zaterdag 10 januari 2015

SCHEEPVAART DOOR DE EEUWEN HEEN. (DEEL 3).

DE ARABIEREN, DE CHINEZEN EN DE BALINEZEN. 

DE ARABIEREN.


DE ARABISCHE DHOW.

De zonen van Sindbad de Zeeman hebben duizenden jaren gebruik gemaakt van de moesson. Hun latijnzeil wordt nog steeds toegepast op de huidige dhows.
Maar weinig veranderd in de loop der eeuwen, bevaren de slank gebouwde dhows nog steeds de Indische Oceaan, met de zelfde regelmaat als de moesson waarvan zij gebruikt maakten.
Snel en doelmatig op alle koersen, domineerde het latijnzeil in de middeleeuwen de Middellandse Zee. Het was het aangewezen zeil voor de karvelen van de ontdekkingsreizigers.


Dhow, een algemene benaming, door westerlingen gegeven aan de Arabische schepen, zoals; de baghla, de ballam, de bedeni, de bum, de dhangi, de ganja, de mashuwa, de mtepe,  enz.
Het woord dhow wordt door de Arabieren zelf niet gebruik en is afkomstig van het Swahili 'dau', dat een klein, middelmatig vaartuig aanduidt. In deze vorm duidt het nog uitsluitend de mtepe aan.


De scheepsbouwers van de dhow houden zich van vader op zoon tradities. Zonder het gebruik blauwdrukken zagen ze de planken en brengen ze met de hand aan op de teakhouten krommers.
In vroegere tijden werden de huidplanken aan elkaar genaaid met cocosvezeltouw; tegen- woordig worden de gangen genageld.
De bouw geschiedt vaak gewoon op het strand.
De romp is doorgaans gedubbeld met dunne planken, of zij is gekoperd tegen paalworm. Indien gedubbeld wordt de romp wel ingesmeerd met 'chunan', een mengsel van hars, kalk en cocosnootolie.


Boven de waterlijn zijn ze geolied en vaak kleurig geschilderd. Enkele typen zijn versierd met snijwerk en met een oculi (wakend oog).
De licht gebogen of rechte voorsteven is steeds sterk vallend.
Men onderscheid schepen met een spiegel en met een scherp achterschip. Deze laatsten zijn waarschijnlijk de oudste typen.
De schepen met een spiegel zijn eerst ontstaan in de loop van de 16e eeuw nadat de Portugezen contact kregen met Indië. Dit bracht grondige wijzigingen in de bouwwijze mee, zoals het gebruik van spijkers en pennen voor de huidbeplanking in plaats van naaiingen.






De tuigage van de dhows is doorgaans een één of tweemastigtuig.
De grote mast staat bijna midscheeps en helt naar voren terwijl een eventuele bezaansmast slechts weinig valling heeft.
Het Arabische latijnzeil (setiezeil) is het meest gebruikte zeil. Deze zeilen worden niet gereefd. Dhows hebben daarom drie stel zeilen aan boord die naar gelang van de weersomstandigheden verwisseld worden.
De meeste Arabische schepen worden gebouwd in de havens van de Arabische Golf, de Rode Zee, de Golf van Aden, de kusten van Oman, Hadramaut, Somaliland en Zanzibar, evenals op de kusten van India.




DE REIZEN.


De Arabische zeevaart bereikte haar gouden tijd in de negende eeuw toen Bagdat het centrum van de moslimwereld was Dhows uit Basra vervoerden teak en sandelhout uit Malabar, tin uit Malakka, specerijen uit de Indische Archipel, thee en zijde uit China.
Anderen haalden haalden op de Afrikaanse kustreizen kruitnagelen uit Zanzibar.
De dhows varen zuidwaarts met de noordoostelijke moesson die van oktober tot mei waait. (Tegenwoordig gebruiken ze een motor voor de voortstuwing.) De dhow had een bemanning van ruim 28 koppen.
Zij keerden terug met de zuidwestelijke moesson, zodat een reis vaak een volledig jaar in beslag nam. Op plaatsen die zij aandeden bouwden ze nederzettingen. 

ENIGE TYPEN VAN DE DHOWS.

DE DHANGI.

De Dhangi van de Golf van Kutch (1838) is een snel zeilend Arabisch handelsvaartuig van de Indische noordwestkust, waar het ook gebouwd werd te Sind en te Kutch.
De Dhangi verschilt vooral van de Bagla door de vorm van de voorsteven en door het scherpe achterschip.
Beide steven staan schuin, de voorsteven is licht gebogen.
De romp ie gebouwd uit teakhout en is geheel gedekt.
Over eenderde van de romp strekt zich een kampanje uit.
Het ladingluik heeft een driehoekige vorm.
De tuigage bestaat meestal uit twee masten uitgerust met latijnzeilen. De grote mast helt licht voorwaarts en is met een zware woeling aan de verticaal staande knecht gesjord. Deze is in het ruim ingebouwd.
De bezaansmast staat verticaal op de kampanje. 
De afmetingen van de Dhangi zijn: lengte 70 voet; breedte 22,5 voet en holte 10,5 voet. Draagvermogen van 60 tot 200 ton.


DE BAGHLA.

De Baghla van Muscat is een groot Arabisch-Indisch koopvaardijschip van het dhowtype. Het type wordt ook wel baghala of baggala genoemd.
Het schip vaart hoofdzakelijk in de Rode Zee, langs de zuidkust van de Arabische landen aan de Indische Oceaan, aan de westkust van India, in de Arabische Golf en de Golf van Oman.
De romp is gladboordig gebouwd. Er is een lange, rechte, sterk vallende voorsteven en een achterschip met een kasteel en fraai gebeeldhouwd hakkebord, dat in vorm en bewerking sterk aan de Europese hakkeborden uit de 17e en 18e eeuw herinnert.
Men neemt aan dat deze vorm en versiering ontstaan zijn door invloed van de Portugese expeditieschepen uit de 16e eeuw en later.


De baghla heeft een doorlopend dek. In de 19e eeuw werd zij ook bewapend voor oorlogsdoeleinden. Zij voerde dan tot 50 stukken geschut.
Het tuig bestaat uit twee masten die sectiezeilen dragen. De grote mast staat midscheeps, de bezaansmast ter hoogte van het achterkasteel. De zeilen zijn niet voorzien van riffen, want zij worden indien nodig door een kleine stel vervangen. Ook kan er een fokzeil woden bijgezet.
Deze schepen hadden over het algemeen een grote bemanning die meestal uit deelgenoten bestond.
In de eerste helft van deze eeuw werden er nog baghla's gebouwd in de haven van Soer (Oman), maar omstreeks 1940 waren er waarschijnlijk nog geen vijftig meer in de vaart.
De afmetingen van het schip zijn; lengte 100 tot 140 voet; breedte 20 tot 28 voet en een holte van 11,5 tot 18 voet. De tonnenmaat varieerde van 100 tot 400 ton.
De Indiase kotia lijkt veel op de Arabische baghla, evenals de ghunja of ganja, een in India veel voorkomend scheepstype.


DE MASHUWA.

Dit type dhow wordt ook wel de mashva, mashwa of muchva genoemd.
Het is de benaming voor een open boot, vooral een boot die op grotere schepen werd meegevoerd, van de Arabische Golf en Zuid-Arabië.
Het scheepje werd geroeid of gezeild. De romp heet heeft een sterk vallende rechte of licht gebogen voorsteven en een platte iets schuinstaande spiegel. De romp is zwaar gebouwd uit ruw hout.
De boot wordt voort bewogen door zes paar riemen en gezeild met een setiezeil dat aan een naar voren hellende mast gevoerd wordt. 
Dergelijke mashuwa's worden als extra boot gebruikt aan boord van de baghla's en de ganja's. De lengte is 4,5 tot 9 meter.
Mashuwa duidt ook een open boot aan, die voor de visserij en de kustvaart rond Bombay wordt gebruikt. Deze boot heeft een rechte vallende steven en een rond achterschip en is gladboordig beplankt en heeft aan afgeronde V-vormige dwarsdoorsnede. De kiel is hol gebogen.


DE BUM. 

Een Persisch-Arabisch vaartuig uit de 16e eeuw ook wel geschreven als bhum, bhoom of dhangi. (boven de 'u' hoort een horizontaal streepje) Het scheepje werd gebruikt voor de grote vaart. Het heeft de baghla die er uit is ontstaan vrijwel verdrogen.
De bum is een van de oudste Arabische vaartuigen. 
In tegenstelling tot de baghla heeft de bum een scherp gevormd voor- en achterschip en geen verdere versieringen.
De schuin geplaatste, rechte voorsteven is bewerkt tot een uit planken opgebouwde boegspriet. De achtersteven staat eveneens schuin. Het schip is geheel van een dek voorzien.
De stuurinrichting is primitief en geschiedt met touwwerk, bij jongere schepen met een juk op het roer. De tuigage bestaat uit twee masten. De grote mast valt voorover en voert een setiezeil, evenals de bezaansmast die vrijwel recht staat. Aan de grote mast kan ook een vliegende fok worden gevoerd.
Afmetingen: lengte 36 tot 110 voet; breedte 18 tot 23 voet; holte van 8 tot 12 voet en een tonnenmaat van 60 tot 200 ton.


De traditionele reeds eeuwen lang bestaande dhow met op de achtergrond de moderne flatgebouwen van de havenstad. 








Veel dhow's worden tegenwoordig omgebouwd voor het varen met toeristen langs de kusten van de Golfstaten en Oman. Ze worden dan hoofdzakelijk voortgestuwd door scheepsmotoren.




DE CHINEZEN.

DE JONK.

Jonk of junk, een benaming in het Westen gegeven aan Chinese vaartuigen. De naam jonk is afgeleid van het Potugese junco. De Chinezen gebruiken het woord zelf niet.
Reeds 800 jaar geleden kwam de afbeelding van de jonk al voor op een oud tempelreliëf in Cambodja.
Marco Polo vermelde in zijn reisverslagen reeds over de jonk, het eerste schip ter wereld met waterdichte tussenschotten, een balansroer en van latten voorziene zeilen.


De schepen waren befaamd door hun lange reizen en zijn nog springlevend in onze huidige dagen.
Men schat het aantal jonktypen op ongeveer 1000, waaronder de vissersjonken, de vrachtjonken, de woonjonken en tegenwoordig de pleziervaart jonken. Het aantal schepen beloopt tot in de tienduizenden. Tijdens de Chinees-Japanse-Oorlog (1937-1945) werden duizenden jonken vernield. 



De Chinese jonken zijn uitsluitend van hout gebouwd en hebben bijna zonder uitzondering een romp met dwarschotten als dwarsverband.
Deze bouwwijze wordt vaak nog versterkt door een aantal dwarsspanten aan te brengen. Een dubbelbodem is vaak aanwezig.
Het langsscheeps verband wordt verzekerd door zware berghouten en langsscheepse balken die dikwijls als luikhoofd worden gebruikt.
De binnenvaart jonken zijn gebouwd met in het voor- en achterschip oplopend vlak.
De zeejonken zijn meer als stevenvaartuigen gebouwd.
De platte bodem zonder kiel is praktisch in de ondiepe wateren die de jonken bevaren. Het diep stekende, grote roerblad, dat met behulp van een lier op en neer kan worden gelaten, dient tevens als midzwaard.


( Een jonk van de Gele Zee, cha tch'ouan, waarschijnlijk het oudste type van de zeegaande Chinese schepen. De grootste zijn 30 tot 50 meter lang met een tonnage van 200 tot 350 ton en een bemanning van 25 tot 30 koppen. De achtersteven van deze jonken waren fraai bewerkt.)

Ook de bouw van de jonken gebeurd zonder blauwdruk als werktekening. Ook hier is het een beroep dat vaak van vader op zoon of van familie op familie overgaat.
Voor de bouw van de jonken wordt vooral vurenhout gebruikt, voor de dwarsschotten echter laurier- of kamferhout, evenals plataan- , cypressenhout en ander lichte hout soorten.

De ogenschijnlijk primitieve en voor ons dikwijls ingewikkeld lijkende werkwijzen zijn bij nadere beschouwing vaak zeer vernuftig en praktisch en getuigen van een aan eeuwenoude ondervinding getoetste techniek bij de bouw.

Jonken worden behalve door zeilen ook voortbewogen door peddels, roeiriemen (chiang), wrikriemen (yuloh) of door een vaarboom.
De omvang van de tuigage, indien deze aanwezig is, varieert van één tot vijf masten die voorzien zijn van een sprietzeil, een razeil of een loggerzeil. Ook driehoekige zeilen komen voor.
De zeilen zijn vervaardigd uit verticaal staande katoenen kleden of uit bamboematten.
De vormen en de samenstelling van de zeilen verschillen vaak van streek tot streek en zijn vaak kenmerkend voor bepaalde gebieden.
Ook het roer is typerend voor bepaalde stroom- of vaargebieden.
De versiering van de jonken is dikwijls zeer uitbundig, vooral bij de zee gaande jonken.


HET JONKZEIL.

Jonkzeil of Chineeszeil, een soort loggerzeil met een aantal van voor- tot achterlijk doorlopende zeillatten.

Het klassieke jonkzeil (grootzeil).

Verklaring letters in tekening.

A.B.D.N.E. - schootspruiten op -hanepoten.
GC, GF. - grootschoot.
G. - schootoog.
H. - schoot.
i. - toppenend.
J. - grootval.
K.- hulpval.
L. - rak (lopend).
N. - lijk.
O. - ra.
P. - zeilboom of giek.




Elke zeillat in het zeil heeft een eigen schoot, die rechtstreeks of via een spruit vanaf dek kan worden gehanteerd. Door deze constructie kan de stand van onder tot boven precies worden aangepast aan de windrichting en windkracht. Om te reven laat men eenvoudig een of meer zeillatten tot op de giek zakken. Als de val gevierd wordt vouwen de latten zich samen als de lamellen van een jaloezie Oorspronkelijk bestond het zeil uit vezelmat, de laatste eeuw uit zeildoek versterkt met matwerk. 
Het eenvoudig laten zakken van de zeilen is vooral van belang in deze gebieden welke vaak door tyfoons worden geteisterd, vooral in de Zuid-Chinese Zee


Hoewel veel jonken tegenwoordig een dieselmotor hebben voor de voortstuwing en een radio voor communicatie, beperkt de navigatie zich meestal tot een gegist bestek. Om zijn positie te bepalen gebruikt de kapitein het peillood, waarmee hij de zeebodem leest als een kaart.
Op deze jonken varen vaak hele families, vrouwen koken rijst, vis en groenten in een open kombuis op het middenschip. In de accommodatie staat vaak ook een kleine tempel, waarin dikwijls wierook wordt gebrand  om de zeegoden gunstig te stemmen.

DE BALINEZEN.

DE JUKUNG.

Een veel gezien vaartuig op de stranden van het eiland Bali (Indonesië) is de jukung.
Het is een soort prauw met aan beide zijden uitleggers (drijvers) die het vaartuig een goede stabiliteit geven.
De oorsprong van de uitlegger moet ergens in Zuidoost-Azië worden gezocht en moet zich van eiland naar eiland hebben verspreid van de Stille Oceaan tot de Indische Oceaan.





De prauw met uitlegger is simpel en economisch in opzet en uitvoering, Het combineert op effectieve wijze de eigenschappen van bamboe, dat met zijn waterdichte compartimenten hoog op het water blijft.
Zoals vrijwel ieder aspect van de Balinese cultuur kenmerkt de jukung zich door een grote mate van elegantie in wat feitelijk een volstrekt eenvoudig kustvaartuig is.
Klassieke voorbeelden van dit vaartuig zijn te vinden in de gemeenschap van de plaats Klung Klung. Hier is de thuisbasis van de jukung een centrale prauw die is uitgehakt uit een stam van de belaluboom. Het is een zachte houtsoort die gemakkelijk bewerkt kan worden.
De jukung wordt wel de 'vijfdelen' prauw genoemd, waarbij de vier andere delen bestaan uit de twee uitleggers en de dwarsbalken. 
De uitleggers worden gekozen uit bamboepalen met een doorsnede van ongeveer 15 centimeter, gelijke afstanden tussen de tussenschotten in de paal en de juiste kromming die ervoor moet zorgen dat de voor- en achterkant uit het water omhoog steken.
De jukung wordt beschilderd om te voorkomen dat het hout teveel water absorbeert. De boeg wordt altijd prachtig bewerkt en de voorstelling lijkt meestal op een roofvis met open bek. ook het oog (oculi) ontbreekt niet aan de beide zijden van de boeg.


Het zeil van de jukung bestaat tegenwoordig uit stroken goedkoop geweven plastic materiaal en de rondhouten zijn ook weer van van lichte flexibele bamboe gemaakt. 
De korte mast staat ver vooraan bij op de voorsteven van de prauw. 
Het sturen van de prauw gebeurd met een riem.
De jukung is een licht, handig en snel vaartuig, maar presteert aan de wind niet erg goed. Zo geven de Balinezen de voorkeur er aan om te gijpen in plaats van overstag te gaan, waarbij ze gebruik maken van de stroming en andere plaatselijke omstandigheden. 

Ook het eiland Madura ten Noordoosten van het eiland Java kent zijn eigen type van jukung.

[ zie vervolg; Scheepvaart door de eeuwen heen. (deel 4) Schepen uit Europa.] 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen