dinsdag 3 maart 2015

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (DEEL 1 'DE ZEILEN EN TYPE'.)

ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN. (1)

DE ZEILEN EN TYPE.


HET ZEIL.

Het oudste ons bekende zeiltype is het vierkante zeil of razeil. Duizenden jaren lang was er geen andere tuigvorm in gebruik. Het razeil is een goed zeil, waaraan weinig te verbeteren valt, al komt het eerst bij ruime winden tot zijn recht.
Het kenmerkende van het razeil is dat het altijd dezelfde zijde naar de wind keert, Dit is bij het langscheepsezeil anders, daar is nu de ene, dan de andere zijde naar de wind gekeerd. Het langscheepsezeil is een ontwikkeling uit later tijd. Met dit zeil kan een schip hoger aan de wind gaan dan met een vierkant zeil, men kan er dus mee laveren.
De oorzaak van de grotere efficiëntie van het langscheepsezeil, onverschillig of het drie- dan wel vierhoekig is, ligt in het feit dat men veel dichter kan halen dan een razeil, zodat het met de lengteas van het schip een scherpe hoek maakt.
Verder speelt de ronding van het zeil, de zogenaamde 'buik', een belangrijke rol; deze welving in langsscheepse richting is namelijk aerodynamisch veel gunstiger voor de voortgang van het schip dan de ronding in loodrechte richting van een vierkant zeil. Op ruime koersen echter, bij ruwe zee en stormachtige wind, is het razeil boven alle andere te verkiezen. De met langscheepse of met een combinatie van langscheepse en vierkante zeilen getuigde schepen werden dan ook, ondanks hun economische takelage, door het vierkant getuigde schip overleefd.



Toen de schepen groter en de masten hoger werden nam het aantal razeilen aan elke mast toe. Na het midden van de 16e eeuw zetten grotere schepen boven het marszeil een derde zeil, het bramzeil.
In het begin van de 17e eeuw werd het razeiltje, de bovenblinde, op een mastje aan het einde van de boegspriet geplaatst. Een onpraktisch zeil, waarvan het mastje dat het droeg ( de blinde steng) zeer slecht gestaagd was. Niettemin bleef het er meer dan honderd jaar op de grotere schepen in gebruik, waarna het vervangen werd door een meer praktisch stagzeil, de kluiver. De eerste stagzeilen waren op grotere schepen die tussen de masten: het grootstagzeil, het grootstenstagzeil en het bezaanstagzeil


Vóór de fokkemast kwam daarbij het voorstengestagzeil, dat een speciaal stad, de voorstengestagzeilleider, werd gevoerd. Deze leider voer vanaf de top van de steng omlaag, evenwijdig met het voorstengestag. Dit stag was echter reeds zo bezet met blokken en lopend tuig voor de blinde, dat de toevoeging van extra tuig voor het nieuwe stagzeil vele moeilijkheden gaf. Het voorstengestagzeil was echter als voorzeil veel doelmatiger dan de razeilen onder en op de boegspriet en in het begin van de 18e eeuw verdween de bovenblinde. Deze werd, vervangen door de kluiver, die op het kluifhout kwam, waarmee de boegspriet was verlengd. In de begin jaren van de 18e eeuw werd de tuigage van de schepen meer functioneel. Toen de 18e eeuw ten einde liep verschenen grote schepen met een vierde razeil aan de grote- en de fokkemast, dat bovenbramzeil werd genoemd.
Een belangrijke verbetering in de zeilvoering deed zich in het begin van de 19e eeuw voor toen op de raas leiders of 'jackstagen' in gebruik kwamen. Het aanslaan van een zeil geschiedde niet langer door middel van om de ra geknoopte rabanden, maar aan deze, op de boven-voorzijde van de ra gespannen geleiders. Het werken aan de zeilen werd hierdoor aanzienlijk verlicht.
Zonder de jackstagen op de raas zouden de grote stalenschepen van een later tijdperk niet met zulke kleine bemanningen hebben kunnen varen als zij deden.
De technische vooruitgang in de 19e eeuw op industrieel gebied, was de oorzaak dat de tuigage van de zeilschepen een zekere verfijning onderging die het uiterlijk van schip en tuig ten goede kwam.

DRIEMASTSCHIP.

Een driemast schip is een driemaster, in het algemeen alle schepen met drie masten getuigd, de boegspriet niet meegerekend. Hieronder vallen onder andere; de driemastbark of bark, het driemastvolschip of volschip, fregat; de driemastschoener, de driemastgaffelschoener, de barkschoener en de schoenerbark of barkentijn.
Dit zelfde gaat ook op voor schepen met vier- of vijf masten.


DRIEMASTSCHOENER.

Verklaring cijfers driemasttopzeilschoener..

 1. - Buitenkluiver.
 2. - Kluiver
 3. - Binnenkluiver of voorstengestagzeil.
 4. - Stagfok.
 5. - Schoenerzeil.
 6. - Voormarszeil.
 7. - Voorbramzeil.
 8. - Grootstengestagzeil.
 9. - Grootzeil.
10. - Grootgaffeltopzeil.
11. - Bezaan.
12. - Bezaangaffeltopzeil.




De driemastschoener is een driemastzeilschip van het schoener type waarvan de masten enkel door één steng verlengd zijn. Men onderscheidt de driemastgaffelschoener en de driemasttopzeilschoener.
Vanaf de boegspriet worden de masten genoemd: fokkemast, grote mast, en bezaanmast.
Bij de driemastgaffelschoener zijn de drie masten getuigd met langsscheepse gaffelzeilen en gaffeltopzeilen, soms ook een groot- en een bezaanstengestagzeil.
Als voorzeilen werden een stagfok, binnenkluiver, kluiver en buitenkluiver bijgezet.
Sommige schepen tuigden ook een ra voor een breefok aan de fokkemast. Bij de topzeilschoener trof men dezelfde zeilen aan met uitzondering van het gaffeltopzeil aan de fokkemast.
Deze voerde een marszeil en een bramzeil, eventueel ook een breefok.

Verklaring cijfers Driemastgaffelschoener.

1. - Buitenkluiver.
2. - Kluiver.
3. - Binnenkluiver.
4. - Stagfok.
5. - Schoenerzeil.
6. - Voorgaffeltopzeil.
7. - Grootstengestagzeil.
8. - Grootzeil.
9. - Grootgaffeltopzeil.
10. - Bezaanstengestagzeil.
11. - Bezaan.
12. - Bezaangaffeltopzeil.
                                                                                    

DRIEMASTVOLSCHIP.

Verklaring cijfers Driemastvolschip.

1. - Jager of buitenkluiver; 2. - Kluiver; 3. - Binnenkluiver; 4. - Voorstengestagzeil of stagfok;
5. - Fok; 6-7. - Vooronder- en voorbovenmarszeil; 8-10. - Vooronder-, voormidden- en voorbovenbramzeil; 11. - Grootzeil; 12. - Grootbramzeil; 13. - Grootzeil; 14-15. - Grooonder- en
grootbovenmarszeil; 16-18. - Grootonder-, grootmidden- en grootbovenbramzeil; 19. - Kruis-
stagzeil; 20-21. - Grietjes- en bovengrietjesstagzeil; 22. - Bagijnezeil; 23-24. - Onder- en
bovenkruiszeil; 25-26. - Ondergrietje en grietje; 27. - Bezaan.

Het driemastvolschip wordt ook wel fregat genoemd. Het schip heeft een boegspriet en drie masten, respectievelijk de fokke-, grote en bezaans of kruismast. De drie masten zijn samengesteld uit een ondermast, een marssteng en een bramsteng, eventueel een bovenbransteng. 
Alle drie de masten zijn volledig vierkant getuigd. Tussen de masten en als voorzeilen worden langsscheepse of stagzeilen getuigd. Aan de bezaanmast wordt een bezaanzeil bijgezet. 


DRIEMASTSCHOENERSCHIP zie BARKENTIJN


BARKENTIJN. ( vier- en meer masten)


De viermast-schoenerbark 'Mozart' uit 1904. 

Verklaring van de cijfers:
1. - Jager; 2. - Buitenkluiver; 3. - Binnenkluiver; 4. - Voorstengestagzeil; 5. - Fok;
6. - Voorondermarszeil; 7. - Voorboven bramzeil; 8. - Voorbramzeil; 9. - Voorbovenbramzeil;
10. - Grootstagzeil; 11. - Grootmiddenstagzeil; 12. - grootstengestagzeil; 13. - Grootzeil;
14. - Grootgaffelzeil; 15. - Kruisstengestagzeil; 16. - Kruiszeil; 17. - Kruisgaffel topzeil;
18. - Bezaansstengestagzeil; 19. - Bezaan; 20. - Bezaangaffeltopzeil.

De barkentijn, ook wel barkschoener, driemastschoener, driemastschoenerbrik en schoenerbark genoemd. Het is een zeilschip waarvan alleen de fokkemast vierkant is getuigd; de volgende masten langsscheeps.
 We onderscheiden de gewone barkentijn, waarmee gewoonlijk een driemast barkentijn bedoeld is, een viermast-, vijfmast-, en zesmastbarkentijn of schoenerbark, respectievelijk met één volledig vierkant getuigde en twee, drie, vier of vijf langsscheeps getuigde masten.
Tussen de fokkemast en de tweede mast worden ook nog stagzeilen gevoerd evenals op de boegspriet.
De barkentijn is omstreeks 1800 ontstaan en de benaming werd zelfs aan tweemastschepen, later brigantijn, gegeven. De barkentijn kende haar opgang omstreeks 1850, vooral in de Verenigde Staten en in Europa.
Viermastbarkentijnen kwamen omstreeks 1880 in de vaart; zesmastbarkentijnen pas in 1918.


DE 'HERZOGIN CECILLIE' EEN VIERMASTBARK.

Deze viermastbark werd in 1902 door ed Rickmerswerf te Bremenhaven gebouwd voor de Norddeutscher Lloyd te Bremen. Zij was een groot schip van 3.242 brt of 4.350 ton deadweight.
De Norddeutscher Lloyd, een grote rederij, die in Duitsland in belangrijkheid alleen overtroffen werd door de Hamburg-Amerika Lijn, bezigde de het schip voor de opleiding van cadetten tot officier op haar eigen schepen. Behalve de officieren, instructeurs en een beperkt aantal onderofficieren en matrozen, kon het schip negentig cadetten huisvesten. Het was op de  meest royale en moderne wijze uitgerust, maar met zoveel mankracht aan boord valt het niet te verwonderen dat men op het schip geen braslieren vond, zoals op grote zeilschepen van dit soort in die tijd gebruikelijk was.
De 'Herzogin Cecillie' was een goede zeiler, die vele zeer goede reizen op haar naam heeft staan.
Tijdens de WO-1 was het schip geïnterneerd in Coquimbo in Chilli. Na de oorlog zeilde het met een lading salpeter van Chilli naar Oostende, waar het aan de Franse regering werd toegewezen als herstelbetaling van de WO-1.
In november 1921 werd het schip gekocht door kapitein Gustaf Erikson te Mariehamn. Onder zijn vlag voer het voornamelijk in de graanvaart op Australië.
De 'Herzogin Cecillie' verging op 25 mei 1936 ter hoogte van Salcombe, Devonshire Engeland, na tijdens een zware mist aan de grond te zijn gelopen.





Verklaring van de cijfers;

1. - Jager, buitenkluiver; 2. - Buitenkluiver, voorkluiver; 3. - Binnenkluiver, achterkluiver;
4. - Voortsengestagzeil; 5. - Fok; 6. - Voorondermarszeil; 7. - Voorboven marszeil;
8. - Vooronderbramzeil; 9. - Voormiddenbramzeil; 10. - Voorbovenbramzeil; 11. - Grootsten-
gestagzeil of dekzwabber; 12. - Grootbovenbramstagzeil; 13. - Grootbovenbramstagzeil;
14. - Grootzeil; 15. - Grootondermarszeil; 16. - Grootbovenmarszeil; 17. - Grootonderbramzeil;
18. - Grootmiddenbramzeil; 19. - Grootbovenbramzeil; 20. - Kruisstengestagzeil;  21. - Grietjes-
stagzeil; 22. - Bovengrietjesstagzeil; 23. - Bagijnezeil; 24. - Onderkruiszeil; 25. - Bovenkruiszeil.
26. - Ondergrietje; 27. - Middengrietje; 28. - Bovengrietje; 29. - Bezaanstagzeil of aap.
30. - Vlieger; 31. - Bovenvlieger; 32. - Onderbezaan; 33. - Onderbezaan; 34. - Gaffeltopzeil.

VOLSCHIP.

Een vol getuigd schip, dat wil zeggen een volledig vierkant getuigd zeilschip van ten minste drie masten allen voorzien van ra's. De type-benaming 'volschip' ontstond in de 19e eeuw, ter onderscheiding van het toen in gebruik komende barkstuig, waarvan de achterste mast een langsscheepszeil droeg. Een tweemastvolschip noemde men een brik. Eeen driemaster werd ook wel fregat genoemd, alleen als het om een marineschip ging.
Voordien voerde vrijwel elk schip van enig formaat drie vierkant getuigde masten en er bestond derhalve aan het voorvoegsel 'vol' geen behoefte.


Vijfmastvolschip 'Preussen' uit 1902.

Met het groter worden van de zeilschepen tegen het begin van de 20e eeuw, en ter beperking van de afmetingen der rondhouten, werden in het laatste kwart van de 19e eeuw enkele tientallen viermastvolschepen gebouwd.
In 1902 is zelfs een vijfmastvolschip gebouwd, de 'Preussen' van de rederij Laeisz in Hamburg.
Het schip had een inhoud van 5081 brt, waterverplaatsing 11.150 ton bij geladen schip, lengte van 124 meter, breedte 16,4 meter, 47 zeilen, zeiloppervlak 5560 m².
In 1910 is dit grootste aller volschepen voor de kust van Dover vergaan.






Tegenwoordig varen er nog verschillende volschepen, meestal als zeevaartopleidinsschepen.
De meest bekende welke regelmatig gedurende de Sail festiviteiten te bezichtigen zijn; zijn de Amergo Vespucci  van 1931 uit Iltalië, de Dar Mlodziezy van 1981 uit Polen en de Mir van 1988 uit Rusland (rechts).
Deze schepen varen regelmatig mee in de Tall Ships Races, zeilwedstrijden.





[ Zie vervolg; ZEILSCHEPEN MET MEERDERE MASTEN.(DEEL 2) MASTEN EN TUIGAGE.]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen