maandag 19 februari 2024

NOORDPOOLGEBIED (ARCTISCHE) EXPLORATIE.

 

    HET WOORD KOMT 

    VAN HET GRIEKSE 

      ARKTOS = BEER.




ARCTICA.

Arctica was een paleocontinent dat ongeveer 2,5 miljard jaar geleden rond de tegenwoordige Noordpool lag. Het bestond uit platen die nu deel uitmaken van Canada en Siberië.
Het woord komt van het Griekse arktos = beer, waarmee het sterrenbeeld Grote Beer en vandaar het noorden wordt aangeduid.

ARCTISCHE EXPLORATIE. 

In tegenstelling tot het antarctische gebied, de Zuidpool, is het arctische bevolkt, er is flora en fauna.
In pre-historische tijden bedekte het landijs grote delen van Amerika, Azië en Europa.
Bij het smelten van het ijs trokken de dieren die op het randijs leefden mee naar het noorden en met hen de jagersvolken. Grote delen van de continenten en van Groenland liggen binnen de poolcirkel, IJsland ligt op de rand. Geen wonder dat het gebied gedurende de gehele bekende geschiedenis is geëxploreerd.




In het jaar 982 vestigde de Viking Erik de Rode zich op Groenland.
Zijn zoon Leif Erikson strak Straat Davis over en verkende de kust van Labrador; hij drong naar het zuiden door tot de Delawarebaai.
Deze kennis ging verloren.

Eerst in 1497 herontdekte John Cabot New Foundland en Nova Scotia.
Zijn zoon Sebastian ontdekte de ingang van de Hudsonbaai bij een eerste poging om de noordelijke doorvaart te vinden. Een natuurlijke route naar Azië was belangrijk voor de opkomende handelsnaties Engeland en Holland, omdat bij het verdrag van Tordesillas de paus in Rome de nieuw ontdekte gebieden in een Portugese en Spaanse invloedsfeer verdeelde. Varen rond Kaap de Goede Hoop maakte inbreuk op de Portugese rechten; een andere route bestond niet vóór Magelhaes in 1519 de naar hem genoemde zeestraat vond. 

Van links naar rechts: John Cabot en zoon Sebastian.

In de jaren 1553 tot 15556 zochten Hugh Willoughby, Richard Chancelor en Stephen Burroughs de noordelijke doorvaart.
Chancelor kwam door storm gedreven in de Witte Zee en werd uitgenodigd voor een bezoek aan de staar Ivan IV te Moskou. Dit leidde in Engeland tot oprichting van de Muscovy Company in 1555, die zich ging toeleggen op de handel met Rusland via de Witte Zee en de rivier Dwina.


                   Van links naar rechts: Hugh Willoughby. Richard Chancelor en hun route kaart.

Intussen was ook in Holland belangstelling ontstaan voor de vaart naar de noordelijke streken, maar het duurde tot 1594 voor een officiële expeditie werd ondernomen, voornamelijk met het doel de noordoostelijke doorvaart te vinden.

(Willem Barentzs.)

In 1594 voeren twee expedities onder leiding van Willem Barentsz en Cornelis Cornelisz Nay gelijktijdig uit. Willem Barentzs had opdracht benoorden Nova Zembla langs te varen. Hij ontdekte Spitsbergen, liep vast in het ijs en moest terugkeren. Nay zeilde zuidelijk langs Waygatsj, naar de Karische Zee om het Samojedenschiereiland, en niets dan open water ziende meende hij dat de route naar Azië open was en keerde huiswaarts.


In 1595 werd een nieuwe expeditie ondernomen. Cornelis May en Willem Barentsz voeren met zeven schepen naar het noorden, maar hun reis liep uit op een mislukking. Aan beide tochten werd ook deelgenomen door Jan Huyghen van Linschoten.

In 1596 voer Willem Barentzs opnieuw naar het noorden, ditmaal  met Jacob van Heemskerk. 
Deze tocht eindigde met de overwintering in 'Het Behouden Huis' op Nova Zembla. Op de terug reis naar huis in open boten stierf Willen Barentzs. Voorlopig werden verdere pogingen opgegeven.


                                                       Van links naar rechts: Jacob van Heemskerk en 'Het Behouden Huis'.

Met de klok mee: Adolf Erik Nordenskjöld. de route die hij volgde en het schip de 'Vega'.

Wel werd er een prijs uitgeloofd van 20.000 gulden voor wie de noordoostelijke doorvaart zou vonden, maar die prijs werd pas geclaimed (nooit uitbetaald) door de Zweed Adolf Erik Nordenskjöld in 1879,  die met de  'Vega' de Stille Zuidzee wist te bereiken. Echter gaven de expedities de stoot tot de opkomst van de jacht op walvissen en robben.

Naar de noordwestelijke doorvaart werd met groter vasthoudendheid gezocht.

In 1607 huurde de Hollanders, Henry Hudson, in van de Muscovy Company om met de schip de 'Halve Maan' via de Noordpool China te bereiken.
Hij ontdekte Jan Mayen Land. In 1608 probeerde hij de de noordoostelijke  doorgang te vinden maar moest wegens muiterij terugkeren.



In 1610 ontdekte hij de Hudsonbaai. Weer brak er muiterij uit, hij werd met zijn zoon en vijf bemanningsleden in een kleine boot achtergelaten.


Zijn schip, de 'Discovery' werd onder bevel van  stuurman Bylot thuisgebracht. De volgende reis van de 'Discivery' onder Bylot was zeer succesvol, vooral dank zij de kundige stuurman Baffin, Baffinbaai en Smith Sound werden ontdekt, voorts twee vaargeulen die Jones Sound en later Lancaster Sound werden genoemd. 
Via Smith Sound zou veel later de Noordpool worden bereikt; via Lancaster Sound de noordwestelijke doorgang gevonden. Hiermee werd het zoeken naar de noordwestelijke doorvaart opgegeven; walvisvaarders doorkruisten de noordelijke zeeën maar hielden hun kennis omtrent routes en visgronden voor zich.

In 1721 leidde een Noorse predikant, Hans Edge (links), een expeditie die naar vergeten Noorse kolonisten op Groenland zocht.
Hij werd de grondlegger van het moderne Deense Groenland.

In 1745 en nog eens in 1776 loofde de Britse Admiraliteit een prijs uit van 5000 pond voor wie de 89e breedtegraad bereikte en van 20.000 pond voor wie de noordwestelijke doorvaart vond.

Na de Napoleontische oorlogen had de Britse Admiraliteit een groot surplus aan schepen, kundige officieren en manschappen. Ontdekkingsreizen beschouwde men als een goede training.

In  1818 voeren twee schepen uit onder John Ross. Ross was van mening dat bergen hem de weg versperden tegenover Lancaster Sound, hoewel zijn tweede man Edward Perry meende dat er een doorvaart was. Het jaar daarop had Parry het commando, hij ontdekte Straat Barrow en Melville Sound. Hij werd tot overwinteren gedwongen. Parry deed nog twee reizen om de noordwestelijke doorvaart te vinden, zonder resultaat. Bij de laatste moest hij tweemaal overwinteren.
Hij ondernam in 1827 een poging om de Noordpool te bereiken, met speciaal gebouwde amfibieboten over het pakijs. Hij bereikte een breedte van 82 graden 45 minuten Noord, 700 kilometer van de pool.

Van links naar rechts: John Ross, Edward Parry en James Clark Ross.

John Ross wilde zijn reeds genoemde vergissing hetstellen en rustte in 1829 een particulier gefinancierde expeditie uit. Zijn schip de 'Victory' was het eerste met stoommachines uitgeruste schip bij poolexpedities.

Zijn neef James Clark Ross had het commando. De machine bleek van weinig nut, werd gesloopt en overboord gegooid.
het schip werd bij Somerset eiland ingesloten. Na twee jaar verliet men het schip en reisde per slede verder. Ze vonden voedsel in een schip dat Parry negen jaar eerder had achtergelaten.
In mei 1831 ontdekte Ross de magnetische noordpool, in augustus 1833 werden ze opgepikt door een walvisvaarder in Lancaster Sound en voeren naar Engeland waar men hen al had opgegeven.


De meest opzienbarende expeditie werd die onder Sir John Franklin met de 'Erebus' en de 'Terror'.
De schepen met 129 koppen waren van alle luxe voorzien en hadden proviand voor drie jaar aan boord, sleden ontbraken echter. De schepen werden het laatst gezien door een walvisvaarder in Lancaster Sound, daarna hoorde men niets meer.
Na drie jaar begon men ongerust te worden over hun lot. Na vijf jaar loofde de Admiraliteit een prijs uit van 20.000 pond aan hem die de schepen vond en de bemanning rede. Niet minder dan 40 expedities zijn opgezet om het raadsel te ontsluieren. Eén van deze hulpexpedities, onder McClure (1850-1854), slaagde er voor het eerst in de noordwestelijke doorvaart geheel te volbrengen. 

Eerst in 1858 kreeg men volkomen opheldering over Franklin door de expeditie van Leopold McClintock met het oude stoomjacht de ´Fox´.
Men vond een brief van Franklin, relikwieën, lijken van vele mannen, gestorven op hun tocht zuidwaarts aan scheurbuik en uitputting.
Deze expedities leverden grote kennis omtrent reizen in de poolstreek.
Men leerde met sleden en honden omgaan, kleding en leefgewoonten nam men over van de Eskimo's. Het bereiken van de pool werd nu het doel.

In 1875 penetreerde Sir Georg Nares (rechts) met de schepen 'Discovery' en de 'Alert' in de nauwe zeestraat tussen Ellesmere Eiland en Groenland; een van de schepen overwinterde op 83 graden 20 minuten N.Br.

In 1880 poogde de Amerikaan De Long met het schip 'Jeanette' door de Beringstraat naar de Atlantische Oceaan te varen. Noordelijk van Wrangel Eiland vroor zijn schip vast in het ijs. In twee winters dreef het 400 mijl met het ijs voor het verloren ging. De helft van de bemanning bereikte de monding van de Lena.

In 1882-1883 kwam het wetenschappelijk onderzoek internationaal op gang. Van 12 stations uit werden waarnemingen gedaan, die vele belangrijke gegevens opleverden. In 1884 werden voorwerpen en wrakhout van de 'Jeanette' op de zuidwestelijke  kust van Groenland gevonden. Ook bleek het ij op de oostkust van Groenland plantenresten uit Oost-Siberië te bevatten.

Dit bracht de Noor Fridtjof Nansen op het idee dat er een stroom van uit de Beringstraat via de pool naar de oostkust van Groenland moest lopen.
Drijvend op het ijs zou de pool te bereiken zijn. Het schip de 'Fram' werd speciaal voor dit doel gebouwd, een aalglad en taps schip dat door het ijs omhoog werd gedrukt inplaats van verpletterd.
In 1893 voer hij uit met 13 man, zeilde naar het eiland Kotelnoj en liet zich op 23 september invriezen op 78 graden 30 minuten N.Br. In het eerste jaar bracht hij het tot 84 graden noord, in het tweede realiseerde Nansen zich dat de drift hem niet tot de pool zou brengen, dus volvoerde hij zijn tweede plan.


Samen met Frederik Johansen trok hij met hondensleden en kayaks in de richting van de pool. Toen hij deze op 215 mijl (86 graden, 13 minuten, 16 seconden N.Br. ) genaderd was moest hij keren.
Met grote moeite bereikten ze het noordelijke eiland van de Frans Joseph-groep. In het voorjaar trokken ze met hun sleden zuidwaarts, werden opgepikt door een Britse expeditie en in Vadso aan land gezet.
Inmiddels was de 'Fram' losgekomen uit het ijs en zeilde naar Tromsò waar ze in 1896 een paar dagen na Nansen arriveerde.


In 1903 leidde een andere Noor, Ronald Amundsen een kleine expeditie van zes man die met het schip de 'Gjöa' de noordwestelijke doorvaart volbracht.
Ze overwinterden tweemaal bij King William Eiland, eenmaal aan de mond van de Mackenzierivier en arriveerden in 1906 in San Francisco.




Eerst in 1909 op 6 april slaagde Ronald Edwin Peary er in de pool te bereiken na acht pogingen in 23 jaar. Hij voer met de 'Roosevelt', een door hem ontworpen schip, uitgerust met stoommachines van 1000 pk.
Toen zijn schip invroor zette hij de reis met hondensleden voort over een afstand van 660 kilometer.
Hij vond wat man vermoedde, dat de pool zich in een diepe zee bevond.


De volgende periode van het poolonderzoek werd meest met behulp van vliegtuigen en luchtschepen uitgevoerd.
In 1926 vloog Admiraal Byrd over de pool terwijl Amundsen en Lincoln Elisworth met een luchtschip van Spitsbergen naar Point Barrow vlogen.
Twee jaar later verongelukte het luchtschip 'Italia' onder 'Nobile' op de terugweg. Tegenwoordig is vliegen over de pool een routine kwestie voor alle grote luchtvaartmaatschappijen.

Van links naar rechts: USS 'Nautilus' (SSN-571) en Russische ijsbreker 'Krassin'.

Belangrijke feiten uit de jongste geschiedenis zijn het opereren van reusachtige Russische ijsbrekers als de 'Krassin' en in 1958 de tocht van de atoomkracht gedreven Amerikaanse onderzeeër 'Nautilus' onder het ijs naar de pool. Sinds 1967 is een zeeweg door de noordoostelijke doorvaart opengesteld. Russische ijsbrekers liggen klaar om de schepen te begeleiden, de gehele route ie bebakend, er is fototelegrafische apparatuur die onmiddellijk de toestand van het ijs weergeeft. Ten behoeve van buitenlandse zeelieden zijn 'instructies voor de vaart volgens de noordelijke zeeweg' uitgegeven, waarin kaarten en hydrometeorlogische karakteristieken van de poolzee zijn opgenomen.


In september 1969 slaagde de tanker 'Manhattan'van 150.000 ton er in van Philadelphia via de noordwestelijke route Alaska te bereiken, waarmee de mogelijkheid van het olietransport langs deze weg werd aangetoond.
De 'Manhattan' werd voor dit doel uitgerust met een speciale ijsbrekersboeg.



Het onderzoek naar het Noorpoolgebied is nooit stil komen te liggen, vooral vanwege de klimaat- verandering. 
Enorme stukken ijs  breken in groot tempo af van de ijskap. Het ijs dat Groenland bedekt en de gletsjers krimpt in groot tempo, daar waar vroeger ijs lag bloeien nu bloemen.



zondag 11 februari 2024

AFONSO d' ALBUQUERQUE. WIE WAS HIJ?

 

  EEN ONTDEKKINGSREIZIGER,

  VEROVERAAR EN STICHTER 

  VAN HET PORTUGEES-INDIË.





Het was gedurende een rondreis door Portugal en bij een stop in de hoofdstad Lissabon en het bezoek aan het Praça Afonso de Albuquerque, dat we de enorme zuil zagen staan ter nagedachtenis aan deze Afonso de Albuquerque.

Het park is een enorm groot plein gelegen in het district Belém, vlak bij de rivier de Taag, en het daaraan gelegen Padrao des Descobrimentos, het Ontdekkers monument.
Ook wij Nederlanders kennen de nodige ontdekkingsreizigers en veroveraars, maar wie was deze Afonso? 

AFONSO DE ALBUQUERQUE.


                                              WAPEN SCHILD VAN ALBUQUERQUE.


Hij was een Portugees admiraal en wellicht de bekwaamste strateeg ter zee van zijn dagen. Hij was de grondlegger van de Portugese macht in het Oosten, veroverde in het begin van de 16e eeuw Goa, Hormuz, Socotra, Ceylon en Malakka. Werd als opvolger van 'd Almeida onderkoning van India in 1509.

Afonso werd geboren in Alhandra, nabij Lissabon rond het jaar 1453.
Hij was de tweede zoon van, Conçalo, heer van Vila Verde dos Francos, en Dona Leonor de Menezes. Zijn vader bekleedde een belangrijke functie aan het hof en was door een verre onwettige afkomst verbonden met de Portugese monarchie. Hij was een afstammeling van de onwettige zoon van koning Denis, Afonso Sanches, heer van Albuqueque. Afonso kreeg een opleiding wiskunde en Latijn aan het hof van Afonso V van Portugal, waar hij bevriend raakte met prins Johan, de toekomstige koning Johan II van Portugal. Afonso bevorderde het drievoudige Portugese grote plan om de islam te bestrijden, het christendom te verspreiden en de handel in specerijen veilig te stellen door een Portigees Aziatisch imperium te vestigen. Hij vocht in 1471op 18 jarige leeftijd in Noord-Afrika, waarna hij enige tijd in Marokko verbleef. In 1476 vocht hij tegen Castilië, en in 1480 in de Golf van Tarente, voor de koning van Napels tegen de Ottomanen.
Bij zijn terugkeer in Portugal werd hij benoemd tot estribeiro-mor (meester van het paard en tot hoofdruiter) door koning Johan II. Met de opvolger van Johan II kon hij niet overweg, en keerde hij als militair opnieuw voor enige tijd terug naar Marokko. In 1509 trad hij uit militaire dienst.

Toen koning Manuel I van Portugal (rechts) de troon besteeg na de dood van zijn neef Johan II, had hij een voorzichtige verhouding tegenover Afonso, die een goede vriend was van zijn voorganger en zeventien jaar ouder was dan Manuel.

EERSTE REIS NAAR INDIA.

Acht jaar later, op 6 april 1503, werd Afonso samen met zijn neef Francisco, in opdracht van koning Manuel I, op zijn eerste expeditie naar India gestuurd. Elk voerde het bevel over drie schepen, varend met Duarte Pacheco Pereira en Nicolau Coelho.
Ze voerden verschillende veldslagen tegen de strijdkrachten van de Zamorin van Calicut en slaagden erin de koning van Chocin veilig op zijn troon de vestigen. In ruil daarvoor gaf de koning van Chocin de Portugezen toestemming om het Portugese fort Immanuel (Fort Konchi)  te bouwen en handelsbetrekkingen aan te knopen met Quilon. Dit legde de basis voor het Oost-Portugese rijk.

Fort Emmanuel Cochin.








TWEEDE REIS NAAR INDIA.

Afonso keerde in juli naar huis terug en werd goed ontvangen door koning Manuel I. Nadat hij had geholpen bij het opstellen van een strategie voor de Portugese inspanningen in de Oost, vertrouwde koning Manuel hem hem het bevel toe over een squadron van vijf schepen in een vloot van zestien. Begin 1506 zeilde hij wederom naar India onder leiding van Tristao da Cunha (rechts).
Het doel van de expeditie was het eiland Socotra te veroveren en daar een fort te bouwen, in de hoop de handel in de Rode Zee te sluiten.

Kaart van het Arabische schiereiland met de Rode Zee met het eiland Socotra (rood) en de Perzische Golf (blauw) met de Straat van Hormuz.

Met Tristao da Cunha kreeg hij de opdracht de Portugese macht in in Het verre Indië zo veel mogelijk te versterken.
Daarnaast kreeg hij de geheime opdracht om onder koning Francisco de Almeida na drie jaar op de volgen.
Afonso en Da Cunha kwamen bij het ronden van Kaap de Hoede Hoop in een zware storm terecht, verloren contact, maar wisten zich bij Mozambique te hergroeperen. Diverse Arabische haven aan de oostkust van Afrika werden aangevallen, en ook het eiland Socotra, strategisch gelegen bij de ingang van de Rode Zee..

Hier scheiden de wegen van Afonso en da Cunha zich, de laatste voer door naar India en daarna terug naar Portugal.

Afonso voer langs de Arabische kust en stichtte na gevechten de nodige  gewapende nederzettingen (blauw vierkant). Zo ook  de in die tijd belangrijke havenstad Hormuz in Perzië  na een overmacht de stad succesvol te belegeren aan de ingang van de Perzische Golf., en maakte de lokale heerser tot een Portugese vazal.
Verder stichtte hij handelsposten in Irak en Perzië (geel vierkant). Hij was de eerste Europeaan die de Perzische Golf binnen viel en in 1506 werd hij benoemd tot hoofd van de "vloot van de Arabische en Perzische Zee".
Het duurde tot december 1508 eer Afonso in India aankwam; er waren toen nog maar twee schepen van zijn vloot over. In 1509 volgde Afonso d' Albuqueque Almeida op als onderkoning. Hij volgde een agressieve uitbreidingspolitiek, wat al het volgende jaar leidde tot aanvallen op Calicut, Cochin en Goa.

In 1510 stuurde koning Manuel een expeditie naar Malakka, op dat moment de belangrijkste haven aan de Straat Malakka en van heet Zuidoost-Azië.
De expeditie, onder bevel van Diogo Lopes de Seqeira, was onsuccesvol en werd met zijn bemanning door de sultan van Malakka gevangen gezet. Koning Manuel zond Diogo Mendes de Vasconcellos naar Malakka, maar toen deze in India aankwam, besloot Afonso dat niet Vasconcellos maar hijzelf de leiding moest hebben.
Met 18 schepen, waaronder vier van Vasconcellos, voer hij in 1511 naar Malakka, en veroverde de stad.

                             Wapen van Afonso 'd Albuqueque als onderkoning van India.

Afonso arriveerde in december 1508 in Cannanore aan de kust van Malabar, waar hij de vergezelde brief opende die hij van koning Manuel had ontvangen in aanwezigheid van de onderkoning, Dom Francisco de Almeida.
Almeida, gesteund door officieren die Afonso bij Hormuz in de steek hadden gelaten, weigerde dit toe te geven daar zijn ambtstermijn pas in januari afliep.
Hiermee begon een laster campagne tegen Afonso waarin hij ongeschikt werd verklaard voor bestuur en hij uiteindelijk in hechtenis naar Fort St. Angelo in Gannanore werd gestuurd.

Fort St. Angelo te Gannanore.

Afonso werd na drie maande opsluiting vrijgelaten, bij aankomst in Cannanore van de maarschalk van Portugal Fernando Coutinho met een grote vloot gestuurd door de koning, vijftien schepen en 3000 manschappen, om de rechten van Afonso te verdedigen en Calicut in te nemen.
Op 4 november 1509 werd Afonso de tweede gouverneur van Portugees India, een functie die hij tot aan zijn dood zou bekleden.


In 1511 stuurde Afonso de eerste Portugese expeditie onder leiding van Francisco Serrao naar de zogenaamde Specerij-eilanden, De Banda eilanden en de Molukken.
In 1513 vertrok Afonso vanuit Goa naar Aden. Hij trachtte de stad te veroveren, maar dit mislukte. Hij voer daarop 300 kilometer de Rode Zee binnen, maar de ongunstige wind en gebrek aan drinkwater dwongen hem terug te keren. Op de terugweg trachtte hij opnieuw Aden te veroveren wat wederom mislukte. In 1515 was er een opstand uitgebroken in Hormuz tegen de Portugezen, welke door Afonso met kracht werd neergeslagen.


                           De heden nog bestaande resten van het Portugese fort te Hormuz.

Afonso's gezondheid was inmiddels door klimaat en spanning aangetast en hij wendde de laatste vijf jaar van leven tot bestuur.
Hij hield toezicht op expedities de resulteerden in het leggen van diplomatieke contacten met het Javaanse Koninkrijk Ayutthaya nadat hij er niet in was geslaagd om het Koninkrijk Demak op Java te verslaan, via zijn gezant Duarte Fernandes.
Verder met Pegu in Myanmar, en met Timor en de Molukken en Ethiopië. Via Rafael Perestrello legde hij de weg open voor de Europese handel met Ming China.


Een kaart met in het paars de Portugese koloniale gebieden in het Verre-Oosten tussen 1511 - 1975.

Afonso's ziekte werd in 1515 gemeld en in november begon hij aan een reis terug naar Goa.
Intussen waren zijn politieke vijanden aan het Portugese hof zijn ondergang aan het voorbereiden.
Zij insinueren tegen koning Manuel dat Afonso van plan was de macht in Portugees India zich toe te eigenen. Zo gebeurde het dat de koning een vloot naar India stuurde met aan boord Afonso's persoonlijke vijand Lopo Soares de Albergaria, om Afonso te vervangen.

Omdat Afonso het gevoel had dat zijn einde spoedig zou naderen door zijn ziekte, trok hij het wapenkleed van de Orde van Santiago aan, waarvan hij ridder was, en stelde zijn testament op, benoemde de kapitein en hoge functionarissen van Hormuz, en organiseerde een laatste raad met zijn kapiteins om over belangrijke zaken te beslissen, gevolgen de Portugese staat India.
Hij schreef een korte brief aan zijn koning Manuel, waarin hij hem vroeg om zijn natuurlijke zoon "alle hoge eer en beloningen' te verlenen die hij zelf had ontvangen, en waarin hij Manuel verzekerde van zijn loyaliteit.

OP 16 december 1515 stierf Afonso in het zicht van de haven van Goa. Toen zijn dood bekend werd ontstond er  "een groot gejammer "en gingen de bewoners de straat op om te zien hoe zijn lichaam door zijn belangrijkste kapiteins op een stoel werd gedragen, in een processie verlicht door fakkels. Afonso's lichaam  werd volgens zijn testament begraven in Goa in de kerk van Nossa Senhora da Serra ( onze Lieve Vrouw van de Heuvel), die hij in 1513 had gebouwd om de madonna te bedanken voor zijn ontsnapping van het eiland Kamaran.
Die nacht verzamelde de bevolking van Goa, zowel hindoeïstisch als Portugees, zich om zijn dood te rouwen.
Na 51 jaar, in 1566, werd zijn lichaam verplaatst naar de Nossa Senhora da Graça-kerk in Lissabon, die werd verwoest en herbouwd na de grote aardbeving in Lissabon in 1755.
Deze kerk werd later afgebroken tussen 1811 en 1842.

HET EERBETOON EN HET MONUMENT.

Er zijn talloze soorten eerbeton gebracht aan Afonso. Hij is te zien in het Prarao dos Descobrimentos- monument. Er is een plein naar hem genoemd in Lissabon, waar ook een bronzen beeld van hem staat, evenals een prominent beeld van zijn omhulde figuur op een tuinplein in Bairro Gomes da Costa in Porto.


Boven op een fraaie tientallen meters hoge zuil staat het bronzen standbeeld van Afonso met zijn linkerhand op zijn zwaard en de wijsvinger van zij rechterhand wijzend naar een hoop wapens onder zijn voeten benadrukkend zijn gouverneurs en oorlog capaciteiten. Het beeld staat op een kolom versierd met militaire  bollen, wapenschilden, koorden en touwen.


Het voetstuk van het monument geeft weer vier engelen waarvan het voetstuk is gesierd met een olifantenkop de hoeken. Van links naar rechts: (Genie) een vrouwelijke engel met vlag en een sjerp met daarop de naam van Afonso; (Gerechtigheid) een vrouwelijke engel met zwaard en het tablet met de tien geboden: (Moed) een vrouwelijke engel met een boek en het scheepsroer: (Kracht) een mannelijke engel met zwaard en schild.





Boven tussen de vleugels van de engelen staan de schepen afgebeeld van zijn reizen van Portugal naar India en met welke hij de havensteden overviel aan de Arabische kust en de Perzische Golf.






Tussen de engelen staal afbeeldingen van Afonso's historische feiten uit zijn leven.
Met de klok mee: De nederlaag van het leger van de koning van Hormuz en de overgave daarvan; De aankomst te Goa en de overhandiging van de sleutels van de stad; De aanval op de stad Malakka; 
De ambassadeur van de koning van Noranga overhandigd zijn geloofsbrieven.




Een allegorisch fresco aanwezig in het paleis van Justitie van Vola Franca de Xira.

Twee Portugese marineschepen zijn naar hem vernoemd: de sloep NRP Afonso de Albuquerque (1884) en het oorlogschip NRP Afonso de Albuquerque.

Dankzij de vele brieven die Afonso aan zijn zoon stuurde en veel kwesties tot grote strategieën in zijn dagboeken beschreef welke bewaard zijn gebleven, was het mogelijk dat zijn zoon in 1557 de biografie over zijn vader publiceerde onder de titel Commentarios do Grande Affonso d'Alboquerque.






maandag 29 januari 2024

SALDANHABAAI. ZUID-AFRIKA.

 

EEN VERGETEN STUKJE 

ZEEVAART GESCHIEDENIS.



SALDANHABAAI.

De Saldanhabaat is een baai en haven ten noordwesten van Kaapstad in de Zuid-Afrikaanse provincie West-Kaap, op zo'n 140 kilometer van de Tafelbaai.
De baai is de grootste natuurlijke haven van de zuidwestkust van Afrika.

De baai is vernoemd naar António de Sadanha, kapitein van een schip in de vloot van Afanoso d'Albuquerque, die Zuid-Afrika in het jaar 1503 bezocht.
Aanvankelijk droeg de Tafelbaai bij Kaapstad deze naam, maar dat is in 1601 veranderd in Tafelbaai, verwijzend naar de daar gelegen Tafelberg. De naam Saldanhabaai is toen gegeven aan de inham aan de westkust.
Wegens het droge achterland heeft de baai voor een lange tijd geen rol gespeeld voor de Zuid-Afrikaanse zeevaart en economie. Tijden de Tweede Wereldoorlog is de baai wegens zijn strategische ligging een belangrijk ankerpunt voor konvooischepen geweest.

TERUG NAAR DE VIERDE ENGELSE ZEE-OORLOG (1780-1784)

De eerdere drie zeeoorlogen hadden de hegemonie op zee als inzet. De vierde droeg meer het karakter van een Britse strafexpeditie, vanwege de Republikeinse "smokkel-steun" aan de rebellen ten tijde van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog.
Deze strafexpeditie beperkte zich niet alleen tot de Noordzee en de Atlantische Oceaan, maar werd uitgevoerd  op alle wateren van de wereld.

De Nederlandse marine was numeriek in de minderheid. In 1781 veroverde de Engelsen Sint Eustatius en in de rest van de wereld veroverden de Britten de West-Afrikaanse bezittingen van de West Indische Company, evenals een aantal kolonies van de Verenigde Oost-Indische Company. Ook Kaapstad bleef niet buiten schot.

Op 06-08-1796 arriveerde hier een Nederlands eskader van negen schepen onder schout-bij-nacht Engelbertus Lucas, bestemd voor de Kaap en Oost-Indië, om water te halen en inlichtingen in te winnen omtrent de situatie in de Kaapkolonie.
Doordat getalmd werd met vetrekken kon dit eskader door een Britse scheepsmacht van veertien schepen onder vice-admiraal Sir Georg Keith Elphinstone worden ingesloten, welke onderweg was om de Kaapkolonie aan te vallen.
Mede wegens de onwillige houding van een deel der bemanningen van Lucas eskader besloot de krijgsraad  op 17 augustus om te capituleren. De schepen werden aan de Britten overgedragen, de officieren naar Nederland gezonden, terwijl het merendeel van de onderofficieren en manschappen overging in Britse dienst.
Lucas werd na zijn aankomst in Nederland in arrest gesteld en voor een speciale krijgsraad gedaagd.
Hij overleed echter op 21 juni 1797, voordat het vonnis had kunnen worden gewezen. De overige officieren werden in december 1797 vrijgesproken, nadat de krijgsraad een rapport had uitgebracht waarin het beleid van Lucas ten sterkste was afgekeurd.
De economische schade voor Nederland was zeer groot. Het conflict leidde wel tot een nieuw groot bouwprogramma voor oorlogsschepen. Tijdens deze Vierde Engelse Zeeoorlog was de helft van de VOC-vloot in handen gevallen van de Engelsen en hierbij gingen vele waardevolle ladingen verloren.