MIJN LAATSTE REIS NAAR EEN MIJ
GELEIFD GEBIED VAN DE BATAKKERS,
WAT EEN RAMPGEBIED WERD.
DEEL 4.
NOORD-SUMATRA.
Via, wat hier heet nog rustige wegen, reden we naar een plaats waar weer een natuur bron was.
We hadden een mooi zicht op Sipoholon ver weg tegen de berghelling.
Via landweggetjes bereikten we een nieuwe bron, en wel genaamd de Soda bron in de Desa Parbubu.
Het vreemde aan deze ook vulkanische bron is dat het geen warmwater is maar koud water waarin koolzuur opstijgt uit de stenen op de bodem.
Het is een kleine afgedamde waterplaats waar de lokale bevolking veel heil aanhecht om er te baden voor hun gezondheid.
Voor mij weer een natuur verschijnsel.
Door deze desa stoomt een klein bergriviertje, waarin enorme keien liggen. Maar opvallen was het bord vlak aan het begin van de desa.
Hierop wordt gewaarschuwd voor overstroming van het gebied als deze kleine bergstroom buiten haar oever treed.
Op het eerste gezicht dacht ik , met zo een klein stroompje, maar niet veel later waar deze kleine bergstroom uitkomt in de grotere rivier de Sigeaon de gevolgen ervan. Hier stond eens een huis.
In Desa Parbubu staat een groot monument ter ere van I.L. Nommensen.
Ludwig Ingwer Nommensen werd op 6 februari 1834 geboren in Nordstrand, hertogdom Sleeswijk, Denemarken; nu het huidige Duitsland. Hij overleed op 23 mei 1918 te Sigumpar, Toba, Tapanuli Residentie in het toenmalig Nederlands-Indië.
Nommensen kreeg in 1846 een ongeluk en werd door een paardenkar overreden over zijn benen, waardoor ze verbrijzeld werden. Men ging er van uit dat hij nooit meer zou kunnen lopen, maar na gebeden te hebben om herstel, kon hij zo'n vier jaar later weer lopen. Hij had grote belangstelling in het christelijk zendingswerk en werd na een studie in 1862 naar Sumatra uitgezonden, waar hij ondanks tegenwerking van lokale leiders, het christendom te verspreiden. Hij is de oprichter van de Batak Christelijk-Protestantse Kerk. Hij ligt begraven in Sigumpar, Toba, Noord-Sumatra.
We steken de Sigeanon rivier over, een rivier met vies bruin water, die aan beide oevers voorzien is van een dijk. Vlak na de brug staat een standbeeld van een landbouwer. Hij staat op een voetstuk met daarop lokale vruchten, zoals ananas, jackfruit en durian. Op zijn schouders draagt hij een enorme aardnoot.
Het gebied rond de stad Tarutung staat bekend om zijn groenten, tomaten, fruit en vooral de teelt van aardnoten.
DE PINDA.
De pinda, Latijnse naam Arachis hypogaea, ook wel aardnoot, grondnoot, olienoot of apennoot genoemd, is ondanks al deze namen, botanische gezien een peulvrucht met daarin één, twee of drie zaden. De pindaplant behoort zoals alle peulvruchten tot de vlinderbloemenfamilie. De bloem bevindt zich op scala, en daaruit ontwikkelt zich na bevruchting een peul met meestal twee zaden. Daarna ondergaat de vrucht een bijzondere ontwikkeling: de stengel waaraan de peul groeit wordt langer en boort zich in de grond. Dit deel van de stengel wordt een carpofoor of vruchtdrager genoemd. Onder de grond rijpt de vrucht en vervolgens, onder natuurlijke omstandigheden, over tot ontkieming. De plant ie eenjarig en heeft zijn oorsprong in Zuid-Amerika, vanwaar door de Spanjaarden in de 16e eeuw in tropische en subtropische gebieden over de gehele wereld werd verspreid.Het oogsten vindt meestal plaats in september en oktober, maar ook nog in de maanden daarna, afhankelijk van het inzaaien en het weer. De planten worden uit de grond gehaald en vaak met de pinda's naar boven gelegd om te drogen.
De teelt in regio's zoals Tarutung richt zich vaak op lokale markten en consumptie. Het branden van deze aardnoten gebeurd voor de consumptie in kleine fabriek branderijen, maar ook door de telers zelfstandig.
Gebrande pinda's zijn hier te koop in de warung in diverse varianten, maar niet gezouten zoals in Nederland.
Op een markt kochten we een grote zak vol pas gerooide aardnoten met de aarde er nog aan. En daar was een lokale pindaverkoper de aardnoten aan het branden op een zeer slim doordachte manier. In een soort stellage boven houtskoolvuur, was een oude wasmachine trommel geplaatst waaraan een slinger was bevestigd. De verse aardnoten werden in de trommel gedaan en deze werd met de hand rond gedraaid boven het houtskoolvuur. Na korte tijd werd het ronddraaien gestopt, de klep geopend en werden de vers gebrande aardnoten uit de trommel gehaald, en ze smaakten best lekker zo warm. Helaas wenste de eigenaar niet met zijn werktuig gefotografeerd te worden. Onze nog vuile aardnoten werden thuis eerst gewassen en van alle verontreinigingen ontdaan. Hierna werden ze in de schil gekookt, wat ook smakelijk is deze gekookt te eten, maar uiteindelijk zouden ze gepeld worden en de zaden worden gebruikt om o.a. pindasaus van te maken, welke naar gelang de hoeveelheid toegevoegde chilipepers zeer pittig kan zijn.
Het eventueel verder bezichtigen van de omgeving ging niet door daar het weer zwaar was gaan regenen, dus terug naar ons onderkomen. Onze bagage ingepakt en Epi van haar werk afgehaald, daar ze mee naar huis in Siantar zou reizen. Het werd een donkere rit met veel regen naar Balige en Parapat.
In Parapat een stop gemaakt om bij een Chineesrestaurant wat te eten en toen verder. Het was erg druk op de weg met vrachtverkeer en volgeladen tankwagens met brandstof. Zo reden we in een lange file bergopwaarts op deze zwaar slingerende weg uit de krater van de voormalige vulkaan Toba.
Tegen 22.30 eindelijk weer thuis en na het genot van een biertje naar bed gegaan.
Zie vervolg: NOORD-SUMATRA RAMPGEBIED. 2025. DE LAATSTE DAGEN. DEEL 5.






.png)

.png)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten