woensdag 14 mei 2025

JAVA. EERSTE DEEL 1934. (DEEL 2)

 



JAVA IN DE KOLONIALE PERIODE

GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDER.

                                       DEEL 2.


                         DE HINDOE-JAVAANSE TIJD.


OUDE BERICHTEN UIT CHINA, VOOR INDIË EN EGYPTE.

In de analen van de oudere Han-dynastie van China (206 v. Chr. - 24 n. Chr.) komt een geschiedkundig verhaal voor,  waarin gesproken wordt over een zeereis van China uit via de kust van Achter-Indië naar het rijk Huwang-tche.
Er zijn verschillende aanwijzingen, waaruit een sterk vermoeden is ontstaan, dat dit rijk van Hoewang-tche het noordelijke deel van Sumatra, meer bepaald Atjeh moer zijn geweest. De Chinese geschiedschrijver meldt o.a, dat Hoewang-ctche en ook andere met name genoemde rijkjes, grootte, dicht bevolkte eilanden waren en dat de gewoonten van de mensen geleken op die van de bewoners van Hainan.
Men trof er hoofden aan, welke ook dienst deden als tolken, en die ondergeschikt waren aan het hof. Op andere eilanden, waarheen deze rijkjes hun handelsprauwen dirigeerden voor het aankopen van verschillende producten, woonden toen echter nog 'barbaren'.
Het handel drijven met deze barbaren, die de vreemdelingen soms doden (vermoedelijk slaat dit op de gewoonte van het koppensnellen), was niet zonder gevaar. Maar daar de handel ook voor deze  eilandbewoners niet onvoordelig was, stelden zij hun prauwen ter beschikking en vervoerden zij de vreemde kooplieden van de ene landingsplaats naar de andere, waarbij zij elkaar op verschillende trajecten aflosten. Een voorbeeld hiervan is de legende over het ontstaan van de bevolking op het eiland Nias voor de westkust van Noord-Sumatra.

Keizer P'ing Wang Mang (die in het begin van de christelijke jaartelling regeerde) wilde een keizerlijke gunst bewijzen en zond rijke geschenken aan de koning van Hoewang-tche, hem tevens opdracht gevende om een gezantschap naar China te zenden, dat een levende rhinoceros moest aanbieden. 

Na dit oudste bericht worden Chinese aantekeningen over dergelijke handelsbetrekkingen met Java en Sumatra steeds veelvuldiger, zo zijn er berichten uit de jaren 132, 414 en 435.
Maar op met het Westen zou de archipel, hoewel indirect, spoedig in verbinding komen. Reeds ten tijde van de Romeinse keizer Nero (54-68 n. Chr.) brachten kooplieden van Alexandrië de producten van Voor-Indië naar de Middellandse Zee en deze Romeinse handel heeft zich minstens tot in de tweede eeuw weten te handhaven. In deze zelfde eeuw wordt eveneens het Voor-Indische heldendicht Ramajanaq (150 v. Chr.) melding gemaakt van het goud- en zilverland Djawadwipa; ja zelfs tot de Middellandse Zee was de roep van Java doorgedrongen en de naam "Jabadiou" komt dan ook voor in de aardrijkkundige beschrijving van het oosten door de bekende aardrijkskundige Ptolemeus ( 150 n. Chr.) te Alexandrië opgesteld.
Zowel uit deze als uit andere berichten is aldus komen vast te staan, dat zich in de eerste eeuwen van onze jaartelling een geregeld handelsverkeer uitstrekte van de Middellandse Zee tot Voor-Indië, en dat de gehele zuid- een zuidoostkust van Azië een uitgestrekt handelsareaal vormde. Zelfs producten uit China werden langs deze weg naar de Middellandse Zee vervoerd en in Rome op de markt gebracht, terwijl indirect ook Sumatra en Java in deze handel betrokken waren.

(Voor-Indische handelsprauwen voor de kust van Java.)

 Is het verwonderlijk, dat onder deze omstandigheden Voor-Indië, de grote verbindingsschakel tussen de handel naar de Middellandse Zee enerzijds en de handel naar China anderzijds, een geleidelijke stijgende invloed begon uit te oefenen op de beschaving en  de godsdienst van de landen, waarmee het in handelsrelatie stond, en vooral op de oostelijke gebieden, waarheen zijn schepen voeren en zijn handelaren uitzwermden?


Op Java en Sumatra, waar kort voor en bij het begin van onze jaartelling, nog toestanden heersten als eerder beschreven, beginnen zich enige eeuwen later Hindoe-Javaanse en Hindoe-Sumatraanse rijkjes te ontwikkelen. Vroeg Indische kolonisten welke zich in de loop van de tweede en derde eeuw zowel hier als in Borneo, Achter-Indië en op het Maleise schiereiland begonnen te vestigen, verspreiden daar geleidelijk hun beschaving en hun godsdienst. Het was vooral de omgeving van de vorsten, hoofden en aanzienlijken, welke het eerst ontvankelijk bleek voor kunst, literatuur, godsdienst en de overige beschavingsuitingen van de Hindoe-emigranten. Over de wijze, waarop deze langzame en vreedzame penetratie in de archipel plaats had, werd reeds het een en ander medegedeeld in beschrijvingen.


DE CHINESE PELGRIM FAH HIEN OP JAVA IN 414 N. CHR.

Een der oudste berichten uit deze eerste hindoetijd op Java is het verhaal van Chinese Boeddhistische pelgrim Fah Hien (Faxian), die in 414 van Ceylon naar China voer, en onderweg een vijftal maanden op West-Java verbleef.

Deze pelgrim, die als vroom gelovige naar Voor-Indië, het stamland van zijn godsdienst, was getrokken om daar de heilige plaatsen van het Boeddhisme te bezoeken, verteld dat hij op Java geen geloofsgenoten, dat wil zeggen Boeddhisten, had aangetroffen.
Echter wel veel heidenen en Brahmanen, waaruit dus blijkt, dat het Hindoeïsme in die tijd reeds op West-Java wortel had geschoten. Welk een overwegende positie de Voor-Indische scheepvaart innam, blijkt o.a. uit zijn mededeling, dat hij zich te Ceylon had ingescheept op een Voor-Indisch handelsvaartuig, en later van West-Java uit de reis naar Canton maakte met een ander koopvaardijschip, dat tweehonderd Hindoese kooplieden en passagiers uit Voor-Indië aan boord had.

(In Voor-Indië maakt men onderscheid tussen de hindoes, dat zijn de belijders van de Brahamaanse godsdienst, hoofdzakelijk Çiwaïten en Wishnoeïten, en de Boeddhisten. Over het oude Java sprekend, vat men gewoonlijk zowel de Brahamaanse als de  Boeddhistise Voor-Indiërs samen onder de naam Hindoes.)

TAROEMA NAGARA. 4de en 5e eeuw.

Intussen wordt dit korte bericht uit de reisbeschrijving van Fah Hien nog verder aangevuld door hetgeen men uit stenen inscripties is te weten gekomen, welke melding maken van een Hindoe-rijkje op West-Java, Taroema nagara geheten. (Taroem = indigo, dus het Indigo-rijk: zeer waarschijnlijk dateert ook de naam van de rivier Tjitaroem in West-Java.)

Alhoewel en geen enkel jaartal op voorkomt, bleek het toch mogelijk om door middel van het gebezigde Voor-Indische Palawa-schrift, de tijd, waarin deze stenen oorkonden werden opgesteld, op de 4e en 5e eeuw n. Chr. te bepalen.  
In deze beschreven rotsen en stenen, welke tussen Batavia en Buitenzorg over een afstand van ruim 50 kilometer verspreid liggen, wordt o.a. hulde gebracht aan de boven andere vorsten uitmuntende, doorluchtige Poernawarman, heerser van Taroema, die in het 22ste jaar van zijn regering een kanaal van tientallen kilometers lengte liet graven (waarschijnlijk ter regulering van de loop vaneen rivierarm). Uit deze en soortgelijke vondsten elders is komen vast te staan, dat de reeds hiervoor genoemde Voor-Indische kolonisten afkomstig waren vaneen krachtige immigratiestroom, welke zich sedert de 2e en 3e eeuw van zuidelijk Voor-Indië over Achter-Indië, het Maleise schiereiland, Sumatra, Borneo en Java heeft verspreid.

MIDDEN JAVA EN ÇRIWIDJAJA 

                VAN 600-850.

Bleven in de eerste paar eeuwen de gegevens over Java slechts tot de enkele hier genoemde berichten beperkt, spoedig zou dit anders worden. In de 6e en 7e eeuw ontwikkelde zich in het zuiden van Sumatra ) in het tegenwoordige Palembang-gebied' het grootste en krachtigste Hindoe-Sumatraans  rijk Çriwidjaja (Shrivijaya), dat zijn macht over Banka, Malajoe (het tegenwoordige Djambi) , boven Palembang en het Maleise schiereiland uitbreidt, en daardoor de zuidelijke uitgang van de Straat Malakka  volkomen kon beheersen.
Çriwidjaja, bestuurd door de vorsten van de Çailendra-dynastie, wordt zoals de Arabische zeevaarders het gaan noemen, het machtige zeerijk van de Maharadja, de Grootkoning.
Op de handelsweg tussen Voor-Indië en Zuid-China was Shrivijaya dan ook weer gunstig gelegen.
Veel Chjnese pelgrims die naar het heilige land Voor-Indië trekken, onderbreken in Zuid-Sumatra voor enige tijd hun reis. Boeddhistische geleerden uit verschillende landen ontmoeten elkaar hier en vinden ruime gelegenheid tot studie; en zo wordt Shrivijaya niet alleen het centrum van macht, maar ook het middelpunt van godsdienstwetenschap en van sanskrit-literatuur. Maar ook Java trekt de aandacht van de Chinese pelgrims. Een van de eersten is Hwuining, die in 644 naar Midden-Java komt, daar met Javaanse Boeddhistische geestelijken werkt en studeert, en eerst drie jaar later verder westwaarts reist.
In een dergelijk tijdperk van opgewekt godsdienstig en wetenschappelijk leven, van opbloei van kunst en letteren, van handelsbedrijvigheid en machtsontwikkeling in het westen van de archipel, van bemoeienis met overzeese landen, kon het niet anders of ook de scheepvaart van de archipel moest geleidelijk ontwikkelen. Tot nu toe was de navigatie naar het Verre Oosten en de Chinese kusten voornamelijk in handen geweest van Voor-Indiërs en gedeeltelijk van Arabieren.

Thans beginnen echter ook Chinese en Maleise schepen aan het algemeen handelsverkeer deel te nemen. De aanrakingen tussen China en de archipel nemen toe, en de gezantschappen van Shrivijaya en Java met geschenken voor de keizer worden veelvuldiger. Wanneer dan ook in het begin van de 10e eeuw de geschiedenis van China onder de Tan-dynastie (816-906)  wordt te boek gesteld, woorden daarin tal van gegevens over de archipel opgenomen. Zo vermeerdert ook ook op deze wijze het aantal bronnen, waaruit voor de Hindoe-Javaanse geschiedenis geput kan worden.

Een laatste, maar zeker niet de minst belangrijke, bron: Tegen de aanvang van de 7e eeuw begint vooral in Voor-Indië als in de verschillende, reeds genoemde gekoloniseerde gebieden in zuidoost Azië monumenten en heiligdommen van steen te bouwen. Ook in ruïnes van de kunstwerken zijn tal van getrouwe getuigenissen bewaard gebleven van de hoogste graad van ontwikkeling, welke de Hindoe-Javaanse kunst reeds in deze vroege tijden heeft weten te bereiken.

TJANDI KALASAN, 778. 

Verplaatsen wij ons een ogenblik terug in de laatste helft van de 18e eeuw. In de vruchtbare Opak-vlakte te zuiden van de Gunung Merapi heerst een grote bedrijvigheid. Van heinde en ver stroomt de desabevolking tezamen naar de desa Kalasan, de gewijde plek aan de oevers van de rivier Opak.
Eindelijk is dan de grootte dag aangebroken, dat het grootste heiligdom, gesticht ter ere van de eeuwige Tara, en pas voltooid, zal worden ingewijd.
Jaren is aan de tempel gewerkt, geweldige blokken van vulkanisch stufsteen zijn aangesleept, bewerkt, behouwen en opgestapeld. En staat daar het rijzige bouwwerk in al zijn pracht en schoonheid.
Nee zoiets schoons en tegelijk overweldigend had men nog nimmer aanschouwd. Ziet hoe massaal dit onvergelijkelijke kunstwerk van steen zich statig uit de vlakte verheft+ hoe fraai steken de stoepavormige torentjes van de dakbekroning tegen de blauwe  hemel af. Is er een schonere bescherming denkbaar dan die kunstzinnig bewerkte, enkele meters hoge demonenkop, zoo dreigend en toch beschermend boven de sierlijk gebeeldhouwde hoofdpoort de wacht houd? 

                                                                                               (Tjandi Kalasan.)

Hoe slank slingert het topornament van deze kala-kop zich in fraaie, ranke spiralen opwaarts, tot de ijle spits zich in de fraaie kroonlijst verliest. 
Ja, het moet toch wel juist zijn, was de Boeddhistische priesters zeggen, dat van dit schitterende, aan de godin Tara gewijde heiligdom een beschermende en zegenrijke invloed niet alleen de omgeving, maar zelfs over het gehele land moet uitgaan.
Zij , Tara's 's werelds enige leidster, wiens indrukwekkende beeld van meer dan drie mensenlengten hoog, zal, aldus gehuldigd, haar trouwe vereerders haar bescherming zeker niet onthouden. Om en bij het tempelterrein is de drukte het grootst. Maar hier heeft de desabevolking, welke in bonte mengeling langs de zijden van het terrein zit neergehurkt, geen toegang. De vierkante ruimte voor het heiligdom is afgezet door bambu-overkappingen met tribunes, en op het openveld lopen woordvoerders en schrijvers van de hoge functionarissen bedrijvig heen en weer om de laatste toebereidselen voor de inwijdingsplechtigheid te helpen regelen.
In de middelste tribune recht tegenover de hoofdingang van het tempelgebouw zit te midden van zijn hofhouding en hoogwaardigheidsbekleders de Çailendra-vorst, Grootkoning dyah Pantjapana, Raké Panamkarana. De lagere ambtenaren en dorpshoofden hebben plaats genomen onder de overkappingen langs de beide aangrenzende zijden van het terrein. Dan klinkt plotseling boven het geluid van het orkest van trommen, gongs, fluiten en bekkens, het sonore geluid van de zware bronzen tempelklok uit.
De plechtigheid van de inwijding neemt aanvang. Langzaam en in gewijde stemming verrichten de Boeddhistische priester hun ritueel en prevelen hun gebeden, vol aandacht de vereiste moedra´s (handbewegingen) makende.


Een ei wordt tegen de steen waarop de stichtingsoorkonde ingegrift staat, stuk gesmeten, as wordt rondgestrooid om kwade invloeden ver te houden, de rijstoffers worden met wijwater besprenkeld en wierook wordt gebrand. Na aanroeping van de goden wordt het stichtingsformulier voorgelezen en in tegenwoordigheid van de ambtenaren en de notabele dorpshoofden bekend gemaakt, dat het dorp Kalasan bij het tempelterrein is ingelijfd.
Zeer in het kort is hier beschreven de wijze, waarop ongeveer de inwijding vaneen der oudste Boeddhistische heiligdommen van Midden-Java zal hebben plaats gehad. De Tjandi Kalasdan werd in 778 gesticht, of zoals de stenen oorkonde o.a. zegt: "Nadat volgens de jaartelling van de Çaka-vorst zeven eeuwen verlopen waren, heeft de Grootkoning, de rakryan Panamkarana, om de goerooe's  (priester) te huldigen, de Tara-tempel gebouwd". Hieruit blijkt ook, dat de Hindoe-Javanen met een andere jaartelling rekenden dan wij tegenwoordig, namelijk die van de legendarische Çakavorst, en waarvan het nuljaar valt in 78 n. Chr. Het zevende eeuwfeest van de Hindoe-Javanen viel dus in het jaar 778 van onze jaartelling. Van bijzonder belang is echter hetgeen verder in deze oorkonde nog vermeld staat over de Grootkoning (Maharadja), de rakryan Panemkarana. Want hij wordt hier ook genoemd: de Çailendra-vorst, een sieraad van de Çailandra-dynastie, dus van hetzelfde vorstrengeslacht, dat in die tijd ook over het machtige Zuid-Sumatraanse rijk Shrivijya heerste. 
Hoe de verhouding tussen Zuid-Sumatra en Midden-Java precies was, is niet met zekerheid vastgesteld, maar het staat in ieder geval wel vast, dat Çailendra's hetzij door verovering, hetzij door uithuwelijking, hun macht hebben weten uit te breiden, en zich daar tot het midden van de 9e eeuw hebben gehandhaafd.


                                            Dorpshoofd in bespreking met de "oudsten".

BOEDDHISTISCHE TEMPELS IN MIDDEN-JAVA.

In deze zelfde tijd valt ook de gouden eeuw van het Boeddhisme in de archipel, waaraan Midden-Java de mooiste Hindoe-Javaanse heiligdommen, ooit opgericht, te danken heeft.
Van de ruïnes van de Boeddhistische tempels Tjandi Kalasan, Tjandi Sari, Tjandi Sewu (Duizend tempels) is thans het restauratiewerk ten dele voltooid, ten dele onderhanden. Van het groots opgezette Tjandi Sewu complex, met zijn majestueuze, rijzende hoofdtempel, door vier concentrische vierkanten van rijen bij-tempeltjes (tezamen een 250 in aantal) omgeven, is slechts één enkel bij-tempeltje in zijn oorspronkelijke staat terug gebracht.

(Tjandi Sewu.)

Met behulp echter van hetgeen deze en het ten dele gerestaureerde Çiwaïtische heiligdom Lara Djonggrang heden reeds te zien geven, wordt het toch wel mogelijk om zich een voorstelling te vormen van de imposante indruk, welke dit stijlvol opgezette kunstzinnig bewerkte en versierde Tjandi Sewu complex een tiental eeuwen geleden gemaakt moet hebben. De westerling, die zich tegenwoordig in het midden van deze indrukwekkende heiligdommen in de Prambanan-vlakte verplaatst ziet, geraakt onwillekeurig onder de ban van visioenen uit lang vervlogen tijden, toen, meer dan tien eeuwen terug, duizenden en duizenden gelovigen in deze tempelsteden binnenstromen. Hij voelt zich geroerd bij de gedachte, hoe door de eeuwen heen de mensheid, onverschillig van welke godsdienst ook, in staat is geweest, om ter huldiging van het hoogste en heiligste, dergelijke overweldigend schone  kunstwerken te scheppen. De oppervlakte van het bebouwde tempelterrein van de Tjandi Sewu is 165 bij 185 meter.                                   

En toch, hoe indrukwekkend de Prambanan-heiligdommen zelfs in hun grootste bloeitijd ook geweest mogen zijn, er is er geen, dat vergeleken kan worden met het beroemde in het zuiden van de Kedoe-vlakte, de Borobudur.
Geen der tempels in de Prambanan-vlakte symboliseert op zo zinrijke wijze de diepere betekenis van Boeddha's leer als dit ongeëvenaarde monument. 

Prambanan complex.

                                                                  


                                        HET BOEDDHISME.

Kop stenen Boeddha 
beeld.



Ongeveer 500 jaar v. Chr. predikte de koningszoon Siddharta, ook bekend als Çakya moeni, in noordelijk Voor-Indië zijn heilsleer der verlossing uit het lijden van de eeuwige kringloop van het aardse bestaan.
In deze voortdurende opeenvolging van wedergeboorten zijn de goede en slechte daden van dit leven van gunstige of ongunstige invloed op de toestand, waarin wij zullen terugkeren in een volgend leven.
Maar tenslotte blijft toch de onafgebroken kring van wedergeboorten een lijdensweg, welke slechts besloten kan worden door de "uitblussing", het geheel opgaan in het Nirwana. Volgens de leer van Boeddha (d.w.z de Verlichte, de tot het juiste inzicht gekomene) is deze uitblussing slechts te bereiken door een juist inzicht in de oorzaken van de 's mensen lijden, door onderdrukking van zelfzuchtige hartstochten en door een leven van zelfverloochening. Later zijn er tal van andere leerstellingen aan de heilsleer van Boeddha vastgeknoopt. De aardse Boeddha is men gaan beschouwen als een menselijke verschijningsvorm van een geestelijk gedacht wezen, dat het gehele heelal omvat, de Al-Boeddha. Deze laatste openbaart zich n.l. in een vijftal geestelijke dhyani Boeddha's, en bij elk van deze behoort weer een Tara als ''''Çakti, en een aardse Boeddha, welke in menselijke gedaante op aarde verschijnt. Met grote tussenruimten van duizenden van eeuwen wordt de aardse Boeddha's leer telkens opnieuw aan de mensheid verkondigd. Het laatste gescheidde dit 2500 jaar geleden door de historische Boeddha, de koningszoon Siddharta. Maar alvorens het Boeddhaschap te bereiken heeft ook Siddharta zich door ontelbare daden van zelfopoffering moeten voorbereiden en tal van wedergeboorten moeten ondergaan.

Leeuw als tempelwachter bij de 
Borobudur.
In deze voorbereidingstijd wordt hij Bodhisattwa genoemd, evenals trouwen alle andere gelovigen, welke langs deze weg trachten uiteindelijk in het Nirwana op te gaan.
De Bodhisattwa, welke in de toekomst weer voor het eerst als een aardse Boeddha de leer zal verkondigen, is Maitreja.
het is hier niet de plaats om verder in te gaan op verschillende sekten en leerstellingen van het Boeddhisme.
Op één zaak moet echter enige nadruk de aandacht worden gevestigd en dat is het feit, in betekenis hoog boven al het ander uitgaande, dat reeds voor 2500 jaar ten zuiden van de Himalaya een prediker is opgestaan, die de leer van liefde tot de naaste, medelijden met de dieren en van onderdrukking van alle zelfzucht.
Waar deze leer van het Boeddhisme zich over Azië verspreidde, richtte het zij heiligdommen op en onder de laatste is vooral de stoepa tot een symbool van de leer geworden. Oorspronkelijk was de stoepa een gedenkteken in de vorm van een halve bol met vierkant voetstuk, gekroond door een zonnescherm en opgericht om een Boeddhistisch reliek te bedekken.


DE BOROBUDUR.


Als stoepa is de Borobudur geworden niet alleen een van de schitterendste kunstwerken, maar ook een van de mooiste symbolen die de mensheid ooit gebouwd heeft. Zowel de bekroning van de top als ook de hoofdlijn van het gehele heiligdom heeft op enige afstand gezien de vorm van het stoepa model, maar met enorme afmetingen. Het grondvlak meet 120 bij 120 meter, en verheft zich trapsgewijs in vier gaanderijen, waarbij om ieder gaanderij nog een ballustrade is aangebracht.
Langs de middelste zijden gaan vier statige trappen, door monumentale poorten bekroond, tot aan de top. Trappen, poorten en nissen zijn rijk met beeldhouwwerk versierd, en onafzienbare rijen van fraai bewerkte basreliëfs versieren de hoofdmuren en ballustraden van de vier gaanderijen.

Het is vooral door middel van de basreliëfs, dat het heiligdom tot de gelovigen moetspreken. Voor de bezoeker, die zijn rondgang bij de oostelijke ingang aanvangt en vervolgens te voet het monument omwandelt, zo, dat hij het bouwwerk aan zijn rechterzijde heeft, wijzen deze benedenste taferelen op de ijdelheid van het menselijk bestaan op deze aarde, op de misdrijven en op de straffen in acht warme hellen, waarmede hij zal hebben te boeten, maar ook op de goede daden en hun beloningen. 


Van deze voet naar de gaanderijen stijgende, komt de bezoeker in een geheel andere sfeer. Hij verlaat de taferelen uit de kringloop van het aardse bestaan met zijn straffen en beloningen. Op de vier gaande- rijen, welke hij nu volgt, komt hij in een meer geestelijke sfeer en wordt hij slecht herinnerd aan het leven van de Boeddha. Grotendeels heeft dit alles betrekking op zijn leven als Bodhisattwa:  verhalen van grote geloofsdaden, in het bijzonder die, welke in vroegere levens werden volbracht; dan stichtelijke  verhalen hoe de Bodhiattwa Soedhana, naar de hoogste wijsheid zoekende, bij verschillende goden, o.a. ook bij Maitreja  terecht komt, van de een naar de ander wordt verwezen en bij ieder wat leert; maar vooral op de hoofdmuur van de eerste gaanderij de geschiedenis van het leven van de historische Boeddha, zijn omzwervingen, zijn prediking, beproevingen en de verwerving van het Boeddhaschap.

Dit gedeelte behoort tot de rijkste en kunstzinnigste beeldhouwwerken van Java, zelfs van geheel zuidoost Azië. Terwijl de taferelen op de basreliëfs hun stichtelijke verhalen voortdragen, wordt de bezoeker door talrijke nissen met beelden voortdurend herinnerd aan de goden welke hier vereerd worden. In het oostfront zijn in vier galerijen 92 nissen aangebracht waarin 92 maal herhaald de dhyani Boeddha zetelt met de handhouding van het '" aanraken van de aarde"; op dezelfde wijze troont de beschermer van het zuiden in 92-voudige herhaling van het zuiden in 92-voudige herhaling met de handhouding of moedra van "gunstverlening", in het westen met de moedra van "overpeinzing" en in het noorden met de handhouding'" vrij van vrees". In een vijfde reeks zetelt in een 64-voudige herhaling naar alle windstreken gekeerd, de beschermer van de zenith met de moedra van "betogen".


Dan volgt de bekroning het symbool van de predikende Boeddha, n.l. drie trapsgewijze boven elkaar gelegen terrassen, waarop 72 stoepavormige koepels. In  elk van deze bevindt zich een beeld van de, de leer verkondigde Boeddha met de handhouding van het "rad van de wet". Dir gehele gedeelte is echter zonder enige versiering, vlak en sober, in overeenstemming met de geest van de leer, zoals deze door de Çakya moeni werd verkondigd, en met zijn eigen levenswijze, vrij van alle wereldse ijdelheid.
Terwijl de 72 koepeltjes nog een open gewerkte wand hebben, zodanig, dat het inwendige zichtbaar blijft, is de grootste hoofdstoepa  in het midden volkomen gesloten.

Deze bevatte oorspronkelijk een onafgewerkte beeltenis van de historische Boeddha. Dit beeld staat echter tegenwoordig aan de voet van het heiligdom op een verhoging opgesteld. Sommigen nemen aan, dat dit laatste een herhaling zou kunnen zijn van een onafgewerkt Boeddhabeeld, dat in Voor-Indië werd opgericht op de plek waar de prediker "het inzicht verkreeg" en het Boeddhaschap bereikte. Deze kopie zou dan ook een reliek zijn, waarvoor de Borobudur werd gebouwd.

Ongeveer in het jaar 850, dus enige tientallen jaren na de dood van de Europese heerser Karel de Groote zal de voltooiing van dit grootse monument hebben plaats gehad. Van het bovenste terras af heeft men een weids uitzicht over de zuidelijke helft van de dicht bevolkte Kedu-vlakte. Hier staande, met de blik naar het noorden gericht, begrijpt men beter het geloof van de bouwers in de heilbrengende, magische krachten, welke van dergelijke monumentale heiligdommen op de omgeving uitstralen.

RESTAURATIE.  


Nog geen honderd jaar na het bouwen van de Borobudur kwam aan de glorie van de Hindoerijken op Midden-Java een einde, en is in verbad daarmede de belangstelling voor de heiligdommen spoedig geluwd. In het begin van de vorige eeuw de stond de ruïne nog slechts uit niet de plaatsen stenen resten met struikgewas begroeiden en ten dele met aarde bedekte heuvel. Lokale bewoners hadden de stenen gebruikt voor de opbouw van een eigen woning. Wel werden de overblijfselen in de loop van de de loop van de vorige eeuw, gedurende de jaren 1907-1911, schoongemaakt onder leiding van de toenmalige kapitein van de genie  Van Erp een aanvang gemaakt met een stelselmatige restauratie, Aan de toen verrichte arbeid is het te danken, dat tegenwoordig, na eeuwenlang verval, een der mooiste en belangrijkste monumenten in de beschavingsgeschiedenis van het oosten weer herschapen is in de toestand, welke zijn oude glorie nabij komt.




                                   Zie vervolg: JAVAN. EERSTE DEEL 1934. (DEEL 3) 


           

vrijdag 9 mei 2025

JAVA. EERSTE DEEL 1934 .(DEEL 1.)


 

JAVA IN DE KOLONIALE PERIODE

GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDER.

                                         DEEL 1.


JAVA.....


                                            INLEIDING

                    (Bovenstuk van een reliëf met spuiter van de badplaats Djalatundra bij Madjakerta.)

Vraag hem, die eenmaal Java's stranden heeft betreden, niet wat en hoe Java is. Noem hen slechts die ene klank en leest dan in zijn ogen het antwoord: Dan weet u met met één oogopslag dat Java iets schoons is, dat slechts blijde herinneringen opwekt.
                                                                


Wijnkoops Baai. Pelabuhanratu. 
 Dan begint u iets te verstaan van de   betekenis van die toverklank, welke   reeds 20 eeuwen geleden tot in het   Westen doordrong: Djawadwipa, het     rijsteiland, en Suwarnadwipa het   goudeiland, zoals men Java en Sumatra   zonder onderlinge onderscheiding     noemde.
Het wonderland met zijn eeuwig groen plantenkleed en zijn blauwen hemel, dat Maleiers en Chinezen, Hindoes en Arabieren, Portugezen en Nederlanders onweerstaanbaar naar zijn kusten trok.

Voor die allen is Java een visioen van slanke palmen en donkere bambubossen, van druipende sawadijkjes en plompe, zware plontsende buffels, van goudgele rijstvelden en blijde, rijst oogstende tengere lichtbruine mensenkinderen, van onafzienbare suikerrietvelden en stoere arbeid, van kleine, rustige kamponghuisjes verscholen in de verkwikkende koelte van een donkergroen, tropisch plantenkleed en zoete luiheid, en van een statige rij van ogenschijnlijk goedmoedige wachters, welke tegen de einder hun slanke kegels hoog boven het landschap verheffen.



In het westen bestaan Banten en Priangan uit één groot kalkmassief, dat in het noorden oprijst uit de vruchtbare sawavlakten van Batavia, Krawang en Indramaju, in het middelste gedeelte doorboord wordt door een aaneengesloten rij vulkaankegels, welke de onvergelijkelijke hoogvlakten van Bandung en Garut omsluiten en dan tenslotte dicht bebost afdaalt naar de zuidkust en Wijnkoopbaai.

In het midden van het eiland vervloeien de brede, glooiende uitlopers van de vruchtbare vulkaanhellingen tot één uitgestrekt golvend rijstveld, bespikkeld met tienduizenden kampongs en kokostuinen. Een miljoenen bevolking heeft zich hier opgehoopt aan de voet en op de hellingen van Gunung Slamet, Diëng-plateau, Prahu, Sumbing en Merapi.
Hier schenkt de nooit falende vruchtbaarheid van de vulkanische bodem jaar in jaar uit rijke oogsten, tot plotseling de berg- en vulkaangoden dood en verderf om zich heen uitbraken, en de bevolking na jarenlange zegen zich gelaten bukt onder de straffende hand van de vertoornde goden.

In het oosten zet deze rij van vulkanen zich nog op indrukwekkender wijze voort in Gunung Lawu, Wilis, Kelud, Kawi, het Tengger en het Jang gebergte en het Idjen Plateau. Hier wordt de vruchtbare vulkanenstrook in Rembang en Blora van de noordelijke Java Zee gescheiden door een kalkgebergte, dat uit een dubbele rij van parallelketens bestaat, welke westwaarts nog een eind in het gebied van Midden-Java doordringen. Veel minder vruchtbaar is dit kalkgebergte, maar daarom niet minder belangwekkend. Eindeloze djati-bossen bedekken de Segaragunung (de heuvelenzee), waar panters en wilde honden een veilig toevluchtsoord hebben gevonden; de zilte bodem van het vlakke Lusi-dal is bezaaid met modderwellen en zoutwaterputten. 

(Bengawan Solo.)

Hier zijn bij de doorbraakpoort van de Solo rivier  (Bengawan Solo) door de zuidelijke kalkketen de versteende mensenschedels gevonden uit de dageraad van het menselijk leven op aarde, de Solo mens, en hier denkt de bevolking zich, aan de zoom van het djatiwoud bij Wirasari, de plek van het oeroude, legendarische Mendang Kamulan, de oudste hoofdstad van het eerste rijk Mataram.
Ook in het zuiden zijn het de kale kalkheuvels van Gunung Sewu (Duizend Gebergte) en Gunung Kidul (Zuider Gebergte) met hun geheimzinnige geestenverblijven en heilige graven, die de dichtbevolkte vulkaanstrook scheiden van de oceaan.

                                   ( Kustgezicht in West-Java bij Straat Soenda.)

Java heeft een oppervlakte van ongeveer 4,5 maal die van Nederland, een bevolkingsaantal van bijna 6 maal die van het moederland. En in dit land van de eeuwig durende zomer, wist het Nederlandse bestuur oorlogsgeweld reeds sinds langer dan een eeuw tot een legendair begrip te doen worden uit de djaman kuna (de oude tijd) .
De agrarische wetgeving van het Nederlands bewind verzekert de dorpeling zonder voorbehoud het onvervreemdbaar bezitsrecht op zijn dorpsgrond, in die zin, dat nog de vreemde Oosterling, nog de Westerling dorpsgrond voor het uitoefenen van landbouw in eigen bezit mag hebben.
Is het verwonderlijk, dat de Javaanse desaman zijn mooi tropenland lief heeft, dat hij liever hier een eenvoudig bestaan leidt met een bescheiden stukje eigen sawa-bezit en met een nederig bamu kamponghuisje in eigendom, dan elders (sabrang) in een gehuurd huis en een ruimer bestaan te zoeken.
Is het verwonderlijk dat de Javaan zich het gelukkigst voelt in zijn eigen desa, met zijn eigen bouwgrond, waar hij zijn dorpsaangelegenheden naar eigen goedvinden mag regelen en waar hij, wars van alle onnodige drukte, wars van alle politieke agitatie, het liefst met rust geladen wordt.  

Schenkt zijn "negari Djawi"hem niet alles, wat hij maar zou kunnen begeren? - een zonnig, gekoesterd klimaat, een vruchtbare bodem en milde regens, en doen de offers aan de voorvaderen en goden niet de rest?
Waarover zou hij zich dan nog druk maken? Zijn rijst, kokospalmen, zijn bambu, zijn katela, het groeit er alles toch geen greintje vlugger door.
Zo wordt dan ook het gehele desa-leven beheerst door een sfeer van vredige rust, vrij van iedere overspanning, een sfeer die door de eeuwen heen ongevoelig is gebleven voor invloeden van buiten af, en waar niemand of niets ooit wijzigingen in heeft kunnen veroorzaken.
In de Javaanse landbouwer zit iets ouderwets, iets gemoedelijks, iets aartsvaderlijks, en dat zelfde kenmerkt zijn gehele omgeving: de dicht beschaduwde erven in de kampongs, de knusse, fijn gegrinte  kampongweggetjes. omlijst door nette hagen  en bambu-omheiningen, die door rijpaden doorsneden sawa's, de murmelende waterleidinkjes, de weldadige stilte van de tropenavond en het melodieuse klingelen van de gamelan in de nog zwoele avondlucht.


Op marktdagen, wanneer de desa's half leeg stromen en drommen keuvelende pasar-gangers marktwaarts trekken, is het alsof zich over de 'ratan', de grote postweg, de plotselinge desasfeer uitstrekt. Maar dat is slechts tijdelijk, want eigenlijk is al dat andere, dat door het Westen is ingevoerd en zich overigens zo mooi aan het Javaanse landschap heeft aangepast, vreemd aan de desa: de kreta api (vuurwagen), waarvan de baan met zijn slanke , hoge ijzeren bruggen zo sierlijk slingert langs de bergruggen van het Priangan- en het Kedu-landschap, de villa-achtige tuindorpen met de nederzettingen van de Europeanen, de slanke witte schoorstenen van de suikerfabrieken in de vlakten, de rubberfabrieken te midden van de hevea-aanplantingen, de thee-, koffie- en cacao-ondernemingen in het bergland, de grote havens, de goederenloodsen, de prauwenveren, de stoomschepen van Paketvaart en andere Nederlandse stoomvaartmaatschappijen, al die gebieden van westerse bedrijvigheid laten deze oosterse wereld van aartsvaderlijke landelijkheid en wijsgering fatalisme onberoerd.


Als ambtenaar, technicus, schrijver, bediende, vakman, enz. is ook de Javaan een gewaardeerde werkkracht in de bedrijven van de Westerling. Maar daar geeft hij zich niet zoals hij is, daar is hij anders, daar past hij zich zoveel mogelijk aan zijn tijdelijke omgeving aan, en daar is het ook moeilijk hem te leren kennen. Hij wordt pa weer zichzelf, wanneer hij terug is in zijn eigen omgeving op zijn erf, in zijn desa, zijn sawa en zijn eeuwenoud bestaan van tani (landbouwer).

Mag het de schrijver gelukken, in de hierna volgende hoofdstukken de lezers en lezeressen een globale voorstelling te geven van het leven van de eenvoudige, rustige, sympathieke, landelijke, Javaanse miljoenenbevolking, welke door alle eeuwen heen, talrijke vreemde invloeden ten spijt, haar volksaard en volksbestaan zo zuiver wist te bewaren.  


           1. JAVA VOOR DE KOMST VAN DE HINDOES.

EMIGRANTEN 

Het is de oost-moesson, en de eeuwige lichtbron werpt halverwege de horizon een lange, brede baan zonlicht op het zeeoppervlak. Een fris briesje waait over de speelse golfjes, die voortdurend knabbelen aan de spiegeling van de grote lichtvlek in de verte en het rimpelend zeevlak met duizenden en duizenden felle lichtstippeltjes in fonkeling zetten, Geen deining, die dit lichtspel verstoort, slechts één uitgestrekt kabbelend en zonlicht weerspiegelend watervlak, waarop talrijke eilandjes als kleine, met groen overdekte, drijvende  stukjes heuvelterrein  verspreid liggen. Enkele plukjes palmen steken als sierlijke pluimen boven het plantenkleed uit, en hier en daar is op de voorgrond een smalle strook helder wit zand zichtbaar, welke tot landen schijnt uit te nodigen. 


Maar aanlokkelijk een landing ook mocht lijken, op het ogenblik heeft de stuurman van het voorste vaartuig van het naderende prauwenflottielje voor al deze eilandjes niet de minste belangstelling. Zijn aandacht wordt voortdurend in beslag genomen door de vage , grauwe streep, welke zich langs de zuidwestelijke horizon aftekent.
Daarheen gaat de reis, en als een zwerm grote watervogels stevent het groepje prauwen gestadig zuidwaarts.
Het zijn alle vaartuigen van een primitief model, uitgeholde boomstam-kano's, rank van vorm, maar door een paar uitleggers, welke aan weerszijden van de prauwen uitsteken, toch stabiel op het water liggen. Op de armen van de uitleggers is een van rondhouten vervaardigd platform bevestigd, waar op een deel van de opvarenden heeft plaats genomen, anderen zitten in de prauw zelf, waarin ook de bagage voor de reis is opgeborgen. Even primitief als de vaartuigen van deze zeevaarders is ook hun kleding, slechts bestaande uit een lendendoek en een hoofddoek van geklopte boomschors. Behalve de mannen maken ook vrouwen en kinderen de reis mee, want is een maal het doel bereikt, dan zal men niet meer terugkeren. Want eigenlijk is deze reis een soort vlucht. Steeds driester was het optreden geworden van de benden, welke uit de noordelijke streken in hun woongebied waren doorgedrongen. Overvallen op niets kwaads vermoedende kampongs eisten steeds meer slachtoffers, berichten over roof/ en plunderpartijen werden steeds uitgebreider, en tegen de indringers voelde men zich niet opgewassen..
Waarom dan nog langer geaarzeld? De overkant van de met talrijke eilandjes bezaaide zeestraat was veilig en slechts schaars bevolkt. Daar zou aan voortdurende bedreiging een einde komen. 
Het stamhoofd zelf was met zijn volgelingen reeds enige keren aan de overkant geweest om bomen te vellen voor het vervaardigen van grote zeewaardige prauwen. Bij rasgenoten, die reeds jaren geleden over zee een goed heenkomen hadden gezocht, en een taal spreken welke niet veel van hun eigen taal verschilt, had men door ruiling waardevolle bosproducten  verkregen. Men had de indruk gekregen van een rijkdom aan deugdelijke houtsoorten, rotan en andere bosproducten, voorts van de vruchtbare grond: en zo was tenslotte het definitieve besluit tot wisseling van woonplaats genomen.


De reis zou slechts enkele dagen duren; gedurende de oost-moeson was het tussen de eilandjes in de Straat steeds mooi weer, zodat men op niet al te veel tegenwind kon rekenen, en de meegenomen mondvoorraad was voldoende voor enkele weken. Een gedeelte van de jonge mannen uit de nederzettingen, welke zich bij deze tocht hadden aangesloten, was enige maanden geleden vooruit gegaan om een stuk grond bosterrein uit te zoeken, en het bos te vellen, tijdelijke woningen op te richten, rijst uit te zaaien en taro-knollen te planten.
Voor de allernoodzakelijke levensbehoeften was dus ook in het nieuwe land reeds gezorgd en voor het overige mocht men zich verlaten op de uitkomsten van jacht en visvangst en op de aanwezigheid van bosknollen en bosvruchten in het rijke woud.

Drie à vier duizend jaar  is het reeds geleden, dat de zuidelijke ingang van Straat Malaka  herhaaldelijk het beeld vertoonde van een dergelijke volksverhuizing op kleine schaal. Wel is waar zal men in de geschiedenisboeken tevergeefs naar een authentieke beschrijving zoeken, maar dank zij de volkenkundige  onderzoekingen weet men tegenwoordig wel met voldoende zekerheid dat dergelijke prehistorische uittochten uit Achter-Indië periodiek moeten hebben plaats  plaats gehad in een tijdperk dat ongeveer 1500 tot 2000 jaar voor het begin van onze jaartelling moet vallen, en vermoedelijk zelfs nog voor die tijd.
Achter-Indië heeft, evenals andere gebieden op onze aarde, van de oudsten tijden af volken en stammen heen en weer zien trekken. Zowel van Voor-Indië als van Zuid-China uit drongen volksgroepen steeds verder naar het oosten en het zuiden tot aan de kusten van Achter-Indië door. Nu eens zal een dergelijke overstroming van vreemde indringers nu zo sterk zijn geweest, dat de eerst aanwezigen genoodzaakt waren uit te wijken; dan weer zullen onderlinge strijd geleid hebben tot verdringing van de zwakste groep. In andere gevallen zal de bodem tengevolge van de roofbouw zo uitgeput zijn geraakt, dat men genoodzaakt was voor de nieuwe akkers  onontgonnen maagdelijk terrein op te zoeken.

Zo plantte zich in de loop der eeuwen een beweging voort naar de kusten van Achter-Indië en het Maleise schiereiland, en vandaar over de eilanden van de Riau Lingga Archipel naar Noord-Sumatra. Koene zeevaarders onder emigranten waagden het zelfs de Zuid-Chinse Zee over te steken en rechtstreeks naar Borneo (Kalimantan), Java en Sumatra te stevenen; ja, men neemt zelfs aan, dat zich belangrijke volksverplaatsingen hebben voltrokken van Achter-Indië en Zuid-China uit via de Filipijnen naar Borneo en Celebes (Sulawesi). De verspreiding van de deze volken bepaalde zich echter niet alleen tot onze archipel en de Filipijnen, maar strekte zich ook uit over de ontelbare eilanden in de Grote Oceaan (Micronesië, Polynesië, Melanesië en het noordelijke deel van Nieuw Zeeland. Wanneer en hoe deze onderlinge verwante groepen hun tegenwoordige woonplaatsen hebben bereikt is grotendeels onbekend. Voor ons is het echter voldoende te weten, dat gedurende tientallen eeuwen van het Aziatische vasteland uit, emigratiegolven, telkens door perioden van rust onderbroken, over de Indische Archipel en Oceanië zijn gespoeld. Het is begrijpelijk, dat uit deze herhaalde en langdurige volksverhuizingen ook volksvermengingen zijn ontstaan, welke niet hebben nagelaten ook hun invloed uit te oefenen op de tegenwoordige bewoners van de Indische Archipel.

 NEGRITO'S EN INDO-AUSTRONISIËRS.

De oudste thans nog levende laag wordt gevormd door de Negrito's, een dwergachtig ras, niet langer dan 1,5 meter, kroesharig en donker getint, waarvan als laatste overblijfselen zijn aan te wijzen de Berg Papua's van Nieuw Guinea (links), en buiten ons gebied o.a. de Negrito's van de Filipijnen en de Semangs (bosnomaden) van het Maleische schiereiland (midden). Als afzonderlijke volken.
Het zelfde geldt voor de tweede laag, de Indo-Austronesiërs, een type met golvend haar en bruine huidskleur, welke gemiddelde lichaamslengte van 1,6 meter met die van de te noemen Maleiërs overeenkomt.


De bekendste van deze Indo-Austronesiërs zijn de Kubu's die in Zuid-Sumatra nog als bosnomaden in de wouden van Palembang en Djambi rondzwerven of zich in zeer primitieve nederzettingen aan de oevers van enkele rivieren hebben gevestigd (rechts).
Ook de Senoi's van het Maleise schiereiland en de Mon-Kmer-volken van Achter-Indië, het oude stamland, behoren tot de zelfde groep. Het totale zielental van Negrito's en Indo-Austronesiërs in onze archipel echter tot slechts enige tienduizenden beperkt. De overgrote meerderheid van de 60 miljoen zielen tellende bevolking behoort tot de laatst aangekomen groep, namelijk die van de Maleiers.

MALEIERS.

Deze Maleiers hebben sluik, zwart haar, een lichtbruine huidskleur en zijn in twee onderlinge verwante groepen te onderscheiden de Proto- of Prae-Maleiers, hoofdzakelijk in de binnenlanden van Sumatra (Bataks en Gajo's), Borneo (Dajaks) en Celebes (Toradja's) en in Deutero- of  Kust-Maleiers, die Java en de kustgebieden van de meeste grote eilanden van de archipel bewonen.

Op Java hebben zij zich in drie hoofdgroepen gevestigd, de Soendanezen  (links) in het westen, de Madoerezen (midden) in het oosten en de eigenlijke Javanen (rechts) in het midden. 
Alhoewel het reeds ongeveer drie duizend jaar is geleden, dat de Maleiers zich op het eiland Java hebben gevestigd, vertegenwoordigen zij, evenals hun stamgenoten in het oude stamland Tjampa (op de grenzen van het tegenwoordige Cambodja, Anam en Siam ) reeds bij hun komst een zekere trap van beschaving. Zij woonden in familiewoningen. op dezelfde wijze als thans nog gebruikelijk is bij verschillende Prae-Maleisische volken, bij welke de gezinnen van vader en grootvader en de gehuwde zoons alle onder één dak zijn gehuisvest.

Op Java had de verbouwing van de rijst, het hoofdvoedsel, voor een groot deel plaats op kunstmatig bevloeide  rijsvelden. Voor de irrigatie van deze rijstvelden werd gebruik gemaakt van een dikwijls ingewikkeld bevloeiings-systeem, dat door onderlinge samenwerking van de bewoners van het dorp, of meerdere dorpen, was aangelegd en onderhouden. Een dorpsbestuur en waterschapfunctionarissen zorgden voor de belangen van het dorp, de desa, en de irrigatiewerken. OP welke wijze het dorpsbestuur geregeld was, is niet bekend. Toch bestaan er aanwijzingen, waaruit kan worden afgeleid, dat  vermoedelijk  het hoofd van de familie, op wiens naam de stichting van de nederzetting stond, ook hoofd van de desa was. De algemene leiding van het desabestuur berustte bij dit dorpshoofd, die zich voor de regeling van de voornaamste dorpsdiensten door enkele handlangers, ieder met een eigen functie, terzijde liet staan. Men mag wel aannemen, dat deze desa-diensten  hoofdzakelijk bestonden in onderling hulpbetoon van de dorpelingen bij de bewerking en de beplanting van de rijstvelden, benevens de aanleg en het onderhoud van de bevloeiingswerken, begraafplaatsen en andere dorpsterreinen, en de offerplaatsen voor de goden en de voorouders.

(Taro-knollen)  Behalve rijst, die het hoofdvoedsel leverde, werden kokospalm, de bambu, het suikerriet. de pisang (banaan)  en de taro-knollen verbouwd.
De metaalbewerking was evenmin onbekend; van ijzer, brons, koper en goud werden wapens, gereedschappen, artikelen voor huishoudelijk en dagelijks gebruik en voor opschik vervaardigd, en reeds in het begin van onze jaartelling waren Sumatra en Java zowel Voor-Indië als verder af tot in Egypte en Griekenland bekend als de goud- en rijstlanden bij uitnemendheid.

Op het gebied van de scheepvaart hadden deze eiland bewoners reeds de trap van ontwikkeling bereikt, welke hen in staat stelde, met hun uitgeholde één boom prauwen, voorzien van uitleggers en vanuit palmblad vervaardigde zeilen, grote afstanden op zee af te leggen. Dat hiervoor een, zij het ook primitieve sterrenkunde onontbeerlijk was, is duidelijk: trouwens ook bij de regeling van de werkzaamheden bij de landbouw werd met de stand van de sterren rekening gehouden.

In het geloof van deze oude Javanen nam de voorouderverering een ruime plaats in, gelijk nog heden ten dage het geval is bij tal van heidense, animistische denkende volken van de archipel.
Voor het gebruik van stenen monumenten bij de dodenverering kan men enkele primitieve volken in de buitengewesten nog levende sporen vinden. OP Java echter rest slechts het zwijgend getuigenis van in het oosten van het eiland aangetroffen stenen dolven (hunnebedvormige graven) met daarin als dodenoffers geborgen bronzen bijlen, stenen kralen en andere opschik. Bij de verering van de verdienstelijke voorvaderenstond die van de geesten van de stichters van de nederzetting, de danhjang desa, vooraan. Daarnaast werden ook tal van natuurkrachten vereerd, welke men zich voorstelde als onstoffelijke wezens, met bovennatuurlijke krachten begaafd. In groten en spelonken, in kraters en vulkaantoppen, in donker en bliksem, in donkere wouden en geheimzinnige moerassen, maar vooral op de beboste toppen van de bergen huisden almachtige goden en demonen. 

Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat men thans nog op de hellingen van de bergen overblijfselen aantreft van oude heidense heiligdommen, bestaande uit stenen bergterrassen, trapsgewijs en piramidevormig tegen de hellingen aangelegd.
Vooral in Oost- als in West-Java vindt men op veel van deze terrassen recht opstaande stenen (megalieten) of stenen voorouderbeeldjes, ruw uitgehouwen en primitief bewerkt, zoals tegenwoordig nog bij tal van heidense  volken in de archipel in gebruik zijn.

Het valt volkomen te begrijpen, dat deze vooral in het binnenland aangelegde heiligdommen tot ver in de later komende Hindoe-Javaanse periode zijn blijven staan, en zij tenslotte zelfs, vooral in Oost-Java, bij de Hindoe-Javaanse heiligdommen een plaats wisten te veroveren .


                               Een voorbeeld hiervan is bij voorbeeld de Tjandi Suku tempel.

JAVA VOOR DE KOMST VAN DE MALEIERS.

Geeft de bovenstaande beschrijving en globaal denkbeeld van hetgeen bekend is omtrent de aard van de beschavingstoestand van de bevolking van Java bij het begin van en een tientallen eeuwen voor onze jaartelling, nog veel minder weet men van Java's bewoners voor de komst van de Maleiers.
Deze laatste troffen bij hun komst volksgroepen aan, welke behoorden tot de eerder genoemde Indo-Austronesiërs, waarvan de in Palembang en Djambi  wonende Kudu's en Toala's van Zuidwest-Celebes en enige anderen de laatste resten zijn. Of er toen ook nog Negrito's aanwezig waren, en of deze Negrito's en de Indo-Austronesiërs verdrongen zijn dan wel in de bevolking zijn opgegaan, is niet bekend. In ieder geval heeft men de zekerheid, dat zowel Java als onze gehele archipel en Achter-Indië tot in de oudste tijden bewoond zijn geweest door verschillende onderling verwante rassen en volken, welke zich steeds van Zuidoost-Azië en dikwijls nog verder naar het oosten en zuidoosten hebben verspreid.

Vondsten van schedels en skeletten, welke wijzen op verwantschap met Kuku-typen (dus Indo-Austronesiërs) in zuidoost Celebes en in Tonkin, andere Negrito-typen in de Filipijnen en Achter-Indië geven slechts uitsluitsel omtrent duizenden tijden, welke hoogstens enige duizenden jaren achter ons liggen.
Geheel anders is het gesteld met een paar fossiele schedels, welke werden gevonden bij de kampong Wadjak in de vlakte van Kediri aan de Brantas rivier. Deze schedels wijzen op een zeer oud voorhistorisch ras, waaruit later de Australiërs en de Tasmaniërs zijn ontstaan en vermoedelijk ook, na vermenging met andere typen, de Papeoa's. 

Een paar jaar geleden werd ongeveer 75 kilometer meer noordwestelijk, daar , waar ten zuiden van de Randublatung de Solo rivier door het kalkgebergte Gunung Gendeng breekt, nog een belangrijke vondst gedaan van een vijftal schedels. 
Bij deze kampong Ngendung opgegraven fossielen zijn eveneens afkomstig vaneen van de oudste en primitiefste rassen, welke uit de voorhistorische tijd bekend zijn.

Zowel uit de Wdjak schedels als uit die van Ngendung heeft men de tijd dat Java door mensen reeds was bewoond, op 75000 tot 100.000 jaar kunnen schatten.

PREHISTORISCH GEREEDSCHAP.

Ook van het stenen gereedschap, dat door de vroegere bewoners van de archipel ie gebruikt, werden typen uit verschillende tijdperken aangetroffen. In grote trekken onder scheidt men hier evenals in Europa twee hoofdgroepen: ten eerste, het oudere, ruwer bewerkte, ongeslepen en ongepolijste palaeolitische  gereedschap, en ten tweede de nieuwere neolithische werktuigen, bestaande uit zorgvuldig geslepen en glad gepolijste bijlklingen, krabber, schavers, enz.

STENEN BIJLKLINGEN:
A. Gutsbijl neolitisch, Java en Sumatra.
B. Schouderbijl. neolitisch, Achter Indië.
C. Vuistbijl "Sumatra-type" Palaeolitisch, Sumatra, Achter Indië.

Alhoewel het onderzoek van dit alles pas in het eerste begin is, is ook hierbij reeds een verwantschap tussen Achter Indië en de archipel aan de dag getreden. Een sterk de aandacht trekkend voorwerp is daarbij de oude palaeolitische bijlkling (vuistbijl) van het a.g. "Sumatra-type", welke aan het daglicht werd gebracht bij opgravingen en onderzoek van schelpenheuvels en grotten, zowel in Achter Indië met omgeving als op het Maleise schiereiland en op Sumatra (fig. A). Deze bijlkling bestaat in de regel uit een ovale, enigszins amandelvormige scherf andesiet, afkomstig van een door het rivierwater glad geschuurde rolsteen. De ene zijde van de bijl wordt gevormd door het van nature gladde  gedeelte, de andere zijde is echter ruw en alleen aan de randen een weinig bijgehouden, getailleerd, zodat een scherpe rand ontstaat.
Van de nieuwe neolitische bijltypen vereist een tweetal de bijzondere vermelding: de eerste soort is de z.g. "schouderbijl" en bestaat uit een zorgvuldig geslepen kling met in het midden van de achterste rand een steel- of hoornvormig uitsteeksel voor het bevestigen van de kling op de steel (fig. B). Deze bijl heeft een verbreidingsgebied gevonden over geheel Achter Indië; het noordelijke deel van het Maleise schiereiland en een enkel gebied van noord-oostelijk Voor Indië. 

De oorspronkelijke vervaardigers van dit bijltype, dat minsten 3000 jaar oud moet zijn, waren de Mon-Khmer-volken van Achter Indië, een volksgroep waartoe ook de naar onze archipel geïmmigreerde Inde-Austronesiërs hebben behoord (links)

Een tweede type is de bekende gutsvormige bijlkling, langwerpig, het ene vlak gewelfd, soms met een scherpe, overlangse ribbe in het midden, het andere vlak enigszins hol en bij de punt gutsvormig bijgeslepen (fig. A). Het verspreidingsgebied van dit type lig zuidelijker dan van het eerste, n.l op Java, Sumatra, het westelijke deel van de archipel en de zuidelijke helft van het Maleise schiereiland.
Vooral op Java zijn talrijke van deze gutsvormige bijlklingen gevonden, fijn en graciel van vorm, zorgvuldig geslepen en gepolijst, en meermalen van kostbare steensoorten, zoals jaspis, chalceon, lydiet, enz. vervaardigd. Veel van dergelijke klingen maken dan ook de indruk luxe voorwerpen te zijn, welke bij plechtigheden als ceremonie-bijlen dienst hebben gedaan.
Voor de komst van de Hindoe's was dit laatste bijltype (ook in zijn gewone vorm) op Java algemeen in gebruik, wat echter niet wil zeggen, dat Java toen geheel in het stenen tijdperk leefde.
Reeds eerder vermeld, dat de toenmalige bewoners van Java nog voor het begin van onze jaartelling de bewerking van ijzer, koper en brons kenden. Dat neemt echter niet weg, dat waar de omstandigheden er aanleiding toe gaven, bijvoorbeeld in de binnenlanden, het gebruik van stenen gereedschap nog werd gehandhaafd. 

Typerend zijn in deze basreliëfs van de Borobudur. Hier ziet men (rond 850 n. Chr.) vorsten, goden en bodhisattwa's  uitgebeeld met rijke gouden en zilveren opschik, volgelingen met bronzen ceremoniewapens, muzikanten met bronzen en koperen muziekinstrumenten, en daarnaast weer voorbeelden van houthakkers, welke met stenen bijlen een boom vellen.

het gebruik van stenen gereedschap geeft onder dergelijke omstandigheden ook meer een zekeren beschavingstoestand weer dan een bepaald tijdperk. Bovendien toont de Maleier bij het gebruik van ceremonieel gereedschap een sterke voorkeur voor ouderwets gereedschap, zoals het door de voorvaderen altijd werd gebruikt. Nog slechte tientallen jaren geleden waren ook in Oceanië nog zorgvuldig geslepen stenen bijlen met kunstig gesneden stelen als ceremoniebijlen in gebruik.
Onder bovenstaand voorbehoud is het dan echter wel mogelijk om bij benadering enige jaartallen te noemen. Zijn de laatst genoemde gutsvormige bijlen van het westelijke van de archipel te dateren op het begin van onze jaartelling en enige eeuwen daarvoor, de tijd van de schouderbijlen van Achter Indië valt vermoedelijk tussen 1000 en 1500 v. Chr. De ruwe bijl van het Sumatra-type is echter veel ouder en valt op zijn laatst tussen 5000 en 10.000 jaar v. Chr.  te dateren.



      Zie vervolg: JAVA EERSTE DEEL 1934. (DEEL2)  DE HINDOE-JAVAANSE TID. etc. 


maandag 5 mei 2025

JAVA EN BALI. ANNO 1932-36.




    

 JAVA EN BALI TIJDENS 

        DE NEDERLANDSE

     KOLONIALE PERIODE.




         JAVA- BALI PADA MASA PANJAJAHAN BELANDA.

Jl. kreeg ik van een kennis drie boeken te leen, die hij op een boekenmarkt had gevonden. Het was zijn interesse naar het het land waar hij momenteel werkte in de tuinbouw cultuur. Het waren drie plaatjes boeken met een uitgebreide tekst uitgegeven in de jaren 1932-36 door Droste chocolade fabriek in Haarlem.

Een boek behandelde het eiland Bali en twee andere delen het eiland Java, beschreven door J.C. Lamster.
De gekleurde plaatjes en tekeningen in de tekst zijn van de hand van G.S. Ferhout.
Druk van Joh. Enschedé en zonen, grafische inrichting van N.V. Haarlem.

Aangezien er nergens een vermelding was over copyright, ben ik met zorg deze drie boeken, blad voor blad gaan kopiëren, wat aardig is gelukt. 



De tekst is in het vooroorlogs Nederlands en veel lokale namen in het toenmalige Maleis dat voor de onafhankelijkheid van Indonesië werd gesproken. Al de drie de boeken geven weer hoe het toenmalige  werd gezien en beleefd door de schrijver. Zo zijn veel tradities, gebruiken en gewoonten van toen in het huidige leven van de Indonesische bevolking nog steeds in gebruik terug te vinden.

Het is dan ook mijn bedoeling om deze drie boeken in het weblog 'zien en weten' te behandelen en te combineren met afbeeldingen van het heden. Helaas hebben de boeken door vocht geleden en zijn de plaatjes er in verkleurd.



woensdag 23 april 2025

PAASVUUR- EN WAKE.

 


EEN HEIDENS GEBRUIK, DAT DOOR DE

 KERK WERD GEACCEPTEERD ALS

 SYMBOOL VOOR DE VERIJZZENIS.



HET PAASVUUR.

Het Paasvuur is waarschijnlijk van voorchristelijke origine, mogelijk uit de Oudsaksische godsdienst en de Germaanse mythologie of overgenomen van andere Indo-Europeanen, maar kreeg na de kerstening een christelijke invulling als het licht van Pasen en een teken ven de verrijzenis van de Zoon van God, het licht van de wereld.

De noordgrens van het gebied waarin dit volksgebruik plaatsvindt, loopt door Denemarken en de zuidgrens door Zwitserland en Oostenrijk.
Het oosten van Nederland is de westgrens en de oostgrens loopt oostelijk van de Harz.
Maar ook buiten dit gebied worden paasvuren ontstoken.

Oorspronkelijk was dit gebeuren vaak een eerbetoon aan de godin Ostrea op haar gewijde offerplaatsen (zie Paashaas en eieren), werd het vuur een symbool van de overwinning op de dood door Christus Verrijzenis met Pasen.

Het aansteken van een paasvuur is een oud gebruik waarvan verondersteld wordt dat het een voorchristelijke oorsprong heeft. De oudste schriftelijke bronnen over de paasvuren  dateren uit 1559.
Het paasvuur zou voor vruchtbaarheid zorgen. Mensen dansten rond het vuur, dronken lokale alcoholische dranken en er vonden vele uitspattingen plaats.
In de 17e eeuw werd door de kerken een poging gedaan om deze traditie te beëindigen, maar toen dit geen succes bleek te hebben werden de vuren gekerstend. De kerk maakte van het paasvuur aansteken, het aansteken van de paaskaars. In Duitsland wordt op de paasvuren ook een pop of figuur als Judas Iskariot en een heks symbolisch verbrand.


Ook kent men in Duitsland nog de Germaanse vuurraderen van de nachtevening gebruikelijk die aan het nog algemener verspreide paasvuur verwant zijn: brandende houten raderen worden van een berg afgerold.

Op een postzegel uit 1937, uit Ierland is Sint Patrick afgebeeld die voorbereidingen treft voor een paasvuur.
Deze postzegel is gewijd aan de kerstening van Ierland in de 5e eeuw.

Op Stille Zaterdag wordt tijdens de paasvigilie uit een steen vuur geslagen voor de kerken (Latijnse ritus) als het symbool van het licht van de verrijzenis.

Aan het eind van de 20e eeuw kwam het gebruik van paasvuur onder druk te staan door strenge milieuvoorschriften. De bergen snoeihout werden aangevuld met alles wat branden kon, zo ook autobanden. Een verbod op paasvuur bleek niet haalbaar. 
Nu wordt het opbouwen van de stapel brandhout gecontroleerd door de gemeente en de brandweer.
Ook bij extreme  droogte en het gevaar van natuurbranden worden deze feesten vaak stilgelegd.



In veel plaatsen is het paasvuur traditie geworden, mensen verzamelen zich op een centraal punt en trekken met muziek naar de paasweide, waar als de duisternis is gevallen het paasvuur wordt ontstoken.
 
Helaas ontgaat de meeste mensen de betekenis achter het paasvuur de christelijke invulling ervan; de Verrijzenis van de Zoon van God.


PAASWAKE.

De paaswake, paasdienst op paasvigilie is een christelijke  liturgie die begint bij zonsondergang en eindigt bij zonopgang tijdens de nacht van paaszaterdag op Pasen.
Herdacht wordt dat Jezus in deze nacht opstaat uit de dode. 
De paaswake is het feest van het licht, het feest van het water en het feest van de vreugde om Jezus verrijzenis.

DE KATHOLIEKE TRADITIE.

In de late avond wordt het Licht, als teken voor Christus, feestelijk binnengedragen in de kerk en bejubeld. Dit staat symbool voor de opstanding.
De viering is in de katholieke traditie een viering waarin een groot aan symbolen met elkaar gecombineerd worden.


* Duisternis, aan het begin van de viering is er geen enkel licht in de kerkruimte aanwezig. Duisternis staat ook voor het ontbreken van ordening.
* Licht, met name: nieuw licht. Het vuur voor de Paaskaars is net ontstoken. Licht brengt ordening en de chaos. Licht als symbool voor Christus: licht op de levensweg.
* Verspreiden van het licht.




De gelovigen steken hun eigen kaars aan met het vuur van de paaskaars. Dit laatste kan direct of indirect, men geeft het licht aan elkaar door. Als symbool voor Christus ook: het geloof verspreiden, het evangelie, de Blijde Boodschap, verspreiden.
Hierna wordt de paasjubelzang gezongen.

In sommige kerken wordt het doopwater gezegend en hernieuwen gelovigen de doopbeloften. Als er dopelingen zijn, worden deze gedoopt.
Maar het symbool van de verrezen Heer is de paaskaars die van nu af aan haar licht zal doen schijnen.


In de kaars zijn vijf wierookkorrels in kruisvorm gestoken; zij verbeelden de vijf wonden van Jezus in handen, voeten en hart.

 Laat een ieder geloven wat hij of zij gelooft; of het nu een oeroude traditie is en aangepast aan het geloof, het maakt niet uit. Zo moeten we tegenwoordig ook meer respect hebben voor andere geloven; waarin met Jezus niet zag als de zoon van God, maar als een profeet. Respect is de kern van geloof.