woensdag 22 maart 2023

ASAM KANDIS - MUNDU BOOM.

 


HEERLIJK IN DE RENDANG.






ASAM KANDIS VAN DE MUNDU BOOM.


ASAM KANDIS.

Asam Kandis zijn zongedroogde schijfjes van het ongeveer 8 centimeter kleine vrucht van de Mundu-boom
De boom  komt oorspronkelijk uit India, maar groeit ook op Sumatra en elders in Zuidoost-Aziè.
De stukjes asem kandis zijn zo´n 2 centimeter lang en lijken op het eerste gezicht op gedroogde, zwarte keutels, maar als je goed kijkt zijn ze ook een beetje rood.
De smaak is zuur en licht bitter. 

Asam kandis wordt vaak meegesudderd in stoofgerechten, zoals rendang. Men moet er wel op letten dat voor het gerecht te serveren de asam kandis er uit verwijderd is. De iets wat zurige smaak kan vervangen worden door wat tamarinde toe te voegen.
Het heeft zijn bijnaam wilde mangistan niet te danken omdat de vrucht er op zou lijken, maar omdat de boom erop lijkt en er familie van is.

MUNDU BOOM.

De Mundu of Moendoe , Latijnse naam Garcinia xanthochymus, is een boom uit struik ui de familie Guttifeferae.
het is een tot 13 meter hoge, vaak vanaf de basis vertakte groenblijvende struik of boom met ver uitgespreide, gedeeltelijk hangende, kale takken.
De tegenoverstaande bladeren  zijn ei/ tot lancetvormig, gaafrandig, aan de basis afgerond, toegespitst aan het uiteinde en tot 14 tot 33 centimeter groot.
De bladschijf is dik-leerachtig, donkergroen en glanzend aan de bovenzijde en aan de onderkant lichter en dof.



De mundu komt van nature voor in Indonesië. De soort wordt ook verbouwd in Zuidoost-Azië, India en Sri Lanka.

De ongeveer één centimeter brede bloemen zijn kortgesteeld en groeien in trosjes in de bladoksels.
Ze bestaan uit vijf kleine kelkbladeren en vijf tweemaal zo grote, witte kroonbalderen, die zich niet openen.







De vruchten zijn scheef-afgeronde, tot 9 tot 8 centimeter grote bessen met een kegelvormige punt.
Aan de basis van de vrucht blijven de vijf kelkbladeren behouden. De schil van de rijpe vrucht is stevig, glad, glanzend en geel tot bruin van kleur. het vruchtvlees is sappig, zacht en oranje tot zwavelgeel van kleur. Het vruchtvlees heeft aan aangename smaak, aromatische zuur en citroenachtig.
Het vruchtvlees omsluit één tot vijf harde afgeplatte, boonvormige, van 2 tot 3,5 centimeter grote zaden met stompe, gebogen puntjes.   

Voor het maken van asam kandis verwijderd men eerst de fruitsteel, snijd hierna de vrucht doormidden en verwijderd de zaadkern.
Hierna snijdt men dunne plakjes van het overgebleven vruchtvlees en legt dit in de zon te drogen. Na het drogen veranderd de kleur donkerbruin met een rode tint, wat nu asam kandis heet.

Het vitamine C rijke vruchtvlees kan met suiker bestrooid worden gegeten  of worden verwerkt tot jam, gelei, fruitsalades en sappen.






dinsdag 21 maart 2023

PETEHBOON. (PARKIA SPECIOSA)

 

OOK WEL STINKBOON   

          GENOEMD.


PETEHBOON.

Je komt ze tegen op iedere groeten- en fruit markt in Indonesië, de lange groene vruchten van de petehboom.
De petehboom kan een hoogte bereiken van 15 tot 40 meter.
Hij draagt meer dan 200 bloemen in een bolvormige massa aan het einde van lange stelen.
De bloemen scheiden echter een nectar af, waardoor vleermuizen en ander bestuivers worden aangetrokken.
De resultaten komen te voorschijn als lange gedraaide, doorzichtige peulen in een cluster van zeven of acht peulen.
Als de peulen volgroeid zijn, zullen de patehbonen van zaden erin zitten.

De grote, platte bonen bevinden zich in lange, vaak gedraaide peulen die soms wel een halve meter lang zijn en groeien aan de Parkia speciosa boom, welke tot de familie Fabaceae behoort. De boom groeit van nature in de tropische regenwouden van Zuidoost-Azië, maar wordt ook in boomgaarden aangeplant.




De boon heeft een sterke geur, en wordt ook wel "stinkboon" genoemd, en geeft een heel bepaald aroma aan de gerechten waarin hij wordt verwerkt.

In Indonesië is de peteh erg populair en groeit in de hooglanden van Java en Sumatra. Verder zeer geliefd bij de Sundanezen, Minagkabauen en vele andere mensen in verschillende culturen van het land.
In de Sundanese keuken word de boon rauw gegeten. 
Pethbonen worden voornamelijk verwerkt in sambals. In Indonesië worden ze ook in de schil gepoft, gepeld en in een kommetje als snackje of als bijgerecht geserveerd.
Op Java en Sumatra wordt de boon ook in blokjes gesneden toegevoegd aan gesneden rund- of kippenvlees.
In de Minangkabau-keuken wordt het gedeeltelijk een onderdeel van de Minang sambal (lado) voor ayam pop (gefrituurde kip in Padang stijl.

De zaden worden ook gedroogd en gekruid voor latere consumptie.
Na het drogen worden de zaden zwart van kleur. 
Pethbonen van zaden zien eruit als tuinbonen. Net als tuinbonen moeten ze geschild worden voordat ze kunnen worden gekookt.
De naam "stinkboon" verdiend de boon, omdat de sterke geur zeer doordringend is.  
het blijft in de mond en het lichaam hangen. Net als bij asperges bevat het bepaalde bestanddelen die een sterke geur aan urine geven, een effect dat tot twee dagen na consumptie kan worden waargenomen.
Net als bij andere bonen kunnen ze een sterk rectale gasvorming veroorzaken.








maandag 20 maart 2023

JENGKOL BOON.

 



NIET VOOR EEN FRISSE ADEM.





Tijdens mijn rondtoer over het eiland Samosir, gelegen in het grootste kratermeer van de wereld, het Toba meer op Noord-Sumatra, passeerde ik een markt langs de weg gelegen.
Bij een van de verkoopster, die ook gedroogde visjes verkocht, lag een grote berg donkerbruine noten die mijn aandacht trokken.
Ik was niet in gelegenheid daar te stoppen, maar kreeg dezelfde avond van iemand zo'n noot, met de mededeling niet op te eten, daar je daarna stinkt uit je mond. 
De naam werd me bekend, maar ik moest en zou er meer over weten.

JENGKOL.

Jengkol, ook wel jering genoemd zijn de zaden van een bloeiende boomsoort uit de erwtenfamilie, met de Latijnse naam Archidendron pauciflorum. De boom is inheems in Zuidoost-Azië
Het is een peulvruchtenboom die een hoogte kan bereiken van 18 tot 25 meter. De boom heeft een spreidende kroon en dubbelgeveerde bladeren met een lengte van 25 centimeter, en een grijzig gladde schors.
De jonge bladeren hebben een wijnrode kleur en zijn eetbaar.
De bloeitijd van de boom is tussen september en januari.
De witte kelk komvormige bloemen zijn biseksueel en hebben verschillende geelachtige witte meeldraden.
De vrucht, een peulvrucht, van de boom is een houtachtige kaal en donkerbruin-paarse peul. Elke vrucht bevat drie tot negen ronde zaden.
De peulen worden gevormd in een brede spiraal. Het zaadvlies van een jong zaadje is geelgroen van kleur en wordt tijdens het rijpen donkerbruin. Dan laat de vrucht open langs de ventrale hechtdraad.

De boom is inheems in primaire en secondaire bossen in vochtige, bergachtige en golvende gebieden en op rivieroevers van zeeniveau tot 1600 meter hoogte in Zuidoost-Aziatische landen, zoals Bangladesh, Indonesië de eilanden Sumatra, Sulawesi en Kalimantan, Maleisië, Myanmar en Zuid-Thailand.
De bomen voldoen het beste op doorlatende zand- of lateritische bodems en hebben een hoge regenvalgarantie nodig.


De bonen van de Jengkol-boom hebben een ruw koolhydraadgehalte van ongeveer 26%, wat relatief laag is in vergelijking met andere gangbare peulvruchten, zoals de kidneyboon en erwt die allemaal ongeveer 60-70% bevatten.
Het ruw eiwitgehalte is daarentegen ongeveer 14,2%. Dit is hoger dan dat van gangbare granen, zoals tarwe 13%. De aanwezigheid van voldoende eiwitten en een laag vetgehalte kan door consumenten als wenselijk worden ervaren.

De jengkolbonen zijn 3 tot 3,5 centimeter in doorsnede en 1,5 tot 2 centimeter dik en hebben een roodbruine kleur.
De zaden zijn als voedsel populair in Maleisië en Indonesië. De zaden hebben een sterke geur, die duidelijk is te ruiken in het zweet en de urine nadat je de jengkol hebt gegeten. De geur van zwavel komt door de amoniazuren in de jengkol. Vooral als je de jengkol rauw hebt gegeten, bijvoorbeeld in een salade. Qua geur overtreft de jengkol zelfs de petehbonen.

De bonen worden bereid door ze te braden, koken en worden ook rauw gegeten. De zaden worden voornamelijk gebruikt om smaak aan voedsel toe te voegen, hoewel de geplette zaden een milde zwavelgeur afgeven die door sommige mensen als nogal aanstootgevend wordt ervaren.


Verschillende delen van de jengkol boom worden in traditionele medicijnen gebruikt in Zuidoost-Azië. De rauwe zaden zouden reinigend werken voor het bloed en een middel zijn tegen dysenterie. Een compres van de jonge bladeren zou werken tegen huidklachten, en verbrande oude bladeren als middel tegen jeukerig gevoel. het poeder van jong verbrande bladeren worden op snij- en ander wonden gestrooid.

VERSCHILLENDE NAMEN.

Veel voorkomende Engelse namen zijn: Blackbead, Dog Fruit, Djenkol Tree, Luk Nieng Tree en Ngapi Nut. Omdat deze plant in verschillende Zuidoost-Aziatische landen groeit, heeft hij verschillende lokale namen. De gebruikelijke namen in Indonesië zijn; djenkolboom, jinkol, jarung (Sumatra) of jering (Java). In Cambodja wordt hij de Krakos genoemd, jering in Maleisië en in Thailand.
In Myanmar wordt het da-nyin-thee genoemd of da-nyin-pen.






zondag 19 maart 2023

BENGKOANG OF YAMBOON.

 

EEN RONDE WORTELKNOL 

           ALS VOEDSEL

          OF MEDICATIE.




Tijdens mijn verblijf in Siantar, Noord-Sumatra, maakte ik regelmatig een stop bij een winkeltje waar fruit en groenten werden verkocht.
Eigenlijk een beetje uit het zicht stond een kist met ronde knollen waar de aarde nog aanzat. Het waren geen aardappels, want die kan ik wel herkennen, maar het bleek een wortelknol te zijn met de naam bengkoang. Weer wat om uit te zoeken!

BENGKOANG.

Bengkoang ook wel de yamboon genoemd, Latijnse naam Pachyrhizus erosus, is een veel voorkomende plant in Indonesië.
Het is een snelgroeiende klimplant die een hoogte van drie tot vijf meter kan bereiken. en uit de vlinderbloemfamilie komt.
De bengkoang komt van nature uit Midden- en Zuid-Amerika. Het waren de Spanjaarden die in de 17e eeuw de knol van Mexico naar de Filipijnen brachten, van waar uit het gewas zich verspreide over Zuidoost-Azië.
Voor de groei heeft de plant een goede ondersteuning nodig.


De plant heeft knolraapachtige, 5 tot 15 centimeter grote, breed eivormige, tot drie kilogram, lichtbruine wortelstokken.
De bladeren zijn ongedeeld of drielobbig, de omtrek van de bladschijf is niervormig, tot 14 centimeter lang en heeft een gezaagde bladrand.
De bloemen groeien in rechtopstaande, tot 60 centimeter lange trossen. De solitaire bloemen zijn vlinderachtig en ongeveer 2,5 centimeter groot met een blauw-violet achtige kleur. De vruchten zijn 7 tot 14 centimeter lang, tot 2 centimeter dikke fijn behaarde peulvruchten, die eetbaar zijn.
In tegenstelling tot de wortel en de peulvruchten is de plant zeer giftig.

De buitenkant van de wortel is geel-bruin en papierachtig, terwijl de binnenkant romig wit is met een knapperige textuur die lijkt op een rauwe appel of peer.
De wortelknollen worden gekookt gegeten als groente of rauw in salades verwerkt. Ook worden er reepjes van gesneden en gefrituurd, waarna opgegeten met een chilisausje.
Het vlees is wit en heeft een zoetige smaak.
De knollen bevatten 10% zetmeel en 5% proteïne.
De onrijpe peilvruchten kunnen ook als groente worden gegeten.





Naast de heerlijke smaak is deze knol ook rijk aan andere voordelen. Deze voordelen variëren van het verbeteren van de spijsvertering, het verminderen van het risico op kanker, tot het behoud van de gezondheid van hart en hersenen. 





zaterdag 18 maart 2023

KOLANG KALING VAN DE ARENG- EN ATTAP PALM.

 

      EEN ZOETE LEKKERNIJ 

          VAN DE ARENG- EN 

              DE ATTAP PALM.




Tijdens mijn toer rond het Toba meer zag ik langs de weg grote stapels palmvruchten liggen, die later op een vrachtwagentje werden geladen en afgevoerd. Natuurlijk kwam van mij de vraag; wat een waarom?
Het bleek dat uit deze zaden van de Areng palm een confituur werd bereid met een zeer zoete smaak. Het bleek niet alleen uit de vruchten van de Areng palm gedaan te worden maar ook uit die van de Attap Palm. Dus daar moest ik meer van weten.

ARENG PALM.

De Areng palm wordt ook wel de suikerpalm genoemd. De Latijnse naam is Arenga pinnata.
 het is een economisch belangrijke palm, die van nature voorkomt in tropisch Azië van Oost-Indië tot Maleisië, Indonesië en de Filipijnen.
Andere namen voor deze palm zijn: 'Gomuti palm', 'Aren', 'Irok'en 'Kaong'.

Het is een tot 20 meter hoge palm, waarvan de stam bedekt is met de oude bladvoeten. De veervormige bladeren zijn 6 tot 12 meter lang en 1,5 meter breed, met een tot zes rijen, 40 tot 70 centimeter lange en 5 centimeter brede blaadjes.
De halfronde , 7 centimeter grote vrucht, die in trossen groeit, verkleurt bij het rijp worden van groen naar zwart.
Van de bladeren worden dakbedekkingen gemaakt door de lokale bevolking, en verder voor het vlechten van manden.


Het sap dat wordt afgetapt van de bloemscheuten van de palm wordt suiker uit gewonnen (palm suiker). Het sap wordt ook gefermenteerd tot azijn en palmwijn (tuak).
De vruchten kunnen worden gegeten, maar moeten wel bereid worden omdat het sap en het vruchtvlees vers bijtend is.
Na de bereiding van de vrucht heeft men de kolang kaling, een zoete lekkernij, die men vaak ook een kleurtje geeft.

Uit de vruchten van de boom kan ook bio-ethanol gewonnen worden, iets wat in een sterk toenemende mate wordt gedaan. Uit de bladeren van de palm worden vezels gewonnen voor de productie van bortels.

ATTAP PALM.


De 'Attap Palm', Latijnse naam Nypa fruticans komt voor in de mangrove gebieden van heet Zuidoost-Azië, waarbij de palm ion ieder land een andere n aam  heeft.

De palm heeft een horizontale stam die onder de grond groeit.
Slechts de takken, bladeren en bloemen komen boven de oppervlakte uit.
De bladeren kunnen een hoogte bereiken van negen meter.
De bloemen bevinden in een bolvormige bloeiwijze gegroepeerd aan een steel. het is een eenhuizige palm.
De vrouwelijke bloemen bovenin lijken net katjes en zijn rood van kleur.
De mannelijke bloemen zijn wat lager te vinden en zijn geel van kleur.



De zaden die uit de bloemen voortkomen zijn samengebald in een houtachtig cluster van maximaal 25 centimeter doorsnede. 
Rijpe vruchten vallen van de bol af en drijven op het water weg. Soms komen de zaden al uit terwijl ze nog op het water drijven.

De palm groeit in zachte moddergrond, in langzaam stromend getijdenwater en rivieren die de nutriënten voor de plant aanvoeren. De palm wordt in het binnenland aangetroffen tot daar waar het getij de drijvende zaden kan meevoeren.
Op het eiland Sumatra komt de palm veel voor in het gebied van Riau aan Straat Malakka en het gebied ten noorden van de stad Palembang aan de Banka Straat. Deze gebieden zijn rijk aan langzaam stromende rivieren in een laagland gebied.

De cluster met een diameter van 25 centimeter bestaat uit een groot aantal noten, waarin als deze worden geopend, doorzichtige, gelatine-achtige twee tot drie zaden zitten. 
Deze vruchten vormen de grondstof voor de kolang kaling.



De bloeiwijzen kunnen worden afgetapt voordat de bloemen uitkomen. het sap is erg rijk aan suiker en word gefermenteerd voor palmwijn of het maken van azijn. Ook deze palmen zijn economisch van belang voor de productie van bio-ethanol. Per hectare levert dat tussen de 15.000 en 20.000 liter biobrandstof op. 


De lange veervormige samengestelde bladeren van de palm worden door de lokale bevolking gebruikt als materiaal voor de bouw van hun woning.
Van de bladeren worden matten gevlochten welke dienen als wanden van het huis.
Ook wordt het als dakbedekking gebruikt, maar maakt steeds meer plaats voor ijzeren golfplaten.
Verder worden de bladeren gebruikt voor het vlechten van manden en andere gebruiksvoorwerpen. Jonge bladeren worden gebruikt om tabak in te draaien om vervolgens op te roken. Jonge scheuten van de palm zijn ook eetbaar.

KOLANG KALING.

Tijdens een bezoek aan de markt in Siantar, zag ik deze roze bak met witte glibbertjes staan. Vlak daarnaast stond een verkoopster met vis, dus ging ik ervanuit dat dit ook iets met vis te maken had.
De oude vrouw die deze glibbertjes verkocht, pakte een bamboe stokje en stak er een glibbertje aan, dat ze me aanbood om te proeven. De smaak was wee zoet maar verfrissend.
Zo maakte ik kennis met kolang kaling, wat letterlijk "kleine gladde dingen" betekend. Wat is dit, waar komt het vandaan en hoe wordt het bereidt?

De suikerpalm bereikt een hoogte van 12 tot 15 meter en het kan 15 jaar duren voordat hij helemaal uitgegroeid is. Eenmaal volwassen, zal de palm gaan bloeien en enorme clusters van vruchten vormen. Voor het verkrijgen van de palmvrucht wordt een cluster in zijn geheel van de palm los gekapt. Om nu kolang kaling te maken worden de noten in een zacht vuur gepoft, waardoor de schil gemakkelijk te verwijderen is.
Hierna worden de witte zaden gekookt tot ze zacht zijn, en vervolgens gezoet en bewaard in een geconcentreerde suikersiroop.
Gekookte zaden zijn semi-transparant van kleur en hebben een gelatine-achtige textuur.
 


De zaden kunnen voordat ze in de siroop gestopt worden eventueel gekleurd worden. Zo is de vrucht te koop in stalletjes waar ze in ijsgerechten worden verwerkt.
Als de kolang kaling na het koken wordt gedroogd, dan blijft een suikerlaagje om de vruchten, wat hen tot een zoet soort snoepgoed maakt.
Kolang kaling  heeft een zeer hoog watergehalte, tot wel 94% per 100 gram. De vrucht bevat 0,69 gram eiwit en 4 gram koolhydraten .Behalve de verfrissende smaak, helpt het consumeren ook goed voor de menselijke spijsvertering te versnellen.

Het koolhydraatgehalte in kolang kaling kan de mens een vol gevoel geven na het eten., zodat je geen honger krijgt. Het wordt vooral in de Aziatische landen door de Moslim bevolking gegeten gedurende de Ramadan. De verkoop tijdens deze periode wordt dan wel verdrievoudigd.





donderdag 16 maart 2023

RIMBANG OF ERWTENAUBERGINE.

 


ALS GROENE ERWTEN 

     OP EEN STEELTJE.




RIMBANG.


Rimbang is de Indonesische naam voor deze plant. De Latijnse naam is Solanum torvum en staat verder bekend als de kalkoenbes, duivelvijg, erwtenaubergine, platebrush of susumber. 

De plant heeft een hoogte van twee tot drie meter bij een doorsnede van twee meter in de takken met bladeren.
Het schors van de takken is grijsachtig en glad.
De twijgen zijn grijsgroen en stervormig behaard. 
De stekels zijn kort en licht gebogen en variëren van dikte door de gehele plant, inclusief de hoofdnerf van het blad
De bladeren zijn tegenoverstaand od één per knop, breed, ovaal met de rand geheel of diep gelobd.
De bladstelen zijn 1 tot 6 centimeter lang en de bladeren zijn 7 tot 23 bij 5 tot 18 centimeter en bedekt met kleine korte haartjes.

De bloemen zijn wit, buisvormig met vijf lobben en gegroepeerd. Ze worden vrij snel na de opening van de knop afgeworpen.

De vruchten zijn bessen die groeien in trossen kleine groene bolletjes, met een doorsneden van één centimeter, en er uitzien als doperwten.
De bessen worden geel als ze volledig rijp zijn.
Ze zijn dun van vruchtvlees en bevatten talloze platte, ronde, bruine zaden.

De groene vruchten zijn eetbaar en worden in de Aziatische keuken gebruikt als ingrediënt in curry's of chillipasta's.

De kalkoenbes komt vermoedelijk uit Florida en Zuid-Alabama via West-Indië en uit Mexico via Zuid-Amerika via Brazilië. De bes is geïntroduceerd en genaturaliseerd in tropisch Afrika, Azië, Australië en de eilanden in de Stille Oceaan.

In Tamil Nadu, India, wordt de vrucht direct geconsumeerd of gekookt als voedsel. In de siddha/geneeskunde, een van de traditionele geneeswijzen van India, wordt een extract van deze bes gebruikt om de spijsvertering te verbeteren.

(note: Ik zag deze plant groeien in de tuin van de overburen in de straat waar ik logeerde, Jl. Sukun, wat broodvrucht betekend, in Siantar, Noord/Sumatra.)




woensdag 15 maart 2023

TORONG BELANDA OF HOLLANDSE AUBERGINE.

 

   VAN ZUID-AMERIKA 

     NAAR INDONESIË.



TERONG BELANDA. 

De terong belanda of de Hollandse aubergine, Latijnse naam Solanum betaceum, is een plantsoort uit de Zuid-Amerikaanse regio die behoort tot de auberginefamilie, Solanaceae.
Deze aubergine is waarschijnlijk door de Nederlanders naar Indonesië gebracht en verder ontwikkeld in de tuinen van Bogor, West-Java, en zo kwam deze vrucht aan zijn naam.
Sinds 1941 staat deze plant bekend als de Hollandse-aubergine, ook al komt de vrucht uit het Amazonegebied.

De terong belanda heeft een bladsteel van 7 tot 10 centimeter. 
De bloemen staan in kleine series in de oksels van de bladeren, nabij de uiteinden van de takken, roze, wit, geurend, ongeveer 1 centimeter in doorsnede. 
De bloem heeft vijf bloemblaadjes, de meeldraden zijn 5 draden, liggen voor de bloemkroon, de helmknoppen zijn verborgen in de kegel in tegenstelling tot de stamper draagt de eierstok er twee, met veel eitjes.



De terong belanda, de aubergine is eivormig, meet 3 tot 10 centimeter, loopt taps toe aan beide uiteinden, hangt, heeft lange steel en de bladeren vallen niet af.
De vruchtschil is dun en glad, roodpaars van kleur tot oranjerood en geelachtig. 
Het vruchtvlees bevat veel sap dat lichtzuur van smaak is. De kleine zaden zijn plat rond, dun en hard.
De boom niet hoger dan twee meter groeit goed in de bergen/hooglanden op een hoogte van 1000 meter boven zeeniveau. 
Vereist is een grond die rijk is aan voedingsstoffen, goed doorlatende en vochtige, koele grond.

De oorsprong ligt zover bekend is in Zuid-Amerika, maar het is niet bekend uit welk deel van het continent.
Verschillende wilde populaties zijn te vinden in de zuidelijke regio's van Bolivia en de noordoostelijke regio's van Argentinië.
De 'Hollandse aubergine' heeft zich inmiddels verspreid in subtropische gebieden over de hele wereld en is een van de belangrijkste producten in Midden-Amerika en Nieuw-Zeeland. 

De terong belanda wordt gebruikt door het eten als vers fruit, voor het koken van kruiden, groenten en het maken van sap.
De vrucht kan vers worden gegeten en bevat provitamine A, dat goed is voor de gezondheid van de ogen, en vitamine C om brandend maagzuur te behandelen en het uithoudingsvermogen te vergroten.