dinsdag 27 januari 2015

KIELEN EN KALFATEREN

KNIPPEN, SCHEREN EN OPKNAPPEN.

De zeilschepen in vroegere tijden waren soms jaren onderweg en hun houten romp was ondanks de behandeling met olie of teer een geliefd object van plantaardige- en dierlijke aangroei, door de langzame vaart en het vaak stilliggen als er geen wind was.
In die tijd kende men in de havens die er waren nog geen scheepsdokken- of hellingen om de huid van het schip te reinigen.
In dergelijke situaties werd er een strand opgezocht waar men het schip kon 'kielen' om de romp te reinigen en eventueel te repareren, het 'kalfateren'.

HET KIELEN VAN HET SCHIP.

Kielen is een schip door middel van takels over één boord te laten overhellen zodat het met de kiel boven water komt. Dit geschiedde om een schip beneden de lastlijn te herstellen of te onderhouden en wanneer hiervoor geen dokgelegenheid of helling voorhanden was.


1. - Kielbakken.                                        10. - Stutblokken.
2. - Spillen.                                               11. - Topblokken.
3. - Belegpalen.                                        12. - Kieljijns.
4. - Grondtouwen.                                    13. - Ophouder.
5. - Kielstutten.                                         14. - Hoorntouwen.
6. - Loefbalken.                                        15. - Keertouwen.
7. - Sjorrings.                                            16. - Slagpomp.
8. - Schotbouten.                                       17. - Goten.
9. - Loefjijns.                                            18. - Werkvlot of boot.

(Het kielen wordt op de tekening weergegeven aan een kielkade. Bij het kielen aan een strand moesten de opvarenden zelf voor belegpalen etc. zorgen.)

Men kon een schip kielen langs de kielkade. Op deze kade waren waren kielbakken gegraven op de bodem waarvan een raamwerk van zware balken verankerd werd, waarop jijnblokken gebindseld waren. Achter iedere kielbak waren zware spillen of kaapstanders aangebracht, evenals palen die in de grond geheid waren om er jijnlopers op te belegen.
Om het schip te kielen werd het leeggemaakt, de tuigage grotendeels gestreken en de ra's gekaaid. Poorten en luiken en andere openingen werden zorgvuldig gesloten en gekalfaat. Alle delen die binnenboord konden ontzetten of verschranken moesten geschoord worden.


Tegen de toppen van de ondermasten werden schoren of kielstutten gesjord. Door enkele poorten dwars van de masten werden vervolgens loefbalken naar buiten gestoken waarop jijnblokken bevestigd werden. De balken werden binnenboord geschoord en langs de buitenkant door middel van sjorringen die op schotbouten vastgezet werden, gestaagd.
Op de loefbalken werden de loefjijns ingeschoren, waarvan het tweede blok aan de masttop van de ondermasten bevestigd was om deze te steunen.

Het omtrekken van het schip geschiedde door de kieljijns, waarvan er twee op elke mast zaten.

( Voorbeeld van een jijnblok.)

Met behulp van een overeenkomstig aantal spillen kon het schip nu gekield worden.
Om het tegen de kade te houden werden een ophouder en keertouwen gebruikt. De ophouder was een paal die schuin op de kielkade stond en die gesteund werd door hoorntouwen.
Aan de top van de ophouder waren twee jijns gestoken, waarvan er een met een hanepoot aan de zijkant van het schip op de rust vast zat, de andere op de top van de mast.
De twee keertouwen, resp. vast op het uiteinde van de loefbalken van de grote fokkemast, gingen onder het schip door en werden op de kade belegd. Om eventueel lekwater weg te werken werd in het schip een aantal pompen geplaatst.
Om een groot schip te kielen waren ruim 300 man nodig. Als het schip omgetrokken was  konden de herstellingen of onderhoudswerken vanaf vlotten of kleine bootjes uitgevoerd worden.


Bij gebrek aan een kielkade kon een schip ook gekield worden met kiellichters of met behulp van andere schepen; ook door gebruik te maken van geschut, ballast, kettingen, enz. die als tegengewicht aangewend werden, en van in de grond geslagen palen of bomen die als trekpunten dienst deden.

Het onderhoud was 'knippen en scheren', het vernieuwen van huidplanken en dichten van lekkages dat men 'kalfaten', noemde, wat we beter kennen onder de naam 'breeuwen'.




HET KALFATEREN VAN HET SCHIP.


Alvorens met het kalfaten, breeuwen van de naden, van het schip kon beginnen werd de scheepshuid eerst ontdaan van alle aangroei.
Vaak liet men eerst al de algen aangroei verdrogen en verwijderde deze dan door ze van de huid af te branden. Hier was een groot risico verbonden, want lette men niet goed op, dan kon het pek waarmee de naden tussen de planken van de scheepshuid waren gedicht vlam vatten, met tot gevolg dat het gehele schip in vlammen kon opgaan.



Kalfaten of breeuwen is een bewerking om naden tussen de gangen van het dek of de scheepshuid waterdicht te maken.
Met het oog hierop zijn de kanten van de planken niet haaks op het bovenvlak, maar enigszins schuin bewerkt zodat de naad een licht V-vormige doorsnede heeft met de punt naar binnen. 
Om de naden te vullen gebruikt men mos, mospapier, werk of huidpapier (gewoon bruin papier) en zelfs krantenpapier, dit heet het breeuwwerk. In de prehistorie en bij primitieve vaartuigen werden ook klei en verschillende soorten hars als dichtmiddel gebruikt.


MOS.

Mos is een waterplant die gedroogd en in bosjes bij elkaar wordt gebonden. In de vorm van mospapier gebruikt men het ook op grotere vlakken, onder meer bij het koperen van het schip.
Wordt mos vochtig, san zwelt het en drukt de naden dicht. Mos werd reeds gebruikt boj voorhistorische boomstamkano's en boten en is heden nog in gebruik als dichtingsmiddel bij onder meer platbodems.
Voor het waterdicht maken van lassen werd een mossponning in beide vlakken van de las gehakt die met mos werden opgevuld. De koppen van de sponningen werden met een keernagel gesloten.
Een keernagel of mosnagel is een korte houten pen of nagel die beide uiteinden van een dwarse mossponning of naad afsluit nadat deze met mos is opgevuld. De pen moet het mos aandrukken en beletten dat het uit de sponning zou vallen. 


WERK.

Werk is oud geluisd touwwerk. Het wordt door de kalfater op de knie tot een streng gedraaid en in kluwens of kloenen bewaard. Werk wordt 'wit' of geteerd gebruikt.
In plaats van touw gebruikt m,en ook wel katoen.

HET KALFATEN.


Voor het kalfaten worden vier soorten ijzers gebruikt. Indien de naden smal zijn worden ze eerst verbreed met een beitelvormige openslager. Daarna wordt het werk met een breeuwijzer of kalfaatijzer in de naden gedreven. De naad wordt tot iets onder de rand gevuld. Het geteerd werk wordt aangedreven met een rabatijzer. Dit ijzer heeft een brede stompe snede die in de lengte een of twee groeven heeft.
Om nagelgaten of boutgaten te kalfaten wordt een smal, plat of halfrond spijkerijzer gebruikt.
Om diepe naden van grote schepen te breeuwen wordt een klamaaiijzer genomen. Dit is een zwaar en breed kalfaatijzer waarvan de kop in een ijzeren steel gevat is. Het ijzer wordt aangedreven met een moker, terwijl een tweede man de steel vast houdt. Gewone kalfaatijzers worden aangedreven  met een kalfaathamer. Dit is een tamelijk lange cilindervormige hamer, soms licht gebogen, die gemaakt zijn uit azijnhout of palm.De koppen van deze hamer zijn versterkt met ijzeren banden. In het vlak van de koppen zijn pennen gedreven van hard hout of hertshoorn. In de lengte is de hamer voorzien van een lange sleuf die aan de uiteinden door een klinknagel is versterkt. Midden in de sleuf zit een korte steel. Als de naden gekalfaat zijn worden ze met pek dichtgestreken. Liggende naden worden met een peklepel volgegoten.
Voor staande naden wordt een teerkwast gemaakt uit katoen of sajet die rond een stokje gedraaid wordt. Met een draaiende beweging wordt de teer in de naden gebracht. Het teveel wordt na verharding met een schraapijzer of schraper weggekrabd.


Om het wegvloeien van de pek door hitte te voorkomen wordt zwarte harpuis door de pek gemengd.
Harpuis is een helder, geelachtig mengsel van hars en lijnolie dat gekookt en afgeschuimd werd. Het hars wordt getrokken van naaldbomen.
Schepen die dikwijls gebreeuwd werden hebben vaak te brede en afgebroken naden. Deze moeten met tengels getengeld worden. Hiertoe wordt het oude werd eerst met een plukhaak uit de naden gehaald. De naden worden dan zuiver afgestoken en gedeeltelijk opgevuld met een op zijn kant staande houten lat of tengel. De zijde van de lat die tegen de gang ligt, wordt met mos afgedekt.

Het dek van binnenschepen en vissersvaartuigen wordt niet steeds gekalfaat maar met presenning gedicht.
Hiervoor wordt op de rand van iedere plank een rabat geschaafd zodat een brede rechthoekige naad ontstaat.
In deze groef wordt een smalle band zeildoek of presenningdoek, met enige dwarse speling, met kopspijkers vastgelegd. Daarna wordt de naad met teer of zwarte verf bestreken.


In de huidige tijd wordt geen pek meer gebruikt om de naden te dichten. Men vult de naad met werk, waarna deze wordt uitgefreesd. Het werk in de naad wordt afgedicht met tape.
De flanken van de naad worden in de grondverf gezet en als deze droog is wordt de naad opgevuld met een kit op rubberbasis.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen