vrijdag 18 november 2016

KOOPVAARDIJ; HAAR GESCHIEDENIS. (DEEL 2)

VERVOER VAN HANDELSWAAR

EN MENSEN OVER ZEE. (2)


SCHEEPVAART OP DE MIDDELLANDSE ZEE.

Kreta had zeeverbindingen in het gehele oostelijke bekken van de Middellandse Zee tot aan Sardinië; had tevens de gehele zeehandel op Egypte in handen, en verbindingen met Tartessos, de kust van Spanje ten westen van Gibraltar, vanwaar reeds tussen 3000 en 2000 v.Chr. zeewaardige schepen naar de kusten van de Golf van Biskaje voeren.
Roeivermogen was in deze tijden zeer belangrijk, vooral voor oorlogsschepen, maar voor de vrachtschepen was het laadvermogen het belangrijkst, de plaats van de roeiers en de roeiers zelf namen laadruimte in beslag; snelheid en manoeuvreerbaarheid waren van secundair belang.
Om deze redenen was het oorlogsschip een roeischip geworden met hulp zeilvermogen en het koopvaardijschip een zeilschip met hulp roeivermogen . Deze vrij logge koopvaarders hebben gedurende vele eeuwen het grootste gedeelte van de zee goederenvervoer in de Middellandse Zee onderhouden.
Ongeveer 1400 v.Chr. verviel het Kretenzische rijk, waarschijnlijk omdat door hevige aardbevingsrampen de bewoners in groten getale het eiland verlieten en zich in Phoenicië , aan de oostkust van de Middellandse Zee vestigden.
De voornaamste stad en haven Tyrus, was het eindpunt van de Karavaanwegen uit Mesopotamië.
Daarna ging de zeehandel in belangrijke mate over in handen van de Phoeniciërs. De gehele Middellandse Zee was hun vaar- en handelsgebied; later strekten zij hun reizen tot in de Atlantische Oceaan uit, zelfs tot aan de Britse eilanden.
Zij hadden factorijen op alle grote eilanden in de Middellandse Zee en beide kusten van de Straat van Gibraltar in handen. Dit kan men zien als het eerste streven naar overzeese koloniën.
Hun schepen verschilden niet zo veel van de laat Kretenzische. Het bleven langzame vol gebouwde schepen tussen 80 en 120 ton. De gemiddelde snelheid zal niet meer dan 3 of 4 zeemijlen per uur zijn geweest.



De Phoenisiërs, de mannen van Sidon, Tyrus, Berytus en van nog vele andere steden van de Syrische kust, waren ongetwijfeld de grootste zeevaarders en reders uit de oudheid.
Hun vrachtschepen bevonden zich overal op de Middellandse Zee. De commerciële vaardigheid van de Phoenisiërs en hun aangeboren gevoel voor de scheepvaart en zeemanschap waren zo groot, dat de namen Phoenisiërs en zeeman synoniem waren.
De Griek Xenophon schreef in 411 v.Chr.: 'Ik denk dat het beste en meest volmaakte beheer van zaken, dat ik ooit zag, was toen ik een groot Phoenisch schip bezocht'. En hij vervolgt met het beschrijven van het uitstekende plaatsen en stuwen van de lading, het scheepstuig, de wapens en de gebruiksvoorwerpen van de bemanning.
Alles was weggestuwd in de kleinst denkbare plaatsen en toch zodanig, dat het voor onmiddellijk voor de hand lag.
De stad Tyrus werd steeds meer afhankelijk van Assyrië en later Perzië; het verzwakte daardoor op zee. Enige Griekse steden in Klein-Azië, waar veel Kretenzers en Phoenisiërs zich hadden gevestigd, namen de zeehandel van Tyrus over; ze werden daarna zelf weer overvleugeld door Korinthe, Lemnos en daarna Athene. De Grieken gingen toen de handelswegen in de Middellandse Zee beheersen.




                                            (Grieks koopvaardijschip anno 600 v.Chr.)

