zaterdag 22 mei 2021

SCOW UIT NIEUW ZEELAND.

 

            AFGELEID VAN DE 

      NEDERLANDSE "SCHOUW".


SCOW.

Een scow is een platbodem vaartuig van het type twee- of driemastschoener voor de kustvaart in Nieuw-Zeeland en voor de vaart op Australië met hout, kolen en vee.
De naam "scow" is afgeleid van de Nederlandse "schouw", daar het in veel talen moeilijk is de 'sch' uit te spreken.

De scow bestond als dekschuit, waarbij de lading aan dek werd gestuwd, of als ruimschip, waarbij ze in het ruim werd vervoerd.
De oudere scows hadden een vierklant voorschip; ze werden in de 19e eeuw gebouwd met een clippersteven, een platte spiegel en hoekige kimmen.
De zeilscowen hadden een aanzienlijk voordeel ten opzichte van de traditionele zeilschepen met een diepe kiel die ook tijden de populariteit van de scow in de vaart waren.
De schepen met een diepe kiel konden niet altijd tot on der de kust komen om hun lading te lossen en deden dit een een platbodemvaartuig dat in de ondiepe kustwateren en rivieren kon varen. Daarentegen waren deze platbodemvaartuigen minder geschikt voor de open zeevaart door het verlies van hun zeewaardigheid.

De romp was door een dubbeling in tatorohout tegen paalworm beschermd.
Houten schepen hadden enkel een verschansing op het achterschip. het roer kon worden neergelaten naar gelang de diepte van het water. Er waren twee tot drie midzwaarden.


Meestal voerden zij schoenertuig, hoewel ook een kitstuig werd gevoerd.
Enkele zeilden als driemasttopzeilschoener.
Het draagvermogen varieerde van 90 tot 300 ton.

Het type scow werd in de 19e en begin 20e eeuw ook veel gebruikt op de Amerikaanse Grote Meren en aan de zuidkust van Engeland.

Tegenwoordig worden de types van de scow weer gebouwd voor de pleziervaart, maar van lichtere materialen of ijzer.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten