dinsdag 5 oktober 2010

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG (4)




              MOLENTOCHT DOOR 

              MIDDEN-LIMBURG (4)



MOLENS IN- EN ROND WEERT.


We beginnen met onze tocht in Nederweert waar de beltkorenmolen St.Jozef staat. De molen heeft een bakstenen onderbouw en romp en werd in 1840 gebouwd. De houten kap van de bovenkruier is met asfalt gedekt en de wieken, gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, hebben ijzeren roeden met een vlucht van 25 meter. De molen had oorspronkelijk twee steenkoppels er werd vroeger door 12 landbouwers geëxploiteerd.







Op weg van Nederweert naar Weert komen we langs Laar waar de St. Antoniusmolen staat.
Dit is een beltkorenmolen met een ronde bovenkruier en de houten kap is met asfalt gedekt.
De molen welke in 1903 werd gebouwd heeft een bakstenen onderbouw en romp. De wieken met hun ijzerenroeden, gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, hebben een vlucht van 25,8 meter. De molen heeft één steenkoppel en is aan de westelijke zijde wit geverfd.











In Weert aan het kanaal liggen twee molens. De Wilhelmusmolen is een beltmolen en werd in 1901 op de zelfde plaats gebouwd, waar eerst een standaardmolen heeft gestaan.
De molen heeft een bakstenen romp met een ronde bovenkruier en de houtenkap is gedekt met rubberoid. De wieken hebben een vlucht van 27 meter. De buitenwiek is oud-Hollands opgehekt en de binnenwiek is gestroomlijnd volgens het van Bussel systeem. Het geheel houten maalwerk dient voor aandrijving van een koppel stenen. Voorheen had de molen drie koppels stenen.





Even verder ligt de St. Odamolen. Het is eveneens een beltmolen met stenen romp, ronde bovenkruier en een houten kap die gedekt is met rubberoid.
De molen werd in 1830 gebouwd. De wieken uitgevoerd met ijzeren roeden hebben een vlucht van 26 meter en zijn gestroomlijnd volgens het van Bussel systeem. Het geheel houten drijfwerk drijft twee koppels stenen aan, waarvan één stel van blauwe steen en de andere van kunststeen.











Ten zuiden van de spoorlijn ligt Keent met de St. Annamolen. Deze beltmolen met een ronde bovenkruier werd in 1911 gebouwd. De molen heeft een bakstenen onderbouw en romp. De houten kap is gedekt met asfalt. De wieken met ijzeren roeden en gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel hebben een vlucht van 24,5 meter. Het drijfwerk drijft één koppel stenen aan.









Van Weert gaan we naar Swartbroek waar de naakten roeden van de molen "De Hoop" als een doods kruis boven het landschap uitsteken. Het is een beltmolen en werd in 1788 gebouwd. Rond 1800 werd de molen van Rotterdam naar Swartbroek gebracht. De achtkantige romp en de houten bovenkruier zijn met rubberoïd gedekt. De molen heeft ijzeren roeden en de wieken waren oorspronkelijk gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, maar zijn nu kaal i.v.m de veiligheid. De molen heeft een koppel stenen dat door de wind werd aangedreven en vroeger een koppel dat elektrisch werd aangedreven.











In Tungelroy staat de St. Annamolen. De beltmolen met een ronde bovenkruier, bakstenen onderbouw en romp werd in 1870 gebouwd. De houten kap is met rubberoïd gedekt. De wieken, gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, hebben ijzeren roeden en een vlucht van 24 meter. De molen is uitgevoerd met twee steen koppels.









Niet ver van Tungelroy ligt de plaats Stramproy waar twee molens staan. De beltmolen heeft geen naam maar is eigendom van de heer Nijs. Zij heeft een ronde bovenkruier en een bakstenen romp en onderbouw. De molen werd in 1903 gebouwd. De houten kap is gedekt met gegalvaniseerd plaatwerk welke groen is geverfd. De wieken hebben een vlucht van 25 meter en hebben ijzeren roeden met houtprofiel en zijn volgens het van Bussel systeem gestroomlijnd. De molen heeft twee steenkoppels en had vroeger een dieselmotor als hulpkrachtbron.











Aan de grens van Stramproy staat de standaardmolen St. Jan. Deze molen werd in 1783 gebouwd, maar kwam pas in 1804 op haar huidige plaats te staan. De St. Jan is een gesloten standaardmolen en de kap en de wieken zijde zijn bekleed met houten leiën (schaliën). De wieken met een vlucht van 24 meter waren voorheen gestroomlijnd volgen het van Bussel systeem, maar zijn tijdens de laatste restauratie oud-Hollands opgehekt.
Het geheel houten drijfwerk een koppelstenen aan op de tweede zolder. De zeer bekwame instructeur en molenaar, de heer L. van Winkel uit Stramproy werkt reeds 65 jaar met deze molen. De molen is thans instructie molen van de vrijwillige molenaars.






Aan de Nederlands-Belgische grens ligt de broekmolen.Broekmolen is een onderslagmolen en is ongeveer 200 jaar oud. Het bakstenen gebouw met een houten dak is met pannen gedekt.
De molen heeft een ijzeren waterrad en is uitgevoerd met een houten drijfwerk op een zware houten as. Het drijfwerk drijft drie koppels stenen aan. De molen heeft één maalsluis en twee los sluizen met houten schuiven en ligt aan de Aabeek welke België instroomt.

Hopelijk heeft u van deze tocht langs de Midden-Limburgse molens kunnen genieten als zijn de afbeeldingen dan wel 40 jaar oud en zal er in deze tijd het nodige veranderd zijn aan de conditie van de molens het het bestand.


zondag 3 oktober 2010

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN LIMBURG. (3)



MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG. (3)



MOLENS IN DE OMGEVING VAN ROERMOND. (2)


Van Stevensweert gaan we naar Grathem waar de Grathemerwatermolen ligt welke nog geregeld in bedrijf is. In haar huidige vorm dateert zij uit 1870 en verving toen al een eeuwenoude molen. Het is een turbinemolen met een ijzeren drijf- en maalwerk.







Van Grathem naar Baexem waar aan de rijksweg de half-gesloten standaardmolen Aurora ligt. De molen welke reeds in1599 werd gebouwd heeft zeer veel staan plaatsen gehad en de naam "Zwerver" zou heel wat toepasselijker zijn geweest. De wieken hebben ijzeren roeden en hebben een vlucht van 25,3 meter. Voorheen waren zij gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, maar thans oud-Hollands opgehekt. De kap is gedekt met rubberoid en de molen heeft slechts één koppel stenen.



Van Baexem naar Heythuysen waar de St. Antonius molen staat. Deze ronde bakstenen bovenkruier staat op een bijzonder mooie belt welke is bezet met stapelzoden.
De molen werd in 1861 gebouwd en haar houten kap is bedekt met rubberoid. De molen heeft een ijzeren as met ijzeren roeden welke voorheen gestroomlijnd waren volgens het systeem van Bussel, maar thans op zijn oud-Hollands is opgehekt. De vlucht van de wieken is 26 meter.
Het volledige houten maalwerk drijft twee steenkoppels aan, waarvan één stel kunststenen en één stel natuurstenen van z.g.n blauwe steen bestemd voor het malen van tarwe en boekweit.
In de onderbouw is nog een maalstoel aangebracht met kunststenen welke door een elektromotor worden aangedreven. Van 1886 stond in de molen een stoommachine die in 1927 is vervangen door een elektromotor. De molen werkt nu weer uitsluitend op windkracht.




Van Heythuysen naar Roggel waar de uit 1900 daterende windmolen van Nijken staat. De molen is van het zelfde type als de St.Antonius-molen en heeft wieken met ijzeren roeden, één Pot- en één Belgische roede. De vlucht van de wieken is 25 meter en de molen heeft twee koppels stenen.












Volgen we nu de weg naar Haelen dan komen we bij het Natuurreservaat Leudal bij de gemeente Nunhem. Even voor we het reservaat ingaan zien we de ruïne liggen van de St.Elisabethmolen welke reeds in de 13e eeuw bestond en toen eigendom was van het aan de andere kant van de weg gelegen klooster. De molen werd in de 2e Wereldoorlog verwoest.





Trekken we nu verder door het natuurreservaat dan komen we de aan de Leubeek gelegen Leu- of Ursulamolen tegen. Deze onderslagmolen bestond reeds in de 14e eeuw en het huidige bakstenen molengebouw met pannenzadeldak en torentje dateert blijkens het ankerjaartal uit 1773. Rond 1900 kreeg de molen een turbine, maar in 1956 toen Staatsbosbeheer de molen aankocht werd er weer een waterad aangebracht met luifel. Het waterrad heeft een doorsnede van 5,6 meter. De molen heeft één maal- en drie lossluizen waarvan er een aansluit op de visvang. Dit is de enigste graan- oliemolen in Limburg. De graanmolen heeft twee koppels stenen en de oliemolen een kollergang, vuister en slagpers.




Van Nunhem over de Napoleonsweg naar Neer waar we aan de Neerbeek de Friedessemolen vinden. Volgens het ankerjaartal werd de onderslagmolen in 1717 gebouwd. De molen heeft een ijzeren rad en drijfwerk, houten kammer, twee steenkpples, één maalsluis, zes lossluizen en een electrische hamermolen. De molen is geheel buiten bedrijf.







Via de Rijksweg bereiken we de gemeente Kessel waar de langzaam in verval rakende gesloten standaardmolen St.Antonius staat. De molen werd in 1800 in Meijel gebouwd en vandaar in 1860 naar Kessel overgebracht. De kast is aan de wieken zijde zo betimmerd dat de planken elkaar dakpan gewijs overdekken. De houten kap is gedekt met dakleer en de wieken met ijzeren roeden zijn gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel. De wieken hebben een vlucht van 24 meter. Er is slechts één koppel stenen aanwezig.







We gaan nu in Kessel met het veer de Maas over om binnendoor naar de gemeente Beesel te gaan. Hier staat de "Grauwe Beer" een in vervallen staat verkerende molen. De molen heeft een bakstenen onderbouw en staat op een belt. De houten achtkantige romp en de houten kap zijn bekleed met dakleer. De wieken met ijzeren roeden zijn gestroomlijnd volgens het van Bussel systeem en hebben een vlucht van 22 meter. De wieken zijn uitgevoerd met remkleppen. Het houten maalwerk kan twee koppels stenen aandrijven, maar de molen is geheel buiten bedrijf. De molen werd in 1604 in Zaandam gebouwd en was de eerste bovenkruier onder de windzaag molens. In 1889 werd zij overgebracht naar Beesel en daar omgebouwd tot een graanmolen.



                                               (zie vervolg: Molens in- en rond Weert.)

zaterdag 2 oktober 2010

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG. (2)




        MOLENTOCHT DOOR 

       MIDDEN-LIMBURG (2)




MOLENS IN DE OMGEVING VAN ROERMOND. (1)

Het landschap van Midden-Limburg heeft, ondanks de zware molen verliezen gedurende de 2e Wereldoorlog, nog een groot aantal windmolens en dank zij de vele snel stromende riviertjes en beken een rijke hoeveelheid aan watermolens. Zowel de wind- als de watermolens komen we in verschillende vormen tegen.

We beginnen onze tocht in Sint Odiliënberg waar de molen van Verbeek staat.



Deze windmolen met een ronde bakstenen bovenkruier uit 1883 heeft een grondberg of een belt en is dus een berg- of beltmolen. Deze molen is nog geregeld in bedrijf. De houten kap is met dakleer bedekt en de wieken met hun ijzeren roeden zijn gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel. De wieken hebben een vlucht van 26,5 meter. De molen heeft een houten maalwerk met twee koppels kunststenen; een kopppel werkt op de windkracht en het andere op een elektromotor. De molen werd in 1941 gerestaureerd en in 1945 werd de geleden oorlogschade hersteld.


We gaan nu richting Vlodrop, waar de Gitstapper-watermolen ligt. De fraaie Gitstappermolen is landelijk mooi gelegen aan de Roode beek in een mooi natuurgebied en heeft een oud en zeer zeldzaam waterrad wat helaas net als de waterwerken sterk in verval is. Deze middenslagmolen ligt op de grens van Nederland en Duitsland. het bakstenen gebouw gedekt men pannen is in de huidige vorm 200 jaar oud, maar de molen bestond reeds eeuwen daarvoor. Het houten enkel spakige waterrad is zeer zeldzaam. Dit is de oudste bekende waterrad vorm. Het is bevestigd op een houten as, maar heeft ijzeren schoepen. De molen heeft nog twee koppels stenen van kunststeen. Een koppel wordt aangedreven door het waterrad en het andere door een elektromotor. De maal- en los sluis zijn bedienbaar vanuit de molen en vanaf de brug (duiker) in de weg.




We gaan nu bij Vlodrop-Station de grens over en vinden daar aan de Roode-beek de Dalheimer-Mühle welke volledig in verval is. De oudste gegevens van deze molen dateren uit het jaar 1232 toen de edelheer von Helpenstein de molen voor 50 Keulse marken aan de zusters van Ophoven verkocht.
Via Roermond gaan we naar Horn waar nog twee molens staan; "De Hoop"en "De Welvaart". Windmolen "De Hoop" is een belt- of bergmolen en het bijzondere aan deze molen is, dat zij zestien kantig is. Zij is de enige met deze vorm in Nederland en waarschijnlijk in heel Europa. De molen dateert uit 1814. De Hoop, een bovenkruier, heeft een gecementeerde bakstenen onderbouw. De zestienkantige bovenbouw en de houten kap zijn bekleed met dakleer. De wieken; met de ijzeren roeden, zijn 'verdekkerd', d.w.z. getroomlijnd volgens het systeem Dekker en zij hebben een vlucht van 23 meter. De molen heeft twee stenenkoppels, waarvan een koppel natuursteen (blauwe steen) en een koppel kunststeen. Beide koppels worden door de windkracht aangedreven.




De Welvaart een bijzonder slanke ronde bakstenen beltmolen is een boven kruier en heeft een bijzonder zware kap. De molen werd in 1825 gebouwd.















Van Horn gaan we naar Beegden waar de standaard molen van Niessen staat. De molen welke in 1750 werd gebouwd op een terrein tussen Heel en Panheel is in 1856 naar Beegden overgebracht. In 1968 werd de molen gerestaureerd en van nieuwe, de eerste Derckx, roeden voorzien. De molen is een standaardmolen van het gesloten type en het achter op het bordes een 'wachthuisje' en is aan de wiekenzijde en op de kap gedekt met schaliën (kleine houten leien).








Van Beegden naar Panheel, waar de Panheeldermolen ligt. Het is een watermolen en het huidige gebouw dateert uit 1860, maar is in de plaats gekomen van een toen eeuwenoude watermolen. Rond 1950 is het geheel gemoderniseerd en daarbij is het waterrad vervangen door een turbine. De molen verkeert in een niet al te beste staat, vooral zover betreft de sluiswerken. De molen werkt nu nog alleen elektrisch.








Van Panheel gaan we naar Stevensweert. Op de grens van Stevensweert en Ohe en Laak op het grondgebied van Stevenweert ligt de Hompesche molen.




Het is een bijna 37 meter hoge stellingmolen en dateert uit het jaar 1722. De molen was gebouwd als een graan- en oliemolen en het verhaal doet zich de ronde dat een deel van de onderbouw als gevangenis dienst heeft gedaan. Zelfs in een van de pachtcontracten uit 1734 wordt er melding van gemaakt. Alhoewel de molen vrij ver weg gelegen was van het toenmalige kasteel Walborg. De wieken zijn nog oud-Hollands opgehekt geweest. De molen heeft drie koppels stenen, waarvan twee kunststenen en één natuurstenen. De molen heeft stalen "pot"-roeden en de wieken zijn in 1949 "verbusseld" d.w.z. gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel.



                                                                   (zie vervolg deel 3)

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG. (1)




              MOLENTOCHT DOOR

            MIDDEN- LIMBURG. (1) 









Het was ergens tussen 1970 en 1975 dat ik het verzoek kreeg van de zoon van de eigenaar van de Verbeekmolen in St.Odiliënberg om een foto-dia reportage te maken van de nog bestaande wind- en watermolens in Midden-Limburg. Zo ontstond mijn verslag 'Molentocht door Midden-Limburg'.
Jongstleden  kwam deze diaserie weer boven water inclusief de beschrijving en ik wil dit jullie niet onthouden. Veel van deze wind- en watermolens zijn intussen gerestaureerd en zijn zelfs een gewilde stop geworden, om iets te nuttigen, in de toeristische routes van het vroege voorjaar tot ver in het najaar. Helaas ontbreekt de molen uit Maasbracht in deze route en zo ook de molenstomp van Linne en de voormalige watermolen, maar daar later meer over.



vrijdag 24 september 2010

KASTEEL DAELENBROECK in HERKENBOSCH.












Mijn eerste kennis making met het Landgoed Kasteel Daelenbroeck dateerd uit 1970.
Het gehele complex was verwaarloosd en door het groen van de natuur overwoekerd.
Via een verwilderd laantje kwam je bij een stenen boogbrug uit die de dichtgegroeide
gracht overbrugde en toegang gaf tot het vervallen poortgebouw uit 1707.
Van het oude kasteelcomplex was niets te zien zo was het overwoekerd.




Daelenbroeck wordt al in 1212 genoemd; Godfriet I. Heer van Heinsberg (Duitsland). bouwde het eerste slot in het begin van de 14e eeuw.

In de 15e eeuw huwde de freule van Heinsberg met Hendrick Jan, Graaf van Nassau-Vissener. In 1550 bouwt Willen van Vlodrop een nieuw kasteel. Het kasteel kreeg hierna veel verschillende bewoners.
Toen in het begin van de 18e eeuw de Spaanse-Nederlanden aan de Oostenrijkse Habsburgers toekwamen werd Daelenbroeck door de hertog van Gulik geruild tegen Erkelenz, verder oostelijk gelegen op Duits gebied, wat in die tijd Brabants was.
Het geheel is later inclusief de in de lager gelegen polder boerderij in handen gekomen van de baron Pélichy uit België


                                                      (Het kasteel en landgoed in 1970.)

In 1972 is het landgoed, wat 6,5 hectare groot is, intussen eigendom van de heer P. ter Berg uit Zuid-Laren. Het kasteel werd in het begin 19e eeuw door de Fransen verwoest. Alleen de bijgebouwen en de binnenplaats bleven enigszins in redelijke staat achter. Samen met de Rijksdienst voor Monumentenzorg werd er een aanvang gemaakt voor de restauratie van dat wat was overgebleven van dit eens zo statige kasteel met zijn bijgebouwen. De naast het huidige kasteel liggende ruïne resten, zoals funderingen en kelders, van het oude kasteel zouden in een later stadium worden opgeknapt.


Na ruim 5 jaar hard werken was de oude woning weer bewoonbaar , in de 17e eeuwse stijl aangekleed, en de binnenplaats plus stallen in oude glorie hersteld. Ook het gebouw naast de toegangstoren heeft na de restauratie een woonbestemming gekregen.
In de oude paardenstallen werd met behoud van het karakter een fraaie expositieruimte ingericht. Op 14 mei 1977 werd het geheel in gebruik genomen.



Nadat het Kasteel Daelenbroeck 20 jaar eigendom is geweest van de Heer P. ter Berg zette hij dit 'tweede huis' te koop voor 1.95.000 gulden. In 1993 is het na enige verbouwingen geopend als een 'a la card restaurant', wat de beschikking heeft over een aantal prachtige zalen voor vergaderingen, besloten diners en feesten.





woensdag 22 september 2010

DE KARDINAALSMUTS.



               DE KARDINAALSMUTS.



Een kardinaal draagt een baret oftewel bonnet, een alpino-achtige pet.
De kardinaals bonnet heeft drie gleuven tussen drie ribben die in het midden samenkomen bij een friole ponpon. Het geheel is rood van kleur.
Het hoofddeksel heeft erg veel weg van de vruchten van de kardinaalsmuts (Euonymus), de struik of op stam bloeiende plant die in het najaar vrucht draagt in het wild of in de tuin.




De Kardinaalsmuts is een geslacht van ongeveer 180 soorten uit de kardinaalsmuts familie (Celastraceae). Het geslacht bestaat uit groenblijvende en bladverliezende struiken of kleine bomen. Het geslacht heeft een enorm groot spreidingsgebied in Europa, Australië, Azië, Madagaskar en Noord-Amerika.
De bladeren staan tegen over elkaar geplaatst of bij enkele soorten afwisselend. Ze zijn ellipsvormig, 2 tot 15 cm lang en meestal fijn getand.
De bloemen zijn onopvallend en groen-wit van kleur.
De vrucht en daar krijgt de plant zijn naam aan te danken, is een rozerode, vier- of vijfhoekige doosvrucht, die open splijt waarbij de vlezige , oranje gekleurde zaden te voorschijn komen.
De zaden zijn een delicatesse voor de vogels, die ze na ze gegeten en verteerd te hebben weer uitscheiden waardoor deze plant zich weer verspreid wordt.

ALLE DELEN VAN DE PLANT ZIJN GIFTIG VOOR DE MENS!

De Engelse naam voor deze plant is 'Spindle Tree' , daar het hout vroeger werd gebruikt voor het vervaardigen van spoelen voor het spinnen.

( Nu de vraag: Wie was er eerder op deze wereld, de Kardinaal of de plant ?)
(Zoiets als de kip en het ei. )


dinsdag 21 september 2010

MESTKEVERS OP DE MEINWEG. HERKENBOSCH.



MESTKEVERS OP DE MEINWEG. 

HERKENBOSCH.




De oude Egyptenaren vereerden deze kevers.

Kepri was een scheppergod in het Oude Egypte die later de verschijningsvorm van de zonnegod Ra werd. De Egyptenaren geloofden dat de god uit zichzelf was ontstaan.

Zijn associatie met de mestkever of scarabee lijkt niet van zelf sprekend, maar kan toch duidelijk verklaard worden.

Enerzijds duwen ze hun zaad in een grote mestbal die ze voor zich uitrollen.

Dit is vergelijkbaar met de zonnebaan. Hun associatie met de zelfschepping komt voor de Egyptenaren waarschijnlijk voort uit het spontaan ontstaan van mestkevers in de mest.



De gewone mestkever leeft in bossen, hooilanden en heidevelden, waar ze met hun stevige poten mestballen vormen uit mesthopen of vlaaien voor zowel eigen consumptie als voor de larven. In het laatste geval brengen ze de mestbal in een tunneltje wat wel 60 centimeter diep kan zijn. Deze kever is meestal actief in de nacht, een koppeltje werkt samen om de tunnel uit te graven en te voorzien van meerdere kamertjes waarin naast de voorraad mest in ieder kamertje een ei wordt gelegd. In deze kamertjes ontwikkeld zich de larve, die zijn eigen gewicht aan mest eet per dag. Tegen het einde van de zomer vindt de verpopping plaats maar de volwassen kever komt pas het volgende voorjaar naar buiten. Doordat de mest diep in de grond wordt gebracht en de tunnel is volgestouwd wordt is de rol van de mestkever gezien als de bemester van het land.
De kever heeft een bol achterlijf en is altijd zwart en glanzend. Het beestje heeft een kleine kop met twee geveerde antennes. De poten zijn glanzend, zeer stekelig met duidelijke sporen. De maximale lengte is ongeveer 25 millimeter.






zondag 19 september 2010

HERFSTWANDELING OP DE MEINWEG. HERKENBOSCH.

HERFSTWANDELING OP DE MEINWEG. 

                    HERKENBOSCH.


Alhoewel de bladeren aan de bomen net beginnen te kleuren voordat ze gaan vallen, kleurde de bodem onder de bomen reeds door de vele paddenstoelen in het Nationaal Park 'de MEINWEG'.

Het park is gelegen te oosten van Roermond en valt onder de gemeente  Roerdalen.
Roerdalen is een samenvoeging van de Limburgse gemeenten Montfort, Sint Odiliënberg, Posterholt, Melick, Herkenbosch en Vlodrop.
Het natuurgebied biedt een afwisselend landschap met een grote rijkdom aan plantensoorten en strekt zich over de Duitse grens voort. Ook de omvang en de soorten van amfibieën- en reptielenpopulatie zijn uitzonderlijk in Nederland.




Geologisch is het van grote betekenis door het, in ons land unieke, terrassenlandschap met steile overgangen tussen de terrassen. Deze zijn het gevolg van inscheuringen van de rivier de Maas en verschuivingen en breuken in de aardkorst aan de Peelrand breuk.
Onderlinge hoogte verschillen tussen de terrassen bedragen enkele meters tot zelfs 30 meter.
Door de insnijdende erosie van water zijn, dwars op de treden, twee beekdalen ontstaan: het dal van de Roode Beek en dat van de Boschbeek.

DE NAAM.

De naam 'Meinweg' komt van het Oudnederlandse woord 'gemeynte', dat gemeenschappelijk betekend. Het heeft verder niets te maken met mijnbouw, zoals vaak gedacht wordt. Er werd in het verleden wel hout gekapt uit de Grove-den voor de mijnbouw en ligt in het gebied de voormalige Staatsmijn Beatrix die nooit productief is geweest.


woensdag 15 september 2010

THEE.



THEELEUTEN !


De Britten staan bekend als de theedrinkers bij uitstek, maar ook de Nederlanders drinken grote hoeveelheden thee. 'Tea' is in Engeland een hoogte punt van de dag waarbij cakejes, sandwiches en andere lekkernijen worden geserveerd. Meestal na vier uur in de middag en wordt zelfs als een lichte avondmaaltijd gebruikt.

Thee kan je drinken uit een kopje zoals wij dat kennen, uit een glas zoals de Russen het drinken of uit een kommetje zoals in Japan en China dat het land van de herkomst is van de thee. Thee is verkwikkend en dorstlessend en je kan het warm en koud drinken. Sommige mensen drinken het met een scheutje melk, andere met een schijfje citroen of enige blaadjes mint.


Thee heeft zijn oorsprong in het oude China. Volgens een oud Chinees verhaal heeft Keizer Sjen Noeng ongeveer 5000 jaar geleden de thee ontdekt.
"Op een mooie namiddag zat de Keizer onder een mooie groene struik wat te rusten en dronk hij een kommetje warm water, iets wat alleen was toebedeeld aan hoog geplaatste personen. Een verkoelende bries blies enige blaadjes van de struik die ongemerkt in de kom warm water van de keizer vielen. De Keizer dronk het water toch op en kwam tot de ontdekking dat het een aangenaam aroma had gekregen.
Zo kwam het dat hij in het vervolg het water nuttigde met enkele blaadjes van die struik". Deze verkwikkende drank kreeg de naam 'cha', het Chinees voor thee.

Niet lang na dit voorval kende China talloze theeplantages. Via Arabische handelaren kwam de thee in Europa terecht in kleine hoeveelheden wat de prijs ervoor tot een vermogen deed opjagen. Nederlandse koopvaardijvaarders maakten in de 17e eeuw kennis met de thee tijdens hun ontdekkingsreizen naar het Verre-Oosten. Handelaren zagen enorme verdiensten in dit product en steeds meer schepen werden er ingezet om de thee uit de Oost te halen.
Het was een product dat enorme winsten opleverde.
Zo werden in Engeland omstreeks 1840 snelle zeilschepen gebouwd (tea-clippers) om snel de thee uit het Verre-Oosten te halen.
Het werd een mode drank in hogere kringen in Londen, Amsterdam en Parijs. Tot in de 18e eeuw was thee de drank voor de welgestelden en zeer rijken. Eén ons thee koste een kapitaal. Een normale werkman kon het zich niet permeteren. Een voorbeeld hiervan zijn de theekoepels (huisjes) in de tuinen van de herenhuizen aan de oevers van de rivier de Vecht.


De VOC importeerde thee uit China, dat een monopolie had op het verbouwen van thee.
In de 19e eeuw legden de Nederlanders, om het monopolie van China te ontduiken, theeplantages aan op Java en Sumatra. De Engelsen deden dat in India en op Ceylon, het huidige Sri Lanka.
De theeplant is een groen blijvende struik of kleine boom die 17 meter hoog kan worden, maar meestal onder de twee meter wordt gesnoeid. De plant groeit het beste in heuvel- en berglandschap in de tropen tot op een hoogte van 2500 meter.
Veel mensen die Indonesië hebben bezocht kennen de theeplantages in de Puncakpas op Java. Van de theestruik worden met de hand alleen de jonge groene blaadjes geplukt en meestal door vrouwen. Na het oogsten worden de theebladeren eerst gedroogd, waarbij afhankelijk van de regio 70% vocht verdwijnt uit het blad. Dit droogproces kan 12 tot 15 uur duren.


Hierna worden de bladeren gerold of gekneusd. Het vocht (celsap) wordt tijdens dit proces opgevangen en later weer aan de bladeren toegevoegd. De fijn gemaakte bladeren worden geoxideerd (fermitatie), gedroogd en gesorteerd. Hierdoor krijgt de thee zijn donkere kleur.
De bloemen van de thee zijn wit/geel met een diameter van 2,5 tot 4 centimeter en met 7 tot 8 bloemblaadjes.





Thee die niet gefermenteerd wordt staat bekend als 'groene thee'.
Veelal worden mengsels van andere bladeren of vruchten aangeboden onder de naam van thee, maar hier zit dan echt geen origineel theeblad in verwerkt.