donderdag 4 november 2010

CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (Deel 3)





CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (3)





ZIJN LAATSTE REIS.


Columbus overleed op 20 mei 1506 in het klooster van Valadolid. Het was zijn laatste wens geweest om na zijn dood begraven te worden in de Nieuwe Wereld. na veel hier en weer gesleep met zijn stoffelijk overschot, werden deze uiteindelijk in 1537 overgebracht naar Santo Domingo in de Dominicaanse Republiek.

In 1898 gedurende de Spaans, Frans en Engelse oorlogen kwam de kist met de botten van Columbus weer terug naar Spanje en werd deze bijgezet in een praalgraf in de kathedraal van Sevilla. Op het praalgraf dragen de koningen van Castilië, Leon, Aragon en Navarra het lichaam van Columbus.

Columbus werd volledig in ere hersteld en zo ook zijn familie. getuigende het wapen van de famlie.

In het wapen zijn afgebeeld de door hem ontdekte eilanden, kasteel, een gekroond gaande leeuw en vijf scheepsankers.


Later werd er beweerd, dat men de verkeerde kist met botten had meegenomen uit Santo Domingo en zo begon het geharrewar wie de echte stoffelijke resten van Columbus in bezit zou hebben.

Door een uitgebreid DNA onderzoek en het opgraven van de stoffelijke resten van een van zijn broers is uiteindelijk gebleken in 2006 dat de botten in het praalgraf in Sevilla van Columbus zijn.










NAWOORD.

Columbus is er zelf nooit in zijn leven van doordrongen geweest dat hij een nieuw werelddeel had ontdekt. De naam Amerika is afgeleid, van de naam, van de Italiaan Amerigo Vespucci (1454-1512). Het was naar aanleiding van een brief van Vespucci, waarin hij verslag deed van zijn reizen naar de Nieuwe Wereld, dat de kaartenmaker Martin Waldseemüller in 1507 een kaart deed publiceren waarop de naam Amerika voorkwam. Hij was er vanuit gegaan, dat Vespucci dat land ontdekt had en waar we nu van weten, dat hij deze reizen nooit heeft gemaakt. Toen de kaartenmaker later vernam, dat het niet zo was, waren er al duizenden kaarten in de omloop gebracht en ondanks dat hij op nieuwe kaarten de naam veranderde in Tera Incognito (onbekend land) bleef de naam Amerika populair en is nooit meer veranderd.
Uiteindelijk blijken dat de Vikingen te zijn geweest die het eerst via Groenland en New Foundland Amerika bereikten en vermoedelijk ook contact hebben gehad met de oude bewoners van Mexico de Maya's.
Op het monument voor Columbus in Barcelona staat zijn reisverhaal afgebeeld, met afbeeldingen van de vorsten die hem steunden, zijn familie en ook de Indiaanse bevolking en de Roomse kerk. Via een kleine lift is het mogelijk de top van de zuil te bereiken.
Zijn naam kende verschillende spellingen;
Catalaans : Cristòfor Colom. Italiaans : Cristoforo Colombo. Latijn : Christophorus Columbus. Portugees : Cristóvão Colombo. Spaans : Cristóbal Colón.


CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (Deel 2)



CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (2)





THE WAY WEST.




                       "Daar ligt Indië in het oosten en ik zal de weg vinden via de westelijke route".

DE EERSTE REIS.


Het originele logboek van deze eerste reis van Columbus is verloren gegaan, maar de inhoud is grotendeels bekend door Bartolomé de las Casa geredigeerde versie. Hoewel Columbus de dateringen, positiebepalingen en afgelegde afstanden nauwkeurig bijhield, hield hij de meeste gegevens voor zijn bemanning verborgen en gaf hun zo de indruk dichter bij huis te zijn dan in werkelijkheid.

De vloot van drie schepen vertrok uit de haven Palos de la Frontera, aan de oever van de Rio Tinto bij Heulva. Beide broers Martin- en Vincente Pinzòn voerden het bevel over de Pinta en de Niña. Columbus zelf was gezagvoerder op de Santa-Maria.

De Spaanse overheid liet de inwoners van het plaatsje Palos als straf voor eerder begane overtreding voor de kosten van de reis opdraaien. Na een tussenstop op de Canarische Eilanden, voor het uitvoeren van scheepsreparaties en het inslaan van proviand, begon de vloot op 6 september 1492 vanuit San Sebastián de la Gomora met een goede passaat wind aan de oversteek van de Atlantische Oceaan.

