donderdag 7 november 2013

ACMAEA M.S. SHELL TANKERS B.V. (DEEL 1-D)

M.S. ACMAEA.

31 SEPTEMBER 1970 T/M 5 APRIL 1971.



Na het lossen van de lading te Gäfle in Zweden kregen we last vaneen stevige wind die gelijk alle waterspray die over het schip kwam deed bevriezen.



Alles aan dek en de voorzijde van  het middenschip zat in een record tijd onder lange ijsbaarden die soms met veel geraas zich losmaakten van de accommodatie en stuk vielen op het dek.


Zo verlieten we de Botnische Golf en voeren via het Skagerak naar de Noordzee om onze winterse reis voort te zetten naar Stanlow en daar te gaan laden voor Hammerfest en Alësund in Noorwegen.
eenmaal op de Noordzee was het snel gedaan met al het ijs aan dek.


Ook de vaart naar Hammerfest gelegen in het noordelijke deel van Noorwegen was bar en bitterkoud en op de bergen aan de kust lag een dik pak sneeuw.
Te Hammerfest moest er stookolie gelost worden voor een vis verwerkende fabriek. We lagen aldaar op een steenworp afstand van deze fabriek en binnen de kortst mogelijke tijd was de machinekamer en de accommodatie vergeven van een stinkende vislucht.



Ook bij het binnenvaren van de baai waaraan Alësund is gelegen was alles in een wit winterkleed. Het lossen te Alësund verliep voorspoedig en zo konden we weer de Noordzee oversteken om te Thameshaven in Engeland te gaan laden voor Stockholm en Götenburg in Zweden. 


In Stockholm weer de wal opgegaan en na eerst weer een bezoek gebracht te hebben aan Gamla Stan het oude stadsdeel en het fraaie stadhuis. 


( Lichtinval door de bogen van het stadhuis.)


( Gamla Stan de oude stad van Stockholm.)

Uiteindelijk besloten om een bezoek te brengen aan het museum waar men druk bezig was de romp van het 17e eeuwse oologsschip de Wasa en wat er verder van over was te conserveren.


Na lossen te Stockholm naar Götenburg gevaren alwaar ik met verlof ging. Met SAS naar Amsterdam gevlogen.


                 HET WAS MIJN KOUDSTE CONTRACT OOIT !



woensdag 6 november 2013

ACMAEA M.S. SHELL TANKERS B.V. (DEEL 1-C)

M.S. ACMAEA.

31 SEPTEMBER 1970 T/M 5 APRIL 1971.

Wederom terug gevaren naar Petit Couronne om daar te gaan laden voor Stockholm, Sundsval, Örnköldsvik en Gäfle in Zweden.

Valk bij de raffinaderij van Petit Couronne lag een verlaten boeren dorpje La Boille. Het merendeel van de gebouwen die er nog stonden was in zwaar verval en de rest was reeds gesloopt.


Zo ontdekte een collega in een oude vervallen boerderij een fraai oud tegelwandje rond een openhaard. De tegeltjes hadden allemaal een afbeelding van de Franse lelie. De meeste van de tegeltjes zaten zo los dat ze met de hand te verwijderen waren, maar er werd besloten om terug te gaan naar het schip om wat gereedschap te halen om de rest los te maken en een kist om ze in te vervoeren. 


Voorzichtig werden de overige tegeltjes los gemaakt van de wand en in de kist gedaan en naar het schip gebracht waar hij ze verder zou schoonmaken. Weer een mens gelukkig met wat oude troep.


Onze eerste haven was Stockholm en een stad om eens te gaan ontdekken ondanks de winterse kou. Het  oude stadsdeel Gamla Stan was mooi om te bekijken.


Smalle straatjes met kleine doorgangen, oude gebouwen en winkeltjes en restaurantjes in overvloed.
Bij de vaart naar Stockholm hadden we tussen de eilandjes die daar voor de kust liggen last gehad van lichte ijsgang en zo werd besloten om uit voorzorg de voorpiek weer vol met water te pompen, daar noordelijker de temperatuur nog lager werd buiten. Na het lossen te Stockholm werden we begeleid door een kleine sleepboot-ijsbreker die voor ons uit door het ijsveld voer.
Een paar mijl verderop lagen twee kleine vrachtschepen vast in het pakijs en daar voer de kleine ijsbreker naar toe om het ijs voor hun te breken. Helaas kwam ze zelf ook vast te zitten. Door onze diepgang en de voorpiek vol water en het motorvermogen kwamen we gemakkelijk door het ijs heen. Zo werd er van koers veranderd en voeren we tussen de ijsbreker en de twee scheepjes door waardoor ze loskwamen van het ijs en ons volgden naar open water.  


De vaart naar Sundsval en het lossen aldaar verliep zonder problemen, maar bij Örnköldsvik zaten we weer stevig in het ijs. Intussen was de temperatuur buiten gedaald tot min 32 graden Celcius.





Te Gäfle werd het laatste deel van de lading gelost. Het was huisbrandolie en daar bleek door het onverwacht snel invallen van de winter bijna een tekort aan zijn gekomen. 


Doordat het er windstil was en waardoor je de kou minder voelde was het heerlijk wandelen in de natuur in haar winterkleed vlak bij het steiger waar het schip aan gemeerd lag. 


dinsdag 5 november 2013

ACMAEA M.S. SHELL TANKERS B.V. (DEEL 1-B)

M.S. ACMAEA.

31 SEPTEMBER 1970 T/M 5 APRIL 1971.



Na het lossen te Kopenhagen kregen we ladingorders voor Petit Couronne aan de Seine in Frankrijk Deze lading was gedeeltelijk bestemd voor Malmö en Kopenhagen.
Ook de oevers van de Seine waren reeds wit door de sneeuwval.


( Het stadhuis van Petit Couronne.)


Ondanks de winterse kou weer te Malmö de stad ingegaan om wat Kerst inkopen te doen.



( Volle maan op zee.)

Na het lossen te Malmö naar Kopenhagen vertrokken om de rest van onze lading te lossen.


Ook in Kopenhagen weer de wal op geweest om ook daar wat inkopen te doen voor de naderende feestdagen. Zo het monument ontdekt voor Nielsen de poolreiziger.



( Een fraaie zonsondergang.)

DE MACHINEKAMER VAN HET SCHIP.

De indeling van de machinekamer van een motorschip is geheel anders dan die van een turbineschip.
Centraal in de machinekamer staat de hoofdmotor met daarom heen de generatoren en de andere hulpwerktuigen. In deze tijd werden de telegraaf orders vanaf de brug bij het manoeuvreren met de hand uitgevoerd vanaf het onderste motor bordes.


( De manoeuvreer plaats van de hoofdmotor.)


De Burmeister & Wain 64VTBF160 hoofdmotor had in de kop van de cilinder een uitlaatklep zitten. Deze kleppen werden bedient door klepstoters om ze te openen en de uitlaatgassen af te voeren naar de uitlaatgassen turbines die de nieuwe verbrandingslucht naar de cilinders persten.



( De hoge-druk brandstofpompen, voor iedere cilinder één, van de hoofdmotor.)


Koelers voor het koelwater en de smeerolie van de hoofdmotor. Al de kleuren van de leidingen hadden een betekenis. Zo was donkergroen de kleur voor het verse koelwater van buitenboord en het licht blauw de kleur van het weer overboord gaande gebruikte koelwater van de koelers. Licht geel de kleur voor het gedestilleerde water vanuit de verdampers voor de ketelinstallatie en drinkwater. Donker geel was voor het interne koelwater waarmee de motor werd gekoeld. Licht bruin voor de smeerolie en donker bruin voor de stookolie. Al de geïsoleerde stoomleidingen waren wit geschilderd. Overige leidingen waar hete stoffen door heen gingen zoals stookolie waren in het zilver geschilderd. Brandblus leidingen in het rood.


Aan iedere zijde van de hoofdmotor stond een dieselgenerator voor de stroom levering aan de gehele scheepsinstallatie.


Met aan bakboordzijde op een verhoogd bordes het hoofdschakelbord voor de stroomverdeling van de generatoren, die bij aankomst in een haven of in een druk vaarwater parallel draaiden.



Voor noodgevallen was en een stoom gedreven generator aanwezig welke ook vanaf het hoofdschakelbord op het scheepsnet geschakeld kon worden. 



In het volledig van de hoofdmachinekamer gescheiden ketelruim stonden de twee Babcock & Wilcox waterpijpketels voor de stoomproductie, wanneer de uitlaatgassen ketel dit niet kon leveren.
Zoals in een haven voor het aandrijven van de stoomturbines van de ladingpompen.



De turbines voor het aandrijven van de verticaal opgestelde ladingpompen in lading pompkamer. De assen voor de aandrijving gingen door een gasdichte afdichting van de machinekamer naar de pompkamer.


Geheel achter in het schip in een volledig waterdicht afsluitbare ruimte was de stuurmachine installatie van het schip opgesteld. Aan deze hydraulisch aangedreven installatie was ook nog een noodstuur mogelijk aan gekoppeld als er geen stroom levering meer was voor de elektromotoren van de hydraulische pompen.

maandag 4 november 2013

ACMAEA M.S. SHELL TANKERS B.V. (DEEL 1-A)

M.S. ACMAEA.

31 SEPTEMBER 1970 T/M 5 APRIL 1971.

HET KOUDSTE CONTRACT OOIT !


Het m.s. Acmaea met de roepletters PCCS en een draagvermogen van 19.195 BRT werd in 1959 opgeleverd bij de werf van P.Smit jr. Het schip deed dienst tot 1986 waarna het werd gesloopt.
De bouw van de A-klasse behandelde ik eerder bij het s.s. Arca.


                                               ( De schelp waarnaar het schip is vernoemd.)

Het schip had als voortstuwing een zeven cilinder motor van het merk Burmeister & Wain type 74 VTBF 160. Stoomvoorziening op zee bij vol bedrijf via een uitlaatgassenketel en voor de aandrijving van de turbines van de ladingpompen twee Babcok & Wilcox waterpijpketels.
De Acmaea was een 'witte tanker', wat betekende dat het schip alleen kant en klaar producten van de raffinaderij vervoerde, zoals gasolie, dieselolie, benzine en avtur ( vliegtuigbenzine).

Van Schiphol naar Manchester gevlogen en te Stanlow aan boord van de Acmaea gestapt. Bij de ene raffinaderij werd er geladen en bij de andere gelost en weer geladen.



Zo ook te Shellhaven aan de Thames. In de monding van deze rivier liggen nog steeds de fortificaties van de WO II om de monding te beschermen tegen een eventuele aanval van de vijand.
Te Shellhaven werd eerst gelost om daarna weer een lading in te nemen die verder stroomopwaarts op de rivier gelost diende te worden.


De aanlegsteigers aan de oevers van de Thames bestonden nog voor het merendeel uit in de modder geslagen houtenpalen met daarop planken. Het geheel bewoog als het schip er even te hard tegen aan kwam bij het aanmeren en of als er een ander schip volle kracht er voorbij kwam varen.


Hierna was het laden voor Milfordbay (Wales), waar weer werd bijgeladen voor de haven van Dover.


                                                     ( De krijtrotsenkust bij Dover.)


Intussen was de winter vroeg ingevallen en sneeuwde het tijdens de oversteek van Dover naar Hoek van Holland, waar we de loods aan boord kregen om naar Pernis (Rotterdam) te varen.
Te Pernis werd er geladen voor drie havens in Scandinavië; Gäfle en Malmö in Zweden en Kopenhagen in Denemarken. 


In de Botnische Golf was het kwik intussen gedaald tot min 30 graden Celcius en werd vanwege de ijsgang de voorpiek ruimte volgepompt met water om beter door het ijsveld te kunnen varen. 


De Botnische Golf is grotendeels brak water door de rivieren die er in uitstromen en dat is de rede dat deze golf snel dichtvriest in een strenge winter.



In Malmö was er gelegenheid de wal op te gaan en deze stad met oude gebouwen en fraaie monumenten te verkennen.

Ook in Kopenhagen was er gelegenheid even weg te gaan van het schip en daar moest uiteraard het beeldje van de 'Zeemeermin' uit het sprookje van Hans Christian Andersen bezocht worden.
Na het lossen van de laatste rest lading vertrokken we naar Petit Couronne aan de Seine in Frankrijk.