevestigd.


Achterschip met Simplex balansroer.
1. Roersteven.
2. Roer. 
3. Stevenhak.

Het is meestal zodanig gevormd dat het zuiver in de platte kiel past. Schroeframen worden gewoonlijk gemaakt van smeedsteel en gietstaal. Zij worden bij grotere schepen dikwijls gegoten daar dit sneller en goedkoper geschiedt. Helaas zijn ze bij reparatie echter niet zo gemakkelijk te herstellen.
Bij bepaalde typen roer worden schroeframen van een afwijkende constructie toegepast. Toepassing van elektrisch lassen heeft ertoe geleid dat zij tegenwoordig meestal worden opgebouwd uit gelaste staalplaat.


Bij dubbelschroef schepen bestaat de achtersteven in de regel uit een eenvoudig doch zwaar gietstalen verbanddeel dat loodrecht op het kieleinde staat waarmee het één geheel vormt. 
Ter weerszijden zijn de huidplaten aangelast. Voor de wijze waarop de voortstuwingsassen bij dubbelschroefschepen door de huid gevoerd worden, asbroek. De gehele rompconstructie bij de achtersteven moet zeer sterk zijn om de grote krachten te kunnen weerstaan die door het roer bij vaartlopend schip hierop worden uitgeoefend.
Soms wordt met de achtersteven het gehele achtergedeelte van het schip bedoeld, waarbij naar de vorm van de contourlijnen onderscheid gemaakt wordt tussen  bijvoorbeeld een kruiserachtersteven en een ovale of elliptische achtersteven.



In de oude zeiltijd kende men hoog opgebouwde en rijkversierde achterstevens met galerijen, de spiegel.
Bij kleine houten vaartuigen zoals jachten, loopt de roersteven  door tot het dek. Bij een rechte steven geeft dit tot boven aan toe een goede bevestiging van het roer.
Dit is niet het geval bij gebogen stevens zoals die voorkomen op spitsgatjachten. Deze stevens zijn samengesteld uit aaneengeboute houten balken. het bovenste gedeelte is enigszins vergelijkbaar met het langsscheepse spiegelspant van een stalen achterschip, het hekverband.



RUIMTES IN HET ACHTERSCHIP.

ACHTERPIEK.

De achterpiek is het achterste waterdichte compartiment van het schip dat wordt omsloten door de bakboord- en stuurboordscheepswanden, de achtersteven, het achterpiekschot, het topdek van de achterpiek en de transomplaat of hekplaat.
Het topdek is volgens de voorschriften tenminste het eerste waterdichte dek boven de geladen lastlijn van het schip. De achtersteven verbindt de naar elkaar toelopende zijwanden in het achterschip.
Bij enkelschroefschepen gaat de schroefas door de schroefaskoker die zich bevindt tussen de achtersteven en het achterpiekschot.
De achterpiek kan meestal worden gebruikt als een waterballasttank om bij ballast of geringe lading van het schip er voor te zorgen dat de schroef diep genoeg onder water steekt.
In verband daarmee is er een verticaal langsscheeps schot aangebracht in het symmetrievlak. Dit schot is voorzien van gaten en dient tot slingerschot.

ACHTERPIEKTANK.

De achterpiektank is een gedeelte van de achterpiek onder het waterdichte dek.
Deze tank wordt veelal gebruikt als ballast- of zoetwatertank, doch ook enkele maal als droge tank.
Deze achterpiektank is bereikbaar door waterdicht afsluitbare deksels van de mangaten.

ACHTERPIEKSCHOT.

Het achterpiekschot is een waterdicht schot dat de achterpiek van het overige gedeelte van het schip scheidt. het achterpiekschot wordt op korte afstand van de achtersteven geplaatst, in hoofdzaak met het doel een waterdichte ruimte rondom de schroefaskoker te verkrijgen.
Een achterpiekschot is evenals een voorpiekschot op alle stoom- en motorschepen voorgeschreven.







Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen