dinsdag 5 april 2016

PLIMSOLL-, DIEPGANGS- EN UITWATERINGSMERK. WAT ZIJN DAT?

OM OVERBELADING TE VOORKOMEN

EN VEILIGHEID VOOR SCHIP EN HAAR

OPVARENDEN.




WAT VOORAF GING.


Reeds in de oude beschaving in de periode van 25e eeuw v.Chr, tijdens de Minoïsche beschaving op het eiland Kreta, dat er eisen werden gesteld aan het beladen van een schip.
Een schip beladen met de zelfde tonnage ligt in zoet water dieper dan in zoutwater door het soortelijkgewicht verschil van het water en de opwaartse kracht daarvan. ook het gelijk verdelen van de vracht was in die periode reeds van groot belang. 
Veel schepen braken in tweeën door het verkeerd stuwen van de lading of werden zo zwaar beladen dat het water het scheepsruim kon binnenlopen bij slecht weer. De Grieken en de Romeinen stelden de zelfde soort eisen aan hun vloot.
In de Middeleeuwen beheersten de Republiek Venetië een groot deel van de handel in de Middellandse Zee en hadden wetten die vereisten dat hun schepen niet verder geladen mochten worden dan een op de zijkant van het schip aangebrachte markering. De schepen uit Venetië hadden als teken een kruis , terwijl schepen uit Genua die horizontale strepen gebruikten. 


Bij de opkomst van de Hanzevaart en de steden, waarbij schepen de Finse Golf, de Oostzee, de Elbe en de Rijn bevoeren,  kwamen deze ook in aanraking met zout-, brak-, en zoet water.
In 1288 werd zodoende door de Scandinavische stad Visby een wet uitgevaardigd dat de schepen niet verder geladen werden dan een uitwateringsmerk aangaf.
In 1422 volgde Engeland met dergelijke eisen in opdracht van koning Hendrik V.
Het was vaak een strijd tussen de koopman die zijn lading vervoerd zag worden en de kapitein van het schip. De koopman wenste zoveel mogelijk in één keer te vervoeren terwijl de kapitein dacht aan de veiligheid van zijn schip en opvarenden.
Een maritieme wet voor de Oostzee vaart werd door koning Frederik II van Denemarken uitgevaardigd, dat de kapitein beboet kon worden als hij zijn schip overbelaste. Dus kreeg de kapitein tegenover de koopman het laatste woord.
In de daarop volgende eeuwen werd de zeevaart intensiever; naar het Verre Oosten en Noord- en Zuid Amerika. Opkomende zeevarende naties stelden hun eigen wettelijke voorschriften op, maar duidelijke specifieke eisen voor een merk op de huid van het schip kwam pas in de 19e eeuw.


DIEPGANGSMERKEN.

Diepgangsmerken zijn in het algemeen aangebracht bij de boeg van het schip, midscheeps en bij het achterschip.
Het zijn cijfers op de huid die zowel aan stuurboord als aan bakboord van het schip zijn aangebracht. Door de maatverdeling kan de diepgang van het schip worden afgelezen.
Diepgangsmerken worden bij de bouw van het schip in de huid ingehakt of er op vast gelast. de merken beginnen bij de lege lastlijn en lopen tot even boven de geladen lastlijn door.
De cijfers worden zo geplaatst, dat de onderkant de diepgang aangeeft.
In het begin werden op de schepen meestal aan de ene zijde de decimeter, aangegeven met Arabische cijfers en aan de andere zijde de Engelse voet met Romeinse- of Arabische cijfers.


De cijfers van de maatverdeling in voeten zijn een halve voet hoog; die van de metrieke maatverdeling, waarvan alleen de even nummers worden aangebracht, zijn 1 decimeter hoog.
De Romeinse cijfers raken in onbruik omdat zij bij een grote diepgang teveel ruimte innemen en men in veel landen niet gewend was met deze cijfers te werken of er kennis van bezat.







PLIMSOLL- OF UITWATERINGSMERK.

Lloyd's Register in Londen; een grote scheepsverzekering maatschappij voor de zeevaart; kwam in 1835 met het voorstel om de uitwatering te baseren op de holte van het laadruim, 3 duim per voet holte. Deze maat was overeengekomen tussen scheepseigenaren, verschepers en verzekeraars.
De regel werd aangenomen, werd jaren lang gebruikt, maar had helaas geen wettelijke basis en gold alleen voor schepen die bij Lloyd's waren geregistreerd.



Het was uiteindelijk Samuel Plimsoll, Engels politicus die als parlementslid keerde tegen de misbruiken van reders die onverantwoordelijk diep geladen maar hoog verzekerde schepen naar zee stuurden, zinder zich te bekommeren om het leven van de opvarenden.
Door zijn optreden hier tegen in het Lagerhuis waarbij hij alle parlementaire zeden en gewoonten overboord zette, wist hij de publieke belangstelling gaande te maken, hetgeen tot gevolg had dat in 1876 de Merchant Shipping Act werd afgekondigd.
Dit verplichtte de reders op hun schepen een merk aan te brengen dat de maximum-diepgang aangaf waartoe een schip in zoutwater mocht worden geladen.


Er waren echter nog geen wettelijke bepalingen van kracht voor de positie van het merk. 
In 1883 werd een commissie samengesteld die de criteria aan moest geven voor de positie. Deze voorstellen werden pas in 1890 van kracht.
Pas in 1906 werden er wetten aangenomen waardoor schepen varende niet onder Britse vlag en Britse haven aandoen, verplicht een plimsollmerk te hebben. het zelfde jaar werd de wet in zijn geheel overgenomen door de Nederlandse regering.



Het plimsollmerk of het maximum-diepgangsmerk, is het internationaal voorgeschreven merk dat voor ieder zeeschip voornamelijk bepaald wordt door de deklijn en een punt onder het midden van de deklijn op een afstand gelijk aan de voor het schip toegestane minimum zomeruitwatering, verticaal gemeten
vanaf de bovenkant van de deklijn.
Rond dit punt wordt een ring ingehakt met een buitenmiddellijn van 300 mm en een dikte van 25 mm, die gesneden wordt door een horizontale lijn waarvan de bovenkant door het middelpunt van de ring gaat. De cirkel en alle lijnen behorend tot het uitwateringsmerk hebben een dikte van 25 mm. De uitwateringslijnen die de minimum uitwatering onder verschillende omstandigheden, jaargetijden en vaargebieden aangeven, zijn horizontale lijnen, 230 mm lang, loodrecht staande op een verticale lijn, 540 mm voor het middelpunt van de ring aangebracht.

De volgende uitwateringslijnen kunnen voorkomen:



TF: Tropisch zoet water.
F  : (niet-tropisch) zoet water.
T  : Tropisch gebied.
S  : Zomer.
W : Winter. 
WNA: Winter Noord-Atlantische zee.

Aan weerszijden van de cirkel wordt boven de horizontale lijn een letter geplaatst, die samen de afkorting vormen onder wel classificatiebureau het schip valt, bijvoorbeeld:
LR = Lloyds Register.
BV = Bureau Veritas.
GL = Germanischer Lloyd.
AB = American Bureau of Shipping.



HOUTVAARTMERK.

Dit merk wordt aangeduid door lijnen die de grootste diepgang aangeven bij vervoer van deklasten hout onder verschillende omstandigheden en voor verschillende vaargebieden en jaargetijden. 
Deze zijn op dezelfde wijze gemerkt als voornoemde uitwateringslijnen, evenwel vooraf gegaan door de letter H = houtvaart.

Voor verkrijging van het houtuitwateringsmerk moet het schip aan bepaalde voorwaarden voldoen. het merk staat aan stuurboord en bakboord zijde achter de cirkel. Een deklading hout geeft het schip aanvullend drijfvermogen, dus extra bescherming tegen de zee, waardoor een gereduceerde uitwatering kan worden toegestaan.


Voor passagiers- en troepenschepen, pelgrimsschepen en schepen met grote aantallen dek passagiers heeft men nog uitwateringslijnen voorafgegaan door de letter C, de C-lijn. Voor schepen die passagiers vervoeren in ruimten welke daarvoor zeer tijdelijk zijn ingericht, worden de D-uitwateringslijnen, de D-lijn, vastgesteld.

Op zeilschepen behoeven geen uitwateringslijnen voor zoet water en voor Noord-Atlantische Oceaan in de winter te worden aangegeven.

Het uitwateringsmerk, waartoe de deklijn ook behoort, moet in wit of geel op donkere achtergrond of in zwart op een lichte achtergrond worden aangebracht aan beide zijden van het schip op een door de Scheepvaartinspectie goedgekeurde wijze. Wanneer de berekening van de uitwatering door de Scheepvaartinspectie is gedaan, worden naast de ring en boven de middellijn links een S en rechts een I geplaatst: wanneer de berekening door een erkend particulier bureau is gedaan, wordt de naam van het bureau op overeenkomstige wijze aangeduid door niet meer dan vier letters. Bijvoorbeeld L-R: Lloyd's Register.









Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen