woensdag 14 december 2016

GROTE OCEAAN. WAT EN WAAR? (DEEL 1)

EEN OCEAAN MET DE MEESTE 

SOORTEN EILANDEN,

WAARONDER OOK EILANDEN VAN 

PLASTIC AFVAL. (1)



GROTE OCEAAN - STILLE OCEAAN OF PACIFIC OCEAN.

Deze Oceaan strekt zich uit over 133 breedtegraden van de Beringstraat tot Antarctica en langs de evenaar over 180 lengtegraden.
De Grote Oceaan beslaat met al zijn randzeeën iets meer dan 35% van het geheel aardoppervlak: de open oceaan neemt 32,3% daarvan in en is groter dan de totale landoppervlakte van de aarde (29,5%) en ongeveer even groot als de Atlantische- en Indische Oceaan samen.
De oppervlakte zonder de randzeeën is 165 miljoen km²; met de randzeeën 180 miljoen km².
Waterinhoud zonder de randzeeën 708 miljoen km³; met de randzeeën 724 miljoen km³. De gemiddelde waterdiepte is 4030 meter.


                     Kaart van de Grote Oceaan waarop de troggen gearceerd zijn aangegeven.

TOPOGRAFIE.

Op veel plaatsen strekt zich een continentaal plat ver buiten de kusten uit. De belangrijkste hiervan zijn het Soenda Plat (Zuid-Chinese Zee, Java Zee, enz.) en het Sahoel Plat (Timor- en Alfoerenzee), beide minder dan 100 meter diep. Verder de Bering Zee, de Zee van Ochotsk, de Gele Zee en gedeeltelijk de Noord-Chinese Zee.







Opvallend zijn de vele diepe troggen welke dicht langs de eilandenrijen liggen langs de noordelijke en westelijke rand van de oceaan.
In de Marianen Trog komt de grootste bekende diepte voor van 10860 meter. Verscheidene troggen hebben een diepte van meer dan 9000 meter. Het Noordpacifische bekken dat op het noordelijke halfrond het gehele middengedeelte van de Grote Oceaan omvat, wordt aan de west- en zuidzijde door veel eilanden gordels afgesloten van verschillende kleinere diepe bekkens.
Aan de oostkant worden het Noord- en het Zuidpacifische bekken begrensd door de Oostpacifische drempel, die ter hoogte van Midden-Amerika begint en zich voortzet tot Antarctica. Ten oosten daarvan liggen het Peruviaans-Chileense en het Pacifisch-Antarctische bekken.
Ongeveer tweederde van de oceaanbodem is bedekt met rood diepte slib. De eilanden in de Grote Oceaan zijn in hoofdzaak van vulkanische oorsprong, zoals Nieuw Zeeland of koraaleilanden (Atol).
Behalve deze zichtbare eilanden verbergt de Grote Oceaan talloze onderzeese bergen of guyots, geïsoleerde afgeknotte kegels van vulkanische oorsprong op diepten van 1000 tot 2000 meter.
Sommige reiken tot enige tientallen meters onder de zeeoppervlakte. Zij hebben de laatste tijden een strategische betekenis gekregen als ligplaats voor onderzeeërs, die een vaste ondergrond nodig hebben voor het afvuren van raketten.

KLIMAAT.

Niet gestoord door vastelandinvloeden is het klimaat typisch maritiem.De grote klimaatgordels zijn regelmatig ontwikkeld, behalve in de moesson gebieden tussen Azië en Australië.


TROPISCHE ORKANEN.

In de equatoriale stiltegordel ontstaan, vooral aan de westzijde van de oceaan, cyclonale storingen welke kunnen resulteren in tropische orkanen die, zich uitbreidend in omvang en kracht, naar gebieden van hogere breedte bewegen.
Zij komen voor van de Filipijnen tot Japan (taifoens), met de grootste frequentie van juli tot oktober; ten oosten van Australië met grootste frequentie van december tot maart; langs de wetskust van Mexico (hurricanes), met de grootste frequentie van juni tot oktober.


MOESSONS.

Langs de westkust van Mexico waait een zuidwest-moesson van april tot september.
In de Chinese Zee een zuidwest-moesson van mei tot oktober en ten noorden van Australië een noordwest-moesson van oktober tot april.
Deze perioden gaan gepaard met veel wind en zware regenval.




MIST.

Mist komt veel voor langs de Chinese kust van maart tot juni; bij de Californische kust  gedurende de zomer hoge zeemist en gedurende de winter lage landmist.
Ook komt mist voor bij de kust van Peru gedurende de zomer.







IJSBERGEN.

IJsbergen komen voor ten zuiden van 50 graden zuiderbreedte, meestal in de vorm van grote tot zeer grote tafelijsbergen, die uit een ijsbarrière zijn ontstaan.
In het noorden komen ijsbergen voor in de Beringzee.




ZEESTROMEN.

Onder invloed van de overheersende winden en de rotatie van de aarde voert de oppervlaktestroming een circulatie uit volgens een in de drie oceanen gelijkvormig patroon.
In het noordwestelijke gedeelte van de oceaan is de Japan Stroom (Kuro Shio) met de Noordpacifische Stroom vergelijkbaar met de Golfstroom in de Atlantische Oceaan, ook wat betreft de invloed op het klimaat.
De Oya Shio, langs Kamtsjatka, de Californië stroom en de Peru Stroom zijn koude stromen. 
Bij de laatst genoemde twee stromen treedt onder de kust opwelling van koud dieptewater op, hetgeen een sterke invloed heeft op het plaatselijk klimaat.
De oppervlakte stromen reiken als regel niet dieper dan 100 tot 200 meter. In het equatoriale gedeelte  zijn de passaat-driftstromen het belangrijkst.
De Noordequatoriale Stroom bevindt zich altijd benoorden de equator, terwijl het gebied van de Zuidequatoriale Stroom zich gedeeltelijk benoorden de equator uitstrekt tot gemiddeld 4 graden noorderbreedte. In de Grote Oceaan is de Equatoriale Tegenstroom zeer krachtig. Hij stuwt bij Amerika het grootste gedeelte van zijn water noordwaarts, een kleiner gedeelte naar het zuiden.
Op het zuidelijk gedeelte van de oceaan wordt tussen de westen winddrift in het zuiden en de Zuidequatoriale Stroom bij de equator in de oostelijke helft een duidelijk merkbare kringstroom gevonden. In de westelijke helft is dit stromingsbeeld minder goed herkenbaar, doordat in de loop van een jaar herhaaldelijk grote veranderingen in het stromingspatroon optreden.


Door het draaien van de stroom op de Grote Oceaan ontstaat er in het oppervlaktewater een soort van draaikolk. Deze draaikolk is een enorme verzamelplaats geworden van al het, in de rivieren die in omliggende oceanen en zeeën uitkomen, en door de scheepvaart gedumpte plastic afval.





                        
                                   Zie vervolg: GROTE OCEAAN. WAT EN WAAR? (DEEL 2)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen