zondag 9 juli 2017

BLOKKEN VOOR TUIGAGE EN TAKELEN.

EEN WERKTUIG TER 

GELEIDING VAN TOUWWERK,

STAALDRAAD OF KETTING.


BLOK.

Een blok is een werktuig ter geleiding van touwwerk, staaldraad op ketting (loper) en bestaande uit een of meer geleiderollen (schijven), die gelagerd zijn om een as (nagel), welke rust in een geraamte en/of omhulsel (huis), dat voorzien is van een oog, haak, gaffel of strop voor ophanging van het blok en veelal nog van een oog van onderaan (hondsvot) voor het bevestigen, bij een takel, van het vaste eind (vaste part) van de loper.



Tweeschijfsbloken.
a. Wang; b. Klos; c. Dam; d. Doorgaande nagel; e. Nagel; f. Keel; g. Spoor; h. Kous aan hondsvot.

Blokken worden gebruikt om trekkrachten over te brengen en van richting te doen veranderen. Meerschijfsblokken vooral om de te verrichten arbeid met minder kracht te kunnen uitvoeren.
In het laatste geval maakt het blok deel uit van een takelgestel.

TAKELS EN BLOKKEN.

In de volgende afbeelding geeft het aantal lasten onder aan de haak de stijging in arbeidsvermogen van elke takel aan.
Zo is bij takel 1 de aan te wenden kracht gelijk aan die van de last, bij takel 2 en 3 is die kracht de heft van de last, bij takel 4 een derde enz. De wrijvingsweerstand is hierbij buiten beschouwing gelaten.




Van links naar rechts:
1- Enkel jol of wipper. Geen krachtsbesparing. 2- Enkel jol of wipper, omgekeerd.
3- Dubbel jol. 4- Dubbel jol omgekeerd. 5- Derdehand, krachtsbesparing. 6- Derdehand omgekeerd. 7- Vierloper. 8- vierloper omgekeerd. 9- Vijfschijfsgijn. 10- Vijfschijfsgijn omgekeerd. 11- Zesschijfsgijn. 12- Zesschijfsgijn omgekeerd. 13- Zevenschgijfsgijn. 14- Zevenschijfsgijn omgekeerd. 15- Achtschijfsgijn. 16- Achtschijfsgijn omgekeerd.


GROOTTE.

De grootte van blokken is in de eerste plaats afhankelijk van de gebruikte schijfdiameter en deze wordt weer bepaald door de diameter (of in de praktijk de omtrek) van de loper die door het blok moet worden opgenomen.
Zo moet de schijfdiameter van een stalen blok voor snellopend werd, minstens vijfmaal de omtrek van de stalen loper bedragen.

MATERIAAL.

Voor de bediening van stalen lopers worden stalen blokken gebruikt. De houten blokken zijn over het algemeen voor touwwerk. Daarnaast worden tegenwoordig, voornamelijk voor jachten, blokken van kunststof en van aluminium gemaakt.
Blokken voor laad- en logerei moeten in Nederland voldoen aan bepaalde eisen die opgenomen zijn in de stuwadoorswet en het stuwadoors veiligheidsbesluit. Zij worden aan bepaalde proeven onderworpen. Bij goedkeuring wordt een certificaat afgegeven dat behoort bij het aan boord van het schip of bij een bedrijf aanwezige register van 'Laad- en losgerei'.
De werkbelasting in tonnen moet duidelijk en duurzaam op de blokken zijn aangebracht. Houten blokken bestaan meestal uit een bekleding van essen, iepen, of olmenhout en een stalen geraamte waarin eveneens de nagel rust, waaromheen de pokhouten schijf draait met een bronzen bus gelagerd.
Houten jachtblokjes hebben meestal bronzen schijven, de moderne tufnolblokken hebben schijven van kunststof.


VERSCHILLENDE SOORTEN HEDENDAAGSE BLOKKEN.


Verschillende blokken alle met binnenbeslag.
1- Enkelblok met losse ring. 2- Stagzeilschootblok. 3- Dubbelblok met dubbele haken.
4- Drieschijfblok met harpsluiting. 5- Enkel blok met oog en schroefbout. 6- Dubbel blok met oog.
7- Dubbel blok met harpsluiting en hondsvot. 8- Enkel blok met wartelsluiting en hondsvot.
9- Dubbel blok met wartelhaak en hondsvot. 10- Drieschijfsblok mat vaste haak en hondsvot.
11- Dubbel blok met hondsvot, bout en moer. 12- Enkel blok met vaste sluiting en hondsvot.
13- Drieschijfsblok met losse haak en hondsvot. 14- Enkel blok met vast oog.
15- Drieschijfsblok met losse wartelhaak en hondsvot. 16- Dubbel blok met losse wartelsluiting en hondsvot. 17- Dubbel blok met vaste wartelsluiting met ogen en hondsvot.

CONSTRUCTIE.

Zoals het woord reeds aanduidt werden de blokken in de vroege middeleeuwen uit een enkel blok hout gesneden en hadden over het algemeen geen schijven. De randen werden goed afgerond om schavielen van het touw tegen te gaan.
Blokken met schijven werden pas tegen het einde van de 15e eeuw algemeen toegepast.
De rand van de schijf had, en heeft nog, een groef (spoor) om de loper op te nemen. De schijf draaide rond een nagel van paardevleeshout ( een houtsoort welke werd geïmporteerd uit Suriname en zo werd genoemd vanwege de vleeskleur) of bolletree of pokhout dat later door ijzer en tenslotte staal werd vervangen, waarbij de schijf een bronzen glijlager en later ook wel een rollager kreeg (patentschijven). 


(Dubbel blok, hangerblok, met dubbele touwstrop en haak, de strop gekleed, 19e eeuw.)


Zolang het huis uit een enkel stuk hout bestond werd daaromheen een ijzeren beslag gekrompen (buitenbeslag) of een strop aangebracht. 
Toen later de blokken uit afzonderlijke 'wangen' en tussen liggende 'vulstukken',
'klossen'en 'dammen' werden opgebouwd, kwam men op de duur tot de huidige constructie van een geraamte van sterke stalen schenen (binnenbeslag) waaromheen de houten delen (wangen) zijn bevestigd en waarin de nagel rust, terwijl dit geraamte ook de ophanghaak en het hondsvot draagt. De nagel is veelal met een vierkante kop in de wang verzonken en kan niet meedraaien. 


(Drieschijfs, met ijzer beslagen vioolblok met kous; hangerblok uit de 19e eeuw.)


Bij de reeds genoemde houten jachtblokjes  is de nagel minder zorgvuldig geborgd tegen het meedraaien, maar hier is de wrijving ook geringer, mede door het toepassen van rollagers.



De moderne jachtblokken zijn echter geheel anders opgebouwd en wel uit twee wangen of zijplaten van een zeer sterke en taaie kunststof ( onder meer fiber) onderling verbonden en op afstand gehouden door roestvrij stalen patentslotbouten waaraan ook het oog is verbonden.
Het beslag, indien al aanwezig, heeft hier slechts een secundaire functie.

Stalen blokken zijn van smeedstaal of smeedbaar gietijzer. het huis bestaat gemeenlijk uit één stuk dat het meestal draaibare (wartel)oog of gaffel draagt en waarin de as rust.
De blokken waarover de laadreep loopt, moeten van een doelmatige smeerinrichting zijn voorzien.
De vorm van de blokken is meestal afhankelijk van de functie. Het houten enkelschijfsblok wordt aan boord bij het dagelijks werk aan dek nog voor allerlei doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld voor het optuigen van beweegbare stellingen, voor het hijsen van koelzeilen, antennes, ankerbal en dergelijke.

Het tweeschijfsblok komt nog voor bij gei-talies. Het houten drieschijfsblok of gijnblok (rechts) werd tot voor kort nog gebruikt voor de aanhaal sloeptakels en thans nog een enkele maal voor het takel van de statietrap of bij zware karweien.
Een blok voor allerhande kleine werkzaamheden is het stropblok (links), zonder beslag maar met een touw- of staaldraadstrop er omheen die in een soort gleuf (neut' van de wang ligt.


DIVERSE SOORTEN BLOKKEN.


BOELIJNBLOK.

Ook wel  kinnebaksblok had geen beslag maar een dwars gat voor een staarteinde waarmede het aan de mast of op het want werd gestoken.
In een van wangen was een dwars opening zodat de boelijn zonder meer op de schijf kon worden gelegd.

Tegenwoordig wordt dit blok ook nog vervaardigd uit staal en voorzien van een haak en een sluiting ter voorkoming dat de lijn eruit kan vallen.

BRASBLOK.

Een brasblok is een groot plat blok met twee neuten voor een dubbele strop of met beslag, al dan niet met een hondsvot. het werd gebruikt voor brastakels.

DRAAIBLOK.

Een draaiblok is een geiblok voor de marsevallen, dat draaibaar tussen twee ijzeren pennen tegen het boord was geplaatst.

DRAAIREEPBLOK.

Dit is een zwaar dubbel gestropt blok dat boven op de ra genaaid werd om er de draaireep door te scheren.

GEITOUWBLOK.

Een stropblok in hoefijzervorm, waaraan het schijfgat aan één kant dicht was, bij oudere zelfs aan twee kanten. Een systeem dat in deze tijd ook wel toegepast is voor de zo geheten 'non-toppling blocks' van sommige sloeptalies.

HAKEBLOK.

Het hakeblok, een stropblok waarin ook een kous met haak gebonden is. 
Het blok kan naar believen in gehaakt worden en het werd vaak als voetblok aangewend, onder meer voor marsevallen.

HAKKEBLOK OF LIPBLOK.

Dit blok is aan de onderkant voorzien van een uitstekend deel, hak of lip, waarop de schoot kan worden belegd. De nagel is dikwijls langer gemaakt en kan gebruikt worden als korvijnagel. 
Dit blok komt nog voor op ronde- en platbodemjachten, vroeger op talrijke binnenschepen en vissersvaartuigen.

Van links naar rechts:
Dubbelhangerblok met touwstrop en haak, 19e eeuw.
Vioolblok met ijzerbeslag 19e eeuw.
Voetblok of kinnebaksblok, 19e eeuw.







HANGERBLOK OF TOPBLOK.

Dit blok werd aan de de steng opgehangen of genaaid om er de draaireep van de marsera door te scheren, in plaats van door een schijfgat in de steng zelf.

HARTEBLOK.

Een ijzeren blok in de vorm van een hart en voorzien van twee schijven achter elkaar. Meestal draaiende aan een wartelhaak. het werd in het midden van de ra gehaakt om de schoten van het hoger liggend zeil te leiden.




JUFFERBLOK OF DOODSKOP.

(Puttingijzer met jufferblok.)

Het is een schijnloos cirkelvormig blok met een groef op de rand en met drie of meer dwarse gaten. Deze blokken werden meestal van pokhout vervaardigd.
Door middel van verscheidene jufferblokken werden op de zeilschepen de slagen en hoofdtouwen met een talreep stijfgezet. De jufferblokken zaten bevestigd op de valreep of waren met een puttingijzer aan de huid bevestigd.
KATBLOK.

Een katblok is een groot blok met een zware haak waarmee de ring of de schacht of arm van een ander kan worden aangepikt om het onder de katbalk of kraanbalk te brengen.


KATTEKOP.

Een blok zonder beslag waarvan de bovenkant voorzien is van een gedraaide kop waarin een gat geboord is voor de schinkel. Een soortgelijke kop bevindt zich soms ook aan de onderkant voor het bevestigen van het vaste part. Zo'n blok noemt men de dubbele kattekop.

KINNEBAKSBLOK.

Zie boelijnblok.

LANGHALSBLOK.

Het is een stropblok waarvan de kous met haak op een bijzonder lange hals of schinkel zit zodat het blok op een zekere hoogte of afstand van de oogbout gebruikt kan worden.


Van links naar rechts:
Jachtblok van roestvrijstaal.
Staartblok.
Snertblok.






NAAIBLOK.

Dit blok wordt ingebonden met een strop voorzien van twee ogen, waaraan de naaiing vastgemaakt wordt. Deze blokken werden op de raas en het want genaaid om het lopende want te leiden en werden weggenomen als de zeilen werden geborgen.


ORLÏETBLOK.

Een blok dat met een strop rond de bovenzeilspier gelegd werd of op de nok van de marse- of bramra werd gehaakt voor het val van de lijzeilen.

SCHILDPADBLOK.


Een schildpad is een soort plat blok met slechts één wang, meestal met één of meer schijven.
Het wordt met de open zijde tegen een rondhout gespijkerd of genaaid. Om op een touw gebonden te worden geeft men dit blok twee wangen. men maakt het ook als een vierkant blok dat in het boord ingelaten wordt om er schoten en halzen door te scheren.

LIP- EN KLAMPSCHILDPADDEN.

Deze met of zonder schijven treft men aan op knechten en stijlen.

SCHOOTBLOK.

(Schootblok op de nok van de marsra.)
1. Onderra.
2. Marsschootblok.
3. Marsschoot.
4. Toppenend.




Een blok voor de schoten van marszeilen en fokkezeilen. het was voorzien van een schouder waarmee het op de ra of op de botteloef rustte om niet te kantelen.

SIKKEBLOK.

Een sikkeblok bestond uit twee blokken van gelijke grootte die boven elkaar in een strop gebonden waren met de schijven haaks op elkaar, maar dat ook uit één stuk gemaakt kon zijn.
Ze dienden om de buikgordings van het grootzeil of de geitouwen van de bezaan die twee aan twee als 'sikke' ingericht waren, door te scheren.

STAARTBLOK.

De strop van dit blok liep uit in een eind of een staart zodat het daarmee voor onmiddellijk gebruik kon worden aangeslagen op een rondhout of het want.

STAGTALIEBLOK.

Het stagtalieblok is peervormig zodat de rakbanden van de gestreken fok er omheen kunnen glijden.







VIOOLBLOK.


Een vioolblok heeft de vorm van een viool. De schuiven staan onder elkaar, de grootste van boven, de kleine van onder.
In sommige blokken staan twee grote schijven naast elkaar. men gebruikt deze blokken voor takels die weinig mogen uitsteken, zoals zwaardvallen, maar eveneens in het want.

KLOTEN.

Er zijn ook nog de top- en vlaggenkloten die van één of twee schijven zijn voorzien en die op de top van stengen en vlaggenstokken geplaatst worden. Want- en rakkloten zijn kegelvormige blokken met een gat in het midden waardoor een lijn kan worden geschoren. Wantkloten worden op het want genaaid en zijn daardoor voorzien van een dwarse groef voor de naaiing en van een langse die op het touw past.

WARTELBLOK.

Dit blok heeft een haak die als een wartel is ingericht en dus draaibaar is.

ONDERHOUD.

Alle blokken dienen geregeld te worden los genomen,  gedemonteerd, schoongemaakt, gecontroleerd op slijtage en zon nodig buiten gebruik gesteld.
Bij houten blokken wordt de schijf of de nagel eventueel verwisseld. De smering geschiedt met grafiet.
De stalen blokken worden ingevet en het olieresevoir gevuld. ook de wartels worden gangbaar gehouden. Men noemt deze werkzaamheden het 'voorzien' van de blokken.


 Het maken van de houtenblokken was vroeger een handarbeid waarbij speciaal gereedschap werd gebruikt. en waar kennis voor nodig was van houtsoorten en hoe dit te bewerken.
Tegenwoordig worden deze blokken machinaal gemaakt.


zondag 2 juli 2017

AMFIBIE; DIER, VERVOERSMIDDEL EN OPERATIE.


VOORTBEWEGEND OVER LAND, 

IN HET WATER EN IN DE LUCHT.

Een mens mag dan trots zijn door hem ontworpen technische vooruitgang, maar veel van deze vooruitgang vindt zijn oorsprong in het rijk der dieren.

AMFIBIEËN.

De 'Amphibia' is een diersoort behorend tot de klasse van de gewervelde dieren en gekenmerkt door een veranderlijke lichaamswarmte, een naakte slijmerige huid en het vermogen om zowel in het water als op land te leven. De voortplanting geschied door eieren.
De meest markante eigenschap is de gedaante verwisseling. De larven zijn waterdieren die door kieuwen ademhalen, terwijl het volwassen dier dit door de longen doet. Ook de huid verricht een ademhalingsfunctie. De bloedsomloop is dubbel en volledig gescheiden.
men kan de ruim 1400 soorten amfibieën onderbrengen in drie orden: a. wormsalamanders; b. staartdragers: de salamanders; c. staartlozen: kikkers en padden.

AMFIBIEVERVOERSMIDDELEN.

We onderscheiden diverse van deze vervoersmiddelen: het voertuig dat zowel over de weg kan rijden als in het water varen; bij defensie een vrachtwagen of een tank die zich zowel op het land als in het water kan voortbewegen; een vliegtuig dat zowel van het land als van het water kan opstijgen.

AMFIBIEVLIEGTUIG.

(Vickers Supermarine Walrus uit 1933.)


Een amfibievliegtuig of watervliegtuig is een vliegtuig dat zowel van land als van water kan opstijgen en daarop landen.
Het grote voordeel van een dergelijk vliegtuig is dat vrijwel overal een meer te vinden is waarop geland kan worden. Men heeft ook geen landingsstrip nodig en is het dus een ideaal middel om verbinding te onderhouden tussen kleine eilanden. Het nadeel is dat het toestel een zeer krachtige motor moet hebben om de weerstand van het water te breken bij het opstijgen. Ook corrosie is een nadeel bij het gebruik van het vliegtuig op zee.
We onderscheiden twee types, afhankelijk van de wijze waarop het drijfvermogen wordt gerealiseerd: een watervliegtuig voorzien van drijvers op de plaats waar zich normaal de wielen zich zouden bevinden. Deze drijvers zorgen ook voor de stabiliteit. De vliegboot, hierbij wordt het drijfvermogen geleverd door de romp van het vliegtuig. Onder de vleugels zijn kleine drijvers aangebracht voor de stabiliteit en deze kunnen worden ingeklapt zodat de luchtweerstand wordt verminderd.


 (De Nakajima E8N een type watervliegtuig dat werd gebruikt op oorlogsschepen.)


De eerste amfibievliegtuigen van de Britse marine waren de Vickers Viking I uit 1918 en de III uit 1920, de Supermarine Sea King I en II uit 1919 en de Supermarine Seagull uit 1921.
Tussen de twee wereldoorlogen kregen veel grote marineschepen watervliegtuigen mee voor de verkenning of artilleriewaarneming. Deze vliegtuigen, waaronder de Vickers Supermarine Walrus uit 1933 werden met een catapult afgeschoten. Dit toestel werd gedurende de WO-II nog op grote schaal gebruikt om contact te onderhouden met het verzet in bezette gebieden.


( Catalina vliegboot.)


Bij de Koninklijke Marine waren tussen 1941 en 1957 onder andere Catalina vliegboten in gebruik, die tevens waren voorzien van een landingsgestel met wielen.
Door de komst van de vliegdekschepen raakte het toestel uit gebruik bij de marine.




(Blusvliegtuig Canadair CL-415.)

Het watervliegtuig wordt tegenwoordig ook gebruikt als blusvliegtuig bij de bestrijding van bosbranden. Het toestel scheert over het wateroppervlak en schept door de haar snelheid de watertank onder aan de romp vol met water .

Ook voor privé gebruik worden nog watervliegtuigen gebouwd. 





AMFIBISCHE OPERATIE.

Een amfibische operatie of oorlogsoperatie is een voornamelijk bestaande vanuit uit zee uitgevoerde landingen op een vijandelijke kust. het doel van een dergelijke operatie kan zijn: a. een landingshoofd te verkrijgen vanwaar uit verdere gevechtsoperaties te land kunnen worden ondernomen (invasie); b. een vooruitgeschoven lucht- of vlootbasis te vestigen; c. de vijand het gebruik van de verkregen positie te ontzeggen; d. de tegenstander materiële schade toe te brengen; e. de tegenstander te dwingen tot een voor hem onvoordelige opstelling en inspanning.

In de Nederlandse krijgsgeschiedenis komen tal van , alleen in samenwerking met bondgenoten uitgevoerde , amfibische operaties voor.
De bekendste zijn die bij Cadiz (1596), Chatham (1667), Gibraltar (1704) en het eiland Walcheren  in november 1944.

Tegenwoordig wordt er tevens onder verstaan; de tactische terugtocht met behulp van vlootstrijdkrachten en of van troepen te land, ter evacuatie van het betrokken gebied dan wel teneinde deze troepen opnieuw elders te ontplooien.
Bekende amfibische operaties uit het verleden zijn: de aanval van Scipio tegen Carthago in 146 v.Chr.; de rooftochten van de Vikingen; de invasie van Julius Caesar in Engeland en die van Willem de Veroveraar; de tocht naar Chatham en de acties van commandeur Sir Home Popham tijdens de Napoleontische oorlogen.

Ook tijdens WO-I werden amfibische operaties uitgevoerd, te weten de geallieerde landingen bij Gallipoli bij de slag om de Dardanellen in 1915, een kleine landing bij Piraeus in 1916; de verovering van de eilanden Dagö, Moon en Ösel in de Oostzee door de Duitsers in 1917; de Engelse raid op Zeebrugge.
Na de mislukking bij Gallipoli rees ernstige twijfel over de uitvoerbaarheid van amfibische operaties tegen een goed verschanste tegenstander.
Het aantal amfibische operaties in WO-II was daarentegen zeer groot.

(Landing van Japanse troepen in Ned. Indië.)

In de WO-II liep Japan echter door middel van amfibische operaties vrijwel geheel Zuidoost-Azië onder de voet, terwijl de strijdkracht van de VS op soortgelijke wijze gebieden stap voor stap terug veroverde.

In Europa bezetten de Duitsers in april 1940 Noorwegen  en in mei 1941 Kreta.
Amfibische operaties van de geallieerden vonden pas later plaats in Noord-Afrika, Sicilië, Italië, Zuid-Frankrijk en Normandië. Deze operaties werden intensief ondersteund door de luchtmacht, wat een derde dimensie was in de oorlogsvoering.

(Landing van de Amerikaanse troepen in Zuidoost-Azië.)

Als strategische betekenis van de amfibische oorlogsvoering moet worden genoemd het feit dat de belangrijkste delen van de aarde voor amfibische operaties bereikbaar zijn en dat amfibische mobiliteit de vijand genoodzaakt zijn strijdkrachten over een groot gebied te versnipperen. Bovendien geschiedt de verplaatsing van de ladingsstrijdkrachten over de vrije zee en wordt zij dus niet geremd door overwegingen van internationaal juridische aard, hetgeen speciaal in de situatie van een koude oorlog het gevaar van open conflicten vermindert. Alleen al de aanwezigheid van een amfibische strijdmacht in een bepaald gebied kan ertoe bijdragen een dreigende subversieve actie  of lokale oorlog aldaar in de kiem te smoren.
Door het opvoeren van de snelheid van de amfibische strijdmacht is haat mobiliteit de laatste jaren steeds verder verhoogd, terwijl de verspreiding oven een groot zeegebied haar kwetsbaarheid voor wat betreft aanvallen met moderne atoomwapens en ballistische projectielen sterk vermindert, reden waarom de amfibische operatie ook in de toekomst haar grote betekenis zal blijven behouden.

(Landingsoperatie van het Korps Mariniers.)


Bij amfibische operaties is de grootste moeilijkheid de noodzaak om op de vijandelijke kust snel een slagkracht op te bouwen. De vele maatregelen die nodig zijn om dat te verwezenlijken vormen de kern van de organisatorische en technische verschillen tussen de amfibische oorlogvoering en de oorlogvoering te land. In verband hiermee beschikken alle zeemogendheden van enige importantie over speciaal voor amfibische operaties opgeleide troepen, mariniers genaamd, die, zo niet uitsluitend bij een landing gebruikt, toch ook de kern moeten uitmaken van een landingsmacht. Een amfibische operatie is een ingewikkeld samenspel door een groot aantal eenheden van uiteenlopende aard en omvat: Mariniers of andere troepeneenheden; troepenschepen; landingsschepen en -vaartuigen; helikopters; schepen voor artilleriesteun; vliegtuigen voor de grondluchtsteun; amfibische verkenningseenheden; mijnenvegers; schepen voor onderzeebootbestrijding; onderwater demolitie-teams; vlooteenheden voor misleiding; zinkschepen voor het vormen van landingspieren, enz.
Het is duidelijk dat dit de grootst mogelijke samenwerking en coördinatie tot in de details vereist.
De amfibische operatie omvat de volgende zeven fasen: 1. planning, 2. inscheping van troepen en voorraden, 3. vooroefening van de gehele operatie, 4. verplaatsing naar het doelgebied, 5. stormrijp maken van het doel, 6. landing van de marinierseenheden uit zee en door de lucht, 7. ondersteuning van de marinierseenheden vanuit zee en vanuit de lucht tot het einde van de operatie.

Tijdens de Watersnood Ramp van 1953, waarbij grote delen van de provincies Zeeland en Zuid-Holland onder water kwamen te staan, werd ook gebruik gemaakt van amfibische voertuigen om de nood geraakte bewoners te evacueren.














donderdag 29 juni 2017

BALLONSCHEPEN. WAT WAREN DAT?

                         EEN BALLON 

                  TER VERKENNING 

                  OF BESCHERMING.




BALLONSCHEPEN.

Het waren de voorlopers van de vliegkampschepen, niet om aan te vallen maar ter verkenning van de vijandelijke linies en artillerie-waarnemingen.

Het verkennen van de vijandelijke linies met een luchtballon was niets nieuws onder de zon of boven het slagveld.
Zo werd in 1794 bij de Slag om Fleurus door de Franse troepen reeds gebruik gemaakt van dit systeem.

Pas in de 20e eeuw kwam dit ook bij de marine's in gebruik.
Het eerste schip dat als zodanig verbouwd is, is waarschijnlijk het s.s. Lahn
Van de Norddeutsche Lloyd.
Het schip deed van 1888 tot 1904 dienst als emigrantenschip en werd in 1904 aan Rusland verkocht en tijdens de oorlog met Japan verbouwd tot een ballonschip.

Voor zover bekend heeft het schip in deze functie nooit dienst gedaan.

(s.s. Lahn gebouwd in 1897 en 5681 brt.)

In 1907 werd de Italiaanse kruiser 'Elba' uit 1892 en 2739 brt. ingericht voor het aan boord hebben van een ballon. 
Tijdens de WO-I werd door de Britse admiraliteit een zogenaamde 'Kite Balloon section' opgericht, die werd ingezet bij acties in de strijd om de Dardanellen. Hiertoe behoorden de koopvaardijschepen 'Manica' (1900, 4120 brt), de 'Hector' (1895, 4660 brt), de 'Menelaus' (1895, 4672 brt) en de 'Canning' (1896, 5375 brt).
Zij werden voornamelijk ingezet voor verkenningen en artillerie-waarnemingen.

 (Een Duitse verkenningsballon gedurende de slag om Verdun in de Eerste Wereldoorlog.)


Pas in de Tweede Wereldoorlog kreeg de ballon in de scheepvaart een ander functie.
Ze werden niet meer als verkenningsballon gebruikt maar als versperringsballon ter bescherming van de zeehaven op ten liggende schepen voor de kust.
Kleinere schepen werden ingezet als 'Balloon barrage vessels' (ballonversperringsschepen).



Deze schepen hadden een kabelballon met lange staalkabel aan boord als afweermiddel tegen vijandelijke vliegtuigen.
Tot de schepen, die als zodanig zijn gebruikt behoort een aantal Nederlandse coasters, zoals de 'Albatros', 'Castor', 'Duurswold', 'Fiat', 'Helena', 'Sarturnus', e.a. bij de haven van Liverpool, te Londen de 'Amazone', 'Brandaris' e.a. en de 'Hilda', 'Jacoba', 'Jupiter' e.a. te Newhaven. Zij werden tussen juli en begin december 1940 in gebruik genomen en hebben als ballonschepen dienst gedaan tot eind 1942. In totaal deden 15 Nederlandse coasters dienst als ballonversperringsschip.


Ook tijdens de landing van de geallieerden troepen op de Franse kust in 1944 werd er gebruik gemaakt van deze versperringsballonnen tegen vijandelijke vliegtuigen.
Na het beëindigen van de  WO-II betekende dit ook het einde van de ballonschepen, daar ze volledig overbodig werden in de moderne oorlogsvoering.












ANDERHALF MAST TUIG. WAT IS DAT?

EEN SCHEEPSTUIG GEVOERD 

OP VERSCHILLENDE

 KUST- EN BINNENVAARDERS.



ANDERHALF MAST TUIG.

Een soort tweemasttuig dat gevoerd werd op verschillende kustvaarders, vissersschepen en binnenvaartschepen in België en Nederland.
Dit soort tuig kwam onder meer voort op de volgende typen schepen: de galjoot, de kof, de smak, de ever, de hoeker, de buis, de bom, de logger, de tweemast rivierklipper, de Hollandse aak, de Dorstense aak, de keen, de pleit, sommige otter, de spitsbek e.a.

Anderhalf masttuig op een keen. 
1. Breefok.
2. Groot topzeil.
3. Grootzeil.
4. Gaftopzeil.
5. Stag fok.
6. Kluiver.
7. Bezaanzeil.
8. Bezaanstagzeil.
9. Bezaangaftopzeil.

Het tuig kon bestaan uit verschillende vormen, maar had steeds twee masten: een grote en een bezaansmast. Deze laatste niet te verwarren met een druilmast die veel kleiner was en ofwel op het hek ofwel op het roer van de schepen  stond.



( Een druil, een klein zeil dat wordt gevoerd aan de druilmast op of nabij de spiegel van een vaartuig.)



Bij het anderhalf mast tuig stond de bezaansmast doorgaans voor de helmstok en achter de roef.
Aan de grote mast met opgenaaide steng werden gehesen: een breefok, een groot en klein topzeil; achter de mast een grootzeil met gaffel en meestal een boom; als voorzeilen: een stagfok, en op de kluiverboom een kluiver en buitenkluiver.
Aan de kortere bezaansmast werden gevoerd: een bezaanzeil met gaffel en meestal een boom (galjoot, kof).
Een andere vorm was eenvoudiger; aan de grote mast breefok met groot en eventueel klein topzeil; als voorzeilen stagfok, kluiver en buitenkluiver. Aan de bezaansmast als bezaan een razeil, gaffelzeil of driehoekige bezaan (buis, hoeker).

OP binnenschepen kon de tuigage bestaan uit een bezaantuig met grootzeil, gaffeltopzeil of vlieger, stagfok en kluiver.
Eventueel werden bijgezet een breefok en topzeil of grietje.
Aan de bezaansmast tuigde men een normaal bezaanzeil met gaffel en boom, eventueel aangevuld door een gaffeltopzeil of bezaansvlieger.
Sommige schepen als de keen, voerden ook nog een bezaanstagfok.
Een vreemd anderhalf mast tuig werd door de spitsbek gevoerd: aan de grote mast een razeil, aan de bezaansmast een sprietzeil.
Op oudere schepen zoals de boeier bestond de bezaan uit een latijnzeil.

















































































































































































































































woensdag 21 juni 2017

BOEDAPEST EN OMGEVING VERKENNEN. (DEEL 4 - STADSDEEL BUDA.)

BOEDAPEST DE HOOFDSTAD 

VAN HONGARIJE 

GELEGEN AAN BEIDE OEVERS 

VAN DE DONAU. (4)


STADSDEEL BUDA BEZICHTIGEN (VERVOLG).

Na het bezichtigen van de Matthiaskerk en het Vissersbastion besloten we in de richting van de burchtmuur te wandelen en daarover naar een punt om naar de benedenstad te gaan.
De benedenstad wordt ook wel Waterstad genoemd en ligt aan de voet van het Vissersbastion. In de tijd van de Romeinen liep hier een belangrijke weg van het huidige gebied bij de kettingbrug in de richting van Aquincom een Romeinse vesting aan de Donau. 
In de Middeleeuwen was het de hoofdstraat van de voorstad van Buda en heet nu nog "Hoofdstraat" (Fö utca). Tot de Turkse tijd lag deze wijk, waar vooral vissers, koop- en handwerklieden woonden, nog binnen de vestingburcht.


(Rijksarchief.)


We krijgen zicht op een imposant gebouw met een zeer fraaie dakbedekking met geglazuurde tegels, waarin het het Rijksarchief is gevestigd.
Voor dit gebouw volgen we de weg links af en naderen een ruïne met fundamenten.
Aan het einde van het terrein met deze resten van fundamenten staat de toren van de Maria-Magdalenakerk.





De Maria-Magdalenakerk is een kerkruïne uit 1274, waarvan alleen te toren er nog staat.
Deze kerk stond in de burcht van Buda en het de kerk waar in de middeleeuwen de Hongaren uit Buda naar toe gingen.
De Duitsers gingen naar de matthiaskerk.
Toen in de 16e eeuw Buda werd veroverd door de Turken werd de kerk een moskee.
In 1686 werd Buda op de Turken heroverd door de Oostenrijkers onder leiding van prins Eugenius van Savoye en daarbij werd de kerk zwaar beschadigd. De franciscanen kregen het verwoeste gebouw toegewezen en zij herbouwden de kerk in de barokke stijl. In 1698 werd de kerk weer ingewijd.





(Een bronzen afbeelding van de mantel welke door de patriarch van de kerk werd gedragen.)


Tijdens de verovering van Boedapest door het Rode Leger in 1945 werd de kerk opnieuw zeer zwaar beschadigd en sindsdien is het een ruïne op de toren na die is herbouwd.




Rechts van de Maria-Madalenakerk staat in een klein plantsoen achter het gebouw van het Militair Historisch Museum het standbeeld van János Kapisztrán.
Deze franciscaner monnik was een Italiaans theoloog en werd op 24 juni 1386 in Capestrano (het Koninkrijk Napels) geboren met de naam Giovanni da Capestrano. Hij overleed op 23 oktober 1456 te Újlak in het Hongaarse koninkrijk aan de pest.

Hij was theoloog, volksprediker en inquisiteur en streng voorstander van de leer van Rome.









We wandelen tussen de toren van de Maria-Magdalenakerk en de zijmuur van het Militair Historisch Museum door en komen uit op de voor het voor het Militair Historisch Museum gelegen brede wandelpromenade, de "Arpad Toth Promenade (Setany)", die vol ligt met oude lopen van kanonnen., waarvan sommigen van sierlijk gietwerk zijn voorzien.
We wandelen verder over de promenade in de richting van het Esztergombastion en hebben een mooi uitzicht op het moderne stadsdeel van Buda. Op dit bastion staat een zeer hoge vlaggenmast met er in de Hongaarse vlag.
Op de gehele wandelpromenade rond het Militair Historisch museum staan oude stukken oorlogsgeschut opgesteld.



                                           (Zicht op het moderne stadsdeel van Buda.)

Op het Esztergombastion staat ook een borstbeeld van de Ottomaanse strijdheer Pasja Abdurraham.
Hij was streed onder Grootvizier Sari Suleiman Pasja tijdens de begering van de burcht door de troepen van de heilige Liga, wat een einde betekende, na een beleg van 6 tot 10 weken, aan de Ottomaanse overheersing Van Hongarije.
Abdurramhan sneuvelde bij deze strijd en werd hier begraven.
We wandelen nu verder over de vestingmuur naar het Anjoubastion, waar we de vestingmuur met een lift verlaten, daar deze is afgezet wegens restauratie werkzaamheden.
Zo vervolgen wij onze wandeling door een park gelegen onderaan de vesting muur.


(Bij de Weense Poort nog een zicht op het gebouw van het Rijksarchief.)

Na het passeren van de Weense Poort in de vestingmuur komen we in een park dat vol staat met standbeelden in roze graniet of in brons, van vorsten en bekende Hongaarse componisten, zoals Zoltan Kodaly. 

De wandelpaden in het park lopen langzaam naar beneden af met hier en daar trappen.
Maar dan is het onverwacht afdalen via lange trappen naar het niveau van het onderaan de burchtmuur gelegen stadsdeel en komen zo uit op het Batthynany plein.
Op dit plein staat de Sint-Annakerk (Szent Anna Templon).


Vlak na het passeren van de Weense Poort komen we een modern standbeeld tegen van een koninklijk echtpaar in rood graniet.
Het zijn koning Jagiello en koningin Jadwigga van Polen.
Jagiello was grootvorst van Litouwen en koning van Polen onder de naam Wladyslaw II.
Jadwigga was de jongste dochter van Lodewijk de grote van Hongarije en Polen.







De Sint Annakerk is een barokke kerk gelegen in de Waterstad aan het Batthyánplein in het stadsdeel Buda.
De bouw van de kerk begon in 1740 onder leiding van de architect Kristóf Hamon. Na diens dood in 1748 werd zijn werk voortgezet door Máté Nepauer. In 1761 kwam de bouw gereed.
De buitenzijde van deze kerk wordt beheerst door de twee fraaie identieke torens met hun met koper beslagen torenspitsen.
De façade is versierd met beelden, met in het midden de heilige Anna met de maagd Maria gemaakt door Károly Bebo. Boven de ingang zijn zeer fraaie beelden aangebracht.
De ovale koepel binnen in de kerk is voorzien van fresco's van een onbekende Hongaarse schilder, alsmede een aantal schilders van die tijd. Enkele zuilen omgeven het hoofdaltaar.



Hiermede kwam een einde aan ons bezoek aan stadsdeel Buda.
Op een terras genoten we onder het genot van een heerlijk koel glas Hongaars bier  nog even van het uitzicht over de Donau op het Parlementsgebouw in Pest.

Onze chauffeur die ons naar Buda had gereden in de ochtend kon door werkomstandigheden ons niet terug rijden naar Dunabogdány.
We namen het besluit om vanaf Buda met de een treintje naar Szentendre te gaan en daar de bus te nemen.


Het treintje was een smalspoor boemel die tussen Buda en Szentendre in totaal 18 stops maakte. Alle ramen stonden open om wat verkoeling binnen te laten.
Het treintje zat vol met studenten, die op vertoon van hun schoolpas gratis vervoer hebben in het openbaar vervoer. Dit is iets waar ook mensen van boven de 65 jaar van kunnen profiteren en die zelfs gratis toegang krijgen tot musea. Zonder meer een mooi systeem.
Bij aan komst in Szentendre bleek dat de bus net weg was en we ruim drie kwartier moesten wachten op de volgende en dus maar een taxi genomen waarvan de prijs enorm meeviel.


Na een maag vullend diner in ons vaste restaurant keerden we terug naar onze stam wijnhuis om daar nog een heerlijke koele rosé te drinken en de door ons bestelde wijn af te halen.
het werd deze avond niet laat, daar we de koffers moesten pakken en de volgende ochtend vroeg op moesten voor ons vertrek naar het vliegveld van Boedapest.
Arno de eigenaar van het wijnhuis zou ons vroeg ophalen en naar het vliegveld rijden.





                                                                         VÉG.