vrijdag 29 september 2017

SRI LANKA RONDREIS. TISSAMAHARAMA - GALLE - BERUWELA. DAG 11.

SRI LANKA 

HET EILAND VAN SPECERIJEN,

THEE EN OLIFANTEN. (11)

TISSAMAHARAMA - GALLE - BERUWELA. 16-09-2017


Het was weer een dag van vroeg opstaan om het voeden van de olifantjes om 09.00 uur niet te missen
Deze dag zouden we een totale afstand afleggen van ruim 210 kilometer, met een bezoek aan Galle.
Na vertrek uit het Chadrika Hotel reden we naar het 'Olifanten Weeshuis' aan de ingang van het Uda Walawe National Park. 
Langs de weg aan de oever van het Tissa Wewa
waterreservoir stond een eenzame, vermoedelijk uit de kudde verstoten olifant, achter een afrastering mat schrikdraad, die werd gevoed door een paar voorbijgangers.





Het was voor de kassa's bij het 'Olifanten Weeshuis' een drukte van belang, maar het viel ons op hoe netjes de mensen in de rij stonden te wachten.
We waren als groep reeds aangekondigd en konden zo naar binnenlopen om een goede plaats aan de afscheidingsrailing te vinden om van het gehele gebeuren opnames te kunnen maken.
Voor de kleine lokale kinderen maakten we ruimte voor ons, daar we daar met onze lengte goed overheen konden kijken.
Al snel ontdekten we dat het niet alleen een weeshuis is voor verdwaalde of moederloze olifantjes maar ook een plaats waar gewonde olifanten kunnen herstellen van een verwonding.


Ze bracht een van de oppassers een olifant naar een afgescheiden stuk terrein, die vanaf zijn knie van zijn linker achterpoot een prothese had om mee te lopen. In het afgescheiden stuk land werd de prothese verwijderd, maar was het zwaar behelpen voor de olifant om vooruit te komen en zakte hij regelmatig op zijn kont.
Toch is het mooi dat men dit ook voor zo'n enorm groot en zwaar dier kan doen.
Het drinken geven van de olifantjes waar een waar hilarisch genot.
Ze werden een voor een het terrein opgelaten en vooral de kleinsten holden op een komische draf naar de drinkplaats.




Het te drinken geven gaat bij de hele kleintjes nog met behulp van een fles met een speen. Zijn ze groter dan wordt er een slang in hun keel gestoken, waar aan de andere zijde een trechter zit waarin de melk wordt gegoten, die ze dan inslikken.
Na het voederen wordt de plaats schoon gespoten en ook de olifanten die er eigenwijs, want ze weten het, blijven staan.






Het gehele gezelschap, groot en klein, verzameld zich bij een waterpoel waar op de grond takken met bladeren liggen. 
Het is leuk te zien hoe de kleintjes de ouderen trachten na te doen bij het afscheuren van de twijgen met de bladeren of de takken in stukken trachten te breken.
Enkele beterden de waterpoel om eerst uitgebreid te drinken, maar om zich daarna lekker nat te spuiten met hun slurf. 
Afdrogen is er niet bij, want eenmaal nat spuiten ze zich vol met zand, dat tegen het ongedierte is op hun huid.


Zijn deze 'weesjes' volwassen genoeg dan worden ze van een signaalband voorzien, zodat de reservaatwachters hen kunnen volgen en controleren of ze zich goed in de vrij natuur hebben aangepast. 
Buiten de signaalband hebben deze olifanten ook een merkteken op hun achterbil staan.
Pas als je dit hebt gezien besef je hoe intelligent deze dieren zijn, keurig in de rij wachten op hun beurt en het voor elkaar opkomen in de groep.


