zaterdag 7 februari 2015

ZEEVAART EN BIJGELOOF.

VREEMDE VERSCHIJNSELEN EN LEGENDEN.

Dat er vroeger bijgeloof bestond onder de zeevarenden is niet zo vreemd. De toen zeegaande matroos was, buiten de officieren aan boord van het schip, vaak een simpele ziel. De meesten van hen konden lezen nog schrijven en wisten vaak amper van wat er buiten hun leefgemeenschap gebeurde.
Wat goed of slecht was, werd meestal door de kerkelijke autoriteiten er in gegoten met de pollepel.
Ook heerste er aan boord een strenge tucht en misdaden, hoe klein het vergrijp ook maar was, werden zwaar gestraft. Alles wat vreemd was en men niet kon verklaren, omdat men de kennis niet had, droeg bij tot het bijgeloof. 


DE ZEEMEERMIN.


Vertellingen over het verschijnsel van de zeemeermin of meermin bestonden reeds in de verre oudheid.
Het vind reeds zijn oorsprong bij de Babyloniërs en Sumeriërs in de vorm van hun goden Ea of Enki, welke de god van de zoete wateren waren en de schepper en redder van de mens is. Deze goden werden afgebeeld met een vissenstaart inplaats van benen of hadden een vissenkop inplaats van een gewoon mensen hoofd.

De Oude Grieken kenden de zeedemonen in hun mythologie. Ze werden afgebeeld als half-vrouw, half-vogel en kozen hun verblijfplaats in groten of op steile rotsen rond de Tyrreense Zee.
Zij zouden met hun gezang de schipper naar de kliffen lokken, waarna hun schepen erop zouden lopen en vergaan.
Zij werden voor het eerst vernoemd in de Odyssee van Homerus, waar ze Odysseus trachten te verleiden met hun gezang.
Odysseus liet hierop de oren van de matrozen afdichten met was en liet zich zelf aan de mast vastbinden om aan het gezang van de sirenen te ontkomen.
Trouwens de god van de zee, Neptunus, wordt ook afgebeeld als half man half vis.

In Duitsland kent men een dergelijk verhaal over de 'Jungfrau am Loreley'. Een beeldschone dame met lang blond haar zittende hoog op de rots Loreley die de schippers verleidde met haar gezang, terwijl ze haar lange haren kamde, met tot gevolg dat ze niet op de rotsen in de rivierbocht lette en er vergingen. 

Beide verhalen werden in de middeleeuwen door de kerk gebruikt om de mensen te waarschuwen voor het kwaad van de verleiding.

Zelfs Columbus maakte in zijn reisverslagen gelag van het feit dat hij zeemeerminnen had gezien.

In feite komt het verhaal van de meerminnen van verhalen van zeelieden , die dachten deze wezens in het schuim van de golven gezien te hebben. Maar wat zagen ze dan werkelijk?


In werkelijkheid hebben ze een enorme vis gezien.
Het waren de zeekoeien of lamantijnen, zwemmende zoogdieren die in tropische wateren voorkomen. Deze dieren hebben een spitse vorm en de vrouwtjes hebben ook tepels.
Het moeten de tepels zijn geweest die het beeld van het vrouwelijke lichaamsvormen moeten hebben opgeroepen.
Dit was niet verbazend dat deze lichtgelovige zeelieden een dergelijke vergissing beginnen na maanden lang op zee te hebben rondgezworven zonden een vrouwelijk wezen in hun nabijheid.

De Deen Hans Christiaan Andersen schreef een sprookje over de zeemeermin. Een afbeelding van deze meermin staat in de haven van Kopenhagen.



HET SCHIP "VRIJDAG".


Ongeveer twee eeuwen geleden gold de vrijdag in Engeland algemeen als een ongeluksdag. Het was niet alleen vrijdag de dertiende, maar ieder vrijdag.
Dit was zo erg, dat niemand op die dag ook maar iets nieuws durfde te ondernemen, daar het toch in een ongeluk zou eindigen.

De Engelse regering besloot hieraan een einde te maken door het bouwen van een nieuw schip; het "Vrijdagschip".
Op vrijdag werd de kiel van het schip gelegd en op vrijdag liep het van stapel en werd het gedoopt met de naam "Vrijdag". Zelfs de naam van haar eerste kapitein was Vrijdag.

Op een zekere vrijdag verliet het schip haar veilige haven en koos het zee en ........
sinds die dag heeft men nooit meer iets van het schip vernomen.


 HET SPOOKSCHIP.



Het is een legende uit de 17e eeuw over een VOC zeilschip dat om Goede Vrijdag uit de haven van Zierikzee vertrok.
Het was na dagen slecht weer, wat het uitvaren onmogelijk maakte, dat het op deze bewuste Goede Vrijdag het weer was omgeslagen en de schipper besloot om uit te varen, ondanks dat het uitvaren op een christelijke feestdag onheil over het schip zou brengen. Het was immers een machtsstrijd om zo snel mogelijk naar Batavia te varen in Oost Indië. Iedereen in deze havenstad geloofde dat er een vloek over het schip zou heersen en men vreesde het ergste.
Het schip ondervond tegen slag na tegenslag en bereikte uiteindelijk de zuidwestelijkste punt van Zuid Afrika, Kaap de Goede Hoop.
In een zware storm trachtte de kapitein de kaap te ronden, maar werd steeds door het slechte weer teruggedreven. De bemanning smeekte de kapitein via zijn eerste stuurman om terug te keren naar de veilige Tafelbaai. De kapitein weigerde en gooide in zijn woede de eerste stuurman overboord en riep luidt; "Al moet ik met de duivel deze kaap ronden ik zal hem ronden al moet ik daarna varen tot het laatste oordeel".
Op dat moment werd het schip vervloekt en kwam in de macht van de duivel.


De dode bemanning bleef als geesten hun werk verrichten en zou met haar kapitein voor eeuwig blijven rondvaren over de wereldzeeën.

Verhalen over spookschepen zijn al zo oud als de wereldzeeën worden bevaren. Het verhaal gaat dat als men ze heeft gezien dat ze ongeluk brengen. 
Het verhaal van de Vliegende Hollander is uit een volksoverlevering ontstaan en schrijvers hebben elementen ervan tot een geheel laten samenkomen.
Het was de Engelsman Thomas Moore die in 1804 reeds schreef over dit spookschip. Het zijn dus de Engelsen die dit verhaal over het goddeloze spookschip hebben verzonnen.






In de 17e- en 18e eeuw waren de Engelsen de grootste concurrenten van de Nederlanders. Voor de Hollanders ging alles voor de wind in de Gouden Eeuw. Ze troefden met hun schepen de Portugezen, de Spanjaarden en de Engelsen af. De Hollanders wilden, het liefst vliegend, volgens de Engelsen, naar Indië om handel te drijven en terug te keren. Geld verdienen ging boven alles en het gebod de christelijke feestdagen in ere te houden en niet uit te varen werd door de schippers naast zich neer gelegd.

De Engelsen zagen in die tijd de Hollanders als rokende jeneverdrinkers. 'Dutch' is dan ook een Engels scheldwoord voor laf, dom en minderwaardig. Zo ontstond de sage van de Vliegende Hollander. Toch is dit verhaal in het buitenland één van de bekendste volksverhalen van Nederland geworden. Zelfs de KLM gebruikt het in haar reclame campagnes.

Uit overleveringen zou de Vliegende Hollander nog vaak gezien zijn. De opvallendste vermelding is uit 1880, toen prins George van Engeland, die toen langs de kusten van Australië een reis maakte, het schip zou hebben gezien.
Het zou uitgerust zijn geweest met drie masten met rode aan flarden gescheurde zeilen, varend recht tegen de wind. De bouw van het schip stamde uit een lang vervlogen tijd.
Georg had dertien getuigen die er allen van overtuigd waren dat het de Vliegende Hollander moest zijn geweest.
Tot de jaren negentig vorige eeuw zijn er getuigenissen over ontmoetingen met de Vliegende Hollander.


De laatste vermelding is uit 1941 van een Duitse onderzeeboot. Men gaat er vanuit dat het een luchtspiegeling is geweest.




                       ( Een luchtspiegeling van een zeilschip dat zich achter de horizon bevindt.)

De Duitse componist Wagner schreef zelfs een opera over 'der fliegende Holländer'.


DE DOOP VAN EEN SCHIP.


Dopen van een schip doet men bij een nieuw schip bij het te water laten, waarbij het schip tevens haar naam krijgt.

Het dopen van een schip is een gebruik dat we al eeuwen kennen in de scheepvaart.
De Oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen riepen bij het in de vaart nemen van een schip hun goden aan, de zeegoden, om het schip en haar bemanning te beschermen. De Oude Grieken dronken bij de plechtigheid wijn als eerbetoon en goten water over het schip als teken van zegening.
Ook de christenen en de joden gebruikten wijn en water bij de scheepsdoop wanneer ze god vroegen de bemanning te beschermen.
De Ottomanen zegden gebeden op en offerden een schaap. De Vikingen zouden zelfs mensenoffers hebben gebracht.
Hoewel wijn traditioneel gezien de drank is waarmee een schip gedoopt wordt, zijn er ook wel andere dranken gebruikt zoals whisky of jenever. Het gebruik van champagne voor de doop deed zijn intrede in de 19e eeuw.

BIJGELOOF. 



Het dopen van een schip moet altijd door een vrouw gebeuren, want dat brengt geluk! Zij doet dit door de fles welke aan een lint voor de boeg van het schip hangt kapot te gooien op de boeg onder het uitspreken van de woorden; "Ik doop u hierbij (de naam van het schip) en wens u en uw bemanning een behouden vaart". Deze traditie wordt nog steeds in ere gehouden. Verder moet de champagnefles breken.
Wordt er niet aan deze voorwaarden voldaan, dan zal het schip volgens de mythe, haar gehele levensduur rampspoed ondervinden






De doopfles welke aan een lint hangt voor de boeg van het schip is door een dun lijntje verbonden met het doop gestoelte waarachter de doopvrouw staat. Door de dunne lijn wordt de fles ver van de boeg weggehouden om zeker te zijn dat deze breekt als ze de stalenscheepshuid raakt.
het dunne lijntje eindigt op een houten blok. Met een doopbijltje zal de doopvrouw dan het lijntje doorhakken na het uitspreken van de doop woorden.



"WENS U EEN BEHOUDEN VAART".





SINT - ELMUSVUUR.



De naam Sint Elmusvuur komt van Sint Elmus, Sint Elmo of San Telmo. Het was de naam van een Italiaanse bisschop, overleden in 1246, en werd toen en heden ook nog wel als de beschermheilige van de zeevarenden gezien in Italië, Spanje en Portugal.
Vroeger toen de luchtvaart nog niet bestond deed dit verschijnsel van "het blauwe vuur"zich vooral op zee voor.

Het boezemde de zeelieden zo'n angst in, dat ze gelijk hun beschermheilige, Sint Elmus, aanriepen om hen te beschermen en zodoende kreeg dit natuur verschijnsel deze naam. 
Als dit verschijnsel zich voordeed zou het onheil voortbrengen zo werd er geloofd.

Het Sint-Elmusvuur is een elektrisch verschijnsel dat zich op uitstekende punten, zoals masten, ra's stengen, windvanen, torenspitsen, bliksemafleiders en zelfs op een opgestoken hand kan vertonen wanneer in de atmosfeer een sterk geladen elektrisch veld aanwezig is.
Dit kan voorkomen bij onweersachtige situaties of ten gevolge van sneeuw- of hagelbuien, of ook wel bij zand- en stofstormen.
Het verschijnsel, wat in het donker zichtbaar is, bestaat uit bleke , korte lichtbundeltjes, een soort vlammetjes, op de bedoelde punten en is in wezen een glim- of sproeiontlading.
Het gaat gepaard met een zacht knetteren of suizen, dat ook overdag gehoord kan worden.


NOG EEN VREEMD VERSCHIJNSEL.


Dit verschijnsel deed zich in de tropen voor na de zonsondergang bij een naderend onweer voor het schip.
De opname is gemaakt vanaf het middenschip naar het achterschip en het is echt geen dubbele- of trucageopname.Achter het schip steekt tegen de invallende duisternis en het laatste licht van de zon weerkaatst door de hemel terug op de zee het silhouet van het schip zich af als een schaduw.
Een naam voor dit verschijnsel was ons niet bekend.




1 opmerking: