vrijdag 9 januari 2015

SCHEEPVAART DOOR DE EEUWEN HEEN. (DEEL 2)

DE GRIEKEN EN DE ROMEINEN.

DE GRIEKEN.

In de 8e eeuw begonnen de Griekse volkeren zich toe te leggen op de handel over zee.
De eerste zeevaarders waren de Minoërs van het eiland Kreta. Ook de Finiciërs stonden bekend om hun zeehandelsreizen. Beieed waren grote concurrenten van elkaar en betwisten vaak hun heerschappij over de zee.

 Het succes van de Grieken lag in het feit, dat ze overal aan de Middellandse Zeekust koloniën vestigden. Zo stichten zij de stad Massalia, het huidige Marseille in Frankrijk en vestigden op Sicilië, Italië, Noord-Afrika en rond de Zwarte Zee. Hun schepen vervoerden graan uit Egypte en de Krim, wijn uit Klein-Azië, purperen weefsel uit Tyrus, glaswerk uit Sidon en olijfolie- en aardewerk producten uit eigen land.   


De Griekse handelsschepen waren traag en log. Ze waren klein en hadden zodoende weinig bemanning nodig voor het varen, wat een lage vrachtprijs tot gevolg had.
De schepen hadden geen kiel en werden voortgestuwd met een rechthoekig zeil en zodoende kon de boot met geen mogelijkheid hoger dan halve-wind zeilen en moest de bemanning dan ook vaak wachten op een gunstige wind of gebruik maken van de roeiriemen.





Maar daar waar de handel bloeit zijn kapers op de kust ! Om deze handel te beschermen ging men over tot de bouw van oorlogsschepen, de galeien.
Het was de koning Minos van Kreta die over de eerste marine beschikte.
Deze oorlogsgaleien werden reeds 800 v.Chr. door de Grieken ontwikkeld. Het waren de slagschepen van die tijd, zeer wendbaar en met een geringe diepgang, zodat ze dicht onder de kust konden komen.

De voorsteven van deze galeien was voorzien van een 'ram'.  Deze galeien werden voortgestuwd door roeiers of een zeil en bestuurd door twee stuurriemen met een hefboom. Bij een zeeslag werd de mast verwijderd.
De meest bekende type van oorlogsgaleien waren de Monoreen, de Bireen en de Trireen.

DE ROMEINEN.

De Romeinen waren in feite echte landrotten, boeren en soldaten. De uitbreiding van het Romeinse Rijk ging dan ook hoofdzakelijk over land.
Het was hun strijd op leven en dood met Charthago dat men leerde oorlogsgaleien te bouwen en er mee te vechten. Omstreeks Christus geboorte spraken de Romeinen over de Middellandse Zee als hun "mare nostrum", onze zee. 
Aan het type van het Romeinse vrachtschip veranderde zeker tot 200 n.Chr. weinig. De schepen werden alleen groter en meer aangepast aan het vervoer van passagiers en droge lading.
Kenmerkend waren een geheel afsluitend dek met achterop een gesloten paviljoen voor de kapitein en de passagiers. Boven op dit paviljoen was een soort balkon waar vanaf men de zware stuurriemen kon bedienen, welke met touwwerk uit het water omhoog gehaald konden worden. Twee of meerdere luiken gaven toegang tot het ruim wat afsluitbaar was. Aan weerszijden van de boeg was een kraanbalk aangebracht voor de ankers. Op de boeg was een sterk schuin geplaatste mast aangebracht.
Een blinde zeil, 'Artemon' genaamd, onder aan de schuin vallende mast op de boeg hielp het schip voor-de wind op koers te blijven; dubbele zeilen zorgden voor extra stuwkracht.
Gordingen, de verticale lijnen op grootzeil en 'artemon', werden gebruikt om de zeilen te reven. Met door jufferblokken (katrollen) geschoren lijnen van zwaar touwwerk kon de vurenhouten mast worden gebrast.
Dergelijke schepen met een lengte van 54 meter of meer, breedte tussen 13,5 en 15,5 meter konden een lading aan 1200 graan vervoeren. Wijn en olijfolie werden vervoerd in aardewerkenkruiken welke luchtdicht waren afgesloten. Deze schepen hadden ook vaak een kleine sloep op het dek liggen om verbinding te maken met de wal.
De schepen hadden een vaarsnelheid van gemiddeld 6,5 zeemijl per uur en een bemanning van 12 tot 15 koppen. Opvallend was dat rijke reders geen boegbeeld toepasten maar een versiering op het achterdek. 


OORLOGSSCHEPEN MONOREEN, BIREEN EN TRIREEM.

De vroegste oorlogsschepen werden voortgestuwd door mankracht tijdens het gevecht vanwege de snelheid en de wendbaarheid. Het zeil werd alleen gebruikt om naar het gebied te varen waar de zeeslag zou plaats vinden. Deze eerste oorlogsschepen hadden 20 of meer roeiers.
De vroegste oorlogsschepen voerden krijgers mee met afstandswapens, zoals pijl en boog, slingers en speren.
Het waren de Feniciërs die een belangrijk wapen aan het schip toevoegden; de ramsteven.
Met deze versterkte steven uitmondend in een punt werd onder volle kracht het vijandelijke schip geramd en letterlijk in de grond geboord.
De Egyptenaren moeten reeds rond 1600 v.Chr geroeide oorlogsschepen hebben gehad en de Grieken rond 1100 v.Chr. gedurende de Trojaanse oorlog.

DE MONOREEN.


De Monoreen  uit de 6e eeuw v.Chr. was de eerste generatie van het rammende oorlogsschip. De roeiers zaten op halfopen doften op een gelijk niveau. Het schip werd gestuurd door twee stuurriemen en over de boeg was een verschansing aangebracht van vlechtwerk van licht hout of leer gespannen waarachter de boogschutters konden plaatsnemen.
Dit schip kon reeds een ramsnelheid behalen van 15 km. per uur.
Een probleem was dat als men de ramsnelheid van het schip wenste te verhogen, dat er meer roeiers nodig waren en zodoende men de schepen langer ging bouwen. Een van de nadelen van deze ontwikkeling was. dat de wendbaarheid van het schip flink werd aangetast.
Opvallend was ook de oplopende achtersteven, vaak versierd. als de vroegere Egyptische schepen hadden. Alleen op de voorsteven was aan beide zijden een oog afgebeeld. Dit oog, 'ocili', is een wakend oog en komt heden ten dagen nog voor op de voorsteven van Maltezer en Griekse vissersschepen.


DE BIREEN.


Al spoedig bestond er de wens om het voorstuwingsvermogen van deze galeien te vergroten zonder de romp te verlengen en daar de wendbaarheid mee aan te tasten.
Rond 700 v.Chr. werd de eerste Bireen gebouwd een uitvinding van de Grieken of de Finiciërs en zo ontstond de tweede generatie in oorlogsschepen.

De Bireem was een schip dat door roeiers werd voortgestuwd met aan twee zijden twee lagen riemen.
De mannen op de onderste doften (banken) bedienden hun riemen door tamelijk dicht boven de waterlijn gemaakte poorten in de flanken van het schip.
Het vaartuig voerde gewoonlijk een enkele mast met een enkel rechthoekig zeil, welke beide tot op dek niveau konden worden gestreken voordat het gevecht begon en om minder weerstand te hebben bij het op ramsnelheid brengen van het schip door de roeiers.
Evenals in vroegere dagen werd het vijandelijke schip geënterd door de zeesoldaten. Favoriet bij een aanval was het schampen van een van de flanken van het aan te vallen schip en daarbij eerst alle riemen te breken waardoor het schip onmanoeuvreerbaar werd.
Bij de latere galeien zaten de roeiers niet meer boven elkaar maar op banken naast elkaar.

DE TRIREEM. 


Letterlijk vertaald; 'drieriemer'. De trireem werd de derde generatie van dit soort galeien om oorlog te voeren. Bijzonder aan de trireem was de uitbouw van de romp boven de bovenste roeiers.


Deze door wel 170 tot 200 mannen geroeide en een klein aantal zeesoldaten meevoerende schepen hadden een lengte van ongeveer 36,5 meter en een breedte van 3,65 meter op de waterlijn.
Deze trireem met een meervoudig gevorkte ram werd het werkpaard van de zeemachten van de Griekse maritieme stadstaten en bewezen hun efficiëntie in de historische zeeslagen als de Slag van Salamis (480 v.Chr.), waarbij de Grieken uiteindelijk een einde maakten aan de Perzische pogingen om het vaste land van Griekenland te veroveren.
De riemen van de bovenste roeiers (thranites) waren ongeveer 4,25 meter lang, die van de middelste roeiers (zygotes) zo'n 3,2 meter en die van de onderste roeiers (thalamites) zo'n 2,3 meter, terwijl ze niet hoger zaten dan 45 centimeter boven het water.
De trireem had een bemanning van 180 koppen, waarvan 170 roeiers met aan elke zijde 85 roeiers in rijen van drie.
Hoewel de galeien voor zware taken voor de zeemachten van de Middellandse Zee nog lang in dienst bleven tot in de eerste jaren van de 18e eeuw, was de zuivere galei van het type trireem bij de meer vooruitziende maritieme landen al rond 1200 n.Chr vervangen door tweemastvaartuigen met latijnzeilen.





DE GALJAS VAN DE MIDDELLANDSE ZEE.


De Galjas is oorspronkelijk een grote galei (galia grossa) van ca. 50 meter lengte en over het algemeen zwaar van constructie.
Een galjas was veelal getuigd met latijnse zeilen aan een drietal masten, doch werd in gevecht voortbewogen door enkele honderden roeiers.
De bewapening bestond uit uit 30 tot 70 kanonnen van verschillend kaliber. Deze stukken geschut waren voornamelijk opgesteld in het voor- en achterschip.


De galjassen speelde voor het eerst een rol in de zeeslag bij Lepanto (1571). Tot het eind der 17e eeuw waren ze in dienst bij verschillende vloten in de Middellandse Zee-gebied, in het bijzonder bij de Venetiaanse vloot.
Hierna werden ze verdrongen door vierkant getuigde fregatten en linieschepen.

[ zie vervolg; Scheepvaart door de eeuwen heen (deel 3) De Arabieren en de Chinezen.]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen