zondag 12 maart 2017

DOK EN DOKKEN. HOE EN WAT?

               OM SCHEPEN 

          DROOG TE LEGGEN 

          VOOR ONDERHOUD 

              OF REPARATIE.



DOK.

A. Een dok is een inrichting voor het droogzetten van een schip opdat dat kan worden nagezien, schoongemaakt en geschilderd, of hersteld als schade onder de waterlijn is opgelopen.
Men onderscheidt drijvende dokken en vaste droogdokken.


DRIJVENDE DOKKEN.

Drijvende dokken zijn gewoonlijk van staal.
Zij bestaan uit een pontonbodem met dokvloer en zijkasten, ook wel watergangen genoemd.
Als de bodemtanks en de tanks in de zijkasten met water worden gevuld, kan het dok afgezonken worden tot zodanige diepte, dat het te dokken schip er in kan varen tot boven de rij kielblokken waarop het met de kiel komt te rusten.
Bij het leegpompen van de tanks in de bodem en zijkasten komt het dok omhoog, waarbij het schip op de kielblokken komt te rusten. De onderlinge afstand van deze kielblokken is ongeveer 75 cm, de hoogte 1,5 meter tot 1,8 meter. Gelijktijdig worden de kimblokken vanuit de zijden, bediend vanaf de zijkasten, aangeschoven. Voor het plaatsen van dokschoren is aan de binnenkant van de zijkasten een schorenbord aangebracht; hierop rusten de schoren die het schip zijdelings steunen.
Bij verder leegpompen kan het schip geheel boven water worden gehaald. In een van de compartimenten van de zijkasten is een pompkamer aangebracht.


(Een drijvend dok op de Elbe in Hamburg met daarin een containerschip.)

De pompen worden aangedreven door elektromotoren. De stroomtoevoer vindt plaats via een kabel vanaf de wal. Op een van de zijkasten is een bedieningshuis opgesteld van waaruit centraal het gehele bedrijf wordt geleid.
Hier kunnen trim, slagzij en diepgang worden geregeld en afgelezen en alle pompen en kleppen worden bediend.
Elk van de zijkasten draagt een rijdende kraan; het hijsvermogen is evenwel beperkt tot ongeveer 15 ton in verband met de smalle zijkasten. De zijkasten zijn aan beide einden onderling verbonden door een lichte zwenkbare loopbrug.
Drijvende dokken hebben de volgende voordelen:
1. Zij kunnen op een scheepshelling worden gebouwd en tewatergelaten. Het drijvend dok is aldus een verhandelbaar roerend goed; het kan over zee worden getransporteerd.
2. Afgezien van een put in de dokhaven, waarin het dok kan afzinken en een verankering met dukdalven, zijn geen kostbare waterbouwkundige voorzieningen nodig.
3. Eventuele verlenging of verbreding in een later stadium is uitvoerbaar.
4. Een drijvend dok kan over kleine hoeken worden getrimd of dwarsscheeps geheld en zich zo aanpassen aan een moeilijke ligging van een te repareren schip.
5. Sleepboten kunnen voor het schip uit het dok invaren en het aan het andere einde verlaten.


(Tankers in een drijvenddok voor reparatie in Bahrein.)

Nadelen van een drijvend dok zijn:
1.De kraancapaciteit ie beperkt; voor zware aan boord te brengen onderdelen is een bok met grote reikwijdte en hijshoogte nodig.
2. Op stroom van een rivier liggend moet het dok op bijzondere wijze worden verankerd.
3. Er is een tamelijk diepe put in de dokhaven nodig voor het afzinken van het dok.
4. De afmetingen zijn om praktische redenen beperkt tot ongeveer 250 meter lengte en ongeveer 40 meter breedte, waarbij schepen met een gewicht tot 50.000 ton kunnen worden gedokt.
5. Zij vragen vrij veel onderhoud.


(Een enorme brugkraan boven een droogdok van de N.D.S.M. te Amsterdam.)


Er bestaan enkele vormen van drijvende dokken zoals: 
a. Een ponton met zijkasten uit een geheel.
b. Zelfdokkend pontondok bestaande uit lossen pontons en lange zijkasten. De potonlengten moeten zodanig zijn dat zij dwars in het dok passen
c. Zelfdokkend sectie dok. Deze secties hebben een gelijke lengte-breedte verhouding en door het aankoppelen van secties kan de lengte vergroot worden.
d. L-vormig dok, met scharnierende balken aan de wal verbonden, wat alleen wordt toegepast voor kleinere (binnenvaart) schepen.


DROOGDOKKEN.

(Boven- en vooraanzicht van een droogdok voor reparatie van schepen van 150.000 tot 200.000 ton draagvermogen.)

Verklaring van de cijfers:
1. Brugkraan.
2. Verrijdbare zwenkkraan.
3. Hoofdkatten.
4. Topkranen op rails naast het dok.
5. Liften.
6. Dokdeur om het water buiten te houden.
7. Pompkamer om het dok leeg te pompen of om de kleppen te openen voor het vol laten lopen.


Droogdokken worden gewoonlijk gebruikt voor grote en zeer grote schepen.
Een dergelijk dok steekt vanaf het waterfront van de scheepswerf landinwaarts en is aan de waterzijde afgesloten met een dokdeur in de vorm van een schipdeur, welke in de ingang wordt gevaren en daarna afgezonken, of een verticaal of horizontaal (enkel of dubbel) scharnierende draai- of kanteldeur.
Over deze deuren voeren gewoonlijk verkeerswegen voor licht werfverkeer. De dokvloer is vanaf de landzijde enigszins aflopend naar de waterzijde en ook vanuit het midden van het dok naar de zijden voor afwatering. Evenals bij drijvende dokken zijn er kielblokken en verschuifbare kimblokken. Bij de waterzijde is de pompkamer aangebracht met krachtige pompen voor het ledigen van het dok. Soms is een dok als dubbeldok uitgevoerd zodat één pompkamer beide dokken kan bedienen.


Naast het dok zijn op de dokwanden op de hoogte van het maaiveld  kraanbanen aangebracht waarover kranen van groot hijsvermogen kunnen rijden. Vaak zijn dit poort/ of portaal/ dan wel bokkranen die het dok in dwarsrichting overspannen en capaciteiten hebben van 800 ton of meer.
Men onderscheidt nog vaste dokken voor reparatiedoeleinden en dokken uitsluitend voor de nieuwbouw, een bouwdok. 
Deze laatsten kunnen minder diep zijn dan reparatiedokken waarin soms beschadigde schepen met grote diepgang moeten worden opgenomen. Bij al deze dokken zijn hulpinstallaties aangebracht, zoals kaapstanders, verhaallieren en meertrolleys langs de dokwanden voor het binnenhalen van het schip, daar sleepboten niet het dok kunnen invaren, daar zij er dan niet meer uit kunnen.



(Een schip in een droogdok te Singapore met uitgelegde ankerketting op de dokvloer.)

Voorts zijn er leidingen voor water, lucht, stoom, gas, zuurstof en elektriciteit voor verlichting en krachtstroom.
Een vast dok is eigenlijk een grote bak van gewapend beton die drijft in het grondwater. De uitvoering is daarom zwaar, tenzij er trekpalen worden toegepast. Vaste dokken worden voor de grootste bestaande schepen gebouwd zoals voor tankschepen tot meer dan 700.000 ton/dwt.
De lengte van een dok is dan meer dan 400 meter en de invaarbreedte tot 70 meter.

B. Een uitgestrekt bassin omringt door stenen muren achter een schutsluis in een getijhaven, voorkomend in Antwerpen en Loden, zogenaamd natdok. het water wordt daarin op dezelfde hoogte gehouden als die van het hoogwaterpeil, waardoor de schepen die er een lig-, los- en laadplaats vinden altijd vlot blijven. Soms wordt een kleiner natdok ook wel uitrustingskom genoemd, gebruikt voor schepen die een grote reparatie boven de waterlijn moeten ondergaan.

C. Handelsdok een uitgegraven ligplaats voor zeeschepen dwars op het hoofdvaarwater, waarlangs kaden en loodsen voor behandelen van scheepslading. Ook wel insteekhaven genoemd.


DOKBLOK.

(Dwarsdoorsnede van een dok met kielblok en kimberen.)

Een dokblok is een van de ondersteunen waarop een schip komt te rusten als het in een dok wordt drooggezet.
Men onderscheidt kiel- en kimblokken. Kielblokken staan in een rij in het midden van de dokvloer, op onderlinge afstand van ongeveer 2,5 tot 3 voet. Ze zijn 4 tot 4,5 voet hoog om behoorlijk onder de bodem van het schip te kunnen werken. Deze blokken staan geheel los en kunnen op verschillende manieren opgebouwd worden; een gietstalen stoel, waarop twee stalen keggen en een eikenhouten blok dat wordt afgedekt wordt met een zacht bordje van vurehout, ook een stopstuk genaamd.

(Dokblok. Constructie van de kielbalk.)


Lange rijen blokken zijn met strippen aan elkaar verbonden, maar zijn alle weer wegneembaar; op een aantal plaatsen is een dwarsgang gelaten.
De bovenkant van de blokken vormt een licht hellend vlak; verschil in hoogte vóór en achter noemt men  afschot.
De meeste schepen liggen iets achterover.
(Kimbeer in aangedrukte stand.)

Behalve door kielblokken wordt het schip gesteund door kimblokken die in de dwarsrichting bewogen kunnen worden.
In de moderne grote dokken zijn het stalen sleden, kimsleden, kimberen of zijstoppings genoemd. De kimblokken zijn eveneens verplaatsbaar.




     (Kielblokken en kimblokken liggen in positie op de dokvloer om een nieuw schip te ontvangen.)

DOKKEN.


Dokken is het droogzetten van het schip voor controle, herstel en onderhoud onder de waterlijn.
Het Schepenbesluit bepaalt dat een schip tenminste eenmaal in de twaalf maanden in een droogdok of op andere wijze zodanig voor onderzoek moet worden drooggezet, dat de gehele romp en de buitenzijde kan worden onderzocht. Men spreekt dan over een dokbeurt.
In bijzondere omstandigheden kan deze periode met drie maanden worden verlengd.
Betrokken districtshoofden van de Scheepvaart Inspectie moeten tijdig bericht krijgen wanneer een schip zal worden gedokt.
Dus ook bij een tussentijdse dokking voor bijvoorbeeld alleen knippen en scheren, het schoonmaken van de romp van aangroeisel, of nodige reparatie.
Tegenwoordig wordt veel onderwater inspectie uitgevoerd met camera's en het knippen en scheren door kikvorsmannen met speciale apparatuur om de onderwaterhuid schoon te borstelen.


MAATREGELEN VOOR HET DOKKLAAR MAKEN.

(Een zwaar vervuild inlaatrooster van het koelwater systeem van het schip.)

Het dokken heeft plaats onder leiding van de dokmeester; hem moeten diverse gegevens worden verstrekt, zoals diepgang voor en achter, bijzonderheden over de bodem van het schip, uit te voeren reparaties aan de buitenzijde of in de machinekamer enz.
Deze gegevens zijn vaak in de vorm van een zogenaamd dokplan samengevat.
Het dokplan is van te voren samengesteld door de technische dienst van de rederij en het personeel aan boord van het schip.
Het schip moet gelijklastig worden getrimd, slagzij zo mogelijk opgeheven; de stabiliteit moet voldoende zijn, bodemtanks vol of leeg; er wordt schoonschip gemaakt, lage patrijspoorten gesloten en anker klaar voor gebruik.

DROOGZETTEN.

(Duidelijk zijn de kielblokken zichtbaar onder het achterschip, waarvan het onderwatergedeelte reeds is geschilderd.)


Meestal brengen sleepboten het schip naar het dok als er geen dood machinebedrijf is gemaakt. Gebruikt men toch nog de machines van het schip dan wordt pas tot het leegpompen van het dok overgaan als dit bedrijf 'dood' gemaakt.
Zodra het schip voor gaats ligt worden de ankers geborgd; met staaldraadtrossen wordt het schip door doklieren naar binnen getrokken en met behulp van stelschoren en trossen recht boven de dokblokken gebracht en in positie gehouden; loodlijnen geven het midden van de dokblokken aan.
Als het schip eenmaal in positie vastligt kan men gaan beginnen met het leegpompen van het dok.
Een drijvend dok kan slagzij en trim regelen naar die van het schip. Vroeger werd tijdens het langzaam leegpompen, vanaf vlotjes, dokbakken genaamd, de huid met harde bezems geschrobd en aangroei met stekers verwijderd. Tegenwoordig wordt het dok zo snel mogelijk leeggepompt en het schip daarna met moderne middelen, bijvoorbeeld zand- of gritstralen schoongemaakt.
Zodra de kiel op de blokken komt te rusten zegt men dat het schip bit heeft, hetgeen is af te lezen aan de diepgangsmerken op de dokwanden. De stabiliteit neemt nu snel af, dus worden kimblokken en eventueel zijschoren aangebracht en gesteld. Na het droogzetten wordt verbinding met de wal of met het drijvend dok door middel van een loopbrug gemaakt.
De brandblusleiding wordt gekoppeld aan de waterleiding. Om zeker te zijn dat een aansluiting mogelijk voor elektriciteit moeten de schepen zijn uitgerust met een zogenaamde Internationale walaansluiting op het schakelbord. Verbindingen voor elektriciteit en telefoon worden gemaakt.
Bij het uitvoeren van elektrische laswerkzaamheden moet het schip geaard worden.
Tankschepen moeten vooraf gasvrij worden gemaakt. Een deskundige van het havengebied verstrekt hiervoor na onderzoek een certificaat.

BODEMONDERZOEK.

(De bodem van een schip dat in aanraking is geweest met de grond in het vaarwater.)

Belanghebbenden en autoriteiten onderzoeken de bodem van het schip zodra het schip droog komt te liggen. In de tijd dat men nog klinknagelks gebruikte voor de constructie lette men speciaal op tranende nagels. Verder let men op deuken in het vlak, interen van de huid- en vlakgangen, afdichting van de schroefaskoker, de ophanging- en of ondersteuning van het roer, de toestand van de scheepsschroef, de inlaatroosters voor het koelwater en de zinkstukken aan de huid.
Bij toepassing van kathodische bescherming de aangebrachte anoden.
Na het schoonmaken en het verwijderen van de roest en het uitvoeren van de eventuele reparaties wordt de huid met aangroeiwerende verven behandeld. Om dat de kielplaat op blokken rust, moeten deze om beurten worden verplaatst, verblokken, om elk gedeelte van de huid te kunnen bewerken.

ONTDOKKEN.

(Onderwatergedeelte in de aangroeiwerende verf en het bovenwatergedeelte in de rederij gewenste kleur met daarop in het wit de diepgang merken.)

Is het schip gereed om te ontdokken dan wordt er eerst door de dokmaatschappij inspectie uitgevoerd of er geen materialen op de dokvloer zijn achtergebleven. Tevens wordt er een inspectie uitgevoerd of uitgedraaide bodempluggen of kielproppen weer zijn aangebracht en of in de machinekamer al de buitenboordafsluiter weer in gesloten positie terug zijn geplaatst.
Veiligste manier om het dok te verlaten is het schip in dezelfde toestand te brengen als die waarin het in het dok is gekomen. zodat dezelfde gewichtsverdeling verkregen wordt.


 Is men 100% zeker dat alles gereed is om te ontdokken dan laat men het dok weer vol waterlopen of bij een drijvenddok dit weer laten afzinken. Gedurende het vol laten lopen van het dok en het schip nog op de blokken staat, wordt rond gepeild om eventuele lekkage te controleren. Staat het droogdok vol water en is het peil gelijk aan het water buiten het dok dan worden de dokdeuren geopend en kan men het schip langzaam achteruit slepen het dok uit.
Meestal wordt het schip dan afgemeerd aan een doksteiger om aldaar verdere werkzaamheden te verrichten, waarvoor het schip niet droog moet liggen.
Na afloop wordt het dokrapport gemaakt over de algemene toestand van de romp, mate van aangroei, toestand van de verf, uitgevoerde werkzaamheden aan dek of in de machinekamer, en uitpompen van het anker en de kettingen en de conditie hiervan.
Na het beëindigen van al de werkzaamheden worden bij veel dokmaatschappijen schoonmaakploegen aan boord gezet die al het achtergebleven materiaal en vuil opruimen, zodat het schip schoon naar zee kan vertrekken.


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen