woensdag 21 september 2011

SURABAYA - YOGYAKARTA.



EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.

SURABAYA - YOGYAKARTA.

Zaterdag 10 februari 1990.

Gelukkig had ik de vorige dag een groot deel van onze bagage ingepakt, zodat we daar deze ochtend snel mee klaar waren en op ons gemak konden ontbijten. Bij het afrekenen ontdekte ik een slim verborgen fout in onze hotel rekening, die dan ook zonder meer verwijderd werd. Hierna namen we een taxi naar het treinstation waar het een drukte van belang was en dringen voor de loketten om een kaartje te bemachtigen. We hadden besloten om de ochtend trein te nemen, om zodoende wat van het landschap te kunnen zien waar we doorheen reisden. Het was zodoende dan wel derde klas reizen. Een andere trein waarin de 2de en de 1ste klas zaten, reed de route alleen 's avonds. Uiteindelijk maakten we deze reis om wat van land te zien.
We hadden een redelijke zitplaats en voldoende ruimte voor onze bagage weg te stouwen. Het was 08.15 uur toen onze trein uit Surabaya vertrok en het was met recht een boemel die overal stopte. Vaak was er zelfs geen stationnetje te bekennen bij zo'n stop en ook was men overal aan de spoorlijn aan het werk en bij zo'n stop trachten weer mensen in - of uit te stappen.




Zo stonden we plotseling stil na het langzaam passeren van een spoorwegovergang. Er bleek iemand onder de trein te zijn gekomen, die getracht had er op te springen om gratis mee te kunnen reizen. Hij had dus bekijks genoeg gehad, bij zijn laatste (mislukte) poging in het zwartrijden. Al met al stonden we er ruim een uur voor stil.
Slingerend reed de trein door het afwisselende landschap, waarvan ik volop genoot en mijn reisgenoot bekeek intussen de achterkant van zijn oogleden. Een plaag bij ieder stop die we maakten, waren de venters die de trein overspoelden in grote hoeveelheden en dat was weer extra aandacht voor onze bagage.


Soms passeerden we een trein die tijdelijk op een zijspoor stond en waarop en aan de passagiers hingen. Geen wonder dat er zo nu en dan een of meerdere doden vielen.
Tegenover zat een oude vrouw met haar dochter en we hadden ze een handje geholpen met het opbergen van hun enorme hoeveelheid bagage boven de zitplaatsen en als dank probeerde ze ons steeds wat te eten aan te bieden uit de uitgebreide hoeveelheid potjes en pannetjes die ze bijzich had, maar we wisten het beleefd steeds af te houden. Mijn reisgezel had getracht het aantal stopplaatsen te tellen maar daar stopte hij maar mee en sukkelde weer lekker in slaap, want slapen kon hij overal, een ware gave.
We hadden treinkaartjes gekocht tot de plaats Puwerkerto op midden Java om vandaar naar Ajibarang te reizen, maar toen het al 17.15 uur was eer we in Yogyakarta waren en pas ongeveer de helft van de reis hadden afgelegd, besloten we maar in Yogya uit te stappen en daar te overnachten. Het was zoal een vermoeide reis geweest en zouden anders gebroken midden in de nacht in Purwerkerto aan zijn gekomen.

Een paar "hotelpremiejagers" boden ons transport aan met een busje van het station naar de stad om daar een logement te vinden. Ze hadden ons een folder laten zien en het had er goed en niet duur uitgezien, maar aldaar aangekomen was er geen kamer naar onze wens vrij. Plotseling mengde er iemand, met een duidelijk accent uit de Randstad, zich in onze discussie en bracht ons even later naar een logement, na er eerst naar toe gebeld te hebben of er plaats was, waar ze zelf ook logeerden. Zo belanden we in Geust House Wisma Gajah.



Het was een zeer rustig gelegen logement, met nette schone kamers voorzien van airco en stromend warm- en koud water. Er achter lag een klein zwembad met het restaurant van het logement. De prijs was redelijk en viel ons erg mee.
Na het nodige reisvuil van ons afgewassen te hebben, genoten we eerst van een koele pot bier, alvorens de stad in te gaan om daar wat rond te kijken en later een hapje te eten. Het was even zoeken naar het ons reeds bekende restaurant in het centrum. Tijdens ons diner hoorden we de reden waarom het zo druk was in de stad. Het was vanwege de 'Borobudur Walk' die de volgende dag, zondag, zou worden gehouden.
Na het goede diner wandelden we nog wat rond, maar namen uiteindelijk een koetsje terug naar ons logement. In het kleine zaakje waar we eerder een biertje hadden gedronken, speelde nu een kleine band rustige lokale muziek en zodoende bleven we er nog een tijdje zitten onder het genot van een drankje.

Zo rees ook de vraag, "wat doen we morgen; blijven we in Yogya of reizen we verder"? Op mijn eerste reis door Indonesië, "Java - Bali over land", had ik Yogya al uitgebreid aangedaan en zodoende van de stad en omgeving al het nodige gezien. Dus besloten we, ook vanwege de enorme drukte om maar verder te reizen naar Ajibarang. Na deze lange en vermoeiende dag en ook door de goede drankjes die we gedronken hadden, vielen we dan ook moeiteloos in een diepe slaap.



dinsdag 20 september 2011

SURABAYA.



EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.

SURABAYA.

Vrijdag 9 februari 1990.

Surabaya, de hoofdstad van Oost-Java en met meer dan twee miljoen inwoners de grootste stad van Indonesië na Jakarta. Mensen blijven er naar toe trekken door de aldaar gevestigde industrieën en de enorme haven terreinen, want het is wel de grootste havenstad van Indonesië.
Nieuwe moderne gebouwen domineren het centrum van de stad en nemen de plaats in van de eens dicht op elkaar gepakte huisjes met de smalle steegjes. Het was opvallend hoe veel er in de binnenstad aan de groenbeplanting langs de brede wegen werd gedaan om alles een vriendelijker aanzicht te geven, maar vooral om het zuurstof gehalte in de lucht te verbeteren.



                    ( Kali Mas de rivier die door Surabaya stroomt, maar stinkt als een beerput.)


Ondanks de regenval van afgelopen nacht, was het erg benauwd in de drukke stad en plakte je kleren van het zweet aan je lichaam. We trachten een gedeelte van de vroeger zo bekende antiekmarkt terug te vinden, maar alles wat er over was, waren een paar nauwe straatjes met een paar winkeltjes. De rest had al plaats moeten maken voor de stadsvernieuwing. We zagen een paar oude mooi bewerkte houten kisten met koperbeslag die zeer redelijk in prijs waren, maar te groot om zelf te vervoeren. Zo viel mijn oog op een stuk gebruiksvoorwerp, wat uit hout gesneden was en uit Kalimantan (Borneo) bleek te komen. Het was dan wel niet zozeer antiek, maar wel uniek en was zelfs als zitje te gebruiken. De eigenaar van het winkeltjes vroeg er zonder blikken of blozen 300.000 rp. voor en dat was echt te gortig. Na veel heen en weer gepraat daalde de prijs tot 250.000 rp. wat ons nog te veel was en we vertrokken. Na deze nutteloze handelsactie gingen we naar de (toen) grootste dierentuin van Zuid-Oost Azië.


Er was een ruime collectie aan dieren, maar hun onderkomens zagen er allemaal erg verwaarloosd uit en evenzo de wandelpaden die in zeer slechte toestand waren. Het aquarium was mooi om te zien, althans de vissen. Maar het meest genoten we wel van de apen die al spelend verkoeling zochten in het omringende water. Een goede reorganisatie was hard nodig in deze dierentuin. De drukkende warmte werkte vermoeiend en afmattend en zo waren we vroeg terug in het hotel voor een siësta.

Bij het vallen van de avond koelde het gelukkig wat af en alvorens te gaan eten wandelden toch nog even langs de winkel om alsnog een koop te trachten voor het houtsnijwerk. Tot onze stomme verbazing was er geen rupia meer van de prijs af te krijgen. "Dan eten ze het maar op als ze honger krijgen", was mijn opmerking. Na in het Hyat-Hotel wat gedronken te hebben gingen we voor de verandering maar eens een hapje eten in een nabij gelegen klein Frans restaurantje "Ches Rose". Het zag er allemaal keurig verzorgd uit in de zaak en ook de gerechten die we bestelden werden keurig geserveerd en smaakten ons uitstekend.

In het restaurantje speelden enige Batak muziekkanten en zong een zangeres heel aardig klinkende Franse chansons. Later werd er op ons verzoek nog enige Batak liedjes gespeeld. Langzaam werd het tijd om terug te gaan naar ons hotel, daar we de volgende dag een zeer lange treinreis voor de boeg hadden, die ons naar Centraal-Java zou brengen.



maandag 19 september 2011

SUMENEP - KAMAL - SURABAYA.



EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.

SUMENEP - KAMAL - SURABAYA.


Donderdag 8 februari 1990.

Ondanks, dat we vroeg bij het busstation waren, waren de meeste zitplaatsen in de bus naar Kamal al bezet en vonden we na enig plaats verwisselen een zitplaats in het midden van de bus.
De chauffeur nam onderweg ook steeds weer nieuwe passagiers mee en soms meer dan het aantal zitplaatsen en die dan opeen gepakt in het gangpad stonden en op de vloer moesten gaan zitten als er een politie controle langs de weg stond. Het zal wel de bijverdienste van de chauffeur geweest zijn.


                                 ( Vrouwen verkopen potten van aardewerk langs de weg.)

We reden via de zuidelijke kustweg terug naar Kamal en na Pamekasan werd het bekend terrein voor ons. In de drooggevallen kreken langs de weg lagen de nodige vissersscheepjes te wachten op hoog tij om weer uit te kunnen varen.


We waren mooi op tijd voor de veerboot en terwijl de bus stond te wachten om aan boord te gaan, werden we belaagd door een niet stoppende massa venters. Je moest je bagage heel goed in het oog houden en je hand op je zak, want terwijl de één zijn koopwaar staat aan te prijzen en je aandacht opeist, plukt één ander snel je spullen weg. Het was een waar gekkenhuis.
Een gedeelte van hen verstopte zich in de bus om zo als een soort verstekeling over te steken met de veerboot naar Surabaya, maar werden ze gesnapt dan kende de politie geen zachtaardig pardon.

Eenmaal in Surabaya gingen we alleen terug naar het Brantas-hotel om onze bagage op te halen, met het smoesje, dat ons reisschema veranderd was. Zo zochten we naar een ander onderkomen zonder muggen en te minste stromend warm water, en als het kon ook nog airco, daar het bloedje heet was in de stad. Zo kwamen we dan uiteindelijk in het Cendana-Hotel terecht, wat redelijk in het centrum lag van de stad.

Na een heerlijk warm bad, nadat we uiteindelijk onze handdoeken hadden gekregen en waar we voor moesten tekenen, lieten we door de roomservice al onze vuile was meenemen en dat was zo goed alles wat we bij ons hadden.


Na een paar uurtjes rust te hebben genoten, was het intussen avond geworden en liepen we de stad in om wat rond te kijken en een hapje te eten. In een enorme supermarkt kochten we een slokje en wat te knabbelen voor die avond in onze hotelkamer, daar de kwaliteit van het eten ons deze avond zwaar was tegen gevallen. Op ons gemak wandelden we terug naar het hotel, terwijl in de verte de hemel regelmatig verlicht werd door de bliksem van het naderende onweer.

We waren dan ook maar net op tijd terug in het hotel of de bui barstte in alle hevigheid los. Het bleef de gehele nacht zwaar doorregenen.
Moe van de Madura reis vielen we weldra in slaap na besloten te hebben om nog een dag in Surabaya te blijven.




































zondag 18 september 2011

PAMEKASAN - WARU - PASEAN - SUMENEP.


EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN. 


PAMEKASAN - WARU - PASEAN - SUMENEP.

Woensdag 7 februari 1990.


Na een verkwikkende nachtrust en de nodige energie te hebben opgedaan vertrokken we na een zeer mager ontbijt met een fietstaxi naar het busstation. We hadden intussen besloten niet via de zuidelijke eiland route naar Sumenep te gaan, daar we deze weg op de terugweg te zien zouden krijgen en kozen er dus voor het eiland dwars over te steken en de noordelijke route te nemen. Voor deze tocht moesten we drie keer van vervoersmiddel wisselen.
Met het eerste busje reden we door een mooie iets bergachtige streek naar Waru. Het was aan de natuur goed te merken, dat we noordwaarts gingen, want de gehele begroeiing veranderde ziender-ogen en het land zag er steeds armoediger uit.

In Waru moesten we naar een ander vervoersmiddel uitkijken, daar ons busje niet verder bleek te gaan, wat niet de afspraak was en we eisten dan ook prompt een gedeelte van ons geld terug, wat we tot mijn stomme verbazing nog kregen ook. We betaalden hiermee gelijk de chauffeur van een klein vrachtwagentje die ons dan ook verder mee liet rijden achter in de laadbak tussen zijn lading, die varieerde van spiegels tot manden met kokosnoten en groenten. Zo hobbelden we dan met zeggen en schrijven verder richting de noordkust en de plaats Pasean.



In Pasean bleek het markt te zijn en was het een enorme drukte, wat wel een kleurrijk geheel was. We keken er wat rond en zochten ondertussen naar een nieuw vervoersmiddel wat ons naar Sumenep zou brengen.


Van onze nieuwe chauffeur kregen we een plaatsje voorin het busje aangeboden, maar we hadden net zo goed voorop de bumper van een race wagen kunnen gaan zitten, want die vent reed alsof de duivel hem op zijn hielen zat. Intussen waren we al verscheidene keren gestopt en was het aantal passagiers opgelopen tot zesentwintig. Alles zat zo op elkaar gepakt, dat ik een klein kind op mijn schoot nam. Gelukkig moest hij nu om zijn motor niet over de kop te draaien, wat langzamer gaan rijden.

De noordkust had een prachtig wit strand met duinen en palmen. Het deed een beetje denken aan de Noord-Afrikaanse Middellandsezee kust. Het was heel anders dan de zuidkust van het eiland, wat echt zo groot niet is, maar het had zijn eigen charme. Toen we afbogen naar Sumenep, wat op het oostelijke deel van het eiland ligt, werd de begroeiing weer wat dichter en groener.



In de voormiddag en in de gietende regen bereikten we Sumenep en wisten er onderdak te vinden in Losmen Wijaya II.
Na het vuil van de reis van ons af gewassen te hebben en de inwendige mens te hebben verzorgd gingen we de stad verkennen. Alhoewel het intussen droog was geworden namen we voor alle zekerheid onze regenkleding mee daar het vrij koel bleef. De oude Portugese invloed was hier nog zeer duidelijk te zien in architectuur van de huizen.
Veel oude huizen hadden nog de Portugese-Madurese bouwstijl, gebouwd met een uitlopend dak, dat ruste op Romeins aandoende witte zuilen. Het was verder een rustige stad en gaf een schone indruk.
De ingang van de moskee leek meer weg te hebben, van de resten van een toegangspoort van een oud Portugees fort. De smalle oude straatjes waren rustiek.

We bezochten de oude kraton (sultanpaleis) met zijn taman sari, de tuin van plezier. Volgens de vertellingen zat de sultan meestal onder het afdak van het torentje boven de ingangspoort en hiervandaan kon hij precies in het, in de taman sari, gelegen vrouwen bad kijken. Zodoende kreeg het torentje de bijnaam van; "het torentje van de glimlach".



Nu zwommen er vissen in, in plaats van mooie vrouwen. Het geheel werd nog steeds gerestaureerd en de kraton werd als gemeentelijke vergaderplaats gebruikt. In het nabij gelegen kleine museum, wat was ondergebracht in de voormalige paardenstallen, bezichtigen we nog enkele bewaard gebleven kunstschatten, zoals meubelstukken, wapens en gebruiksvoorwerpen uit de vergane glorie.

De regen dreef ons via de markt weer terug naar ons logement, waar we ons na het avondeten op ons terras voor de kamer te goed deden aan een fles lokale wijn en namen het besluit om de volgende dag via de zuidkant van het eiland terug te reizen naar Kamal en over te steken naar Surabaya.



BANKALAN - SAMPANG - PAMEKASAN.



EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.

BANKALAN - SAMPANG - PAMEKASAN.


Dinsdag 6 februari 1990.

De zon straalde ons tegemoet deze ochtend en we maakten ons zo snel mogelijk gereed voor onze tocht over Madura. Zo gingen we eerst terug naar Bankalan om daar op de bus te stappen en reden daarna over de zuidelijke kant van het eiland naar Sampang, waarna het via de kustweg verder ging om dan weer in noordoostelijke richting af te slaan naar Pamekasan.

De bus stopte overal en nergens en zodoende waren we goed in de gelegenheid om de omgeving op ons gemak te bekijken. Aan de kust hadden ze, in een stuk dat droog kwam te liggen bij eb, weer bomen aangeplant voor het verkrijgen van pokhout. Zo nu en dan hadden we een klein regenbuitje aan de zuidkant van het eiland, waar het redelijk vlak was en erg groen. Het eerste wat we opzochten in Pamekasan was een restaurantje om wat te eten te krijgen en dat bleek niet mee te vallen zo in de middag. Uiteindelijk werden onze magen gevuld en gingen we eerst op zoek naar een hotelletje om er de komende nacht te overnachten. We waren nu zo'n 100 km. van de plaats Kamal verwijderd. In de maanden augustus en september worden hier altijd de bekende buffelraces gehouden en is het druk van de toeristen, maar nu was er amper een kip op straat te bekennen. Zo vonden we een hotel, wat nog uit de koloniale tijd stamde en kregen een kamer geschikt voor vier personen.





Met lokaal transport gingen we naar een plaats, waar een natuurlijk aardgas vuur brandde "Api Abadi". De legende verteld, dat het vuur komt uit de mond van een gevonniste reus die door de goden gestraft is. Het was dan ook weer een "heilig" vuur voor de bevolking. De jeugd gebruikte het heilige vuur om er maiskolven op te roosteren voor de verkoop. Even verder lagen warmwaterbronnen en de omgeving stonk er erg naar zwavel.

Intussen was het warmste moment van de dag voorbij en keerden we terug naar de stad, daar de winkeltjes en de markt intussen ook weer open zouden zijn. Zo bezochten we een klein bedrijfje waar de Madura batik werd vervaardigd, maar we vonden de vraagprijs voor deze doeken veel te hoog en er was niets af te pingelen.
Voor het avondeten vonden we een klein chinees restaurantje, wat tevens een winkeltje was, en de eigenaar bereide zelf de door ons bestelde gerechten. Het smaakte ons zeer goed en deelden hem dat ook mede bij het afrekenen.




 Het was intussen in de winkelstraat goed druk geworden en op weg naar ons hotel, Garuda, kochten we een fles angur (lokale rode wijn) om deze op ons gemak leeg te maken alvorens te gaan slapen. We hadden die nacht dan een enorme kamer van zes bij zes meter, vier meter hoog, met vier bedden en twee stoelen tot onze beschikking. Een feit was zeker; het was er zeer koel, wat zeer goed deed slapen die nacht.



zaterdag 17 september 2011

SURABAYA - MADURA.


EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.


SURABAYA - MADURA.


Maandag 5 februari 1990.

Het was drie uur in de vroege ochtend toen de muggenplaag me teveel werd en ik de receptionist achter de hotel-balie vandaan haalde om onze kamer een grondig muggenvrij te spuiten. Mijn linker wang was dik opgezet van de beten en mijn reisgezel was er niet veel beter aan toe. Het was zo geen slapen meer. Men ging behoorlijk met de spuit tekeer en we bleven dan ook ruim een uur op de waranda buiten zitten om zelf niet om zeep te gaan.
Toen we uiteindelijk de kamer weer betraden, lagen er overal op de geest gevende muggen op de vloer, die we dan ook maar een handje hielpen naar het hiernamaals te keren. ( hopelijk hebben die krengen dat niet). Wat achterbleef waren onze eigen bloedvlekken op de witte tegels. Het was een nacht met zeer weinig slaap geworden, ondanks de goede voornemens.

Een groot deel van onze bagage konden we bij de hotel-balie in bewaring achterlaten, zodat we dat niet mee dienden te nemen op onze Madura reis. Na eerst de bushalte gezocht te hebben, vertrokken we met de bus naar de aanlegplaats van de veerboot naar Madura.


 Het was er onvoorstelbaar druk en we konden niet bij de kassa komen om een bewijs voor de overtocht te kopen. Onverwachts kregen we hulp van een heer, die zelf op Madura woonde en schijnbaar wat in de melk te brokkelen had, daar een ieder plaats voor hem en ons maakte en zo kwamen we alsnog aan boord. Tijdens de overtocht naar het eiland, die zeer traag verliep, verzamelden we de nodige informatie hoe we het beste onze bestemming konden bereiken en dat was een klein plaatsje enige kilometers van Bankalan verwijderd. Ook hierbij was de heer ons zeer van dienst. In het dorpje woonde een oud medewerker van me en ik had hem vanuit Jakarta een berichtje gestuurd dat ik aan zou komen.

MADURA.


Na aankomst te Kamal, de haven, nam,en we de bus naar Bankalan, de hoofdstad van Madura, om bij de busterminal over te stappen op een minibusje naar het dorpje waar Sukran woonde. Gelukkig kende onze chauffeur de familie en werden we voor het woonerf afgezet. Het was ons al opgevallen dat de Madurezen zeer slecht de Indonesische taal beheersen en over het Engels maar niet te spreken. Hun voertaal is het Madurees.
We werden ontvangen door de moeder van Sukran die gelijk de buurjongen er op uit stuurde om Sukran op te sporen. Ze hadden mijn berichtje ontvangen, maar alleen was de datum wat later geworden dan ik had opgegeven. Terwijl we buiten op het erf onder een boom in de schaduw op een "tampat tidur" zaten te wachten, werden we van de nodige lekkernijen voorzien, waaronder heerlijke verse ananas. Het was voor Sukran die even later arriveerde een hele verrassing, dat we als nog gekomen waren en we moesten gelijk meer de omgeving bekijken. Mijn reisgezel verkoos het om een tukje te doen op de "tampat tidur" onder de boom.

Via allerlei smalle weggetjes tussen de landerijen door kwamen we in een kampong terecht vlak aan zee. Men was er druk bezig met het roken van de gevangen vis en ik werd aan iedereen voorgesteld die we maar tegen kwamen. Strand was er niet aan de zee, maar wel veel mangrove beplanting met er tussen watergeulen gevormd door het getij. Na weer terug gekeerd te zijn bij de woning kregen we te eten en werd ons aangeboden om daar te overnachten, wat we graag accepteerden.


Na het eten reden we naar Arasbaya, wat dichterbij bleek te liggen dan Bankalan, en vandaar was het ruim een kilometer lopen naar Air Mata, waar de koninklijke graftomben lagen van Cakraningrat. De plaats lag op een punt van een ravijn, vanwaar uit de riviervallei goed was te overzien. Air Mata betekend tranen. Het waren prachtig bewerkte stenen graftomben van het oude koninklijke geslacht van Rata Ibu.

In een overvol busje reden we weer naar huis en na wat gegeten te hebben vertrokken we met een hele groep, vrienden van Sukran, op en achterop de motorfiets naar Bankalan. De wegen waren redelijk goed, maar enige straat verlichting was nergens te bekennen.

 Na in Bankalan wat rond gewandeld te hebben en een potje bier te hebben gedronken, waar ze niet vies van waren, kochten we bij een toko nog wat flessen bier en arak en de nodige snacks om deze bij Sukran thuis op de waranda met de vrienden ploeg op te maken. Sukran vertelde, dat zijn vader ergens op zee, als bootsman, was en zodoende niet thuis was.
Terwijl we daar van de tropische avond zaten te genieten, werd het steeds drukker om ons heen van de lokale bewoners, die de blanke tuan en de andere gast wel eens wilden zien. De vrouwen hielden zich sterk gescheiden van de mannen en het was erg jammer, dat het zo moeilijk was om een gesprek te beginnen, daar de meesten alleen Madurees spraken. Zo werd het tijd om naar bed te gaan en gelukkig was onze kamer reeds muggenvrij gespoten. De volgende dag zouden we verder reizen over het eiland.






MADURA.



EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.

MADURA.

Madura is een eiland ten noorden van Oost-Java, waartoe het geografisch ook behoort. Het eiland, iets kleiner dan het eiland Bali, heeft een oppervlakte van 5250 km². een totale lengte van 160 km en is op zijn breedst 30 km.
Het eiland is vulkanisch en heeft veel warm water bronnen. Mudura is vlak met een laagland aan de zuidelijke zijde en in het noorden een rij van zandduinen.
Madura werd in de ijstijd van Java gescheiden. Ten oosten van het eiland ligt de Sapudi-archipel, waarvan het eiland gescheiden wordt door Selat Sapurdi.
De Madurezen hebben een eigen taal, het Madurees.




De bevolking leeft van de visvangst, klein schalige tuinbouw ( o.a tabak en kruiden) en fruitteelt. De Madurees staat bekend om zijn opvliegend en temperament vol karakter, energie en drift, wat vaak op messentrekken uitloopt.

Heel bekend op Madura zijn, in april tot augustus, de lokale buffelraces. Madurese batik in de donkere kleuren rood-bruin is zeer fraai met afbeeldingen van waterdieren, maar ook zeer duur in aanschaf.

Uit de Madurese keuken is vooral bekend de sate-ayam (kip-sate) en de soto-Madura een rijk gekruide kippensoep.



donderdag 15 september 2011

KUTA EN KUTA - SURABAYA.




EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.

KUTA EN KUTA - SURABAYA.

Zaterdag 3 februari 1990.

We hadden voor deze dag geen vast programma en besloten er een luie dag van te maken. Diverse winkeltjes bezocht en twee leuke uit hout gesneden maskers gekocht en uiteindelijk weer naar het strand gegaan.

We moesten een omweg maken naar het strand daar de straat was afgezet in verband met een crematie die plaats zou vinden op een speciaal deel aan het strand en het was er een drukte van belang.


Op een afstand het geheel maar eens bekeken met de wind in de rug, want het rookte behoorlijk. Even later kwamen we ook Hans en Cecile tegen die ons uitnodigden voor een koele druk in een klein strandrestaurantje. De rest van de dag was het luieren en zwemmen.

Na het diner van die avond, wat best smaakte na een dag zon, wind en water, was het nog een slaapmutsje nemen bij Hans ter afscheid, daar we de volgende dag naar Surabaya zouden vertrekken.


Zondag 4 februari 1990.

Op ons gemak de bagage ingepakt en aan het strand een lichte lunch gebruikt. Het waren een paar mooie zonnige dagen geweest op Bali.

Te 17.30 uur vertrokken we met het vliegtuig naar Surabaya op het eiland Java, waar we met een uur tijdsverschil te 17.25 uur aankwamen. Het koste ons veel moeite om een taxi naar de stad te krijgen en later ook om daar een slaapplaats te vinden tegen een redelijke prijs. Uiteindelijk kwamen we in hotel Brantas terecht, wat er op het eerste gezicht redelijk uitzag. Na ons wat te hebben opgefrist vonden we op onze wandeling een klein restaurantje aan de rivier oever, alwaar we voor weinig geld toch zeer goed en smakelijk te eten kregen.

Aangezien we de volgende dag van plan waren door te reizen naar het eiland Madura gingen we bijtijds naar bed. Van slapen kwam pas wat na een zeer intensieve jacht op de nodige muggen.


woensdag 14 september 2011

OOST-BALI TOUR.


EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.


OOST-BALI TOUR.

Vrijdag 2 februari 1990.


Het beloofde goed warm te worden deze zonnige dag. Wayan die gereed stond met het minibusje vertelde ons, dat voordat wij op Bali aangekomen waren, het iedere middag zwaar had geregend en dat het gisteren pas de eerste droge dag sinds weken was geweest. We hadden zeker een goede invloed op de weergoden of ze vonden dat we al genoeg regen hadden gehad.
We wilden eerst naar het plaatsje Candidasa rijden om daar eens polshoogte te nemen, wat logement, de prijs en ligging aanging.


Te Goa Lawah maakten we een stop en bezochten er een grot vol met vruchten etende vleermuizen. In de grot zelf was een hindu tempel geplaatst. Het plafond en de wanden hingen vol, beter gezegd "zagen zwart", van de vleermuizen welke piepten, vreselijk stonden en voortparen, dat het niet mooi meer was. Hierna verder gereden naar Candidasa.



Candidassa was eens een klein vissersdorpje, maar nu staat er logement na logement aan het strand gebouwd. Het was er rustig en de prijzen waren er ook redelijk, maar het min punt was, dat je ruim 65 km van het vliegveld verwijderd was en dat het strand meer stenen had dan zand. We genoten er, met het geluid van de zee op de achtergrond, van een goede en smakelijke lunch, waarna we onze tocht voort zetten. We reden een stuk verder langs de kust om dan af te slaan in de westelijke richting landinwaarts naar de plaats Tirtagangga.

Alhoewel het wegdek hier en daar wel te wensen overliet genoten we van het landschap en stopten op z'n tijd om een opname te maken. In Tirtagangga bezochten we de oude koningsbaden, maar het mooiste waren de rijstvelden om te zien.


Via Selatan en Salat zetten we onze landschap tour voort om bij Muncan weer terug te keren, daar de weg te slecht was om met het busje verder te rijden, wat met een jeep nog mogelijk was geweest. Bij Salad reden we weer zuid-westelijk naar beneden via de plaatsjes Iseh en Sideman in de richting van Klung Klung en vandaar naar Gianyar.


In Gianyar stroopten we de daarbij gelegen plaatselijke houtmarkt af en andere handwerk winkeltjes. Het resultaat was een niet al te grote gevlochten mand met deksel en een paar leuke stukjes houtsnijwerk voor een zeer lage prijs, die we bereikten door het nodige afdingen.
Langzaam reden we terug naar ons verblijf in Kuta.

Nadat we Wayan met de chauffeur hadden laten afrekenen gingen we eerst naar het strand en maakten we een lange wandeling tijdens de zonsondergang, waar we goede eetlust aan overhielden. We maakten het deze avond niet te laat, daar we wat achterstallige slaap wilden inhalen.









dinsdag 13 september 2011

KUTA - BALI.



EEN REIS OVER ZES 

INDONESISCHE EILANDEN.


KUTA - BALI.

Donderdag 1 februari 1990.

Het had in de vroege ochtend stevig geregend en zodoende konden we de was van de vorige dag opnieuw te drogen hangen en gedeeltelijk weer wassen. Zo dan ook de rest van de vuile was gedaan die gelukkig snel droogde in de wind en de zon.

Bij het ontbijt kregen we het kranten bericht te lezen, dat het vliegtuig dat na ons uit Ujung Pandang was vertrokken naar Lombok en dat als vermist was opgegeven in het noodweer te pletter was gevlogen tegen de wand van de vulkaan Rijani op Lombok. Er bleken geen overlevenden te zijn gevonden. Het was wel even verwerken en we hadden dus geluk gehad.




Daar het een prachtige zonnige dag was besloten we deze luierend op het strand door te brengen met op z'n tijd een duik in de zee. Hans en Cecil sloten zich bij ons aan en zo gingen we die avond gezamenlijk uit eten bij restaurant Un's. Na het eten ging een ieder zijns weegs, daar ik zou gaan kijken of ik oude bekende van een vorig bezoek aan Bali kon vinden. Zo troffen we uiteindelijk Wayan en na veel gepraat onder het genot van een goed koud biertje verzochten we hem om voor de volgende dag een transportvoertuig te regelen om wat rond te reizen over het eiland. Het was vroeg in de ochtend eer we ons ter rusten legden na eerst de laatste was binnen gehaald te hebben.


( note: Helaas zijn veel opnamen van Bali verloren gegaan door een fout van de foto ontwikkelcentrale in Jakarta aan het einde van onze reis.)