Na dit enerverende bezoek vervolgen we onze weg met de autobus langs de zuidkust van Sri Lanka met stille palmstranden en baaien in de richting van de stad Galle. Opvallend is dat er totaal niets meer te zien is van de enorme verwoestende schade die door de tsunami in 2004 hier heeft aangericht. Met een ongelooflijke veerkracht heeft de bevolking zich hier van weten te herstellen en zijn de giften uit het buitenland daarvoor besteed en niet de zakken van corrupte ambtenaren verdwenen.


GALLE.














Galle is de best bewaard gebleven koloniale stad van Sri Lanka.
Het oude gedeelte nog omringt door oude vesting muren is bijzonder sfeervol, de bezoeker krijgt het gevoel een paar eeuwen in de tijd te worden terug gevoerd. In 1663 bouwden de Hollanders hier een 36 hectare groot fort te bescherming van de voor hun belangrijke haven.
Langs de straten staan oude panden uit de Hollandse tijd, beschermd nog steeds door de onverwoestbare stadsmuren van koraalsteen. Aan de voet daarvan beukt de branding van de Indische Oceaan op de rotsen. In het centrum van het oude fort hebben zich met name veel Britten gevestigd, waar ze oude panden opkochten en restaureerden, restaurants en lux winkels vestigden.


HET HOLLANDSE FORT.

(De toegang  in de stadsmuur van het oude Galle en keuze uit verkeersborden meer dan genoeg.)

Het oude Galle is in feite een grote ommuurde vesting, waarin nog veel herinnert aan de Hollandse tijd. De Hollanders bouwden hun fort met zulke sterke muren dat het bestand was tegen kanonskogels. In 2004 meer dan driehonderd jaar later, beschermden deze muren de oude binnenstad van Galle tegen de tsunami.Veel punten van het bastion en straten erin hebben nog oude Hollandse namen.
We komen Galle binnen via de hoofd poort en vervolgen onze wandeling door de Church Street, slaan de Pedlar street in en daarna via de Leyn Baan street in de richting van de vuurtoren.
Helaas is dit gedeelte niet auto en motor vrij.
In het gerenoveerde Amangalle Hotel aan het begin van onze wandeling, was vroeger de residentie gevestigd van de Hollandse gouverneur uit 1684.
Even verder staat de Grote Kerk, de Nederlands- hervormde kerk, de oudste protestantse kerk van Sri Lanka. Het huidige bouwwerk stamt uit 1755 en diende ter vervanging van een honderd jaar eerder opgetrokken godshuis.



                                                                            (Grote Kerk.)



Het sombere interieur is prachtig bewaard gebleven. Een deel van de vloer bestaat uit grafstenen van Hollandse burgers uit de koloniale tijd. De preekstoel en de galerij waar het orgel staat zijn voorzien van fraai houtsnijwerk, en gedenktekens aan de wanden getuigen van het leven, en de dood van Hollanders en later Britse kolonisten.
Tegen over de Grote Kerk ligt het Maritiem museum van Galle. Naast de Groet Kerk ligt de All Saints' Church uit de Britse tijd, die bekroond wordt door een vierkante spits.



Tussen de Grote Kerk en de All Saints' Chuch ligt nog een heel oud gebouw uit de Hollandse tijd. Het is gedekt met oud Hollandse dakpannen, die vroeger als ballast door de VOC schepen werden mee vervoerd naar de Oost. en het heeft nog een echte overdekte galerij gesteund door pilaren.
Tegenwoordig is daar een bibliotheek en een postkantoor in gevestigd.
Voor het gebouw staat nog een echte oude Engelse brievenbus.






                                                                     ( All Saints' Church.)



Een straatnaam, waarbij het hart van een rasechte Rotterdammer sneller gaat kloppen. De aanduiding is in het Tamil, Engels en het Singalees.



De hoogste herkenningspunten in Galle zijn de klokkentoren in het Galle Fort (midden) en de vuurtoren op het Utrecht bastion (rechtsboven). Linksboven een oud Hollands pand verbouwd tot een restaurant, linksonder resten van een fundatie van een geschut uit de WO-II, in het midden de riffen die voor een natuurlijke barricade zorgen voor de ingang van de haven van Galle, waar de Hollanders goed gebruik van wisten te maken, en rechtsonder een zicht op de Meeran Jumma-moskee en de vuurtoren vanaf flag-rock. Op flag-rock ligt nog een oude fundatie van een draaibaar kanon uit de tijd van de Hollanders.


We verlaten Galle en rijden via enige kleine plaatsjes, waar nog oude koloniale huizen volledig in verval staan, in de richting van de autosnelweg in de richting van Colombo. 
Langs de snelweg staat een bord dat we in Nederland in het geheel niet kennen, het is een waarschuwing tegen overstekende in het wild levende pauwen. Gedurende de eentonige rit in de richting van Beruwela, naar ons hotel  waar we twee dagen zouden verblijven, toonde een van onze medereizigers zijn zangtalenten en kreeg spontane bijval uit de groep.

(Luchtopname van het Citrus Hotel.)

 Van Beruwala reden we langs de de kust naar Kalutra waar we werden onder gebracht in het enorm grote Citrus Waskaduwa hotel aan het strand van de Indische Oceaan, een aankomst in de stortende regen met enorme windvlagen, die de open gedeelten van het hotel blank zetten. 
Het was dus dweilen voor de hotelstaff.
Grote ruime kamers op de derde verdieping met een grandioos uitzicht op de onstuimige Indische Oceaan met enorme wolkenmassa's opkomende vanuit het zuidwesten.



        Zie vervolg: SRI LANKA RONDREIS. BERUWALA - KALUTARA. DAG 12 en 13.

donderdag 28 september 2017

SRI LANKA RONDREIS. ELIYA / HAPUTALE - TISSAMAHARAMA. DAG 10

SRI LANKA 

HET EILAND VAN SPECERIJEN,

 THEE EN OLIFANTEN. (10)

ELIYA / HAPUTALE - TISSANAHARAMA. 15-09-2017




Na het ontbijt en de koffers in de bus te hebben geladen, verlieten we het oude koloniale Hotel Bandarawela, wat voor één overnachting goed was, maar zeker niet langer. We vervolgen onze weg via een prachtige route, van 146 kilometers, en met mooi zonnig weer.
Onderweg maakten we een stop bij de Rawana watervallen, algemeen bekend als Ravanna Ella is een van de populairste bezienswaardigheden in het landschap van Sri Lanka. Deze waterval heeft een hoogte van 25 meter en heeft een verval in verschillende fases.
De watervallen vormen onderdeel van het Ravana Ella Wilflife Sanctuary.


DE LEGENDE.

De waterval is vernoemd naar de legendarische koning Ravana, die verbonden is met de beroemde Indiase epische, de Ramayana.
Volgens de legende wordt verteld, dat Ravana, die destijds koning van Sri Lanka was, de prinses Sita ontvoerd had en haar in de grotten achter de waterval had verborgen, nu gewoon bekend als de Ravana Ella Cave, gelegen op 1.370 meter boven de zeespiegel. Voor de rede van de ontvoering wordt gezegd dat het wraak was voor het doden van zijn zus door Rama, de echtgenoot van Sita en zijn broer Laxmana. Destiojds was de grot omringt door dichte bossen en lag in het midden van de wildernis. Men gelooft dat de koning Rama vanuit een zwembad gevormd door de waterval, een ravanahtha, een oud gebogen snaarinstrument, bespeelde.

Handelaren probeerden hier allerlei stukken soorten gesteente aan de toeristen te slijten. 
Het waren brokken gekleurd bergkristal, waar de slijpers niets meer van konden maken.



Tijdens deze rit zagen we voor het eerst de bebouwde rijstvelden met de rijpende halmen.
Sri Lanka had in het begin van dit jaar te kampen gehad met een langdurige droogte, waardoor veel rijstoogsten waren mislukt, iets wat voor een rijst exporterend land een ware ramp betekend.
Veel rijstvelden lagen er nog verdroogd bij.



Tussen de plaats Tanamalwila en Luniganwehera maakten we een stop bij het Lunuganwehera Reservoir, waarin regenwater wordt opgeslagen.
Ook hier was het duidelijk merkbaar dat het land met een extreme droogte te maken heeft gehad. 
Het is een geliefde plaats voor de lokale bevolking voor een picknick met een met een houtvuurtje waar op gekookt wordt.








Na deze stop reden naar het Chandrika Hotel in Tissamaharama.
Na de lunch splitste de groep zich weer in tweeën, waarbij de ene helft in de omgeving op stap ging en de andere helft een safari ging maken in het Yala National Park.


Het Chandrika Hotel is een soort bungalow hotel, waarbij groepjes kamers naast elkaar liggen, met hun waranda aan de tuinzijde en de ingang aan de achterkant.
Zij die niet meegingen op safari genoten die middag van de rust en het verkoelende water van het zwembad.

Het was voor de groep vrij lang wachten eer we de sleutel van de kamer kregen, daar de vorige gasten te laat terug waren gekomen van de safari, hun bagage nog moesten ophalen en het daarna schoonmaken van de kamers.
In de fraai met veel groen aangelegde tuin rond de bungalows en het zwembad stonden prachtige palmbomen met vruchten en bomen met kleine mango's, welke door het hotel personeel werden geplukt om salade van te maken.
We zouden ook hier maar één nacht verblijven.



AFRIKAANSE TULPENBOOM.

De Afrikaanse Tulpenboom, de Spathodea campanulata, in het Engels FountainTree zagen we veel in het landschap. De oorsprong van deze boom ligt dan ook duidelijk in Afrika.
De boom heeft oneven geveerde bladeren en trossen oranje-rode bloemen van 20 centimeter doorsnede.








De bloemen die een lengte van 12 centimeter kunnen bereiken hebben niets uit te staan met de ons zo bekende tulpenbollen, maar het is de vorm van de bloem die op aan een rode parkiettulp doet denken.

PAPAYA.

De papaya, Carica papaya, is een plant uit de Caricaceae familie en komt oorspronkelijk uit Midden Amerika, maar nu ook in Azië en Midden- en Zuid Afrika.
De papaya groet zowel aan een boom als een forse struik.
het wordt ook wel de boommeloen genoemd.
De vrucht is rond tot ovaalvormig en kan een lengte bereiken van ruim 20 centimeter. grote vruchten kunnen een gewicht hebben van zes kilo. De schil is glad en dun.
De rijpe zalmroze tot geel-oranje vruchtvlees en ruikt enigszins naar abrikozen.
Het vruchtvlees bevat geen zuren met als gevolg de zeer zoete smaak.







In het midden van de vrucht bevindt zich een holle ruimte die gevuld is met zwarte pitjes, die niet gegeten kunnen worden. In sommige landen worden deze gedroogd en worden gebruikt als 'peper' bij bepaalde gerechten.
Voor het eten van deze vrucht moet deze eerst schillen, daarna in parten snijden en de zaadjes uit de holte verwijderen. De schoongemaakte stukken in kleine partjes snijden en daarover eventueel, naar ieders persoonlijke smaak, enige druppels limoen op doen.
Tip: De papaya niet in de koelkast bewaren. Onrijpe vruchten op een koel plaats bewaren en kunnen op kamertemperatuur narijpen.

Jonge bladeren van de papaya worden in Aziatische landen als gekookte groente bereidt.
Eet smakelijk !


Zie vervolg: SRI LANKA RONDREIS. TISSIMAHARAMA - GALLE - BERUWELA. DAG 11. 

SRI LANKA RONDREIS. NUWARE ELIYA / HAPUTALE. THEE EN TREINREIS. DAG 9.

SRI LANKA 

HET EILAND VAN SPECERIJEN,

THEE EN OLIFANTEN. (9)

NUWARA ELIYA / HAPUTALE. 14-09-2017

Het was onze laatste nacht in Hotel Suisse in Kandy. Voor het ontbijt de koffers inpakken en buiten de kamer klaarzetten om voor vertrek in de autobus geladen te worden.
We rijden langs het meer en even later weer langs 'Hotel Kandy', dat zonder gasten en maar verlaten uitziet.
Nog even van het drukke verkeer genieten en dan op weg naar Nuwara Eliya, een rit van 77 kilometer door een landschap vol hellingen met theeplantages.




Vanaf Kandy loopt de weg naar Nuwara Eliya via haarspeldenbochten geleidelijk 1400 meter omhoog door een prachtig landschap met klaterende watervallen, diepe dalen en hellingen die bedekt zijn met het glinsterende groen van ontelbaar veel theestruiken. Hoe hoger we kwamen hoe kouder het werd en je kon de wolken over de toppen van de bergen zien hangen. 
Hier en daar in het landschap een witte stupa of prachtig bloeiende bomen, de Afrikaanse tulpenboom, met zijn oranje-rode bloemen.
In het koloniale tijdperk van de Britten was dit gebied zee geliefd vanwege de koele temperatuur en veel kolonisten lieten hier een buitenhuis bouwen. Helaas is Nuwara Eliya er in de tijd er niet mooier op geworden en staan veel van deze fraaie koloniale woningen in zwaar verval.



Ook opmerkelijk is; dat al de theefabrieken Schotse namen voeren.
Zo bezochten we een thee verwerkende fabriek met een naam, dat je eerder aan whisky dan aan thee doet denken, alhoewel de kleur komt aardig overeen.







In deze fabriek kregen we een rondleiding over de productie van thee, van het geplukte blad tot een theekopje vol met een van de vele theesoorten.




DE LEGENDE VAN DE THEE.

de Chinese keizer Shen-Nung wordt beschouwd als degene die ongeveer 5000 jaar geleden per toeval thee heeft 'uitgevonden': een paar blaadjes van een wilde theestruik waren in een pot water gewaaid die hij aan het koken was. Hij wilde het water niet weggooien en dronk het daarom op. Het werd de eerste thee die ooit werd geschonken.

VAN STRUIK TOT HET THEEPOTJE.

Op de plantages worden de theeblaadjes geplukt door duizenden Tamil-arbeidsters, waarvan er vele in de fabrieken werken.
Met manden op hun rug plukken ze de kostbare theebladeren, een beeld dat het handelsmerk van het eiland is geworden. De in keurige sari's geklede vrouwen die tussen het frisse groen aan het werk zijn mogen dan een schilderachtig plaatje opleveren, ze behoren tot de armsten en meest achtergestelde bevolkingsgroepen van Sri Lanka.
De blaadjes, om de kwaliteit te garanderen worden van elke tak de bovenste knoppen en twee blaadjes geplukt, worden in manden naar de verzamelplaats gebracht waar ze in grote zakken worden gedaan. ieder plukster heeft zo'n eigen zak. Na het plukken worden de zakken naar de fabriek gebracht en worden ze gewogen, de arbeidsters krijgen betaald naar het gewicht dat ze afleveren.
Om het overtollige vocht te laten verdampen worden de bladeren eerst met hete lucht gedroogd, daarbij moeten de vrouwen deze bladeren regelmatig omkeren om een gelijkmatige droging te verkrijgen (linksboven in de afbeelding).


Vervolgens worden de bladeren gerold en gebroken om het natuurlijke gistingsproces op gang te brengen. Na een zorgvuldig berekende tijdsduur ondergaan de bladeren in enorme ovens de laatste droging en wordt de zwarte thee in machines gesorteerd. naar de omvang van de bladdeeltjes. Het gehele proces, van blad tot thee, neemt slechts 24 uur in beslag.Het eindproduct krijgt namen die onder andere gebaseerd zijn op het formaat van de stukjes blad, zoals orange pekoe, broken orange pekoe en de zogenaamde dust thee van mindere kwaliteit die in theezakjes wordt gebruikt. 


Daarnaast wordt ceylonthee onderverdeeld naar de hoogte boven zeeniveau waar de bladeren vandaan komen, high-grown, de beste thee , met een subtiele smaak komt van de plantages in de buurt van Nuwara Eliya, mid-grown, en de sterker smakende, maar de grovere low-grown thee, geproduceerd aan de voet van de heuvels. Ook heeft hierbij de stand van de zon op de helling veel invloed.
De beste kawliteit is voornamelijk bestemd voor de export, al zijn tegenwoordig steeds meer theesoorten van plaatselijke gerenommeerde plantages in Sri Lankaanse winkels te koop.

De theestruik werd pas in de jaren zestig van de 19e eeuw in Sri Lanka geïntroduceerd, nadat de uitgestrekte koffieplantages op het eiland door een planten ziekte en verwaarlozing waren vernietigd. De getroffen koffieplanters importeerden theestruiken uit India, die in het koele , vochtige klimaat van het centrale heuvelland van Sri Lanka boven verwachting bleken te floreren.


Het succes van het nieuwe handelsgewas was zo groot dat Britse kolonisten die met het ´groene goud´ hun fortuin hoopten te maken, in razendsnel tempo uitgestrekte gebieden in het heuvelland gingen ontbossen. Binnen twintig jaar had de dichte jungle van centraal Sri Lanka plaatsgemaakt voor de eindeloze rijen nauwkeurig gesnoeide theestruiken die nog steeds kenmerkend zijn voor dit gebied.
De eerste theefabrieken waren witte, luchtige schuren, die dikwijls in Engeland waren gebouwd en in onderdelen naar Sri Lanka werden verscheept. Een groot deel van dit 19e eeuwse industriële erfgoed ie bewaard gebleven, evenals oude machines, die nog steeds worden gebruikt en na meer dan een eeuw nog prima functioneren.



                                         (Dus drink nu uw kopje thee met meer eerbied!!)

Uiteraard kregen we thee te proeven en werd in de winkel van de fabriek diverse soorten thee in meest soorten verpakking te koop aangeboden.


DE HEUVELLAND STOPTREIN.

(Het oude logo van de Brits - Sri Lankaanse Railway Comp.)

We lieten de theefabriek achter ons liggen en vertrokken met de autobus naar het kleine treinstation van het plaatsje Nanu-oya om vandaar de trein te nemen naar de plaats Bandarwela, een rit door het berglandschap door bossen met hoge bomen, tunneltjes en acht tussenstops in kleine plaatsjes. Voor onze groep was de achterste wagon gereserveerd. Helaas had de oude stoomlocomotief plaats moeten maken voor een moderne dieselmotor aangedreven unit.



Tijdens het wachten op de trein, hadden we de kans om rustig even rond te kijken en van het oude emplacement met nog enige oude voertuigen wat afbeeldingen te maken.
Uit een iets eerder aangekomen trein kwam een luidruchtige groep jongen scholieren, netjes in een schooluniform gestoken met een werkstuk van school tussen hun in.
Ze hadden veel plezier in het leven. 







Onze treinreis ging met vele bochten, bruggen (rechtsonder) en tunneltjes door een schitterende natuur. We stopten bij stationnetjes, waarvan het perron te kort was voor de trein (linksonder) en hele groepen schooljeugd uitstapten. Verder passeerden we ook de armoedige dorpjes van de Tamil-theepluksters (linksboven) en gebieden waar groenten werd geteeld en de vrouwen aan het werk waren. In de bossen stonde bomen met kaarsrechte stammen van meer dan 20 meter hoogte.


















Ons eindstation was de plaats Bandarawella, hier maakte ik de de afbeelding van deze man die bij de uitgang van het station stond te wachten, een mooie kop. In deze plaats zouden we overnachten in het gelijknamige hotel.


Het Bandarawela Hotel, sinds 1893, was in het verleden het club gebouw van de Britse theeplanters en staat vol oude meubelen. 
De kamers hadden bedden, waarvan de matras in een gietijzeren ledikant lag, dat was voorzien van glanzende koperen bollen. De matras lag zo hoog dat je bijna een trapje nodig had om in bed te komen.
De badkamer had nog een oud ligbad op gietijzeren leeuwenpoten, maar had toch een douche met warm en koud water waarvan de leidingen gewoon open langs de muur liepen. Zelfs de kranen waren nog uit de koloniale tijd. Al met al goed voor één nacht te verblijven.


Na het avondeten, wat niet uit de koloniale tijd dateerde, even de stad ingelopen. Het was een vieze vuile stad met overal rommel op de weg.
Een enorme drukte van winkelende mensen en verkeer.
Niets van onze gading gevonden keerden we terug naar de bar van het hotel, waar we het ons gezellig maakten onder het genot van een drankje.  








In de tuin voor het hotel staat een boom waarin zich deze plant met bloemen heeft geslingerd. De Engelse naam is 'de Flame of the Forest'.











CACAOBOOM EN VRUCHT.

Cacao is het product uit de bonen van de vrucht van de cacao boom, de Theobroma cacao.
Deze boom komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika en zelfs de Azteken waren reeds bekend met de drank die ze er uit konden bereiden.
De cacaoboom kan meer dan 50 jaar oud worden, tot meter hoog en heeft een matig dikke stam. De stam vertakt zich op ongeveer 1 meter hoogte van de grond in maximaal vijf uitstaande hoofdtakken. Deze hoofdtakken vertakken zich verder.
De boom heeft een dichte kroon van bladeren die leerachtig aanvoelen.
Als de boom ongeveer 4 jaar oud is gaat zij voor het eerst bloeien. De kleine witte of roze bloemen zitten direct op de stam en op de dikke takken; dit verschijnsel heet cauliflorie. Als de boom eenmaal gaat bloeien, bloeit de cacaoboom zonder ophouden vrijwel het gehele jaar door. De boom draagt dan ook constant vruchten.
Ondanks de lange bloei, levert de boom maar 30 tot 40 vruchten per jaar.
De vruchten lijken op lange meloenen en verkleuren tijdens de groei van groen naar paars en okergeel.
Als de vruchten rijp zijn worden ze geplukt.



De rijpe vruchten worden opengebroken, waardoor de 40 tot 50 bonen zichtbaar worden, wat steenvruchten zijn, en ongeveer een gram wegen per stuk.
De gemiddelde boom levert dus per jaar 1 tot 2 kilo bonen.
De bonen worden, met het vruchtvlees dat er nog aanzit, door schimmels en bacteriën gefermenteerd. Hierbij loopt de temperatuur op tot vijftig graden. Deze fermentatie duurt ongeveer vijf dagen. De kiem van het zaad wordt gedood en de kleur van de bonen verandert van paars naar bruin. De bonen worden in de zon gedroogd of in drooghuizen. Tenslotte wordt door het fermenteren de smaakvoorlopers voor de chocoladesmaak gemaakt. 
Cacaoboter het vet dat van nature voorkomt in cacaoboon is wit van kleur.
Cacao is de grondstof voor de productie van chocolade, wat volgens de Nederlandse warenwet minimaal 35% droge cacaobestanddelen moet bevatten. Chocolade is een beschermde naam.



Zie vervolg: SRI LANKA RONDREIS. NUWARA / HAPUTALE - TISSAMAHARAMA. DAG 10.