De Grieken verkenden de Zwarte Zee, vervoerden graan van Zuid-Rusland naar Griekenland en kostbare metalen uit Klein-Azië. Zij stichten nederzettingen in de vorm van steden, die daarna zelfstandig werden. Deze werden dus van blijvende betekenis, in tegenstelling met de verdwenen factorijen van de Phoenisiërs.
De Griekse koopvaarders bleven in wezen langzame en tobbe-achtige vaartuigen, maar de Griekse ontwerper gaf ze toch een gracieuze vorm en zelfs een voorsteven die het zelfde holle profiel had als de beroemde klippers. Ze waren nog steeds getuigd met het enkele brede razeil. Wel volmaakte de  Grieken de toepassing van het zeil en het tuig erbij, terwijl zij beschikten over een soort 'zeil-
aanwijzing', de 'Stadiasmos', waarin gegevens waren opgenomen over afstanden van haven tot haven en bijzonderheden van ankerplaatsen.


Het Phoenicische Carthago, al eeuwen voor de Griekse handelshegemonie  in de Middellandse Zee gesticht, bouwde geleidelijk een koopvaardij en een oorlogsvloot op en in de 5e eeuw v.Chr. waren zij de koopvaarders geworden in het westelijke gedeelte van de Middellandse Zee, waaruit zij de Grieken verdrongen hadden.
Hier kwamen dus de afstammelingen van de oude Phoeniciërs weer terug. Hun schepen waren groter dan die van hun voorvaderen en van de grieken en tegelijk zeewaardiger, omdat zij gebouwd waren om reizen ten westen van Gibraltar te kunnen maken. Op de duur kwamen zij in conflict  met het steeds machtiger wordende Rome, dat echter geen zeevaarders en geen zeetraditie had en waarvoor zij zich op zee gedurende de Punische oorlogen goed konden handhaven.
Na de val van Carthago werd de inmiddels gebouwde Romeinse oorlogsvloot nog slecht gebruikt voor de bestrijding van zeeroof; de gehele Middellandse Zee lag binnen het machtsgebied van het Romeinse rijk.



 ( Romeinse koopvaarder, naar een reconstructie van een afbeelding die in Ostia, aan de monding van de Tiber gevonden werd.)


Ook de koopvaardijschepen behoorden tot het Romeinse rijk maar die waren vrijwel nooit bemand met Romeinen, maar met Phoenisiërs, afkomstig uit Noord-Afrika, Spanje of Syrië, of met Grieken. 
De Romeinse koopvaardijschepen leken over het algemeen op het hiervoor besproken type.
De nauwkeurigste afbeelding werd te Ostia gevonden en moet ongeveer van de derde eeuw n.Chr. zijn. Het schip was geheel gedekt en had twee stuurriemen. Afbeeldingen van ongeveer 150 jaar later verschillen hier weinig mee.
In tegenstelling met de Romeinse oorlogsschepen werd de Romeinse koopvaarder gedurende de duur van van het rijk niet veel ontwikkeld.
De zeewegen werden druk bevaren, het aantal havens breidde zich uit en tegen zeeroverij was men betrekkelijk veilig.
Aan dit alles kwam echter een einde bij de val van het rijk en gedurende de volksverhuizingen van ongeveer 450 - 500 n.Chr. Toen gingen in de Middellandse Zee en ook aan de Atlantische kust de gehele organisatie van de koopvaardij, de beveiliging ervan, benevens de zeehavens, ten onder met de val van de oude beschaving.

De eerste periode van de koopvaardij was hiermee ten einde gekomen. De Middellandse Zee was van een verbinding tussen de aangrenzende landen wederom een scheiding geworden en de noordkust van Afrika werd geheel door de Arabieren beheerst.
het zou eeuwen duren voor men in Europa weer van een koopvaardij kon spreken.



                                     Zie vervolg: KOOPVAARDIJ; HAAR GESCHIEDENIS. ( DEEL 3-
                                      NAAR DE KUSTEN VAN NOORD-WEST EUROPA.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen