zondag 15 maart 2015

FEI-HSIÈH. WAT IS DAT?


CHINESE RIVIERPOLITIEBOOT.




Deze rivierpolitieboot uit China, van het jonktype, deed tot in de zestiger jaren van de 19e eeuw dienst op verschillende plaatsen van de Chinese rivieren om jacht te maken op onderduikers van het tolgeld.

  
De schepen werden ook bij reddingswerk gebruikt. Het waren platboomde schepen met een oplopend vlak voor- en achterschip en sterk afhankelijk van de windrichting bij het uitoefenen van hun functie.
Op het achterschip stond een hut en op het voorschip was een stuk geschut opgesteld. De afmetingen waren: lengte 65 voet, breedte 17 voet en een holte van 6 voet. 
Door de opkomst van de dieselmotoren verdwenen deze schepen uit het rivieren beeld en maakten plaats voor snelle  gemotoriseerde patrouillevaartuigen.


zaterdag 14 maart 2015

FELOEK. WAT IS DAT?

VEEL VOORKOMEND OP 

DE MIDDELLANDSE ZEE.

(Links; Spaanse feloek.)

Het is een kustvaarder van de Middellandse Zee, ook genoemd in het Portugees 'fallua'; in het Spaans falla; in het Frans 'felouque; in het Italiaans 'feluca'; in het Turks 'fulouqa; in het Russisch 'féliouka'; en in het Egyptisch 'faluka'.


De klassieke Franse en Italiaanse feloek is een soort lichtgebouwde galei die vroeger zowel geroeid als gezeild werd. De oudere typen hadden een , apostis, gangboord met verschansing waarop de roeiriemen steunden.
De feloek had ook hetzelfde ver uitstekende scherpe als de galjoen. Het achterkasteel stak een stuk over het achterschip uit. Deze schepen waren hoogstens 50 voet lang.
Zij voerden licht naar voren hellende masten met latijnzeilen. Zij werden geroeid met ten hoogste 12 riemen per boord. 
Oorlogsfeloeken waren bewapend met twee boegstukken en 32 draaibussen. Op dek waren aan iedere zijde 12 luiken. Op de scheerstokken van deze luiken konden de roeiers zitten.

                                                               ( Siciliaanse feloek.)

In de 18e eeuw hadden deze schepen ook een roer aan de voorzijde. De latere Spaanse feloek miste het lange galjoen maar had een lichtgebogen steil staande voorsteven die hoog boven het water uitstak. Het latijnzeil van de bezaanmast was aanzienlijk kleiner dan het grootzeil. Een vliegende fok werd op een lange boegspriet bijgezet.
Sommige feloeken hadden drie masten met latijnzeilen. Zij hadden 20 en meer roeibanken per boord en op het achterschip was een hut gebouwd.
Soortgelijke feloeken met drie masten werden in de 19e eeuw gebruikt door Griekse kapers.
Behalve de drie latijnzeilen en een fok werd ook nog een vierkant topzeil gevoerd, waardoor het tuig op dat ven een chebeck ging gelijken.
De Egyptische 'gaiassa' wordt ook wel faluka genoemd. Het waren vroeger de handelsschepen van de Nijl. Heden ten dagen zijn de feloek omgebouwd voor de Nijl vaart met passagiers bij Aswan.


                                              ( Egyptische feloek op de Nijl bij Aswan.)


donderdag 12 maart 2015

CHEBECK . WAT IS DAT?



OORSPRONKELIJK ARABISCH.

Een Chebeck is een zeilschip, waarvan het type en de benaming naar alle waarschijnlijkheid stammen van de Arabische zeevaarders.



Het waren de chebecks van de Barbarijnse zeerovers die in de 17e en 18e eeuw gevreesd werden.
Bij de Europese marines waren het de Fransen en de Spanjaarden die dit type schip in het midden der 18e eeuw invoerden, later gevolgd in verschillende andere landen, onder andere in Rusland.


                                                           ( Spaanse Chebeck.)

Behalve als zeerovers- en oorlogsschip kwam het type ook voor als vissersschip en koopvaardijschip.
Chebecks hadden nooit meer dan een paar honderd ton waterverplaatsing en waren scherp van lijnen.
Ze waren voorzien van drie masten, waarvan de voorste opvallend schuin naar voren overhelde.
Oorspronkelijk waren deze schepen getuigd met latijnzeilen, later ook gedeeltelijk met razeilen.
Het waren uitstekende snelle zeilers. Toch deden ze veel aan het roeischip de galei denken, niet in het minst door de scherpe puntige voorsteven.
De riemen echter waren niet meer dan een hulpmiddel als de wind wegviel.
Vóór het midden van de 19e eeuw verdwenen deze sierlijke scheepjes van de zeeën.





woensdag 11 maart 2015

GAFFEL, GAFFELTUIG EN GAFFELSCHIP; WAT IS DAT?

                          ALLES VOOR DE WIND VOORTSTUWING.


GAFFEL.

Een recht of gebogen rondhout voor het op- en uithouden van het bovenlijk van een vierhoekig langsscheeps zeil, een gaffelzeil, achter de mast.
Het is genoemd naar het meestal gaffelvormige uiteinde, de klauw, waarmee hij om de mast grijpt, daartegen steunt en waaromheen hij zowel in horizontale als verticale vlak kan zwaaien.
Bovendien kan de klauw verticaal langs de mast glijden als de gaffel gehesen of gestreken wordt.

Verklaring cijfers gaffeltuig van een jacht; 1. - Gaffel; 2. - Nokval of piekval; 3. - Galg of hanepoot; 
4. - dirk of kraanlijn van de boom; 5. - Klauw; 6. - Klauwval; 7. - Rakbanden.

Dit gebeurt soms met één, doch meestal met twee vallen, respectieveleijk klauwval en piekval ( ook binnen- en buitenval) geheten. In plaats van met een klauw, kan het uiteinde van de gaffel ook op een andere wijze aan de mast bevestigd zijn, bijvoorbeeld door een lummel waarvan de lummelpot of bus al of niet langs de mast op en neer kan glijden via een rail met slede.



Rechts het gaffeltuig van een 18e eeuws fregat met tegen de mast en de gaffel gegeid boomzeil.
Verklaring van de cijfers: 1. - Strijkende gaffel;
2. - Klauwval; 3. - Nokval of piekval;
4. - Dirk van de boom; 5. - Boom of giek;
6. - Schoot; 7. - Masthoepels; 8. - Hanepoot.
Geheel rechts: 1. - Klauw van de gaffel;
2. - Rakband met kloten.

Is de lummel vast op de mast bevestigd, dan is de gaffel niet strijkbaar. ( vaste of staande gaffel).
Dit is bijvoorbeeld het geval bij de bezaan van grote vierkant getuigde schepen. Het zeil wordt dan meestal geborgen door het tegen de mast te halen, waartoe het niet op de gaffel gemarld of genaaid is, doch met rakbanden daarlangs kan worden in- of uitgehaald. Ook strijkbare gaffels werden, vooral wanneer zij lang en zwaar waren, wel vast of 'staand' gevaren, dat wil zeggen men streek ze alleen als het zeil moest worden aan- of afgeslagen, doch niet als het normaal werd bijgezet of geborgen. Dat laatste gebeurde door het met gordings tegen de gaffel en met geien tegen de mast te trekken. Hiertoe zijn op de gaffel aan aantal gordingsblokken genaaid of met sluitings gesloten op de ogen die zich bevinden aan ijzeren banden welke om de gaffel zijn gekrompen. Deze dienen ook tot de bevestiging van vallen, eventueel uithalers voor een broodwinner, vlaggenlijn of geerden. De geerden dienen om lange gaffels enigermate in bedwang te houden, dat wil zeggen om het te ver uitwaaien ervan te voorkomen.
Op moderne schepen is ook wel een kleine vaste gaffel aanwezig aan de achtermast en/of de seinmast, voor het voeren van vlaggen.


GAFFELTOPZEIL.

Verklaring van de cijfers:
1. - Hijs; 2. - Schoothoorn; 3. - Hals; 4. - Masthoepels;
5. - Geitouw, neerheler; 6. - Schoot; 7. - Klauwval;
8. - Piekval.

Het gaffeltopzeil is het zeil dat boven de gaffel aan d steng wordt gehesen.
Om te voorkomen dat na het wenden het zeil tegen de peikval zou schavielen werd na deze manoeuvre de hals van het zeil over de peikval gelicht.
De schoot van dit zeil loopt door een schijf in de schildpad, die aan de nok van de gaffel is genageld.

GAFFELTUIG.

De langsscheepse tuigage waarbij achter de grote mast een vierhoekig zeil aan een gaffel wordt gevoerd. Deze gaffel wprdt meestal gehesen aan twee vallen, het klauwval dat vlak bij de klauw is bevestigd, en het nokval of piekval dat nabij de nok aangrijpt. Voor een gelijkmatige verdeling en goede richting van krachten op de gaffel, is de piekval meestal op een spruit of hanepoot aan de gaffel gestoken.
Het gaffeltuig schijnt bij de binnenvaart in het begin van de 17e eeuw te zijn ontstaan, voornamelijk uit het spriettuig, waarvan de zware vaste spriet werd vervangen door een kortere en minder zware gaffel. Op zeeschepen ontwikkelde het latijnse bezaanzeil zich tegen het einde van die eeuw eveneens tot een gaffelzeil. Bij dit 'staand' gaffeltuig werd het onderlijk van het zeil aanvankelijk nog niet uitgehouden door een giek of zeilboom. Het zeil werd geborgen door het tegen gaffel en mast te geien, waarbij het echter veel windvang bleef bieden. Dot nadeel en de invoering van de giek die het zeil een betere stand kon geven, leidden op kleinere vaartuigen tot het invoeren van strijkende gaffels zoals die heden ten dage nog op jachten voorkomen.
Het gaffeltuig raakt hier in onbruik en is grotendeels vervangen door het torentuig, dat over het algemeen een beter aerodynamisch effect heeft, behalve misschien voor de rankere schepen op ruimere koersen. Varianten op het gaffeltuig zijn het bezaantuig en het houarituig.


GAFFELZEIL.

Oud gaffelzeil.

Verklaring van de cijfers:
1. - Rak.
2. - Nok of hijs.
3. - Hals.
4. - Schoothoorn.
5. - Verdubbeling.
6. - Bovenlijk.
7. - Verdubbeling.
8. - Voorlijk.
9. - Verdubbeling met stootbout of schootlap en 
       nokbout of noklap.      
10. - Achterlijk.
11. - Verdubbeling.
12. - Onder- of voetlijk.
13 t/m 15 - Eerste, tweede en balansrifband.
16 t/m 19 - Leuvers van rak, nok, hals en schoot.
20. - Rifleivers of rifmotten.
21. Rifseizings.

Het gaffelzeil is een vierhoekig langsscheepszeil, op- en uitgehouden door een gaffel achter de mast.; op zeeschepen ontstaan door inkorting van het latijnse bezaanzeil. Aanvankelijk werd het nog aan de lange roede gevoerd, in de 18e eeuw werd dit rondhout ingekort tot de mast en voorzien van een klauw of gaffel die tegen de mast steunde.
In de 17e eeuw kwam het reeds voor op katschepen, vissersschepen, binnenschepen en andere kleinere vaartuigen alwaar het voornamelijk, uit het spriettuig schijnt te zijn ontstaan.

( Gaffelzeil; bezaan aan roede op een 18e eeuws fregat.)

Het meest voorkomende gaffelzeil  had over het algemeen een langwerpig trapeziumvorm met evenwijdig voor- en achterlijken. De schoottalie stond op het achterlijk en de schothoorn vast.
Op het achterlijk stonden eveneens geien vast om het zeil dicht en samen te trekken tegen de mast en gaffel zonder de laatste te strijken.
Een gaffelzeil werd later van een zeilboom voorzien en dan boomzeil genoemd.
De juiste benaming hangt af van de plaats en het gebruik van dit zeil. Zo noemt men het gaffelzeil aan de laatste mast van een drie- of viermastschip bezaan. op een brik heet het dan 'brikzeil', op een schoener 'schoenerzeil' en op een koter 'kotterzeil'. In de 19e eeuw werden ook tussen de masten gaffelzeilen gevoerd meestal zonder, maar ook met boom. Men kende het 'achterbarkzeil' aan de grote mast van een bark en het grootgaffelzeil aan de grote mast van een volschip. Op de zelfde wijze had de fokkemast een 'voorbarkzeil' of een 'fokkegaffelzeil'. Op een viermastschip kende men aan de kruismast een 'kruisgaffelzeil'.

GAFFELSCHOENER.

Gaffelschoener.

Verklaring van de cijfers:
1. - Grootzeil.
2. - Schoenerzeil.
3. - Stagfok.
4. - Kluiver.

Een gaffelschoener is een schip met 2 tot zeven masten, waarop alleen gaffelzeilen en stagzeilen worden gevoerd.
De masten van deze schepen hebben geen stengen en daarom worden zo ook wel 'baldheaded' schoeners genoemd.


GAFFELTOPZEILSCHOENER.

Gaffeltopzeilschoener; aan de stengen het voorgaffeltopzeil en het grootgaffeltopzeil.

Het is een schoener met twee of meerdere masten, waarop gaffelzeilen, gaffeltopzeilen en stagzeilen worden gevoerd.
De masten van dit soort schip zijn verlengd met een steng.






STATENJACHT ´DE UTRECHT´.

( 'De Utrecht' met een staand gaffeltuig en een ratopzeil.)

Het Statenjacht 'De Utrecht' is een authentieke reconstructie van een historisch zeilschip, gebouwd op basis van originele tekeningen uit 1746.
De rijk versierde Statenjachten werden in de 80-jarige oorlog ingezet voor het vervoer van de bevelhebbers van de Hollandse vloot.
Na de voltooiing van het schip in 2003 vonden 90 jongeren die bij de bouw waren betrokken  een reguliere baan.


( 'De Utrtecht' met een spriettuig uitgerust.)

De Utrecht is tegenwoordig beschikbaar voor diverse gelegenheden en bijeenkomsten.
Te Muiden als een trouwlocatie in de periode van mei tot oktober en verder voor vaarten op het IJsselmeer.















vrijdag 6 maart 2015

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (DEEL 3 DE BOEGVERSIERING.)


ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (3)

BOEGVERSIERING.



Boegversiering is versiering met beeldhouw- of schilderwerk aan het voorschip, in het bijzonder van de boegen aan beide zijde van de voorsteven. Vooral bij schepen zonder stevenversiering worden als boegversiering beschouwd: de drukker, de knie die de kraanbalk ondersteund, knechten, bolders, en beretanden met gebeeldhouwde uiteinden of voorzijden: beschilderde koppen; snijwerk rond de kluisgaten en op de kluisplaten; decoratief schilderwerk al dan niet verwerkt met de scheepsnaam; gebeeldhouwde en gepolychromeerde boegplanken en de oculus, het oog, op Griekse, Italiaanse en scheepjes uit het Verre Oosten.

Op de oude zeilschepen is de meest voorkomende boegversiering het boegbeeld.
Men kent dit vooral op schepen van de 15e tot de 19e eeuw, zowel in de handels- als in de oorlogsvaart.
De Nederlandse oorlogschepen waren over het algemeen voorzien van een afbeelding voorstellende een leeuw.
De meest voorkomende afbeeldingen zijn figuren uit de mythologie. Veel boegbeelden zijn zowel dierlijk als vrouwelijk.


DE OORSPRONG. 

Het maken van de boegbeelden ontstond uit een gebruik der Antieken, die door het decoreren van de boeg de goede geesten wilden bewegen om bezit van het schip te nemen.
De oude Egyptenaren versierden reeds de boeg van hun schip. 
In de bijbel wordt reeds verhaalt, dat Paulus reisde op een Alexandrijns vaartuig dat een boegbeeld droeg van Castor en Pollux, de halfgoden die door de zeelieden toen werden vereerd. Ook het plaatsen van het alziend oog, de oculus kende men reeds uit de oude Griekse en Romeinse tijd. 
De Vikingen voerden een drakenkop, die ze bij het naderen van land verwijderden, om de vriendelijke landgeesten niet te verontrusten.
Veel schepen droegen een afbeelding van hun naam als boegbeeld. In principe beruste het allemaal op bijgeloof.

De houtsnijder vestigde zich gewoonlijk op een stille zeilzolder in de buurt van de scheepswerf waar het schip werd gebouwd.
De scheepsbouwers tekenden de lijnen van de steven op de vloer om te laten zien waar het beeld moest komen. De houtsnijder zocht een gewenst stuk hout op en tekende zijn ontwerp er op, waarna hij het blok hout begon te bewerken met hamer, beitel en guts.
Daar veel reders de gewoonte hadden om het schip de naam van een van dochters of geliefden te geven was  de vrouwelijke afbeelding zeer in trek.




Een uitzondering is het boegbeeld van het Omaanse opleidingsschip 'Shabab Oman' ( Kinderen van Oman). Hier wordt een man afgebeeld in de traditionele kleding van Oman met aan beide zijden op de boeg een groene palmtak. Het is namelijk volgens het islamitisch geloof  niet toegestaan afbeeldingen van vrouwen of dieren de plaatsen.



De replica van het VOC zeilschip Amsterdam, gelegen bij het Scheepvaart Museum van Amsterdam, heeft buiten de leeuw als boegbeeld ook nog twee hekbeelden op haar achterkasteel.




Bij het verdwijnen van de zeilschepen van de wereldzeeën in het begin van de 19e eeuw, verdween ook langzaam het gebruik van het boegbeeld. De moderne reders laten nu nog wel het maatschappij logo voor op de boeg afbeelden. Alleen op de nog in de vaart zijn drie- of viermasters en clippers welke als opleidingsschepen dienst doen kan men nog de fraaie boegbeelden op terug vinden.




donderdag 5 maart 2015

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. ( DEEL 2 'MASTEN EN TUIGAGE'.)

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (2)

MASTEN EN TUIGAGE.



DE MASTEN.

Waar en wanneer de mens voor het eerst een mast plaatste op zijn vaartuig en van een zeil voorzag is onbekend. Maar hij moet reeds vroeg ontdekt hebben dat zijn scheepje, als hij er in ging staan, in de richting werd gedreven waarheen de wind waaide.
Eeuwen lang, van de tijd van het Oude Egypte tot laat in de Europese middeleeuwen, bleef de tuigage van de schepen beperkt tot één mast.
Pas in de loop van de eerste helft van de 15e eeuw werden er grotere schepen met twee of drie masten gebouwd. In noordwest Europa ging de ontwikkeling al spoedig in de richting van een driemaster.


De opbouw van een mast.

Verklaring van de cijfers: 1. - Mastspoor op het zaadhout; 2. - Ondermast; 3. - Zijwangen en oren;
4. - Langszalings. Hierop rusten de dwarszalings en de mars, de steng en een deel van het staande want; 5. - Ezelshoofd; 6. - Marssteng; 7. - Bramzaling; 8. - Bovenbramzaling; 9. - Bramsteng; 10. - Bovenbramzaling; 11. - Bovenbramezelshoofd; 12. - Vlaggestok; 13. - Mastkloot.

De grote mast behield zijn plaats midscheeps, terwijl van het begin af aan de twee andere masten in de voor- en achterkastelen werden geplaatst.

Met het groter worden van de schepen en het meer zeilvoeren moesten ook de masten hoger worden. Een mast uit één stuk hout te vervaardigen was niet mogelijk.
In het begin waren de verlengde stukken, de stengen, een vast gemonteerd geheel met de mast. 
Het aan brengen van de ezelshoofden, een uitvinding van de Hollander Krijn Wouterszoon uit Enkhuizen, maakte het mogelijk de mast in onderdelen op te bouwen. Dit vergemakkelijkte ook de reparatie bij een gebroken mast door slecht weer of vijandelijk geschut.
Pas in de tweede helft van de 18e eeuw had het tuig van de schepen zich zover ontwikkeld, dat elke mast hetzelfde aantal ra's had. Men noemde dit "scherpgebouwde" schepen. 

EZELSHOOFDEN.

Verklaring van de cijfers:

Op de afbeelding een ezelshoofd van Hollandse vorm.

1. - Platte onderkant; 2. - Gewelfde bovenkant; 3. - Vierkant, een niet doorlopend gat voor de steng of de nok van de mast; 4. - rond gat voor hhieling van de mast of boven gelegen steng; 5. - Oogbouten; 6. - Gaten voor draairepen; 7. - Geulen voor de                                     draairepen.


Perspectief bovenaanzicht van de mars van 18e eeuws schip. (a)

Verklaring van de cijfers: 1. - Ondermast; 2. - Scalen; 3. - Onderra; 4. - Rak; 5. - Want (hoofdtouwen van want); 6. - Hangers; 7; - Draairepen voor onderra; 8. - Borgstrop; 9. - Stag; 10. - Loze stag;
11. - Puttingwant; 12. - Zwichtingpoten; 13. - Paarden; 14. - Stengewant; 15. - Mars; 16. - Marssteng; 17. - Ezelshoofd; 18. - Marszeilschootblok.

(b) Onderaanzicht van de mars van een 19e eeuws zeilschip. Hierop te zien de 'zijwangen en oren'.


RONDHOUT.

Dit is de benaming van al het ronde hout dat in de tuigage van een schip gebruikt wordt, zoals; masten, stengen, ra's, gaffels, bomen, spieren, sprieten, boegspriet etc.


RONDHOUTEN VAN EEN VIERMASTBARK.


Verklaring cijfers rondhouten.

1. - Boegspriet.                                            15. - Top van voorbovenbramsyeng.
2. - Fokkemast.                                            16. - Grote mast.
3. - Fokkera.                                                 17, -  Grote ra.
4. - Fokkemars.                                            18. -  Grote mars.
5. - Voorondermarsera.                                19. - Grootondermarsera.
6. - Voormarssteng.                                      20. - Grootmarssteng.
7. - Voorbovenmarsera, gehesen.                 21. - Grootbovenmarsera, gehesen.
8. - Toppenenden, toppenanten.                   22. - Grootbramsteng.
9. - Voorbramzaling.                                    23. - Grootbramsteng.
10. - Vooronderbramra.                                24. - Grootbramsteng.
11. - Voorbramsteng.                                    25. - Grootmiddenbramra, gehesen.
12. - Voormiddenbramra, gehesen.              26. - Grootbovenbramsteng.
13. - Voorbovenbransteng, in één                27. - Grootvovenbramra, gehesen.
        stuk met de bramsteng.                         28. - Top van grootbovenbramsteng.
14. - Voorbovenbramra, gehesen.



29. - Kruismast.                                                     42. - Bezaansmast.
30. - Bagijnra.                                                        43. - Bezaansmars.
31. - Kruismars.                                                     44. - Bezaanssteng.
32. - Onderkruis (zeil)ra.                                       45. - Top van bezaanssteng.
33. - Kruissteng.                                                    46. - Bezaansboom, boom.
34. - Bovenkruis(zeil)ra, gehesen.                         47. - (Bezaans)ondergaffel.
35. - Kruisbramzaling.                                           48. - (Bezaans)bovengaffel.
36. - Ondergrietjera.                                               49. - Marseval.
37. - Grietjesteng.                                                   50. - Bramval.
38. - Middengrietjera, gehesen.                              51. - Boven bramval.
39. - Bovengrietjesteng.
40, - Bovengrietjera, gehesen.
41. - Top van bovengrietjesteng.

RA.

Ra is een rondhout, uit één stuk of verschillende delen samengesteld en in dwarsscheepse richting aan een mast of steng bevestigd om er een razeil (vierkant zeil) op aan te slaan.
De ra's worden gehesen of gestreken aan een zware takel (kardeel) met behulp van een kaapstander, later een draaireeplier, en met een rak aan de mast of steng verbonden.
Tot in de 19e eeuw waren de ra's in principe alle strijkend, daarna werden er ook vaste ra's gebruikt. De uiteinden van de ra, de nokken, lopen iets dunner uit en zijn door een verdikking (borsting) van de rest van de ra gescheiden.
De ra's worden genoemd naar de plaats, die ze in het tuig van het schip innemen; zo heten de de ra's aan de fokkemast van onder naar boven: fokkera, voormarsra en voorbramra, respectievelijk bestemd voor fok, voormarszeil en voorbramzeil.

Ra van een schip uit het einde van de 18e eeuw/ begin 19e eeuw.

Verklaring cijfers van de samengestelde of gekuipte onderra: 1. - Middengedeelte;
2. - Schaakstukken; 3. - Ra-arm; 4. - IJzerenkuipbanden; 5. - Jackstag; 6. - Paarden;
7. - Buitenzeilspierbeugel; 8. - Kettingborg; 9. - Rak; 10. - Ranok.

BOEGSPRIET.

Een rondhout dat voor de voorsteven uitsteekt, ter bevestiging van de stagen van de voormast, in sommige gevallen tot ophanging van een anker en meestal voor het voeren van voorzeilen. Dit laatste was bij vroegere zeilschepen gewenst tot opheffing van de loefgeirigheid veroorzaakt door de windvang van de hoge kampanje, alsmede ter verhoging van de bestuurbaarheid.
De boegspriet diende voorts tot het uithalen van de boeilijnen. Ook droeg de boegspriet zelf soms nog vierkante zeilen, doe omstreeks 1700 grotendeels plaats maakten voor stagzeilen.
De blinde steng, een klein verticaal mastje op het einde van de boegspriet, verdween na het midden van de 18e eeuw toen de rechte verlenging van de boegspriet met een kluifhout en later ook met een jaaghout in gebruik kwam.
Tegen het einde van de 18e eeuw voeren enkele op snelheid gebouwde schepen met een zeer lange boegspriet of met een losse kluiverboom, bij sommige schoeners wel tot een halve lengte op de waterlijn.
De hieraan gevoerde voorzeilen hadden door het doorzakken van de te lange voorstagen vrijwel alleen een gunstig effect met ruime wind. Bij het 19e eeuwse zeilschip kreeg de boegspriet met kluif- en jaaghout de meest geschikte lengte. Hij werd gedragen door de holle clippersteven en naar onderen gestaagd door een waterstag, het kluifhout door een stamstok.





TUIGAGE.

Tuigage, ook takelage, tuigage of want, samenstel van staand en lopend touwwerk en staaldraad aan masten, ra's, bomen en ander hijsinrichtingen, zoals davits, aan boord van vaartuigen, met inbegrip van die rondhouten en hijsinrichtingen zelf, alsook van de bijbehorende zeilen bij zeilschepen.

STAAND TUIG VAN EEN DRIE- OF VIERMASTBARK.



Staand tuig aan de bezaansmast (achterste mast).

Verklaring cijfers:

1. - Ondermast (bezaansmast)
2. - Bezaanssteng, barlsteng.
3. - Bovenste deel van de bezaanssteng.
4. - Bovenvliegerstag.
5. - Vliegerstag.
6. - Bezaansstengewant.
7. - Bezaansstag.
8. - Bezaanswant.











Voorstemast of fokkemast identiek aan de grotemast, behalve wat de loop van de stagen betreft.

Verklaring van de cijfers:

1. - Ondermast, fokkemast.
2. - Voormarssteng.
3. - Voorbramsteng.
4. - Voorbovenbramsteng.
5. - Voorbovenbramsteng.
6. - Voorbramsteng.
7. - Buitenkluiverleider.
8. - Binnenkluiverleider.
9. - Voorstengestag.
10. - Fokkestag.
11. - Fokkewant, fokkehoofdtouwen.
12. - Voorezelshoofdpardoens.
13. - Voorstengepardoens.
14. - Voorstengewant.
15. - Voorbramezelshoofdpardoen.
16. - Voorbrampardoens.
17. - Voorbovenbrampardoen.
18. - Voorbramwant.
19. - Grootbovenbramstag.
20. - Grootbramstag; 21. - Grootstengestag; 22. - Grootstag; 23. - Waterstag; 24. - Buitenwaterstag.

Dit is het meest voorkomende tuig van  een drie- of viermastbark van de zijkant gezien.
Hieronder de stagen, hoofdtouwen en pardoens van achter gezien.

Vierkant getuigde fokkemast van een grootzeilschip, met de zeilen aan bakboordszijde vastgemaakt (1) en aan stuurboordszijde bijgezet (II)

Verklaring van de cijfers:

1. - Onderwant.
2. - Ezelshoofdpardoens.
3. - Puttingwant.
4. - Bovenbrampardoens.
5. - Brampardoens.
6. - Bramezelhoofdpardoens.
7. - Stengepardoens.
8. - Stengewant.
9. - Bramputtingwant.
10. - Bramwant.

WANT.

(1) Vroeger de benaming aan boord voor touwwerk, in het bijzonder was een weefsel vormde.
(2) Staand tuig dat een mast zijdelings steund. het bestaat uit hoofdtouwen, aanvankelijk van touw, later van staaldraad.
Vroeger waren die voorzien van weeflijnen om in het want te kunnen klimmen.
(3) Verzamelnaam voor alle touwwerk en staaldraad van de                                                                   tuigage.


Het traditionele want, waarbij de hoofdtouwen worden gespannen met behulp van jufferblokken, de touwen tussen het onderste- en bovenste jufferblok heet de talreep, boven op het bovenste jufferblok zit geknoopt het halende part van de talreep.
Onder de jufferblokken, voor de verschansing, de zogenaamde 'nagelbanken'. Deze bestaan uit sterke planken die op plaatsen zijn aangebracht waar het lopend tuig moet worden belegd. In deze nagelbanken bevinden zich meerdere gaten waarin de korvijnagels worden gestoken welke onontbeerlijk zijn om het touwwerk op te beleggen. 


Meestal bevonden de nagelbanken zich ter hoogte van het onderwant, maar ze kunnen ook aan de voet van de mast staan.

Uiteraard zijn er veel meer onderdelen aan het want en de masten dan hier vermeld.
Dit is alleen een algemeen overzicht van de meest voorkomende delen van het zeilschip.








[ Zie vervolg; ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (DEEL 3) BOEGVERSIERING.]


dinsdag 3 maart 2015

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (DEEL 1 'DE ZEILEN EN TYPE'.)

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (1)

DE ZEILEN EN TYPE.


HET ZEIL.

Het oudste ons bekende zeiltype is het vierkante zeil of razeil. Duizenden jaren lang was er geen andere tuigvorm in gebruik. Het razeil is een goed zeil, waaraan weinig te verbeteren valt, al komt het eerst bij ruime winden tot zijn recht.
Het kenmerkende van het razeil is dat het altijd dezelfde zijde naar de wind keert, Dit is bij het langscheepsezeil anders, daar is nu de ene, dan de andere zijde naar de wind gekeerd. Het langscheepsezeil is een ontwikkeling uit later tijd. Met dit zeil kan een schip hoger aan de wind gaan dan met een vierkant zeil, men kan er dus mee laveren.
De oorzaak van de grotere efficiëntie van het langscheepsezeil, onverschillig of het drie- dan wel vierhoekig is, ligt in het feit dat men veel dichter kan halen dan een razeil, zodat het met de lengteas van het schip een scherpe hoek maakt.
Verder speelt de ronding van het zeil, de zogenaamde 'buik', een belangrijke rol; deze welving in langsscheepse richting is namelijk aerodynamisch veel gunstiger voor de voortgang van het schip dan de ronding in loodrechte richting van een vierkant zeil. Op ruime koersen echter, bij ruwe zee en stormachtige wind, is het razeil boven alle andere te verkiezen. De met langscheepse of met een combinatie van langscheepse en vierkante zeilen getuigde schepen werden dan ook, ondanks hun economische takelage, door het vierkant getuigde schip overleefd.



Toen de schepen groter en de masten hoger werden nam het aantal razeilen aan elke mast toe. Na het midden van de 16e eeuw zetten grotere schepen boven het marszeil een derde zeil, het bramzeil.
In het begin van de 17e eeuw werd het razeiltje, de bovenblinde, op een mastje aan het einde van de boegspriet geplaatst. Een onpraktisch zeil, waarvan het mastje dat het droeg ( de blinde steng) zeer slecht gestaagd was. Niettemin bleef het er meer dan honderd jaar op de grotere schepen in gebruik, waarna het vervangen werd door een meer praktisch stagzeil, de kluiver. De eerste stagzeilen waren op grotere schepen die tussen de masten: het grootstagzeil, het grootstenstagzeil en het bezaanstagzeil


Vóór de fokkemast kwam daarbij het voorstengestagzeil, dat een speciaal stad, de voorstengestagzeilleider, werd gevoerd. Deze leider voer vanaf de top van de steng omlaag, evenwijdig met het voorstengestag. Dit stag was echter reeds zo bezet met blokken en lopend tuig voor de blinde, dat de toevoeging van extra tuig voor het nieuwe stagzeil vele moeilijkheden gaf. Het voorstengestagzeil was echter als voorzeil veel doelmatiger dan de razeilen onder en op de boegspriet en in het begin van de 18e eeuw verdween de bovenblinde. Deze werd, vervangen door de kluiver, die op het kluifhout kwam, waarmee de boegspriet was verlengd. In de begin jaren van de 18e eeuw werd de tuigage van de schepen meer functioneel. Toen de 18e eeuw ten einde liep verschenen grote schepen met een vierde razeil aan de grote- en de fokkemast, dat bovenbramzeil werd genoemd.
Een belangrijke verbetering in de zeilvoering deed zich in het begin van de 19e eeuw voor toen op de raas leiders of 'jackstagen' in gebruik kwamen. Het aanslaan van een zeil geschiedde niet langer door middel van om de ra geknoopte rabanden, maar aan deze, op de boven-voorzijde van de ra gespannen geleiders. Het werken aan de zeilen werd hierdoor aanzienlijk verlicht.
Zonder de jackstagen op de raas zouden de grote stalenschepen van een later tijdperk niet met zulke kleine bemanningen hebben kunnen varen als zij deden.
De technische vooruitgang in de 19e eeuw op industrieel gebied, was de oorzaak dat de tuigage van de zeilschepen een zekere verfijning onderging die het uiterlijk van schip en tuig ten goede kwam.

DRIEMASTSCHIP.

Een driemast schip is een driemaster, in het algemeen alle schepen met drie masten getuigd, de boegspriet niet meegerekend. Hieronder vallen onder andere; de driemastbark of bark, het driemastvolschip of volschip, fregat; de driemastschoener, de driemastgaffelschoener, de barkschoener en de schoenerbark of barkentijn.
Dit zelfde gaat ook op voor schepen met vier- of vijf masten.


DRIEMASTSCHOENER.

Verklaring cijfers driemasttopzeilschoener..

 1. - Buitenkluiver.
 2. - Kluiver
 3. - Binnenkluiver of voorstengestagzeil.
 4. - Stagfok.
 5. - Schoenerzeil.
 6. - Voormarszeil.
 7. - Voorbramzeil.
 8. - Grootstengestagzeil.
 9. - Grootzeil.
10. - Grootgaffeltopzeil.
11. - Bezaan.
12. - Bezaangaffeltopzeil.




De driemastschoener is een driemastzeilschip van het schoener type waarvan de masten enkel door één steng verlengd zijn. Men onderscheidt de driemastgaffelschoener en de driemasttopzeilschoener.
Vanaf de boegspriet worden de masten genoemd: fokkemast, grote mast, en bezaanmast.
Bij de driemastgaffelschoener zijn de drie masten getuigd met langsscheepse gaffelzeilen en gaffeltopzeilen, soms ook een groot- en een bezaanstengestagzeil.
Als voorzeilen werden een stagfok, binnenkluiver, kluiver en buitenkluiver bijgezet.
Sommige schepen tuigden ook een ra voor een breefok aan de fokkemast. Bij de topzeilschoener trof men dezelfde zeilen aan met uitzondering van het gaffeltopzeil aan de fokkemast.
Deze voerde een marszeil en een bramzeil, eventueel ook een breefok.

Verklaring cijfers Driemastgaffelschoener.

1. - Buitenkluiver.
2. - Kluiver.
3. - Binnenkluiver.
4. - Stagfok.
5. - Schoenerzeil.
6. - Voorgaffeltopzeil.
7. - Grootstengestagzeil.
8. - Grootzeil.
9. - Grootgaffeltopzeil.
10. - Bezaanstengestagzeil.
11. - Bezaan.
12. - Bezaangaffeltopzeil.
                                                                                    

DRIEMASTVOLSCHIP.

Verklaring cijfers Driemastvolschip.

1. - Jager of buitenkluiver; 2. - Kluiver; 3. - Binnenkluiver; 4. - Voorstengestagzeil of stagfok;
5. - Fok; 6-7. - Vooronder- en voorbovenmarszeil; 8-10. - Vooronder-, voormidden- en voorbovenbramzeil; 11. - Grootzeil; 12. - Grootbramzeil; 13. - Grootzeil; 14-15. - Grooonder- en
grootbovenmarszeil; 16-18. - Grootonder-, grootmidden- en grootbovenbramzeil; 19. - Kruis-
stagzeil; 20-21. - Grietjes- en bovengrietjesstagzeil; 22. - Bagijnezeil; 23-24. - Onder- en
bovenkruiszeil; 25-26. - Ondergrietje en grietje; 27. - Bezaan.

Het driemastvolschip wordt ook wel fregat genoemd. Het schip heeft een boegspriet en drie masten, respectievelijk de fokke-, grote en bezaans of kruismast. De drie masten zijn samengesteld uit een ondermast, een marssteng en een bramsteng, eventueel een bovenbransteng. 
Alle drie de masten zijn volledig vierkant getuigd. Tussen de masten en als voorzeilen worden langsscheepse of stagzeilen getuigd. Aan de bezaanmast wordt een bezaanzeil bijgezet. 


DRIEMASTSCHOENERSCHIP zie BARKENTIJN


BARKENTIJN. ( vier- en meer masten)


De viermast-schoenerbark 'Mozart' uit 1904. 

Verklaring van de cijfers:
1. - Jager; 2. - Buitenkluiver; 3. - Binnenkluiver; 4. - Voorstengestagzeil; 5. - Fok;
6. - Voorondermarszeil; 7. - Voorboven bramzeil; 8. - Voorbramzeil; 9. - Voorbovenbramzeil;
10. - Grootstagzeil; 11. - Grootmiddenstagzeil; 12. - grootstengestagzeil; 13. - Grootzeil;
14. - Grootgaffelzeil; 15. - Kruisstengestagzeil; 16. - Kruiszeil; 17. - Kruisgaffel topzeil;
18. - Bezaansstengestagzeil; 19. - Bezaan; 20. - Bezaangaffeltopzeil.

De barkentijn, ook wel barkschoener, driemastschoener, driemastschoenerbrik en schoenerbark genoemd. Het is een zeilschip waarvan alleen de fokkemast vierkant is getuigd; de volgende masten langsscheeps.
 We onderscheiden de gewone barkentijn, waarmee gewoonlijk een driemast barkentijn bedoeld is, een viermast-, vijfmast-, en zesmastbarkentijn of schoenerbark, respectievelijk met één volledig vierkant getuigde en twee, drie, vier of vijf langsscheeps getuigde masten.
Tussen de fokkemast en de tweede mast worden ook nog stagzeilen gevoerd evenals op de boegspriet.
De barkentijn is omstreeks 1800 ontstaan en de benaming werd zelfs aan tweemastschepen, later brigantijn, gegeven. De barkentijn kende haar opgang omstreeks 1850, vooral in de Verenigde Staten en in Europa.
Viermastbarkentijnen kwamen omstreeks 1880 in de vaart; zesmastbarkentijnen pas in 1918.


DE 'HERZOGIN CECILLIE' EEN VIERMASTBARK.

Deze viermastbark werd in 1902 door ed Rickmerswerf te Bremenhaven gebouwd voor de Norddeutscher Lloyd te Bremen. Zij was een groot schip van 3.242 brt of 4.350 ton deadweight.
De Norddeutscher Lloyd, een grote rederij, die in Duitsland in belangrijkheid alleen overtroffen werd door de Hamburg-Amerika Lijn, bezigde de het schip voor de opleiding van cadetten tot officier op haar eigen schepen. Behalve de officieren, instructeurs en een beperkt aantal onderofficieren en matrozen, kon het schip negentig cadetten huisvesten. Het was op de  meest royale en moderne wijze uitgerust, maar met zoveel mankracht aan boord valt het niet te verwonderen dat men op het schip geen braslieren vond, zoals op grote zeilschepen van dit soort in die tijd gebruikelijk was.
De 'Herzogin Cecillie' was een goede zeiler, die vele zeer goede reizen op haar naam heeft staan.
Tijdens de WO-1 was het schip geïnterneerd in Coquimbo in Chilli. Na de oorlog zeilde het met een lading salpeter van Chilli naar Oostende, waar het aan de Franse regering werd toegewezen als herstelbetaling van de WO-1.
In november 1921 werd het schip gekocht door kapitein Gustaf Erikson te Mariehamn. Onder zijn vlag voer het voornamelijk in de graanvaart op Australië.
De 'Herzogin Cecillie' verging op 25 mei 1936 ter hoogte van Salcombe, Devonshire Engeland, na tijdens een zware mist aan de grond te zijn gelopen.





Verklaring van de cijfers;

1. - Jager, buitenkluiver; 2. - Buitenkluiver, voorkluiver; 3. - Binnenkluiver, achterkluiver;
4. - Voortsengestagzeil; 5. - Fok; 6. - Voorondermarszeil; 7. - Voorboven marszeil;
8. - Vooronderbramzeil; 9. - Voormiddenbramzeil; 10. - Voorbovenbramzeil; 11. - Grootsten-
gestagzeil of dekzwabber; 12. - Grootbovenbramstagzeil; 13. - Grootbovenbramstagzeil;
14. - Grootzeil; 15. - Grootondermarszeil; 16. - Grootbovenmarszeil; 17. - Grootonderbramzeil;
18. - Grootmiddenbramzeil; 19. - Grootbovenbramzeil; 20. - Kruisstengestagzeil;  21. - Grietjes-
stagzeil; 22. - Bovengrietjesstagzeil; 23. - Bagijnezeil; 24. - Onderkruiszeil; 25. - Bovenkruiszeil.
26. - Ondergrietje; 27. - Middengrietje; 28. - Bovengrietje; 29. - Bezaanstagzeil of aap.
30. - Vlieger; 31. - Bovenvlieger; 32. - Onderbezaan; 33. - Onderbezaan; 34. - Gaffeltopzeil.

VOLSCHIP.

Een vol getuigd schip, dat wil zeggen een volledig vierkant getuigd zeilschip van ten minste drie masten allen voorzien van ra's. De type-benaming 'volschip' ontstond in de 19e eeuw, ter onderscheiding van het toen in gebruik komende barkstuig, waarvan de achterste mast een langsscheepszeil droeg. Een tweemastvolschip noemde men een brik. Eeen driemaster werd ook wel fregat genoemd, alleen als het om een marineschip ging.
Voordien voerde vrijwel elk schip van enig formaat drie vierkant getuigde masten en er bestond derhalve aan het voorvoegsel 'vol' geen behoefte.


Vijfmastvolschip 'Preussen' uit 1902.

Met het groter worden van de zeilschepen tegen het begin van de 20e eeuw, en ter beperking van de afmetingen der rondhouten, werden in het laatste kwart van de 19e eeuw enkele tientallen viermastvolschepen gebouwd.
In 1902 is zelfs een vijfmastvolschip gebouwd, de 'Preussen' van de rederij Laeisz in Hamburg.
Het schip had een inhoud van 5081 brt, waterverplaatsing 11.150 ton bij geladen schip, lengte van 124 meter, breedte 16,4 meter, 47 zeilen, zeiloppervlak 5560 m².
In 1910 is dit grootste aller volschepen voor de kust van Dover vergaan.






Tegenwoordig varen er nog verschillende volschepen, meestal als zeevaartopleidinsschepen.
De meest bekende welke regelmatig gedurende de Sail festiviteiten te bezichtigen zijn; zijn de Amergo Vespucci  van 1931 uit Iltalië, de Dar Mlodziezy van 1981 uit Polen en de Mir van 1988 uit Rusland (rechts).
Deze schepen varen regelmatig mee in de Tall Ships Races, zeilwedstrijden.





[ Zie vervolg; ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN.(DEEL 2) MASTEN EN TUIGAGE.]