zaterdag 9 april 2016

HENST (SCHIP). WAT IS DAT?


SOMS STEIGEREND OP DE GOLVEN.

HENGST.

Een hengst is een Zeeuws platboomd vaartuig met een hellende, rechte voorsteven en een vrij rechte achtersteven, uitvallende zijden tot even boven de waterlijn en een vrijwel rechtopstaand boeisel.
Hengsten werden vroeger gebruikt op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse stromen voor de visserij en de oester- en mosselkweek, maar ook als                                                      vrachtvaartuig, post- en veerboot.
Vissersvaartuigen die sterk aan de hengst doen denken komen al voor op prenten uit het begin van de 16e eeuw. In het begin van de 18e eeuw wordt de naam uitdrukkelijk genoemd.


De CLN 1 (Clinge 1) met een grootzeil van 31,7 m², een fok van 14,8 m² en een kluiver van 14,4 m².

De scheepjes werden gebouwd te Kinderdijk, maar in de 19e eeuw vooral in Zeeuws-Vlaanderen. 
De hengst had een plat vlak, soms voor en achter opgebrand, dat druppelvormig was, de brede kant naar voor gericht. Het boord onder het berghout viel breed en was gladboordig beplankt.
Het berghout eindigde een eind van de stevens; in de boegen werd het , één boord hoger, verder opgetrokken tot de voorsteven.
Het boeisel stond tamelijk recht en bestond uit twee boorden die met een knik tegen elkaar stonden. In de boegen werd deze knik nadrukkelijk onderstreept door het tweede deel van het berghout, hier boeghout genoemd.
Ouder hengsten waren open scheepjes met in het voorschip een klein plechtje.

De GRA 29 een hengst uit Graauw en Langendam.

De steelmast voerde een spriettuig. Achter de mast was een open ruim met een lengte van 33 voet en 2 duim, breedte van 10 voet en 3 duim en een holte van 3 voet en 4 duim.
Jongere hengsten hadden een gedekt voorschip tot aan de mastbank. De mast was een steekmast of een strijkende.
Achter de mast was het ruim, dat afgesloten werd door een roef en daarachter de stuurkuip; of door een stuurkuip met achterdek.
De hengst had een vissend roer en voerde smalle zwaarden. De tuigage was een bezaantuig met grootzeil, stagfok en kluiver die op de kluiverboom bijstond.



                                               Een doorsneden van een hengst uit Clinge.

De Lemsterhengst of Lemmerhengst, ook jachthengst genoemd is een kruising tussen een hengst en een lemmeraak. Lemmerhengsten werden onder meer gebruikt voor het ophalen van mosselzaad van de Zuiderzee voor de Zeeuwse mosselpercelen.

Dit had tot gevolg dat getracht werd de zeilkwaliteiten van de lemmeraak op de hengst over te brengen. Hiervoor werd onder meer het voor- en achterschip rond gebouwd en de spantvorm van de lemmeraak benaderd.
De lemmerhengst heeft verder een doorlopend berghout en een smaller boeisel uit één boord.
De eerste lemmerhengst werd in Zeeland gebouwd in 1899 op de werf van J.F. de Klerk in Kruispolder.
Hengsten werden in het tweede kwart van de 20e eeuw gemotoriseerd en ook als jacht gebruikt.
Omstreeks het midden van de vorige eeuw waren ze als vissersvaartuig nagenoeg in ongebruik geraakt. Ze hadden een lengte van 11,2 meter,; breedte van 3,9 meter en een holte van 1,7 meter.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen