dinsdag 12 mei 2015

FLEMING PATENT. WAT IS DAT?


VOORTBEWEGEN ZONDER ROEIRIEMEN.




Reddingssloepen worden over het algemeen voortbewogen met roeiriemen of met behulp van de sloepmotor. Bij zware zeegang is het roeien van een reddingssloep zo goed als ondoenlijk.

Het was de Engelse constructeur I.R.Fleming die een gepatenteerde voorstuwingsmethode  voor reddingssloepen ontwikkelde met behulp van handkracht en via hefbomen en as een aangedreven schroefpropeller.


                                ( Zij- en bovenaanzicht van een sloep met het Flemingpatent.)

De goedkeuring voor gebruik aan boord van schepen werd verkregen van het Mercantile Marine Department, Board of Trade, op 28 februari 1922.
Dit patent werd later bij de Nederlandse koopvaardij het 'Vliegende Hollander Patent' genoemd.

Het systeem bestaat uit twee lange links en rechts tegen de drijfkasten flexibel gemonteerde aandrijfstangen, waarop hefbomen zijn gemonteerd ter hoogte van de doften, welke aldus door alle inzittenden van de boot heen en weer worden bewogen. Dit moest aan beide zijden met het zelfde tempo gebeuren.
De heen en weer gaande beweging van de drijfstang wordt ter hoogte van de achterste doft via een krukas-mechanisme omgezet in een draaiende beweging, welke door middel van een haakse tandwieloverbrenging op de schroefas wordt overgebracht. De schroefas dreef de schroef aan.
Het Flemingpatent kwam vooral voor bij in de Verenigde Staten gebouwde schepen.


maandag 11 mei 2015

DRAKAR (SCHIP). WAT IS DAT?

DRAKAR OF LANG SCHIP, MAAR DE

KOP OP DE BOEG GAF DE NAAM AAN

HET VIKINGSCHIP.

( De naam wordt ook wel als Drakkar geschreven)






De drakar is een oorlogsschip van de Vikingen dat tot een hoge trap van ontwikkeling gedurende de 9e t/m de 11e eeuw. Drakars werden ook wel Lange Schepen genoemd. Ze hadden bijzonder fraaie lijnen met een hoge lengte / breedte verhouding en een geringe diepgang die het bevaren en vechten in ondiepe kustwateren, riviermondingen en ingesloten kreken mogelijk maakte.
De schepen waren overnaads gebouwd op een smalle kiel. De breedte/lengte verhouding was van 1,2 tot 5. De fijn geveegde rompvorm, natuurlijke stroking van de huidgangen en de voortzetting van de zeeg in de hoge voor- en achterstevens, gaven deze schepen een uitzonderlijk harmonische vorm.
De constructie delen; kiel,stevens, spanten, dekbalken, knieën en de huid waren van eikenhout, buikdenning en luiken soms van grenen.


Bijzonder is dat de spanten niet aan de kiel waren verbonden. De huidgangen waren gedeeltelijk aan de spanten en elkaar genageld, gedeeltelijk met wilgentenen vastgebonden.
Gebreeuwd was met drienaads garen van dierlijk materiaal. Er ontstond een schip dat enigszins soepel was en zich gemakkelijk door de zee bewoog.
De huidgang op de koppen van de spanten was zwaarder dan de andere en verjongd in de richting van de stevens. Zo ook de gang van het boeisel waarin de gaten waren on de riemen door te steken.. Deze gaten hadden onder en boven een spleet, zodat de riemen van binnen naar buiten konden worden doorgestoken. Deze scheegaten konden door een draaibaar klepje worden afgesloten wanneer er werd gezeild.
Vlak onder het potdeksel liep langs het boeisel een lange laf met spleten waarin de schilden werden gestoken; deze stonden elkaar overlappend langs het boord opgesteld, zodanig dat ongeveer 4/5 er bovenuit stak.
Het roer was opgehangen in klampen aan stuurboord en was met een wilgentak of een walvisbalein aan een klos op de huid verbonden, zodat de uitslag van het roer door de veerkracht en buigzaamheid werd beperkt.
Ongeveer op het midden van de lengte lag een zware balk op de kiel die als mastspoor diende.
Daarboven was op de dekbalken een zware balk gelegd, waarin een langwerpig gat, dat achterover strijken van de mast veroorloofde. De mast werd  met een wegneembaar blik in dit gat opgesloten.


Wat de grootte van de schepen betreft: het Gogstad schip dat 23,3 meter lang is bood plaats aan 16 roeiers op ieder boord. De afstand tussen de scheegaten is 98 cm.
Het beroemde schip de 'Ormen Lange', van Olav Trygvalson kon 34 roeiers plaatsen aan ieder boord en had een lengte van 45 meter.
De Noorse saga's verhalen van nog grotere Drakars, onder andere die van koning Knut, welke meer dan 80 meter lang zou zijn geweest.
De drakekop die op de voorsteven gestoken kan worden en waaraan de naam van het schip is ontleend was afneembaar. Ze mocht niet worden gevoerd als het schip haar thuishaven naderde.
De opvarenden verbleven onder een tent die over een langsscheepse paal, rustend op fraai besneden scharen, over het dek werd gespannen.
Daar de schepen gelijktijdig oorlogs- en emigratieschepen waren, werden vaak vrouwen, kinderen en vee op lange reizen meegenomen.
Bronnen over deze schepen zijn onder andere de wandkleden van Bayeux en de Saga's, de opgravingen van bijvoorbeeld het Nydamschip, het Osebergschip en het Gokstadschip, alsmede vaartuigen gevonden bij Tune.


zaterdag 9 mei 2015

GALJAS (SCHIP). WAT IS DAT?


TWEE MET DE ZELFDE NAAM!




(1) Een galjas is oorspronkelijk een  zeer grote galei (galia grossa) van ongeveer 50 meter lengte, en over het algemeen zwaar van constructie.


( Een reconstructie tekening van de galjas, een van de oorlogsschepen die deelnamen aan de zeeslag bij Lepanto in 1571. Zij - en vooraanzicht.)

Een galjas was veelal getuigd met latijnse zeilen aan een drietal masten, Tijdens een gevecht werden de masten verwijderd en werd de galjas voortbewogen door enkele honderden roeiers.
De bewapening bestond uit 30 tot 70 kanonnen van verschillend kaliber. Deze stukken geschut waren opgesteld in het voor- en achterschip.
De galjassen speelde voor het eerst een grote rol bij de zeeslag bij Lepanto in 1571. Tot het einde van de 17e eeuw waren ze in dienst bij verschillende vloten in het Middellandse Zee-gebied, in het bijzonder bij de vloot van Venetië. Hierna werden ze langzaam verdrongen door vierkant getuigde fregatten en linieschepen.


(2) Een galjas is een kustvaarder die in de vaart was bij de Scandinaviërs, Duitsers en Nederlanders.

Verklaring van de cijfers van de galjas van de Oostzee getuigd als een kits;
1. - Jager.
2. - Buitenkluiver.
3. - Binnenkluiver.
4. - Stagfok.
5. - Grootzeil.
6. - Grootgaffeltopzeil.
7. - Bezaan.
8. - Bezaansgaffeltopzeil.

De oudere galjas leek veel op het type galjoot, behalve dat zij een vlakke spiegel had. De voorsteven was licht gebogen. De romp was ook scherper getekend dan die van de galjoot maar had eveneens een grote zeeg.
De tuigage was het anderhalfmasttuig van de galjoot, bestaande uit een grote mast, een bezaansmast en een boegspriet. Aan de grote mast werd een gaffelzeil gevoerd, een breefok, een vierkant topzeil, een stagfok en op de boegspriet de kluiver, buitenkluiver en jager. Aan de bezaansmast werd een bezaanzeil met korte gaffel gevoerd.


In de 19e eeuw werden ook nog een bramzeil en lijzeilen aan de grote mast en een gaffeltopzeil aan de bezaansmast gehesen, waarvoor stengen werden opgezet.
De galjas kwam in het begin van de vorige eeuw nog in de Oostzee voor. Ze waren gebouwd met een clippersteven en met een rond overhangend achterschip. Zij waren getuigd als kits of schoener.
Verder kende men nog de jachtgaljas, de spitsgatgaljas, de hoekergaljas en de galjasever.
Hun afmetingen waren: lengte 22,5 meter; breedte 2,4 meter; holte 2,4 meter en de tonnenmaat 120 ton. 



donderdag 7 mei 2015

MAST- EN ROERVERSIERING. WAT IS DAT?


EEN OUD GEBRUIK EN NU TRADITIE.




Mastversiering is alle versiering van de masten op zeeschepen, vissersschepen, jachten en binnenvaarders, doorgaans bestaande uit snij of beeldhouwwerk, evenals beschildering en bevlagging.

( Rechts; een masttopversiering het zogenaamde 'mannetje' van een Arnemuidse hoogaars.)

Aan boord van de zeeschepen was de mestversiering reeds gebruikelijk in de middeleeuwen. Toe werden er schanskleden en wapenschilden over de rand van de mars gehangen. Dit oude gebruik is terug te vinden op sommige zeilschepen uit de 20e eeuw in de vorm van marsschilden versierd met heraldische motieven. Dit kwam veel voor op de Belgische opleidingsschepen.

Ook het voeren van feest- en praalvlaggen is naast het pavoiseren een wijze van mast versiering.

                                                                    
( Rechts; de zogenaamde 'mastwortel'.)

Op jachten en binnenschepen werd in de loop van de 17e tot in de 19e eeuw soms een mastschild geplaatst tegen de voorkant van de mast.
Onderdelen als de hommer en de masttop werden soms bewerkt en beschilderd en droegen samen met het schilderwerk op de andere rondhouten bij tot de decoratie van het schip.
De masttop was boven de vleugel soms versierd met een mastwortel.
Vleugel en mastwortel samen noemde men tuigje.



Hommer ook wel nommer genoemd is een ronde of achthoekige verdikking aan de bovenste helft van een steng of mast, aan de bovenkant voorzien van een borsting.
Op deze borsting kan een zaling steunen of wordt het want gelegd.
In de hommer is soms een schijfgat aangebracht voor een val. Deze hommer werd op vissersvaartuigen, jachten en binnenschepen vaak met veel kleuren opgesierd.

Op vissersschepen kwamen diverse masttopversieringen voor, bijvoorbeeld op het Marker waterschip, op de Arnemuidse hoogaars en op de Blankenbergse schuit.



                                         ( Mastversiering: windwijzer met zeemeermin.)

Vissersschepen van de Zuiderzee hadden bovenop de pen van de vleugel de 'hemelboender of pluim', bestaande uit een bol van in elkaar gedraaide rode of zwarte wol.


PAVOISEREN.

Pavoiseren is het versieren van een schip met rijen vlaggen.
Dit wordt door de schepen gedaan als eerbewijs bij zeer bijzondere gelegenheden, zoals belangrijke herdenkingsdagen, koninklijke verjaardagen, bij algemeen feestvertoon zoals bij Sail Amsterdam en Sail Den Helder, en soms aan boord van passagiersschepen bij het binnenlopen of vertrek uit een haven.
Aan het pavoiseren zijn duidelijke internationale regels verbonden.
Aan de top van elke mast wordt de natievlag gehesen, aan de geusstok de geus, aan de achtersteven een extra grote natievlag; daartussen met gelijke tussenruimten de seinvlaggen van voor naar achter aan speciale lijnen. Dit over de toppen pavoiseren is op moderne schepen en op schepen die bezig zijn met laden en lossen niet altijd mogelijk. Men zal zich moeten richten naar geschikte bevestigingspunten.
Het pavoiseerplan kan tevoren op verschillende manieren zijn opgemaakt; vooral bij oorlogsschepen kiest men zoveel mogelijk het kleurenschema van de natievlag. Om gevoeligheden te vermijden moet men in het pavoiseerplan geen natievlaggen opnemen anders dan de eigen vlag  zoals hierboven is genoemd; ook geen seinvlaggen die gelijken op de natievlag van het land waar het schip zich bevindt of het vormen van woorden die ongewenst zijn. De rederijvlag wordt bij het pavoiseren niet gevoerd.
De eigen natievlag aan de vlaggenstok moet altijd het eerst uitwaaiend en langzaam gehesen worden en als laatste langzaam worden neergehaald.


ROERVERSIERING.

De eerste vormen van versieringen, buiten de zeegaande zeilschepen, waren op de spiegel- of paviljoenjachten uit de tweede helft van de 18e eeuw en werd later in ere gehouden op de plezierjachten tot in de 20e eeuw.

( Paviljoenjacht uit de eerste helft van de 19e eeuw.)

Buiten het met snijwerk versierde hek dat was voorzien van ramen of meestal valse ramen, was er versiering aangebracht  aan de zijkant van het schip en op de voorsteven.
Ook het roer en de helmstok waren rijk versierd met houtsnijwerk.



Doordat de helmstok over de achtersteven heen stak werd de vlag gevoerd op een houder achter op het roer. Bovenop de helmstok had men vaar een afbeelding van een dier uit hout gesneden aangebracht. Dit soort roerversiering bleef alleen nog in gebruik bij plezierjachten welke nu reeds tot het 'varend erfgoed' behoren.


zondag 26 april 2015

LIJZEIL. WAT IS DAT?


OM MEER SNELHEID TE MAKEN.




Een lijzeil is een smal, doorgaans rechthoekig of trapeziumvormig zeil, dat met behulp van een lijzeilspier naast en voor het staande lijk van de onder-, mars- en bramzeilen werd uitgezet om het normale zeiloppervlak tijdelijk te vergroten.

                 ( Tekening van een Frans linieschip, uit de 19e eeuw, met alle lijzeilen bij.)

Het bijzetten van de lijzeilen gebeurde bijvoorbeeld  bij ruime wind en kalme zee. De lijzeilspier was een rondhout dat aan de voorkant van de ra en evenwijdig daarmee, doorgaans enkel op de onder-, mars- en bramra's, werd aangebracht.
Om er het lijzeil aan op te hangen werd de spier op de ra dwarsscheeps uitgebracht.
Lijzeilen schijn en reeds in de 14e eeuw bekend te zijn geweest, maar kwamen eerst in de 17e eeuw algemeen in gebruik. Tegen het einde van de 19e eeuw raakten ze in onbruik.



                  ( De Nederlandse bark 'Europa', gebouwd in 1911, met al haar lijzeilen bij.)

zaterdag 18 april 2015

GALERIJ VAN SCHIP. WAT IS DAT?


EVEN MIJN HUT UIT EEN LUCHTJE SCHEPPEN.


Een galerij is een uitbouw aan de achterkant en gedeeltelijk aan de zijkant van het achterschip.


(Tekening van de galerij van een kraak uit de 15e eeuw.)

Galerijen kwamen op westerse schepen in gebruik in de tweede helft van de 15e eeuw. Langs de achterzijde van het hakkebord werd een soort balkon gebouwd over de gehele breedte van het schip.
Vaak stond op ieder uiteinde een kleine opbouw welke boven het water uitstak en wat waarschijnlijk het toilet was van de gezagvoerder en de officieren. 
De galerij kon bereikt worden langs deuren in het hakkeboord en hoofdzakelijk vanuit de hut van de gezagvoerder of eigenaar.
De galerijen ontwikkelden zich rond 1600 er werden ook langs de zijkant van de romp uitgebouwd.




                 ( De galerij in het hakkeboord van het Zweedse replica zeilschip Gotheborg.)

Aanvankelijk was een galerij geheel open en hoogstens langs de bovenkant met de romp verbonden door een stel balken waarover een zeil gespannen kon worden. Later kregen ze een volledig dak.


( Galerij met versierd hakkebord van het Nederlandse oorlogsschip 'Gouda' uit 1665.)

In de loop van de 17e eeuw verdwenen de open galerijen op talrijke schepen. het hakkebord werd op de zijkanten verbreed door staatshouten die de zijgalerij aan de achterkant afsloten van het hakkebord.
Deze open zijgalerij werd afgedekt door een dak op kopstuk en op de zijkanten afgesloten door een trommel met ramen.
Aan de onderkant werd ze gesteund door een visstaart of druiper.
De open galerij bleef echter nog in gebruik op zeer grote schepen, soms zelfs in meerdere verdiepingen.
Op oorlogsschepen ontwikkelde ze zich opnieuw in de loop van de 19e eeuw en werd nu westergang genoemd.
Terwijl de zelfde tijd verdween de zijgalerij.
Aanvankelijk werden ze vals aangebracht en dienden enkel als decoratief element. De zijgalerijen waren evenals de achtergalerij versierd met beeldhouwwerk en snijwerk zoals het hakkebord en worden daarom tot de scheepsversieringen gerekend. In de zijgalerijen werden later dikwijls toiletten ondergebracht.
Op de koopvaardijschepen gebruikte men de zijgalerijen wel als verblijfplaats voor meevarende passagiers.
Bij de Koninklijke Marine komt het woord galerij nog voor in de betekenis van toilet en/of urinoir, met name op het Kon. Instituut voor de Marine.



vrijdag 17 april 2015

SCHEEPSGESCHUT. WAT IS DAT?



VUUR....  AANVALLEN!



Al snel kwam de mens er achter dat je ook op een afstand je vijand de eerste vernietigende klappen kon uitdelen.
Een van de eerste stukken geschut is eigenlijk wel de katapult, waarmee stenen of brandende voorwerpen naar de vijand werden geschoten. In het begin was een dergelijk werktuig alleen aan land in gebruik, maar ook op de oorlogsschepen van de Romeinen kwamen ze later voor.

Onder scheepsgeschut wordt eigenlijk verstaan, alle vuurmonden met een kaliber van 20 millimeter en groter, bestemd of geschikt om opgesteld te worden aan boord van oorlogsschepen of ter verdediging tegen kapers op handelsschepen. De ontwikkeling van het scheepsgeschut liep aanvankelijk parallel met die van het landgeschut. Naarmate er echter meer schepen werden gebouwd met als enig doel om als oorlogsschip te dienen, splitste zich geleidelijk de ontwikkeling van de land- en de scheepsartillerie.



                           (Achterlader met kamer en kulas op houten affuit omstreeks 1500.)

In het begin van de 15e eeuw ,en wellicht eerder, verscheen op de schepen het eerste geschut. Het bestond uit ijzeren, later ook bronzen kanonnen; zwaardere werden vaak vastgebonden op houten affuiten, de lichtere waren verschansingsstukken die in een vork lagen en daarmee draaibaar werden gemonteerd op de verschansing.



(Steenstuk dat draaibaar in een ijzeren vork op de verschansing werd geplaatst, begin 16e eeuw.)

Het waren achterladers dan wel gladloops voorladers zonder trekker en velden. Het gladloopskanon, dat steeds meer geperfectioneerd werd, heeft zich gehandhaafd tot in de tweede helft van de 19e eeuw. 
Naarmate het geschut zwaarder werd, kwamen in de 16e eeuw twee en later vier wielen onder de houten affuit in zwang, waardoor de terugslag beter kon worden opgevangen en de stukken aan boord handelbaarder werden. Hiermee was de invoering van het rolpaard een feit.


De zwaarte van de stukken werd aangegeven door het gewicht van de projectielen, die zij verschoten.
In de 17e eeuw werd de 42 ponder tot een zwaar geschut gerekend. Zij waren log en moeilijk hanteerbaar in de lage ruimten van de geschutdekken.
De oorlogsschepen van de 15e tot in de 19e eeuw hadden de meeste kanonnen in de brede zij opgesteld, dat wil zeggen, dat de stukken loodrecht op de lengteas van het schip stonden en dwarsuit schoten.
Kanonnen welke recht vooruit konden schieten werden wel jaagstukken genoemd en hadden een relatief groot schootsbereik. In het algemeen echter konden niet meet dan 4 kanonnen recht achteruit en twee tot vier stuks vooruit schieten.


De lopen van de kanonnen staken door geschutspoorten in de scheepshuid naar buiten. De poorten konden door middel van luiken worden gesloten, hetgeen in zwaar weer vaak een noodzaak was om het buitenboord water niet binnen te krijgen. Daar de stukken zelf niet of nauwelijks te verplaatsen waren, diende met het gehele schip zodanig gemanoeuvreerd te worden, dat het vuur effectief was.

In de 16e eeuw hadden de schepen een groot aantal aan kanonnen, waarvan de meeste echter vrij licht waren. Zo had het schip de 'Henry Crâce à Dieu' uit 1545 er 184 en later 251 kanonnen.
In de 17e eeuw minderde het aantal stukken geschut, maar de stukken werden zwaarder.
De 'Prince Royal' uit 1610 had oorspronkelijk 56, later 90 kanonnen en was een van de zwaarst bewapende schepen uit die tijd.
Een van de redenen waarom vele lichte stukken geschut plaats moesten maken voor een kleiner aantal zwaarder kaliber, was de verandering van tactiek: het artillerieduel nam de plaats van het enteren in.



(Afbeelding van het linieschip 'Friesland'.)

In de tweede helft van de 17e eeuw komt het linieschip als grootste oorlogsschip naar voren met een bewapening van 50 tot meer dan 90 stukken geschut. Het vlaggenschip van admiraal Nelson de 'Victory'had in de slag bij Trafalgar in 1805, 100 stukken geschut variërend van 32 tot 12 ponders en twee 68 ponder 'carronades'.
Een bekend linieschip was de 'Delft' uit de slag bij Kamperduin. Het schip met een lengte van 167 voet; een breedte van 46 voet en een holte van tot op de kielplaat van 21 voet, had in totaal 68 stukken geschut. Op de onder laag 13 stukken van 24 pond, op de boven laag 13 stukken van 18 pond en op de bak en het half dek 8 stukken van 8 pond.





Bombardeerschepen hadden als hoofdbewapening één of twee  zware mortieren, welke projectielen wel van 200 pond konden afvuren. Zij werden gebruikt om fortificaties van havensteden of kustversterkingen te bombarderen.

In het begin van de 19e eeuw werd het mogelijk om de  kanonnen in beperkte mate te baksen en te eleveren, hoewel manoeuvreren nog steeds de voornaamste methode van 'richten' was. Door de invoering van granaten bood zelfs de dikte houten scheepshuid onvoldoende bescherming en begon men de schepen te pantseren. Het geschut werd groter en zwaarder, hoewel het nog steeds uit voorladers bestond. De zwaarte van het geschut werd nu uitgedrukt in kaliber; diameter van de vuurmond of van het projectiel, dus niet meer langer het projectielgewicht.



                              ( Een zwaar 25 cm kanon uit de tweede helft van de 19e eeuw.)

Het Franse schip 'L 'Océan uit 1868 had een hoofdbatterij van vier 27 cm stukken geschut. na het volledig verdwijnen van masten met zeilen  voor hulpzeilvermogen, kregen de zwaarste kanonnen de plaats die zij nu nog hebben, namelijk in de hartlijn van het schip, draaibaar opgesteld in torens of achter barbetten. Grote achterlaadkanonnen kwamen in 1880 in gebruik.


KANON.

Een kanon is een stuk geschut met een looplengte van 15 kaliber of meer. In principe bestaat een kanon uit een buis, op het moment van afvuren aan één zijde gesloten, welke buis een voortdrijvende lading en een projectiel kan bevatten en de explosie van deze lading zodanig onder controle heeft, dat het projectiel met hoge snelheid het open einde van de buis verlaat.
Een kanon bestaat van achter naar voren uit de kamer, welke overgaat in de loop: de loop bevat inwendig de trekken en velden. Een extra aantal inrichtingen is nodig om boven vermelde werking te kunnen verzekeren en vergemakkelijken. De kamer wordt tijdens het afvuren gasdicht afgesloten door het sluitstuk.
Een kanon vindt ligplaats in de zogenaamde wieg, waaraan tappen bevestigd zijn. Kanon en wieg kunnen om de as door de tappen bewegen in een vlak, loodrecht op het opstellingsvlak (eleveren).
Het recuul, de terugstoot, wordt opgevangen door remcilinders.
Bij een zwaar sluitstuk en een zware kulas, achterste deel van de vuurmond, zou de mogelijkheid bestaan, dat tijdens het afvuren en reculeren de loop opwipt en het projectiel niet met de juiste elevatie de monding verlaat. Deze opslag wordt tegengegaan door recuulbalanceerinrichtingen.
Door middel van baks- en eleveerinrichtingen kan een kanon worden gericht. Het laden, het inbrengen van de munitie kan met de hand geschieden of door middel van een automatische laadinrichting.

( 7,5 cm of 3 inch Bofors kanon uit 1915.)


Verklaring van de cijfers:
1. - Loop.
2. - Mantel.
3. - Wieg.
4. - Afstandinstelling, opzethoogtehandwiel.
5. - Richtkijker.
6. - Zijdelingse-correctiehandwiel.
7. - Kulas.
8. - Kruk.
9. - Elevatiehandwiel.
10. - Baksinrichting-handwiel.
11. - Remcilinder.
12. - Pivot.
13. - Elevatieinrichting.
14. - Afvuurinrichting.
15. - Sluitstuk.

De bemanning van een kanon, de kanonniers, wordt vaak beschermd tegen vijandelijk vuur door het kanon en alle bijkomende inrichtingen in te bouwen in een gepantserde, doosvormige constructie, kanontoren genaamd.
Vaak worden verscheidene kanonconstructies, meestal van hetzelfde kaliber, in één toren ondergebracht; men spreekt dan van twee-, drie- of vierlingtorens. De toren dient tevens als bescherming tegen de weersinvloeden.


KANONTOREN.

Ook wel geschutstoren genoemd. Met de invoering van het moderne geschut en de daarmee samenhangende grotere doordringingsvermogen van de granaten begon men in de tweede helft van de 19e eeuw met het beschermen van het geschut en de geschutsbemanning tegen vijandelijk artillerievuur. Aanvankelijk bestond deze bescherming uit te barbette.


( Barbette op een pantserschip anno 1922.)

Het was oorspronkelijk een kleine verhoging binnen een bastion waarop kanonnen stonden die over de borstwering heen schoten.
Bij oorlogsschepen in eerste opzet kort na het invoeren van de bepantsering, in 1867, een zware vast op het hoofddek gebouwde pantserwal van cirkel- of peervormige  doorsnede, waarachter zich het kwetsbare deel, o.a. het bakmechanisme van één of twee zware stukken geschut bevond.
De bovenzijde van de barbette was geheel open en de kanonnen vuurden over de rand heen.
Ze werd voor het eerst toegepast bij de Franse marine. Omstreeks 1890 toen ook de zwaardere kanonnen een hogere vuursnelheid kregen en de scherfwerking van de granaten veel groten werd was de open boven zijde een te groot nadeel.
Een nieuwe constructie was de barbettetoren welke sedertdien voor de zware kanonnen van slagschepen en kruisers de normale uitvoering werd, de geschutstoren.

Er ontstond een wedloop tussen pantser en kanon, met als resultaat dat het kanon en het pantser sterker werden. Uiteraard had dit tot gevolg dat de kanonbewapening van een schip verminderd werd, met als resultaat dat het belangrijker werd om het geschut doeltreffend te beschermen.
Hierbij werd de barbette een zware vast ingebouwde cilindervormige koker van pantserstaal, die liep van het pantserdek tot aan de baksbare gedeelte van de toren. Ze diende ook hier voor de bescherming van baksinrichtingen, munitieopvoerinrichtingen, enz. Met het verdwijnen van de bepantsering en de kanonnen van zwaar kaliber wordt bij de bouw van oorlogsschepen de barb ette niet meer toegepast.


( Modern automatische kanon van 12 cm in dubbelopstelling.)

Verklaring van de cijfers:
1. - Ziel-as.
2. - Monding.
3. - Loop.
4. - Dubbelkanon.
5. - Wieg.
6. - Toren.
7. - Kulas.
8. - Remcilinder.
9. - Liftmotor.
10. - Munitielift.
11. - Richtmotor.
12. - Magazijn.
13. - Pivot.

Het waren J.Ericsson en C.Coles, die onafhankelijk van elkaar de geschutstoren hebben uitgevonden.
Erisson construeerde zijn toren aan boord ven de 'Monitor' die met stoomkracht gedraaid kon worden. In Europa was het Coles die de eerste torens liet bouwen aan boord van een Deens oorlogsschip, dat in Groot-Brittannië op stapel was gezet, de 'Rolf Krake'.
De opstelling in de brde zijde werd meer en meer vervangen door de opstelling van de gepantserde geschutstoren in de midscheeps en aldus kon men over bakboord en stuurboord vuren, zodat de vuursectoren tot een maximum waren vergroot.



( Opstelling van de tien 30 cm kanonnen in vijf torens en 27 lichte stukken op het slagschip 'Dreadnought', 1906.)

Men kent torens met één, twee, drie of vier stuks geschut en men spreekt dan van resp. enkele, dubbele drieling- of vierlingtorens. Meestal treft men de torenconstructie slechts bij het middelzware en zware geschut aan, dat wil zeggen boven een kaliber van 12 cm.


( Modern 120 mm Bofors kanon L/50,70 schoten per minuut.)

Met een automatisch kanon kan worden gevuurd zonder gebruik te maken van menselijke tussenkomst, zoalng de munitie-aanvoerinrichting voldoende munitie bevat en zodra en zolang de afvuurinrichting in werking is gesteld. Automatische geschut maakt gebruik van eenheidsmunitie. De werking komt overeen met die van een zware mitrailleur.


In de eerste helft van de 20e eeuw werden de kalibers en de vuursnelheid geleidelijk vergroot. Slagschepen kregen geschut van 12 inch (30,5 cm), te beginnen bij de 'Dreadnought' in 1906, met een langzame en geleidelijke toename tot het 15 inch geschut (38,1 cm) van de 'Hood' en de 16 inch (40,6 cm) kanonnen van de Amerikaanse slagschepen van de 'Missiouri-klasse', die een schootsbereik hadden van 20 mijl (36 km).
Het zwaarste geschut ooit opgesteld op een oorlogsschip, waren de 18 inch (45,7 cm) kanonnen van de Japanse Ýamato' en 'Musashi' uit de WO-II, die lek drie drielingstorens van dat kaliber hadden. 
Na de WO-II was de tendens om licht geschut met een hoge vuursnelheid te maken, terwijl zwaar geschut (kaliber 20 cm en hoger) langzaam verdween en nauwelijks of niet meer werd gebouwd.
Zo verschenen enkelloops 12 cm kannonnen met een vuursnelheid van maximaal 70 schoten per minuut, 3 inch (7,6 cm) kanonnen met een vuursnelheid van 70  schoten per minuut, 40 mm mitrailleurs mat een vuursnelheid van 240 schoten per minuut en 30 mm mitrailleurs met een vuursnelheid van 540 schoten per minuut.
De taken van het zware geschut zijn tegenwoordig overgenomen door vliegtuigen en door geleide projectielen welke ook vanaf de oorlogsschepen en de onderzeeërs kunnen worden gelanceerd.
Uit recent opgedane ervaring is echter gebleken dat zwaar scheepsgeschut nog steeds waardevol is voor bombardement, hetzij bij amfibische operaties, hetzij als vuursteun aan landingstroepen.



dinsdag 14 april 2015

PUNTER. WAT IS DAT?

VAN EEN WERKSCHEEPJE TOT 

RONDVAARTBOOT VOOR TOERISTEN.



Punter is de aanduiding voor enkele kleine platbodemvaartuigen, gekenmerkt door het puntig toelopen van voor- en achterschip en geschikt om gezeild, geboomd of geroeid te worden.


         (Constructie tekening van de Giethoornse punter. Afmetingen 6,3 x 1,4 x 0,13 meter.)

De punters komen voort uit uit de plassengebieden rond Giethoorn en sommige grotere typen visten zelfs op het open water van de Zuiderzee, zij het onder de wal van de Provincie Overijssel.
De punter heeft in de lengte een licht gebogen vlak, voor en achterlijk scherp. De stevens zijn recht en tamelijk scherp vallend. Zij steken boven het boord uit. Het boord valt breed open, het boeisel helt naar binnen. In het voor- en achterschip is een plechtje.


In de enige voorstaande doft kan een mastje voor een sprietzeil worden geplaatst.
Oudere punters hadden slechts één losneembaar zijzwaard, dat naar behoefte naar stuur- of bakboord werd gebracht. Latere punters voerden twee zwaarden.
Tegenwoordig worden veel punters van kimkielen voorzien.

Het bekendste type is de Giethoorn punter, een gestrekt scheepje dat in verband met de nauwe vaarwaters in Giethoorn vrijwel altijd voortgeboomd wordt (punteren) en dat voornamelijk dient voor het vervoer van personen, melkbussen, soms vee, hoewel het ook voor de visserij werd gebruikt. Het had echter geen bun.


Groter en meer opgeboeid is de Zwartsluizer punter, die gebruikt werd voor de visserij onder de Overijsselse kust, en daartoe was uitgerust met een bun.


De Alsmeerse punter, die in Noord_holland voor landbouwdoeleinden werd gebruikt, had een groter zeeg dan de Overijsselse soort en dus een hogere kop en achterschip met steiler staan de stevens.
Dit type voerde een breed roer met karakteristieke Hollandse roerklik. Hij had een torentuig met grootzeil en fok, maar werd ook geroeid. Afmetingen: lengte 7 meter; breedte 1,5 meter en holte 0,45 meter.
De Aalsmeerse punter werd uiteindelijk verdrongen door de grundel
In Giethoorn is een kleine scheepswerf waar heden nog steeds punter worden gebouwd.