zondag 11 januari 2015

SCHEEPVAART DOOR DE EEUWEN HEEN. (DEEL 4)

DE VIKINGEN EN HUN SCHEPEN.

DE VIKINGEN.

Tot de eerste grote zeevarende rassen behoren zeker de Vikingen, ook wel de Noormannen genoemd. Het is de benaming voor de bewoners van Skandinavië,
Noorwegen, Zweden en Denemarken, die van de 8e tot de 11e eeuw hun stempel drukten op grote gebieden van Europa.
Het waren bekwame en geharde zeelieden die hun open schepen, het Gokstadschip of Osebergschip, de zee opvoeren en plundertochten ondernamen in kustgebieden van omliggende landen. Daar ze slechts weinig tegenstand ondervonden groeiden deze tochten uit tot complete invasies, waarbij eilanden en riviermonden als basis werden gebruikt voor tochten naar het binnenland; de boten werden vaak over land getransporteerd. 



De Vikingen stichtten nederzettingen op de Shetland eilanden, de Faröer, IJsland, Spisbergen, Groenland en koninkrijken Ierland, Engeland en Normandië, dat naar hen is genoemd. Hun ontwikkeling had 250 tot 300 jaar invloed op de beschaving en geschiedenis van Europa.
Hun invloed strekte zich verder uit tot Spanje en Italië in het zuiden; omstreeks het jaar 1000 bereikten ze de kust van Noord-Amerika, wat toegeschreven wordt aan Erik de Rode. Vanuit de Botnische Golf trokken ze met hun schepen over land Rusland in tot aan de Wolga en volgenden met hun schepen de stroom van de rivier tot in de Kaspische Zee en zo ook via de Djepr  naar de Zwarte Zee.
Ze brachten naar hun eigen land de beschaving van meer ontwikkelde landen en zo ook het christendom.
Oorspronkelijk waren deze meedogenloze rovers boeren in hun eigen land, maar door het overschot aan mannen en gebrek aan land trokken zij er als vrijbuiters op uit in georganiseerde groepen die er niet van terug schrokken hun inkomen te verrijken door plunderingen, moord en doodslag.
Sommige wisten door te dringen tot Konstantinopel. het huidige Istanbul. en traden daar als zwaarbehaarde lijfwachten in dienst van de Byzantijnse keizer.
Een feit was zeker, ze wisten hoe ze zeewaardige schepen moesten bouwen.


HET VIKINGSCHIP SCHRIK VAN DE KUSTEN EN DE ZEEËN.

Het is de algemene benaming voor schepen die in de vroege middeleeuwen werden gebruikt door de Vikingen.
In het algemeen doelt men hiermede op de 'langskibe' of lange schepen schepen zoals de 'drakar' of de 'snekke' die beide oorlogsschepen waren.
De meest bekende vikingschepen zijn het Osebergschip en het Gokstadschip, beide te bezichtigen in het Vikingmuseum te Oslo.
Ook de rondgebouwde koopvaarders als de 'knörr' dient men bij de vikingschepen te rekenen.
Het vikingschip is in wezen een grote open boot waar het dek ontbrak, zodat de bemanning geen beschutting had tegen de elementen op zee.



Een open boot met een relatief vlakke bodem en een laag vrijboord bezit niet bepaald de eigenschap van een goed zeeschip en over het algemeen waagden de vikingen zich ook niet op open zee gedurende winterse omstandigheden: de kans op vollopen en verdrinken was dan ook zeer groot.
De schepen werden dan voor het stormseizoen aan brak, in de herfst, aan land getrokken en de volgende lente weer te water gelaten. In deze periode pleegde men dan ook onderhoud aan de schepen of bouwde men nieuwe schepen. Het schip was door zijn geringe diepgang en relatief smalle romp eigenlijk niet geschikt om lange oceaanreizen te maken, maar toch deze de Vikingen dat.


Een grootspantdoorsnede van een vikingschip uit het midden van de 9e eeuw.

De tekening is gemaakt naar het Gokstadschip, gevonden te Gokstad, Noorwegen, in 1880.

1. - Kiel.
2. - Zaadhout, kolsem.
3. - Wrang. 
4. - Oplanger.
5. - stut.
6. - Overnaadse huid.
7. - Buikdenning.
8. - Mastvissing.
9. - Kattesporen om de vissing op haar plaats te houden.
10, - Galgen voor tentstut.



Het schip is overnaads gebouwd en heeft een diepe kiel om te zeilen. Het heeft gaan dek maar over de wrangen is een soort buikdenning gelegd van losse planken. De mast wordt gesteund door een sterk gebouwde vissing. De galgen dienen om horizontale tentstutten te dragen.




Het schip kon worden voortgestuwd door een vierkant zeil of door roeiers. Een schip had 80 koppen aan bemanning, waaronder 60 roeiers op 30 doften.
Door de geringe diepgang gaf de mogelijkheid om vlak onder de kust te varen tot diep in de riviermonden en moerassige kreken.
Tijdens een oorlogsvaart werden de roeiers beschermd door schilden die aan de dolboorden waren opgehangen en meestal fraai beschilderd waren.


De voorsteven werd vaak gesierd een kop uit de mythologieën van de vikings.
De vikings hielden van hun schepen en gaven ze namen als; 'slang van de zee', 'raaf van de wind', ook voor hun zeil hadden ze benamingen als; 'mantel van de wind'. 

Een vikingschip kon een lengte hebben van 30 meter, met een masthoogte van 14,5 meter met een ra in top met een lengte van 12 meter en een zeiloppervlakte van 112 m². Onder zeil kon het schip een snelheid maken van 10 knopen en met behulp van de roeiriemen 5 knopen.
( één knoop = één zeemijl = 1852 meter.)




DE VIKING GODEN.

De namen van de viking goden gebruiken we nu nog dagelijks; Wodan (ook wel Odin) was de god van de oorlog en is bij ons nu de woensdag, Donar de god van de donder is nu bij ons donderdag, en Freia, of Freya, was de godin van de liefde en is nu bij ons Vrijdag.


De vikingers geloofden in een leven na de dood en zouden na hun overlijden naar het Walhalla keren, hun hemel. Dit ging niet zomaar bij een hoofdman van een viking gemeenschap.
Men had drie mogelijkheden om afscheid van de overledene te nemen; het lichaam werd in een schip gelegd met benodigdheden voor de reis naar het walhalla waarna:
1. - Het schip de zee op werd gestuurd en aan de elementen werd overgelaten.
2. - Het schip werd begraven in een grafheuvel.
3. - Het schip werd op het vaste land met de nodige
      ceremonie in brand gestoken.      
       

[ zie vervolg; Scheepvaart door de eeuwen heen. (deel 5) De Middeleeuwen.]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen