zaterdag 20 december 2014

SCHEEPSANKER EN TOEBEHOREN. (DEEL 2)

HET SYMBOOL VAN DE SCHEEPVAART. (2)

DE ANKERKABEL. 

De ankerkabel of ankertros wordt met een ankersteek aan het anker bevestigd.
Ieder schip had doorgaans drie tot vijf ankerkabels aan boord die in de 17e eeuw een lengte hadden van 115 vadem en in de 18e eeuw een lengte van 150 vadem. ( een vadem is gelijk aan 6 voet afgerond op 1,829 meter.)
De lengte van de ankerkabel noemt men kabellengte en deze was bij een lengte van 115 vadem ongeveer 195 meter en bij 150 vadem ongeveer 255 meter.
De kabel van het boeganker werd samengesteld uit 4 tot 6 ankerkabels die aan elkaar gesplitst waren. De dikte van de kabel was zoveel halve duimen als het schip in voeten breed was. ( een duim is 25,4 millimeter).
De ankerkabel werd met behulp van de 'kabelaring' ingehieuwd.  Vervolgens werd de kabel opgeslagen in het kabelgat en kwam op een roostervloer te liggen, waardoor de kabel luchtig kon drogen. Het einde van de ankerkabel was aan een verstevigde ring welke bevestigd was in de vloer van het ruim vastgemaakt.


KABELARING.

Een kabelaring is een touw zonder einde dat gebruikt wordt om de ankertros binnen te halen.




1. Ankerkabel.
2. Kraanbalk voor het opbergen van het anker.
3. Seizings.
4. Kabelaring.
5. Gangspil.
6. Windbomen of handspaken.

De ankerkabel was te zwaar om hem om het ankerspil heen te leggen. Aan de kabelaring waren op gelijke afstanden muizings aangebracht. Dit zijn peervormige verdikkingen bekleed met leer. De kabelaring werd om het spil gelegd en de ankerkabel werd met seizings (touwen) aan de muizings vastgemaakt.

Het ankerspil werd door mankracht rond gedraaid, waarbij achter ieder handspaak zeker twee mannen nodig waren. Vaak werd hierbij een zeemanslied 'gezongen'.
Door het draaien van de ankerspil werd de ankertros naar binnen gehaald. Zodra een zeising het kabelgat had bereikt werd er een nieuwe bij het kluisgat gezet en de andere losgemaakt.


GANGSPIL.

1. Kop.
2. Gaten voor de handspaken of windbomen.
3. Stander of koning.
4. Klampen.
5. Klampsteunen.
6. Borgpallen.
7. Palrand.
8. Spilfundatie.
9. Dekplanken.


BRAADSPIL.




Buiten de verticaal geplaatste ankerspil kende  men ook nog de horizontaal geplaatste spil, de braadspil. Bij het gebruik hiervan moest men steeds de handspaak verplaatsen in het ronde rondsel, wat gevaarlijk was als men niet genoeg kracht op het rondsel hield of de borgbouten niet goed vastdraaide van de rem, waardoor het spil terug kon draaien en de bemanning verwonden door de dan afbrekende spaakwielen.




1. Zware stijl voor de koning.
2. Opsluitstukken voor de koning.
3. Borgbouten.
4. Spilkoning.
5. Gaten voor de handspeken of windbomen.

De opsluitstukken fungeerden tevens als rem na het vastdraaien van de borgbouten.








Ook de trossen van een schip werden vroeger met de een spil en door middel van mankracht aan boord gehaald.
Een dergelijke spil werd 'Kaapstander' genoemd.



DE ANKERKETTING.

Een ankerketting is een ketting waarmee het anker aan het schip is verbonden. Vergeleken bij de vroeger gebruikte ankerkabel of ankertros is de ankerketting effectiever en betrouwbaarder.
Door het groter soortelijke gewicht komt de ketting tussen het anker en het schip in een bocht te hangen en vangt daardoor rukken en stoten beter op.
Reeds in de Romeinse tijd waren er reeds schepen met een ankerketting uitgerust, maar tot in het begin van de 19e eeuw bleef de ankerkabel algemeen in gebruik.
Door de kwaliteitsverbetering van het staal en het steeds meer toenemende gebruik van dit materiaal in de scheepvaart, verdrong de ankerketting de kabel.



De ankerketting wordt samengesteld uit een aantal gesloten stukken ketting van ieder 15 vadem van 1,83 meter of ook wel 25 meter.
Deze ketting lengten bestaan uit een oneven aantal ellipsvormige schakels of schalmen die ter versterking en tegen kinken zijn voorzien in het midden van een dam of mannetje tussen de langszijden.
Vroeger werden deze kettinglengtes met elkaar verbonden door een D-sluiting, maar tegenwoordig door een losneembare patentschalm ook wel kenterschalmen genoemd.



De ankerketting werd in vroegere tijden net zo binnen gehaald als de ankerkabel. Deze werd dan onderdeks opgeslagen in de ketting kist. Om nu te voorkomen werden tijdens het binnenhalen van het anker de ketting in de kettingkist opgeslagen in zogenaamde 'Franse bochten'. Dit werd gedaan om bij het vallen van het anker te voorkomen dat er knopen in de ketting zouden ontstaan.
Bij de moderne grote schepen van tegenwoordig is dit een onbegonnen taak door het enorme gewicht van de ketting en daarbij de kettingbak een afgesloten deel van het schip, alleen toegankelijk door een waterdicht luik .


OPBOUW VAN DE ANKERKETTING.

De opbouw van de ankerketting gerekend vanaf ket anker kan als volgt zijn; de ketting is aan het anker bevestigd met een zware D-sluiting, waaraan de eindschalm is bevestigd.
Aan deze eindschalm bevind zich een grote schalm met een dam met daaraan een wartel.
Deze wartel is draaibaar en kan voorkomen dat er slagen in de ketting komen bij het binnenhalen van het anker. Na deze wartel weer een grote schalm met een dam in het midden waarna de gewone lengtes van de ketting beginnen. Het aantal lengtes van de ankerketting is weer afhankelijk van de tonnage van het schip.


Het einde van de ankerketting bevind zich in de kettingbak en is verankert aan de slampamper of de duvelstoejager.
Dit wordt gedaan om het volledig uitlopen van de ankerketting te voorkomen bij het ankeren.
Ook kan men zo de ketting losmaken van het schip gedurende een dokperiode waarin de ketting wordt geïnspecteerd en de ketting wordt gekeerd. Dit keren houdt in dat men de eindschalm bij het anker los koppelt en deze weer vastmaakt aan de duvelstoejager. Dit wordt gedaan om een gelijke slijtage van de ketting te verkrijgen.


( De ankerketting en het anker van een 80.000 tonnage tanker op de bodem van een droogdok om gekeerd te worden.)

Teneinde om bij het ankeren te kunnen zien hoeveel ankerketting er is uitgelopen, zijn de kettingeinden gemerkt.
Dit merken gaat als volgt: De eerste patentschalm tussen de twee kettingeinden wordt rood geschilderd en de daarnaast gelegen eerste schalmen wit.
Bij de tweede patentschalm word het zelfde gedaan, maar worden de er twee schalmen wit geschilderd aan ieder zijde en zo merkt men de gehele ankerketting.
Het aantal uitgelopen patentschalmen wordt aan de scheepsbrug door gegeven. Vroeger werd dit gedaan met de ankerbel, voor iedere patentschalm een belslag. Later met behulp van een handy-talkie en tegenwoordig met behulp van een instrument, de ankerketting-meter via elctronische weg.




( Een ankerkettingschalm van het s.s.Lepton, een mammoettanker. De schalm heeft de afmetingen van 60 bij 40 centimeter en is zo niet op te tillen.)

ANKER THUIS.


In vroegere tijden en zeker bij het gebruik van een stokanker bleef het anker buiten tegen de huid van de boeg hangen en werd door middel van touwen gezekerd om het slaan tegen de scheepshuid tegen te gaan.

1. Stokanker.
2. Ankerketting of ankerkabel.
3. Sluitharp (D-sluiting).
4. Kraanbalk.
5. Valinrichting.
6. Portuurlijn. (Waaraan het anker onder de kraanbalk wordt opgehangen.)

Nadat het stokanker werd vervangen door het stokloze anker was het gemakkelijker om het anker verder binnenboord te halen , waarbij de vloeien tegen de scheepshuid aankwamen te liggen en de schacht geheel in de ankerkluis.

KATTEN EN VISSEN VAN HET ANKER.

Dit is het respectievelijk onder tegen de kraanbalk en in horizontale stand brengen van het boeganker, toen daarvoor nog een stokanker werd gebruikt dat niet in een kluis kon worden gehieuwd.
Aaan de kop van de uitstekende kraanbalk bevond zich het kattakel, waarvan de loper geschoren was door drie schijven in het uiteinde van de balk en door een daaronder hangend blok, het katblok, waaraan een grote haak was bevestigd die in de roerling van het anker moest worden gepikt zodra dit boven water kwam. De halende part van het kattakel werd rond de gangspil genomen en hiermee werd het anker gekat. Moest men het anker niet voor onmiddenlijk vallen gereed hebben, dan werd het, door de roering, met de portuurlijn aan de kraanblak gehangen, zodat het kattakel werd ontlast.
Na dit katten kon het anker nog heen en weer zwaaien; daarom ging men het vissen, ook kippen genoemd. Daartoe werd het vis- of kiptakel opgetuigd, een zwaar jijn of vierloper, dat aan een stalen of kettinghanger aan de kop van de voormarsesteng opgehangen werd. De haak van het onderste blok werd onder een vloei of op het kruis van het anker gepikt en met een bindsel vastgelegd; de halende part werd naar het gangspil geleid en dan werd het kruis achterwaarts omhoog gehaald tot de armen boven het boord kwamen, waar ze in de ankerbrug werden gelegd, een blok hout waarin ze enigszins passend konden rusten. Daar werden ze met de rustlijn onwrikbaar vastgesjord.
Langs de zwaaibocht waar een van de handen van het anker bij het vissen langs de buitenhuid kon schavielen, was deze beschermd door een dubbeling, de ankervoering.
In plaats van een jijn aan de fokkemast werd op de vroegere zeilschepen soms een zware spier op de rust geplaatst en aan deze spier het vistakel opgehangen. De spier moest echter gestaagd worden aan de fokkemast en eveneens naar voren en achter, zodat dit nogal bewerkelijk was.
Op de vroege stoomschepen werd gekat en gevist met ankerdavits.



DE ANKERKLUIS.

De ankerkluis is een geleidepijp, voor de ankerkabel of de ankerketting, aangebracht in de boeg van het schip, aan beide zijden van de voorsteven. Aan het einde van de geleidepijp is een rond kraalprofiel aangebracht, een gietstalen kluisbaard gebout of gelast.
De ankerkluis dient zodanig helling te hebben dat het anker onmiddellijk kan vallen.
Kluisgaten liggen meestal ter hoogte van het bakdek. Op moderne schepen wordt het anker met de schacht tot aan het kruis in het kluisgat thuisgehieuwt.



Bij dit schip in een droogdok zijn anker en ankerketting gereed om weer  aan boord gehieuwd te worden.
Bij dit schip zal het anker geheel verdwijnen in het naar binnen gebouwde kluisgat.


ANKER HIEUWEN.

Dit is het inhalen van de ankerketting met behulp van het ankerspil, tegenwoordig een mechanisch aangedreven werktuig, door stoom, hydraulisch of elektrisch. 
Tijdens het anker hieuwen wordt door het aantal slagen op de ankerbel bij het ankerspil, naar de brug aangegeven hoeveel ketting er nog 'uitstaat'. (Nu met behulp van een handy-talkie.)
Is er nog bijvoorbeeld 45 vadem uit, dan worden er bij het passeren van deze kettingsluiting 3 slagen op de bel gegeven.
Tijdens het inhieuwen van de ketting wordt deze schoongespoten met behulp van een dekwasslang aansluiting geplaatst in de ankerkluis om zo sediment van de bodem te verwijderen.
Tevens wordt er bij het inhieuwen opgelet dat er geen vreemde objecten met het anker mee naar boven worden gehaald.

[ zie vervolg; Scheepsanker en toebehoren. (deel 3) ]



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen