donderdag 3 november 2016

HANZE. WAT IS DAT? (DEEL 2)


HANZE EEN VAN DE EERSTE 

HANDELSVERBONDEN IN EUROPA. (2)





DE SCHEEPVAART.

De scheepvaart in Noordwest-Europa ontwikkelde zich vanaf de 12e eeuw regelmatig; de Vlamingen waren zeer actieve handelaars en kooplieden, terwijl de zeelieden, reders en handelaars van de Hanze steden de algemene vrachtvaarders in Noord- en Noordwest Europese wateren waren.
De maritieme wetten van de Hanze werden gemodelleerd naar die van de Mediterrane havens en later naar de Rôles d'Orléon, die in de 14e eeuw in het Vlaams vertaald werden. (de Rollen van Damme).
De besluiten van de Hanzeatische landdagen over de zeekwesties waren sinds 1350 een andere bron voor het Hanze zeerecht.
Men slaagde er echter niet in eenheid te brengen in dit recht van zo verscheiden herkomst. De bouw van de schepen van de Hanze vloot bleef over het algemeen gericht op lading capaciteit en niet op snelheid men manoeuvreerbaarheid.


( Kamper kogge.)

In de 14e en 15e eeuw was de kog of kogge het Hanze-schip bij uitstek; later begon de hulk of holk, geleidelijk groter wordend, de kog gedeeltelijk te vervangen.
Deze schepen domineerden minstens drie eeuwen lang de zeerouten van Noord- en Noordwest Europa en baseerden hun vrachten voor een aanmerkelijk gedeelte, vooral in de eerste periode, op het vervoeren van haring en andere vis, gevangen bij Schonen (Skâne) en Rügen en van alles wat nodig was voor de visserij.
Bij het ontwikkelen van de handel en het groeien van de macht van de Hanzesteden werd het noodzakelijk de oude regels en bepalingen zo goed mogelijk aan te passen en in de 15e eeuw werd de handel van de Hanze uitsluitend geregeld door decreten van de Raad van het verbond. De voornaamste doelstelling bleef uiteraard de beheersing van het handelsvervoer waaraan de Hanze haar bloei dankte, zelfs meer dan het kopen en verkopen van goederen.


De schepen moesten gebouwd worden onder toezicht van de lokale stedelijke Hanze en het schip moest gemerkt worden met het stadswapen ten teken dat het aan de bouwvoorschriften voldeed.
Aan de stedelijke en op de buitenlandse kantoren werd opgedragen er op toe te zien dat de schepen niet werden overladen.
Reeds omstreeks 1400 was tussen de zeesteden een diepe scheuring ontstaan. De Nederlanders voeren direct naar Zweden en Rusland, de Letlandse steden begonnen directe handel met Engeland, Frankrijk en de Nederlanden, Lübeck zag zijn positie als voornaamste haven van de Oostzee bedreigd en trachtte een soort stapelplicht in te stellen.



                                              (Het wimpel dat de Hanzeschepen voerden.)

De ondertussen Bourgondisch geworden Nederlanders sloten in 1423 een verbond met Denemarken tegen de Hanze vloten en werden daarop door de Hanze Oostzeesteden van de vaart op de Oostzee uitgesloten. Hierdoor ontstond een zeeoorlog die in 1441 door de vrede van Kopenhagen beëindigd werd, maar die vervreemding bracht tussen de Hollanders en het Duitse rijk.
Tenslotte bleven als werkzame steden de zogenoemde Wendische steden over, die met Lübeck, Hamburg en Bremen wezenlijk gelijke belangen hadden.
Gedurende de 15e eeuw bleven deze steden, ondanks zware strijd tegen de Scandinavische koningen, de Oostzee handel beheersen, tot zij in 1534 de oorlog tegen Denemarken verloren.



(Hanze. Miniatuur uit 'Hamburger Stadrecht', 1497.)

De Zeevarende naties van Noordwest Europa werden steeds meer zelfstandig: de ontdekking van Amerika en het vinden van een zeeweg naar de Indiën hadden aan de handel een andere richting gegeven en nieuwe verkeerswegen geopend.
Na afloop van de Rozenoorlog kwam de handel in Engeland tot nieuw leven en de sinds 1505 als vennootschap erkende 'Marchant Adventurers' , die wol en lakenmonopolie hadden verkregen, trachtten de tussen handel van de Hanze aan zich te trekken.
Dit gaf aanleiding tot twisten en leidde, onder het bewind van Elisabeth, tot het verlies van alle voorrechten voor de Hanze.
Ook de handel met Rusland, die voor de verwoesting van het kantoor te Novgorod in 1494 reeds zwaar geleden had, verviel aan de Nederlanders en de Engelsen, die zich echter meer richten op Archangel voor de hout- en pelshandel.
Het hielp dan ook niet dat men in het Westen de stapelplaats van het achtergebleven Brugge in 1540 naar de door de handel op Indië opbloeide Antwerpen verlegde: de oude handelsnormen hadden zich overleefd en hoe vaster de Hanze er zich ook aan hield, des te sneller werden ze ingelopen.


Herhaalde pogingen het verbond tot nieuw leven te brengen hadden geen enkel praktisch resultaat.
In 1669 kwam men op de laatste Hanze-dagen bijeen; Lübeck, Hamburg, Bremen, Braunschweig, Danzig en Keulen, man berekte echter niets.
De oude kantoren onder bescherming van Lübeck, Hamburg en Bremen bleven voortbestaan, maar werden in 1775 ontruimd; de Staalhof te Londen werd in 1852 verkocht en het Oosters Huis te Antwerpen werd in 1863 door de Belgische regering overgenomen.

Zo kwam er een einde aan het eerste Europese handelsverbond.




                                     Zie vervolg: HANZE KOGGESCHIP. WAT IS DAT?

woensdag 2 november 2016

HANZE. WAT IS DAT? (DEEL 1)


HANZE EEN VAN DE EERSTE 

HANDELSVERBONDEN IN EUROPA. (1)




HANZE.

Hanze was een verbond van kooplieden, later een stedenverbond in Noord- en Noordwest Europa. ook wel de 'Duitse Hanze' genoemd.
Het doel was bescherming, bevordering en uitbreiding van de handel van de aangesloten kooplieden en steden. In de geschiedenis van Europa is de Hanze een uniek verschijnsel.
Deze handelsorganisatie is geleidelijk gegroeid uit de middeleeuwse verbonden van kooplieden en steden. Men kan het ontstaan stellen met de stichting van Lübeck omstreeks 1158; deze stad werd al spoedig het centrum van een koopliedenverbond.
Aan de zuidzijde van de Oostzee ontstond uit het koopliedenverbond een stedenverbond, die zich snel uitbreidde en gedurende haar bloeiperiode meer dan honderd zeesteden en vele steden in het binnenland van verschillende landen telde, binnen een gebied van de Finse Golf en de Noordzee en van de Oostzee tot Zuid-Duitsland.


                            Het gebied van de Hanze met de belangrijkste havens en steden.

'Hanze' is oorspronkelijk een Gotische woord met de betekenis van schap, schaar, groep, vereniging, troep. Het is opmerkelijk dat de Vlaamse stedenliga de eerste van de stedenbonden was die de naam Hanze gebruikte.
Ten gevolge van haar doelstellingen en het meestal ineffectieve keizerlijke gedrag, trad de Hanze dikwijls, hoewel met tegenzin, op als een politieke macht, die herhaaldelijk in staat bleek haar wil aan andere machten op te leggen. Haar organisatie was echter zeer vaag omschreven; zij beschikte niet over eigen geldmiddelen.



Zij voerde weliswaar oorlogen en blokkeerde havensteden, maar had geen permanente zeemacht of legers. Zij heeft zelfs nooit enige blokkade door gewapende schepen geëffectueerd, maar verbood slechts haar kooplieden en steden met de geblokkeerde stad handel te drijven.
Een Hanze zegel bestond niet en er waren geen eigen ambtenaren of instellingen, behalve de Hanze-tag of  'Tagung' en die kwam zeer onregelmatig en meestal onvolledig bijeen.

Behalve voor de regionale producten als graan, haring, hout en pelzen, was de Oostzee in die tijd de handelsweg die toegang gaf tot de Russische rivieren met de markten in Novgorod en Smolensk, waar uit het zuiden producten uit Byzantium en het Mohammedaanse Oosten werden aangevoerd.
De factorij in Novgorod, de 'Peterhof', werd reeds in de 12e eeuw gesticht door het verbond van Duitse kooplieden te Wisby. Uiteindelijk slaagde men er in de gehele handel tussen Rusland en Noordwest-Europa door de Hanze te doen beheren.



( Factorij van Antwerpen.)

De Vlaamse stedenliga had haar oorsprong in het begin van de 11e eeuw en had een invloedrijk kantoor in Londen, waar ook de kooplieden uit Keulen mee verbonden waren.
Dit kantoor de 'Staalhof',  werd het centrum van de Hanze kooplieden in Engeland. In Brugge ontstond ook een kantoor van de Duitse Hanze.
Op den duur waren er vier grote Hanze kantoren en wel te Novgorod, te Bergen in Noorwegen, te Londen en te Brugge.
De andere kantoren werden meestal factorijen genoemd en stonden onder controle van een van de vier grote kantoren. Zo had Brugge gezag over de factorijen van Antwerpen, Dordrecht, Utrecht, Nantes, Bourgneuf, La Rochelle, Bordeaux en Lissabon.
In deze kantoren en factorijen werkten en woonden de kooplieden onder leiding van een 'Alderman' en een door hen gekozen raad. Door vreedzame penetratie, diplomatie en soms ook door dreiging, verkregen zij voor hun kantoor dikwijls een monopolie in de buitenlandse handel van de stad of land waar zij gevestigd waren. Brugge was reeds lang voor die tijd de zetel van industrie en een bloeiende buitenlandse handel, eveneens georganiseerd in een min of meer onafhankelijke eigen 'Hanze'. 
Toch ontstonden in Brugge hierover enige male ernstige conflicten. In minder goed georganiseerde handelscentra maakte de Hanze zijn monopolie dikwijls absoluut. 



(Slag bij Stralsund 1370.)

Dit gebeurde vooral in de Oostzee gebieden na het sluiten van de door de Hanze afgedwongen vrede van Stralsund, die in 1370 een einde maakte  aan een langdurige oorlog tussen Denemarken en Lübeck.
Aan deze oorlog namen ook de niet onmiddellijk met de Hanze verbonden Nederlandse steden deel. De haven van Kopenhagen werd door de Nederlandse en Wendische vloot verwoest en de Deense vloot vernietigd.
Bovendien verkreeg Albert van Mecklenburg met behulp van de Hanze de Zweedse kroon en betaalde daarvoor in 1368 met het 'Groot Privilege'.
De Hanze verwierf vier versterkte steden aan de Sont, zodat zij op deze belangrijke vaarweg alle verkeer kon beheersen. Hiermee begon de bloeiperiode van de Duitse Hanze. Lübeck werd beschouwd als middelpunt van de Hanze.




                                                     (Lübeck de stad van de torens.)

Het was de zetel van het Hof van Appèl , waar uitspraken werden gedaan in alle rechtsgeschillen tussen de steden. Lübeck schreef ook de 'Hanze dag' uit, waarop door de afgevaardigden van de steden de aangelegenheden van het verbond werden besproken en besluiten werden genomen.
Het doen en aannemen van deze besluiten door de stadsbesturen bleef echter veelal onzeker door te veel tegenstrijdige belangen.
Vanaf de 13e eeuw begint de Duitse Hanze expansief door te dringen op de Noordzee, naar de Nederlanden en naar Engeland. Deze expansie had echter een strikt handelskarakter en was geen kolonisatie, zoals aan de de kusten van de Oostzee. Van de vier grote kantoren van de Hanze in het buitenland was dat van Brugge het enige waar de Duitsers zich niet in hun gebouw afzonderden, maar in het midden van de bevolking leefden, wat door een beter contact zakelijke en culturele gevolgen had.


Tegen het midden van de 15e eeuw telde men in de Nederlanden ongeveer twintig Hanze steden, die verbonden waren met de Keulse groep.
Behalve Groningen lagen deze steden aan de oostkust van de toenmalige Zuiderzee; Stavoren, Kampen, Harderwijk, aan de IJssel; Zwolle, Deventer, Zutphen, en aan de Rijn; Arnhem en Nijmegen.
Voor al deze steden, welke snel uitgroeiden tot vestingsteden, werd de toelating tot het verbond zeer zorgvuldig besproken, omdat het binnen dit kleine gebied niet gemakkelijk was om als Hanzestad geaccepteerd te worden.
De onderhandelingen met Kampen waren bijzonder moeilijk. Deze stad was in de middeleeuwen de drukste haven van Noord-Nederland. Schepen uit Kampen dreven al eerder dan die van de Hanze handel in de Oostzee, Noorwegen, Engeland en Frankrijk.
Door Brugge waren aan Kampen privileges verleend en Kampen stond altijd aan de zijde van Brugge wanneer de stad in conflict met de Duitse Hanze was, hetgeen herhaaldelijk gebeurde.
In 1441 werd Kampen toch in de gemeenschap opgenomen. De stad bleef echter zeer onafhankelijk, nam belangen van de Hollanders onder haar hoede, want zij had met het Westen haar eigen relaties.
De steden van Holland en Zeeland hebben nooit deel van de Hanze uitgemaakt, maar hun belangen vielen dikwijls samen met die van de Hanze.



                                          Zie vervolg: HANZE. WAT IS DAT (DEEL 2) 

maandag 31 oktober 2016

HALO - VERSCHIJNSEL. WAT IS DAT?


HALO HET AUREOOL VAN DE ZON.



DE ZON IS DE GROOTSTE EN BELANGRIJKSTE PLANEET VAN ONS STERRENSTELSEL. DE ZON GEEFT ONS LICHT EN WARMTE, MAAR BRENGT OOK LEVEN EN DOOD.


                                                    Halo rond de zon in tropisch gebied.

HALO - VERSCHIJNSEL. 

In engere zin is een halo een lichtende kring om de zon of de maan. In ruimere zin wordt het woord halo-verschijnsel ook gebruikt voor allerlei verwante optische verschijnselen, zoals raakbogen, bijzonnen en bijmanen, de parhelische ring, de circumzenitale boog en andere verschijnselen, die alle dit gemeen hebben dat ze veroorzaakt worden door breking en/of spiegeling van het licht in of aan ijskristalletjes in de atmosfeer (vooral in cirrosstratusbewolking; Cirrosstratus).

DE VOORNAAMSTE HALO-VERSCHIJNSELEN ZIJN:

1. Kleine kring om de zon of de maan met een straal van 22 graden.
2. Bijzon en bijmaan, links en/of rechts op de 22 graden of iets meer.
3. Boven- en benedenraakboog aan de kleinere kring.
4. Grote kring om de zon of de maan met een straal van 46 graden.
5. Bovenraakboog aan de grote kring.
6. Cirumzeniale boog, evenwijdig aan de horizon, regenboogkleurig, op iets meer dan 46 graden
    boven de zonshoogte.
7. Parhelische ring of bijzonnenring en paraselenische ring of bijmanenring, horizontaal,
    door of ter hoogte van de zon.  
8. Benedenzon of onderzon.
9. Zuil, eventueel kruis, verticale lichtzuil onder en/of boven de zon of maan eventueel
    gecombineerd met (7).
10. Tegenzon, tegenover de zon op gelijke hoogte.



                                                                Halo rond de maan.





FIGUUR 1. HALO VERSCHIJNSELEN.

In figuur 1 zijn deze halo verschijnselen schematisch weergegeven. 
De halo's kunnen ontstaan wanneer in de betrokken bewolking ijskristalletjes van eenvoudige soort in voldoende aantal voorkomen, terwijl zeshoekige zuiltjes (naaldjes) of zeshoekige plaatjes in combinaties daarvan. (zie figuur 2)






FIGUUR 2. IJSKRISTALLEN.

a. Plaatje.
b. Zuiltje.
c - d. Kristallen met pyramides.
h. Hoofdas.
d. Draaias.

De halo's ontstaan door breking (gepaard met kleurenschifting)  of spiegeling, maar zelden door een combinatie van deze beiden. De voornaamste twee wijzen van breken (refractie) zijn afgebeeld in de figuren 3 en 4.


FIGUUR 3.

BREKING VAN HET LICHT IN EEN BREKENDE HOEK VAN 60 GRADEN.

In dit geval spreekt men van een brekende hoek van 60 graden (tussen twee zijvlakken.

FIGUUR 4.

BREKING VAN HET LICHT IN EEN BREKENDE HOEK VAN 90 GRADEN.

In dit geval van een brekende hoek van 90 graden tussen zijvlak en basisvlak.

Hebben de kristallen alle mogelijke standen, dan vertonen de gebroken stralen verschillende richtingen; de hoek die een uittredende (tweemaal gebroken) straal met de invallende straal maakt kan dus allerlei verschillende waarden hebben, maar er is een minimum voor deze afwijkingshoek: in het geval van figuur 3 is dat ongeveer 22 graden (voor rood iets minder dan voor blauw); in het geval van figuur 4 ongeveer 46 graden.
Stralen die deze minimum afwijking ondergaan lopen zo door het kristal dat de invallende en de uittredende straal symmetrisch liggen ten opzichte van de twee brekende kristalvlakken. 
De theorie van de lichtbreking leert nu dat er een concentratie van gebroken lichtstralen is in richtingen die met deze minimum afwijking ongeveer overeenstemmen.

Halo met regenboogkleuring.

Zodoende krijgt men een concentratie van licht te zien uit richtingen die een hoek van ongeveer 22 graden maken met de richting van de zon: de kleine kring; of uit richtingen die er een hoek van ongeveer 46 graden mee maken: de grote kring.
Deze laatstgenoemde is veel lichtzwakker en veel minder vaak te zien dan de kring van 22 graden.
Onder bepaalde omstandigheden, vooral wanneer de atmosfeer ter plaatse erg rustig is, kunnen de ijskristalletjes tijden het zweven of langzaam dalen bepaalde voorkeur standen aannemen: bij zuiltjes met de hoofdas horizontaal, bij plaatjes met de hoofdas verticaal. (d.w.z het plaatje zweeft horizontaal). Bij zulke standen kunnen lichtstralen in het algemeen niet op de boven aangeduide wijze symmetrisch door het kristal gaan; er treden dan andere zeer kleine afwijkingshoeken op dan de bovengenoemde twee en men ziet dan de lichtconcentraties op andere boogafstanden van zon en maan.

In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de ontstaanswijze van de bovengenoemde halo-verschijnselen (door de genoteerde letters aangeduid) en van de betrokken kristalsoorten en hun karakteristieke standen.



                                                            Een kruis aan de hemel.

zondag 30 oktober 2016

HAAI. HOE EN WAT?


EEN VIS MET EEN BEK VOL TANDEN.





HAAI.

De haai is een vis met uitwendige kieuwspleten; een geraamte van kraakbeen; een huid met beenplaatjes, vaak van tandjes voorzien en ruw; en heeft een bek aan de onderzijde van de kop.
De meeste haaien soorten hebben sterk ontwikkelde tanden die in dwarsrijen achter elkaar staan; naarmate de voorste rijen, die rechtop staan, afslijten of breken worden ze vervangen door de achterste, die oorspronkelijk plat lagen.


De kop eindigt bij de meeste haaien in een spitse snuit. Haaien hebben een taai leven; een afgesneden kop kan nog na uren gevaarlijk bijten.
De darm is kort; hierin loopt een spiraalvormige lijst waarlangs het voedsel geleid wordt.
De achterste gedeelten van de buikvinnen van de mannetjes zijn hulporganen bij de paring; de bevruchting is inwendig. De eieren zijn omgeven door een hoornachtige schaal. Bij een aantal soorten komen de jongen levend ter wereld. Het vlees van vele soorten is eetbaar; het moet echter vers genuttigd worden, daar het spoedig een ammoniaklucht ontwikkelt. De lever is bij veel soorten groot (10-15%) van het lichaamsgewicht en bevat tot 50% traan die rijk is aan vitamine A, maar arm aan vitamine D.
De huid van sommige soorten werd vroeger als schuurmiddel gebruikt. Er zijn nog ongeveer 150 haaien soorten, meest in de subtropische en tropische gebieden.
Haaien zijn bloeddorstige dieren en ruiken bloed in het water op grote afstand. Zij schrikken er niet voor terug grotere vissen en mensen aan te vallen. Een haaien beet ziet er door de vele tanden uit als een scheur en zal als men de aanval overleefd nooit mooi genezen.
Vroeger, vooral in het mesozoïcum, het op één na jongste hoofdtijdperk van de geologische tijdschaal, hebben zij een veel grotere rol gespeeld; er kwamen toen soorten van meer dan 25 meter lengte voor.


HAAIEN SOORTEN.

1 - DOORNHAAI.
2 - IJSHAAI OF GROENLANDSE HAAI.
3 - VOSHAAI.
4 - NEUSHAAI OF HARINGHAAI.
5 - REUZENHAAI.
6 - GROTE BLAUWE HAAI.
7 - RUWE OF GRIJZE HAAI.
8 - GEVLEKTE HONDSHAAI OF TIJGERHAAI.
9 - HAMERHAAI.






(1) DOORNHAAI.

De Doornhaai of de Squalus acanthias, heeft een gifdoorn aan het begin van elk van de beide rugvinnen. De lengte is 1 meter.
Deze haai komt aan beide zijden van de Atlantische Oceaan voor, in de Middellandse Zee en in een deel van de Stille Oceaan.
In de Noordzee is hij de meest voorkomende haai. Het vlees is smakelijk; om het karakter van haai weg te nemen wordt hij gevild, de buiklappen worden afgesneden en de rest lijkt iets op aal.
Hij komt dan ook voor dat hij als zeeaal verkocht wordt, hetgeen echter verboden is.
Deze haai wordt ook veel door sportvissers gevangen.

(2) IJSHAAI OF GROENLANDSE HAAI.

IJshaai of Groenlandse haai, de Somniosus microcephalus, is van donkere kleur en heeft kleine vinnen. De lengte kan ruim 6 meter zijn.
Deze haai bewoont de arctische wateren tot in de Noordzee, meestal op meer dan 200 meter diepte.
Vooral vroeger werd er veel jacht op gemaakt met hoekwant, wegens de lever die veel traan bevat.



(3) VOSHAAI.

De Voshaai of  Alopias vulpes, heeft een buitengewoon lange boventak van de staartvin; ook de borstvinnen zijn zeer groot. De vis heeft een lengte van 5 meter.
Komt voor in de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Vrij zelden komt deze voor in de Noordzee.







(4) NEUSHAAI.

De Neushaai of Isurus cornubicus wordt ook wel de haringhaai genoemd. Deze haai heeft een hoge rug met grote voorste rugvin en dunne staartsteel. Ze heeft een lengte van 3,5 meter en een gewicht van 180 kilogram.
Het is de meest voorkomende grote haai in de Noordzee.
Evenals de ruw haai is hij schadelijk voor de visserij. Het is de belangrijkste grote haai voor de sportvisserij in de Noordzee.
Het vlees is zeer smakelijk.

(5) REUZENHAAI.

De Reuzenhaai of Cetorhinus maximus.
De kieuwspleten lopen over de gehele zijden van het lichaam. Deze haai voedt zich met plankton en heeft een lengte van 9 meter.
Komt voor in de noordelijke delen van de Atlantische Oceaan en de Stille Oceaan bij gematigde temperatuur.
Ze verschijnen soms in scholen van 50 tot 100 stuks voor de kusten van Groot-Brittannië, Ierland en Noorwegen.
Men noemt ze ook wel ´basking sharks´, omdat ze een groot deel van hun leven door brengen door zich juist onder het zeeoppervlak te laten drijven of traag voort zwemmen. Het vlees van deze soort is van goede kwaliteit.

(6) BLAUWE HAAI.

De Blauwe haai of Carcharias glaucus heeft de voorste rugvin dichter bij de buik- dan bij de borstvinnen. De bovenste staartvin is sikkelvormig, de rug is blauw van kleur en de lengte zo'n 4 meter.
Het wijfje brengt levende jongen voort die 60 cm lang zijn.
Deze soort komt voor in alle tropische en subtropische wateren, tot aan de Britse eilanden, maar zelden in de Noordzee.
Het is een zeer gewaardeerde vis voor de sportvisserij, maar het vlees is waardeloos. Deze en aanverwante soorten vallen mensen aan.


(7) RUWE HAAI.

De Ruwe haai of Eugaleus galeus lijkt in lichaamsbouw op de Blauwe haai; de voorste rugvin staat echter dichter bij de borst- dan bij de buikvinnen. Deze kan een lengte hebben tot 2 meter.
Komt in de gehele Atlantische Oceaan voor van Kaapstad tot de Noordzee.
De Ruwe haai is schadelijk voor de visserij door het vernielen van netten of het roven van vis uit de netten of vislijnen. Het is echter een geliefde vis in de hengelsport.

(8) HONDSHAAI.

De Hondshaai of Scylliorhinus canicula wordt ook wel de Tijgerhaai genoemd. 
De voorste rugvin begint tussen de buikvinnen en de aarsvin; rug en zijden zijn gelig gekleurd met donkere vlekken. De lengte van de vis ligt beneden de 1 meter.
De van een hoornachtige schaal voorziene eieren worden aan allerlei voorwerpen vastgehecht.
Deze haai komt voor in de Middellandse Zee en langs de zuidwestelijke kusten van Europa tot in het Kanaal, waar hij soms zeer talrijk is. In de Noordzee komt deze haai voor in de zomer.
Het vlees van deze haai is van geringe waarde.

(9) HAMERHAAI.

De Hamerhaai of Sphyrna zygaena dankt zijn naam aan de vorm van de kop.
De kop heeft aan weerszijden uitgroeisels aan het waarvan de ogen staan. De lengte van deze haai kan 5,5 meter bedragen.
Hij komt voor in de tropische en subtropische delen van de Atlantische Oceaan tot aan de Britse eilanden. De grotere soorten vallen ook mensen aan.
Ze worden ook wel hammervis genoemd.




(10) TOONHAAI.

De Toonhaai of Mustelus mustelus is kenbaar aan het gebit dat bestaat uit afgeplatte tanden die als een mozaïek naast elkaar staan.
Hiermee kraakt hij schelp- en schaaldieren.
De lengte is rond de 1,5 meter en hij komt voor in de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan tot de Shetland Eilanden.




(11) WALVISHAAI.

De Walvishaai of de Rhincodon typus is verwant aan de Reuzenhaai en leeft in tropische wateren.
Dit soort kan tussen de 8 en 20 meter lang worden en weegt 15 ton.
Vrouwtjes zijn groter dan de mannetjes. De vis heeft aan iedere zijde 5 kieuwopeningen.
In de bek liggen op de voorste rij 300 kleine tanden en in totaal heeft het dier 3000 tanden.
Deze soort leeft ook van plankton.
De Walvishaai kan een leeftijd bereiken van 80 tot 110 jaar.




maandag 24 oktober 2016

CATAMARAN / DUBBELROMPSCHIP. HOE EN WAT? (DEEL 2)


EEN VAARTUIG MET TWEE ROMPEN. (2)

Gutamaran, ook catimoron, generieke benaming voor verschillende vlotten.

DE OPKOMST VAN DE MACHINE VOORTSTUWING.



De dubbele romp bleef de scheepsbouwers inspireren tot de bouw van grotere zeevaardige schepen met een dubbele romp.

DE 'CALAIS-DOUVRES' KANAALBOOT.


( Een oude afbeelding uit het Nationaal Scheepvaartmuseum in Antwerpen van de experimentele kanaalboot 'Calais - Douvres'. )

De 'Calais - Douvres' was het derde  en de laatste experimentele schip als kanaalboot uit de voorlaatste eeuw. het schip was ontworpen ten gerieve van de passagiers die het kanaal overstaken.
Het schip was eerst 'Express' genaamd en werd in 1877 gebouwd op de scheepswerf van Hawthorn Leslie & Co. te New Castle. Het was eigendom van de Englisch Channel S.S. Co.
Het schip bestond uit twee volledige rompen naast elkaar in tegenstelling tot de 'Castalia' waarbij twee halve rompen met elkaar waren verbonden.
De lengte was 302 voet en de breedte 60 voet. De stoom aangedreven machines hadden een vermogen van 600 pk en gaven het schip een snelheid van 13 mijl per uur.
De raderen voor de voortstuwing waren aangebracht tussen de beide rompen.
De 'Calais - Douvres' werd in mei 1878 in gebruik genomen tussen Dover en Calais door de London, Chatham & Dover Railways Comp. Ze was zeer populair bij de reizigers.
Met een bruto inhoud van 1924 ton was het schip[ toen veruit de grootste kanaalboot. Het schip was uitgerust met viermasten en vier schoorstenen: twee op elke romp.
In 1887 werd zij uit de vaart genomen en was de laatste jaren van haar bestaan een kolenopslag op de rivier de Thames.


HET MODERNE DUBBELROMP SCHIP.

Door de vooruitgang in de techniek en moderne systemen van aandrijving kwam de 'catamaran' weer terug als een snel soort veerboot.
Het was vooral te danken aan de ontwikkeling van de uitvinding van de waterjet voortstuwing, waarbij deze schepen een dienstsnelheid kunnen ontwikkelen van 40 knopen.
Een waterjet heeft pas een goed rendement vanaf snelheden van 25 tot 30 knopen en wordt daarom toegepast voor snelle schepen.



Het principe van de waterjet werd in 1661 bedacht door Toogood en Hayes. Toen men technisch in staat was stoom als krachtbron te gebruiken, lukte het in 1787 voor het eerst een succesvol waterjet voortgestuwd vaartuig tot stand te brengen, waarbij een snelheid van 2 tot 3 knopen werd bereikt.




DE WATERJET.

Een waterjet is een voortstuwer om schepen voort te bewegen. In het begin was dit vooral beperkt voor hogesnelheidspleziervaartuigen en kleine werkschepen.
In het afgelopen decennium heeft de waterjet een grote sprong voorwaarts gemaakt.
Op de eerste plaats heeft de waterjet betere cavitatie-eigenschappen ten opzicht van de normale scheepsschroef.
Een schroef gaat bij hogere snelheid caviteren en krijgt daardoor een lager rendement.
Andere voordelen van de waterjet zijn de goede manoeuvreerbaarheid en het ontbreken van uitstekende delen aan het schip. Grotere waterjets worden aangedreven door high-speed dieselmotoren of gasturbines.
Het vermogen afhankelijk van de grote van het vaartuig kan variëren van enkele honderden tot vele duizenden kilowatts.


DE WERKING VAN DE WATERJET.

(1) de stuwstraal bij het vooruit varen.
(2) de stuwstraal achteruit gebogen door de omkeerplaat.

Een waterjet bestaat uit een inlaatkanaal, een pomp en een straalbuis.
De pomp zuigt via de inlaat water op van onder de scheepshuid.
Het water wordt door de pomproter in druk verhoogd en vervolgens met grote snelheid door de vertragende straalbuis naar buiten geperst.
Door de versnelling van het water door de jet ontstaat een tegenreactie waardoor het wordt voortgestuwd. Het achteruitvaren wordt mogelijk gemaakt door de omkeerplaat, de reversing bucket, de stuwstraal om te buigen.
Bij lagere snelheden worden vaak centrifugaalpompen gebruikt, voor hoge snelheden is dit vaak een 'inducer'. Daartussen wordt vaak een schroefpomp gebruikt.

MANOEUVREREN EN BESTUREN.

Aan de uitlaatopening van de jet zit een apart stuurdeel om de stuwstraal in de gewenste richting  te buigen. Dit kunnen platen zijn, vergelijkbaar met een roer, of door de straalbuis beweegbaar te maken.
De snelheid van het schip kan geregeld worden met zowel het toerental van de aandrijving als met de omkeerplaat.
Door de vaarrichting en -snelheid  te regelen met deze plaat kan er stuwdruk blijven op het stuurdeel, zodat de manoeuvreerbaarheid groter is dan bij de combinatie roer en schroef.
Achteruitvarend stuurt de waterjet in de zelfde richting als vooruit, in tegenstelling tot de schroef met roer. Door de omkeerplaat kan de waterjet ook zeer snel van stuwrichting omkeren.


zondag 23 oktober 2016

CATAMARAN / DUBBELROMPSCHIP. HOE EN WAT? (DEEL 1)


EEN VAARTUIG MET TWEE ROMPEN. (1)

Gatamaran, ook catimoran of catamaron, generieke benaming voor verschillende vlotten.


(1) DE OORSPRONG VAN DE NAAM.

Oorspronkelijk een vlot voor de visserij, vooral verspreid aan de zuidkust van India en op Ceylon.
De benaming komt uit het Tamil van de kust van Ceylon (Sri Lanka), waar men het 'kattu-maram'
(gebonden stammen) noemt.
In het Singalees heet het 'theppama'. Het vlot bestaat uit 3 tot 5 boomstammen die door dwarsbalken bij elkaar worden gebonden.

(2) DE BOOT-CATAMARAN.

Een paar gekoppelde boot-catamarans van Travancore in India getuigd met het gebruikelijke zeil.

Boot-catamarans bestaan uit twee vlotten van iets verschillende lengte, elk van drie boomstammen. Het grootste meet circa 23 voet bij 3 voet, het kleinste circa 20 voet bij 2,5 voet.
Bij elk vlot is de middelste boomstam iets langer dan de buitenste. Deze zijn er zo aan bevestigd dat de middelste ook dieper ligt en zo een soort kiel vormt.
Aan de koppen zijn de boomstammen vlak geschaafd zodat een ruwe bootvorm ontstaat. De drie stammen worden samen gehouden door een vork, waaraan zij gebonden zijn met touwen in daartoe bestemde groeven.
Het vaartuig wordt door twee mannen met gespleten bamboepaaien voortbewogen.,
Om de visgronden te bereiken wordt een driehoekig zeil bijgezet aan een 10 voet lange mast die in de kop van het grootste vlot gezet wordt met een sterke voorwaartse helling.
Bij het zeilen liggen beide vlotten niet evenwijdig maar met uiteenwijkend achtereind. Zij worden gebruikt voor de spanvisserrij.


Het Coromandeltype, waarvan ook verschillende soorten bestaan, is het meest ontwikkelde type.
De grootste, de kolamaram, wordt door de visserij op vliegende vissen gebruikt. Deze boot-catamarans blijven dikwijls verscheidene dagen op zee.
Deze romp bestaat uit zeven balken. Aan stuurboord is een achtste gebonden waarop de bemanning bij het vissen hurkt.
De boomstammen zijn zo bewerkt dat het vlot een concave vorm krijgt.
Aan het voorschip is een openstaande boeg uit vijf balken gemaakt. Om bij de wind te zeilen worden twee middenzwaarden aangebracht: één nabij de grote mast en één aan de achterkant.
De stuurriem wordt ook als zwaard gebruikt. De tuigage bestaat uit twee paar naar voren hellende masten met een soort latijnzeil, die aan de lijzijde van het vaartuig worden geplaatst.
Catamarans worden ook gebruikt in Vietnam, Indonesië, Australië, Melanesië, op de Salomons Eilanden en in Brazilië.


(3) DE NAPOLEONTISCHE OORLOGEN OP ZEE.

Tijdens de Napoleontische oorlogen bouwden de Engelsen vlotten die men eveneens catamarans noemde.
Deze vlotten werden beladen met grote hoeveelheden brand- en springstoffen en s'nachts in de nabijheid van de schepen van de Franse vloot van Boulogne gebracht met het doel deze branders op de stroom te laten afdrijven naar de vloot en deze in brand te steken.

(4) HET CATAMARAN ZEILJACHT.

Een catamaran zeiljacht is een zeiljacht met twee gelijke rompen, die elkaars spiegel;beeld zijn en die afstand zijn verbonden met een doosvormige of balkvormige brug.

Dit jacht ontleent zijn naam ten onrechte aan de door inlanders van Sri Lanka (Ceylon) gebruikte vissersboten.
In werkelijkheid is het catamaran jacht geïnspireerd op de dubbelkano's van de Polynesiërs. In het midden van de 17e eeuw beval reeds Sir William Petty (1623-1687) een soort zeilende dubbelboten voor de Royal navy.
In de Verenigde Staten van Amerika lieten de gebroeders Stevens in 1820 de eerste zeiljacht-catamaran bouwen, de 'Double Trouble'. Maar door vele gecompliceerde problemen en de teleurstellende snelheden voldeed dit type zeilboot niet aan de verwachtingen. Pas toen men beter inzicht kreeg in de hydrodynamische eigenschappen van de slanke rompen, en toen men met moderne constructie methoden en nieuw ontwikkelde materialen een licht en toch een sterk geheel kon bouwen, lukte het met zeilende catamarans hoge snelheden te bereiken.

In basisvorm bestaat het zeilschip uit twee plakhouten aluminium of met glasvezel versterkte plastic rompen, die op enige afstand van elkaar door een metalen , houten of kunststof brug zijn verbonden.
Op de brug staat de mast, meestal met sloeptuig. De brug bevat dikwijls een deel van de accommodatie, die soms verwijderbaar is om bij wedstrijden het gewicht te verminderen.
Elke romp heeft een roer, meestal onderling verbonden, en veelal een intrekbaar zwaard.
Als hulpvoortstuwing kan in elke romp een binnenmotor worden geplaatst of kan men één of meer buitenboordmotoren gebruiken.
Een catamaran zeiljacht van circa 9 meter kan zeilende een snelheid van 20 knopen (37 km/uur) of meer bereiken. Belangrijk bij de catamaran is, dat het zeiloppervlak snel aan de windsterkte kan worden aangepast, meer dan bij een enkelromp kieljacht. Daarom moet men snel kunnen reven en uitreven. Om het drijfvermogen te vergroten kunnen alle niet bruikbare holten en ruimten worden volgespoten met schuimplastic.
De dubbele romp bleef van de opkomst van de stoommachine en de scheepsmotor de scheepsbouwers inspireren tot de bouw van het 'dubbelrompschip'.


            ( Zie vervolg deel 2. CATAMARAN / DUBBELROMPSCHIP. HOE EN WAT?)