Op 12 oktober 1492 kwam er land inzicht. Columbus ging er vanuit in Indië aangekomen te zijn, maar het was het eiland Guanahani, een van de Bahama-eilanden. Hij noemde de bewoners Indianen. Verder ontdekte hij Cuba en Haïti (Hispaniola). Op kerstavond 1492 leed de Santa-Maria schipbreuk en kreeg hij van de inwoners van Haïti toestemming om een nederzetting te bouwen, die hij La Navidad noemde, de eerste Europese nederzetting in de Nieuwe Wereld. (Afgezien van de nederzettingen die de Vikingen reeds gebouwd hadden). Met de Niña keerde hij weer terug naar huis en kwamen ze in een zware tropische storm terecht, maar wisten uiteindelijk veilig de Azoren te bereiken. Op 4 maart 1493 bereikten de twee overgebleven schepen Lissabon, van waaruit hij naar de Spaanse Koning in Barcelona reisde.

DE TWEEDE REIS.



Nog in het zelfde jaar, 1493, in september vertrok Columbus met een vloot van 17 schepen uit de haven van de stad Cádiz. Het eerste land dat ze weer zagen na de oversteek was het eiland Dominca en zo ontdekten ze ook Guadeluope en Puerto Rico. Bij terugkeer op de nederzetting La Navidad, waar hij 39 bemanningsleden had achtergelaten, vernam hij dat deze allemaal door de Indianen waren omgebracht. Hij stichTte hierna een nieuwe kolonie op Hispaniola: Santo Domingo, de hoofdstad van wat nu de Dominicaanse Republiek is en riep hij zich zelf uit in naam van de Spaanse Koning tot Gouverneur. Voor weer terug te keren naar huis voer hij eerst westwaarts en ontdekte het eiland Jamaica en volgde daarna een groot deel van de zuidelijke kust van Cuba, waarvan ze dachten dat het een deel van het vaste land was. Bij terugkeer in Spanje gaf hij veel kostbare geschenken aan de koning en koningin.

DE DERDE REIS.
Gedurende de derde reis ontdekte Columbus in 1498 het vasteland van Zuid-Amerika, bij de rivier de Orinoco en het eiland Trinidad. Op Hispaniola kreeg hij te maken met muiterij en werden veel Indianen mishandeld en vermoord. Columbus trachtte orde op zaken te stellen, maar dat lukte hem niet. Intussen begonnen zijn vijanden aan het thuisfront zich te roeren en hem te beschuldigen van diefstal en machtsmisbruik.
Na steeds weer veel klachten over Columbus te hebben vernomen stuurde de Spaanse koning zijn gezant Francisco de Bobadilla naar de Nieuwe Wereld om deze klachten te onderzoeken. Deze Bobadilla was ook niet geheel onpartijdig. Bobadilla had een volmacht om Columbus en zijn broers gevangen te nemen en hun van alle rechten en titels te ontheffen, zoals "Admiraal der Oceanen". Columbus en zijn broers Diego en Bartolemeo hadden het getij tegen zich en vooral de aanwezige geestelijken van de Roomse Kerk. Ze werden het zelfde jaar, 1500, ontnomen van al hun titels en voorrechten, in de boeien geslagen en teruggevoerd naar Spanje, waar ze op 20 november 1500 aankwamen. Bobadilla verging met zijn schip op de thuisreis en daarbij verdween ook het belastende materiaal met de 'bewijzen' in de golven.

Na bijna twee maanden in de gevangenis doorgebracht te hebben, werd Columbus ontvangen door het Hof. Hij verzocht om eerherstel, maar daar ging het Hof niet op in, maar hij mocht wel zijn titels houden. Hij werd op vrij voeten gesteld en verloor het gouveneursschap van Hispaniola. Hij bleef vechten voor zijn eerherstel.


DE VIERDE REIS. Uiteindelijk kreeg Columbus, nadat men was overtuigd van zijn onschuld, toestemming in 1502 voor een vierde reis en ging hij opzoek naar een doorgang in Midden-Amerika. Hij was nog steeds in de overtuiging dat hij Oost- Azië had bereikt. Over een dergelijke doorgang werd geschreven in de reisverslagen van Marco Polo, waarmee vermoedelijk Straat Malakka werd bedoeld, tussen het Indonesische eiland Sumatra en het land Malysië. Hij bevoer de Midden-Amerikaanse kust tot Panama en ontdekte dat de 'Indiaanse' bevolking daar een hoger beschavingspeil hadden dan die op de eilanden. Columbus werd die reis regelmatig ernstig ziek en ook de schepen raakten door de paalworm in slechte staat. Uiteindelijk strandde hij op Jamaica, waar hij twee jaar verbleef eer er hulp kwam uit Santo Domingo in 1504. Een jaar later was hij terug in Spanje waar hij een teruggetrokken leven ging lijden.


                                                         (Overlijden en nawoord deel 3)




CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (Deel 1)





CHRISTOPHORUS COLUMBUS. (1)


Aan het einde van de prachtige wandelboulevard, de Rambles in Barcelona, staat op een fraai sokkel een slanke zuil met er bovenop een beeld van Columbus.

Wie was deze Columbus en waarom een monument voor hem in Barcelona de hoofdstad van de huidige Spaanse provincie Catalonië.

Nog steeds buigen historici zich over zijn ware levensgeschiedenis. Een geschiedenis, waar hij zelf ook weinig over heeft losgelaten tegen zijn zoon Diego (de eerste biograaf van Columbus).

Over een ding zijn de geleerden het eens, dat Columbus rond 1451 in Genua is geboren, welke stad toen nog tot het groot Spaanse rijk behoorde. Recentelijk onderzoek heeft uitgewezen dat Columbus uit een adellijke bankiersfamilie (Colom) in Barcelona afkomstig is. Columbus was een intelligent persoon en kon reeds op jonge leeftijd lezen en schrijven, maar uit al zijn brieven blijkt, dat hij geen Italiaans kon en deze brieven schreef in het Spaans met Catalaanse taalaanwijzingen.


Het vermoeden bestaat, dat hij in 1467 als Catalaans piraat (opstandelingen tegen de heersende koning en konining van Spanje) betrokken is geweest bij een zeeslag tegen de Spaanse marine.

Hij zou gediend hebben onder admiraal Colom, vermoedelijk zijn oom, die de Catalaanse vloot leidde. Toen reeds streed Catalonië voor een onafhankelijke staat.

Dit is vermoedelijk de reden dat hij zijn ware komaf verzweeg voor het Spaanse hof om zijn reizen via de west naar Indië te financieren en de Catalanen hem zien als een soort vrijheidsstrijder.



Columbus ging werken als koopman bij een Italiaanse handelsmaatschappij en voer op diverse landen rond de Middellandse Zee. In 1476 wordt de vloot, waar ook het schip van Columbus deel vanuit maakte, op weg naar Engeland door Franse piraten overvallen. Het schip van Columbus werd tot zinken gebracht en hij zelf spoelde meer dood dan levend aan bij Kaap Sint-Vincent.
Na zijn herstel reist hij naar Lagos in de Algarve (Portugal), waar zijn broer Bartolomeus zich als kaartenmaker had gevestigd. Zo werd Portugal zijn thuishaven. Hij huwde de dochter van de gouverneur van Madeira, Filipa Moniz, die hem zijn zoon Diego schonk.
In zijn Portugese periode maakte hij reizen naar Noord-Europa en West-Afrika.

Reeds vroeg vatte hij het plan op - steunend op de kennis van de sterrenkundige Toscanelli - om Indië vanuit het westen te bereiken. In 1484 diende hij een verzoek in bij de Portugese Koning Johan II om steun voor een expeditie naar Indië via de westelijke route, maar dit werd verworpen. In die tijd beheersten de Portugezen de route via Afrika naar Indië. Hierop verlaat hij Portugal om zich in Spanje te vestigen en vraagt in 1485 steun voor deze expeditie aan de Spaanse Koning Ferdinand en Koningin Isabella, die het ook verwerpen. Hij deed het zelfde verzoek aan het Franse- en Engelse hof zonder enig resultaat.

Pas na de val van de stad Granada kregen de Spanjaarden weer belangstelling in het project en na moeilijke onderhandelingen kreeg op 17 april 1492 Columbus de goedkeuring van het Spaanse hof en vertrok hij met drie schepen, de karvelen Pinta en Niña, en het vlaggenschip de kraak Santa-Maria, op 3 augustus naar het westen.

Door zijn contacten met sterrenkundigen en andere geleerden raakte ook Columbus in de overtuiging van het feit, dat de wereld niet plat was zoals door de Roomse kerk werd beweerd, maar rond en hij stak deze mening ook niet onder stoelen of banken. Dit maakte hem in de Spaanse kerkelijke kringen in- en rond het Spaanse hof en andere hogere kringen niet populair.


                                                    (Deel twee de reizen van Columbus.)

vrijdag 29 oktober 2010

WAREN DE MAYA'S OP JAVA ? DE SUKUH TEMPEL.


WAREN DE MAYA'S OP JAVA? 

DE SUKUH TEMPEL.




CANDI SUKUH TEMPEL.

J.l. kwam ik via vrienden in het bezit van een serie opnamen van deze tempel, gelegen op 910 meter hoogte, op de hellingen van Gunung Lawu (A) welke berg op de grens ligt van Centraal-Java en Oost-Java in Indonesië. De tempel ligt vlak bij het dorpje Karangpandan zo'n 16 kilometer ten oosten van de stad Solo (Surakarta).
Net zoals bij de Borubudur werd op onverklaarbare wijze het complex door de toenmalige bouwers verlaten en nam de natuur het over en overwoekerde het geheel.
Deze één van Java's mysterieuze en frepante tempels werd in 1815 weer ontdekt door een inwoner van Sukarta, Johnson, tijdens de periode van het Raffles bestuur over Indonesië. Nederland werd in die periode door de Fransen overheerst.





In de volksmond heet dit complex Sukuh tempel. De tempel strek zich uit van het oosten naar het westen op de helling. De hoofdingang ligt aan de westelijke zijde. De bouw van de tempel wordt geschat uit de periode van de 15e eeuw en doet pre-historisch aan en doet denken aan het tijdperk van Meghalitic Punden Berundak (terras graven).




Echter, waar de meeste tempels een groot plein als heiligdom hebben is de vorm van deze tempel een afgeknotte piramide opgebouwd uit ruw uitgekapte stenen, wat het geheel een indruk geeft van de bouwstijl van de Maya's uit Midden-Amerika, terwijl de uitgekapte beelden in de 'wayang stijl' zijn, wat speciaal is voor Oost-Java. De tempel heeft drie concentrische terrassen welke onderling verbonden zijn met een toegangspoort en trappen. De afbeeldingen zijn ruw en rommelig. De tempel is zeer wild erotisch, maar in een humoristische manier gepresenteerd zoals de stenen penis en de bedoelde vruchtbaarheidselementen van de vagina is normaal zichtbaar weergegeven



Overal waar je ook kijkt rondom de tempel, staan beelden van mannelijke leden in overvloed. Het zijn niet de abstracte fallussen als het Hindoe-lingam symbool. Uitgehouwen in de vloer voor de eerste toegangspoort ligt een mannelijk en vrouwelijk geslachtsdeel in de liefdes daad. Ook op de stenen panelen staan de mannen naakt vanaf hun middel. Afbeeldingen van bloemen zijn overal te vinden als het symbool van de dorpelingen dat hun huwbare vrouwen nog maagd zijn. De vrouw draagt een sarong en gaat naar de (ligam) penis en als de sarong is gebroken betekend dat, dat haar (yoni) vagina onbeschadigd is als bewijs.
Voor de ingang van de piramide staan willekeurig opgesteld drie afgeknotte beelden van schildpadden welke vermoedelijk gebruikt werden als altaar voor het aanbieden van offers.



Andere interessante afbeeldingen staan tussen de bomen zoals een groot monument voor de god Bima, de Mahabharata oorlogsheld, de zwaard maker, met Narada, de boodschapper van god in een baarmoeder afbeelding bij de geboorte van Bima.
Candi Sukuh wordt ook wel een 'vruchtbaarheids' tempel genoemd. In het geval van Candi Sukuh is deze naam ergens niet op zijn plaats. De tempel werd gebouwd rond de tijd van een bloedige burgeroorlog tussen het islamitische noorden en het hindoe zuiden, dat de moslims aan het winnen waren. Veel hindoe's vluchten in die tijd naar het eiland Bali.
Daar de tempel gewijd is aan de god Bima, de zwaard maker, lijkt het redelijk te veronderstellen dat de tempel meer een is van het soort "we zullen winnen, want onze lullen zijn groter dan de hunne" , wat een oude militaire mentaliteit vertegenwoordigd.





zondag 24 oktober 2010

EENS STOND HIER - - - (3)



HIER STOND EENS ---- (3)





EEN WITTE- EN EEN ZWARTEMOLEN.



               ( De 'Wittemolen' gezien vanuit de 'Zwartemolen' in het landschap rond Posterholt.)

In 1856 vroeg Jan Verbeek te Posterholt aan het provinciaal bestuur toestemming voor de bouw van een windmolen. Verbeek zelf maakte geen gebruik van de vergunning, dat deed Peter Smeets, landbouwer, brouwer en wethouder van Posterholt. In 1857 was de 'Wittemolen' gereed. Peter Smeets en Gerardus Bosch waren samen eigenaar. In dat zelfde jaar verkochten zij de molen weer aan de landbouwer Bartholemeus van Apperen te Posterholt. In 18867 brandde de molen af en van Apperen verkocht het erf aan Jan Verbeek die de molen liet herbouwen en een jaar later in gebruik nam.
Jan Verbeek was afkomstig uit Geldrop (N.B.). Hij werkte op de 'Zwartemolen' en wilde in 1847 de molen van de familie Janssens kopen. De transactie ging echter niet door. Jan Verbeek bleef twee jaar in het bezit van de 'Wittemolen'. In 1870 werd Mechtitdis Jeurissen, de weduwe van Hendrik Reumers te Posterholt door koop eigenaresse. In 1890 verkochten de erfgenamen de molen aan Lambert Verbeek te Posterholt. In de loop der jaren kwamen in de familie Verbeek een aantal boedelscheidingen voor. Uiteindelijk na 1935 waren de Gebr. Jan en Jos Verbeek de laatste eigenaren.


De 'Wittemolen' was een fraaie slanke molen, met een stenen romp, op een belt met een vlucht van 25 meter, een bovenkruier met buitenkruiwerk. In de jaren twintig brak de houten askop en het houten gevlucht stortte neer. De molen kreeg een ijzeren as, afkomstig van de achtkante stellingmolen, de Teurlingsmolen uit Tilburg, die in 1926 werd onttakeld.

Door de Gebr. Sjang en Sjef Hendrickx uit Beegden en Heel werden tevens een gebruikte ijzeren potroede en een nieuwe stalen roede, gebouwd door Gebr. Fransen te Vierlingsbeek, gestoken. Op de molen lagen een koppel 17-er blauwe Duitse stenen en een koppel 17-er kunststenen. Beide koppels waren van een regulateur voorzien, die de maaldruk van de stenen en daarmee de draaisnelheid van de molen regelde. De handbediening van de steenlicht kon grotendeels achterwege blijven. Bij niet te grote uitschieters van de windsnelheid kon een goedgebouwde en goed afgestelde regulateur de windmolen automatisch regelen.

In de jaren dertig na de koop van de 'Zwartemolen' werd door de Gebr. Hendrickx een elektrisch drijfwerk op een van de twee koppel stenen aangebracht. Dit drijfwerk bestond uit een horizontaleas, die met een riem door een elektromotor werd aangedreven en een conische tandwieloverbrenging op de steenspil. Het staakijzer met het rondsel werd gehandhaafd voor de aandrijving van de koning waarop het luiwerk en de mengketel waren aangesloten. Ook stond op een van de zolders nog een koekenbreker, waarmee lijnkoeken werden gebroken voordat ze tot meel werden vermalen. Werd er elektrisch gemalen dan werden enige kammen uit het aswiel genomen zodat de koning vrij kon draaien.
In de zomer van 1943 brachten de Gebr. Hendrickx op aanwijzingen van Chr. van Bussel uit Weert stroomlijwieken aan voorzien van uitneembare stormborden of steekborden. In 1944 vond nog een grote herstelbeurt plaats. Begin september van dat jaar zouden de wiekverbetering en het herstel met een groot feest gevierd worden. Vanwege de dichterbij komende oorlogshandelingen bleef het feest tot een kleine kring beperkt.


Posterholt nam evenals Montfort in november 1944 duizenden evacués op, afkomstig uit de dorpen in het frontgebied van de Roer driehoek. Onder zeer moeilijke omstandigheden hebben de windmolens van oktober 1944 tot half januari 1945 gemalen om het benodigde meel voor de broodvoorziening te kunnen leveren. Andere vormen van energie dan wind waren in Posterholt niet meer beschikbaar.
In de nacht van 24 op 25 januari 1945 werden de beide molens boven de molenberg door de Duitsers opgeblazen en verdwenen daarbij voorgoed uit het landschap. In de vroege ochtend van 25 januari werd Posterholt bevrijd. De zelfde dag werd het dorp zo hevig door de Duitse artillerie beschoten dat een groot deel van de bevolking op Brits bevel naar het zuiden geëvacueerd moest worden.
In 1945 maakte Chr. van Bussel uit Weert een schade rapport op van beide molens. Zij werden echter niet meer herbouwd. De Gebr. Verbeek schakelden over op een elektrische maalderij. De nakomelingen van Jan Verbeek vestigden zich op wind- en watermolens en gedurende een eeuw was Verbeek een bekende molenaarsfamilie in Limburg.

Het enigste wat nu nog herinnerd aan deze twee molens zijn de straatnamen die er nog eens duidelijk op wijzen dat de molens 'WEG' zijn.







vrijdag 22 oktober 2010

EENS STOND HIER - - - (2)



EENS STOND HIER ---- (2)





HOEVE 'DE BRIGIT'.






De Linnerheide is vandaag nog maar een klein restant van het vroegere uitgestrekte gebied met woeste gronden. Alleen de naam duidt nog op de uitgestrekte heidevelden die men hier vroeger aantrof. De Linnernaren lieten hier hun schapen weiden en haalden er hun strooisel voor de stallen. Einde 19e eeuw werden grote delen van de heide ontgonnen en in cultuur gebracht.

Nieuwe boerenbedrijven ontstonden op de schrale heidegrond en maakten van de heide vruchtbare akkers. Pas in de periode tussen 1935 en 1948 werden de overblijvende woeste gronden door de gemeente Linne beplant en als cultuurbos in exploitatie genomen.

Het gehele gebied is na herindeling aan de gemeente Roerdalen toegekomen.


Zo stonden er aan de Heiweg ook nog enige boerderijen, zoals de Hoeve Buurhofshof  (Buurhaofshaof) of te wel de Hoeve de Brigit welke in 1918 werd gebouwd. Men sprak ook wel van Bregit afkomstig van de naam Brigitta, een waarschijnlijk oude bewoonster.

Vermoedelijk is de naam Buurshof een verschrijving van de naam Burgshof, een familie die in het bezit was van veel landerijen.

Op de afbeelding, welke is gemaakt in 1943, is duidelijk de zware oorlogschade te zien. Na de oorlog werd de hoeve niet meer herbouwd en raakte in verval.

Vanwege instortingsgevaar werd de hoeve gesloopt en de kelders volgestort met zand.

Een keldergewelf werd gedeeltelijk afgesloten met een stalen deur en de toegang werd ommuurd daar er vleermuizen in huizen.

( Aan de ingang van het bospad staan twee enorme Kastanjebomen. Op het kaartje gemerkt als groene stippen. Na ruim veertig meter is de plaats waar de hoeve heeft gestaan en het keldergewelf ligt met de vleermuizen behuizing. Gemerkt als rode ster op het kaartje.)


donderdag 21 oktober 2010

EENS STOND HIER - - - (1)



EENS STOND HIER ----- (1)





VILLA BETULA.



In de gemeente Linne (Maasgouw) ligt tussen de Ossenbergweg en de loop van de Vlootbeek een natuurlijke verhoging aan de rand van het uiterwaarden land van de rivier de Maas. Rond 1890 werd daar, voor die tijd een lux en fraai, woonhuis gebouwd en een park met vijver aangelegd: VILLA BETHULA zoals men toen de naam schreef. Op de zwart-wit opname uit 1918 is de achterzijde van dit fraaie woonhuis te zien.



Door het geweld van de 2e Wereldoorlog raakte dit fraaie woonhuis zwaar beschadigt en werd het onbewoonbaar. Het is na de oorlog niet meer herbouwd en de resten bleven nog jaren lang staan in het afgesloten gebied.
Rond de zeventiger jaren van de 20ste eeuw werd door de eigenaar besloten tot gehele sloop in verband met instortingsgevaar. Resten van het sloopwerk zijn in de afgelopen jaren overwoekerd door de natuur en het park raakte verwilderd.



Intussen is het gebied weer open voor het publiek en loopt en een wandelroute doorheen langs de Vlootbeek en door de verwilderde natuur.



maandag 18 oktober 2010

TERUGBLIK NAAR TOEN IN DE LINNERWEERD.



TERUGBLIK NAAR TOEN 

IN DE LINNERWEERD.





JAREN SIERDEN ZE HET LANDSCHAP VAN DE LINNERWEERD.
SINDS ENIGE JAREN IS DE TIJD VOOR ZE GEKEERD.
WATEROVERLAST, STORM EN REGEN,
DAT HADDEN ZE TEGEN.
ZODOENDE VIELEN ZE TRAAG,
VOOR HET GEWELD VAN DE KETTINGZAAG.
MAAR IN FEITE LIET DE NATUUR ZE VERGAAN.
GELUKKIG IS DE LINNERWEERD BLIJVEN BESTAAN.

( De Linnerweerd is in het Midden-Limburgse Maasdal nog een van de minst geschonden uiterwaard landschappen met de loop van de Vlootbeek er doorheen.)


zondag 10 oktober 2010

OUD ROTTERDAM VAN VOOR WO-II.



OUD ROTTERDAM VAN VOOR WO-II.






VERLOREN KARAKTERISTIEK
VAN

ROTTERDAM.
TEKENINGEN VAN
LEO ZELDENRUST.
( Gedeelte van de tekst is van H.C.Hazewinkel)

Rotterdam was vroeger vanouds een stad van werkers, waar het geld verdienen op de voorgrond stond, waar het, als je hierin geslaagd was, wel plezierig was om te wonen en je aan de oevers van de Maas of in de Polderlanen naar behagen in te richten, maar waar je als toerist toch niet op de eerste plaats heen trok om nieuwe verrassende indrukken op te doen, omdat je er gauw uitgekeken was en er eigenlijk niet veel te beleven viel.


O ja, die zelfde toeristen roemen in hun nagelaten reisbeschrijvingen met opvallende eenstemmmigheid de properheid van de stad en haar onvergetelijke mooie ligging aan de bocht van de brede rivier de Maas en, geneigd als wij mensen zijn nu eenmaal om causale verbanden te leggen, komt ons bij het lezen daarvan onwillekeurig het woord "naschrijverij" op de lippen. Toch is dit laatste vermoedelijk maar een heel enkelen keer het geval en hebben we te doen met onafhankelijk van elkaar gevormde observaties: want Rotterdam wás vroeger een aantrekkelijke stad, waar het frisse rivierwater de havens doorspoelde en schoonheid en geen kwalijk riekende geuren uit de stilstaande grachten opstijgen konden als zo vaak in andere steden, die op hogere ouderdom en eerbiedwaardige herinneringen konden bogen, een stad bovendien met veel eigen bekoring: drukte van laden en lossen uit de zeeschepen, die tot in het hart van de stad konden doordringen, gerij van sleden en sleperswagens, gewapper van vlaggen en wimpels van fregatten en korvetten boven de kruinen van de bomen uit, gerucht van passagierend scheepsvolk in zeemanskroegen, geuren van specerijen uit verre landen, volle pakhuizen en deftige koopmanswoningen.


Maar dit alles mocht dan de gemiddelde reiziger slecht voor korte tijd boeien: behalve het standbeeld van Erasmus, waar iedere humanist een pelgrimstocht heen maakte, en de grote kerk met zijn zeehelden-monumenten, bood de woelige handelsstad in architectonisch opzicht weinig interessants en ontspanningsmogelijkheden waren er ook al niet veel: hij verlangde naar het naburige 's-Gravenhage, waaraan het hofleven een kosmospolitisch cachet gaf en waar wellicht een of ander galant avontuur lokte, of naar Amsterdam, waar het leven met volle teugen genoten kon worden, waar kunsten en wetenschappen bloeiden en verworven rijkdommen met statige pronk werden genoten en ten toon gespreid.

Maar er kwam een tijd, dat er zelfs op het eerste gezicht weinig bekoring meer uitging van Rotterdam, da het koor van de lofredenaars plotseling verstomde. Dat was toen de aanleg van het spoorwegviaduct door het lichaam van de oude binnenstad de intieme beslotenheid van de stadskern onherroepelijk schond en de ontluistering van wat allengs van woonwijk tot zakenkwartier degradeerde, snel om zich heen greep onder de leuze: sanering (waarvan we overigens niet gaarne iets kwaads zouden willen zeggen) hele straten te offer vielen aan de verkeers- en hygiënische eisen van de moderne tijd. Dagelijks stonden de slopers gereed om zich op een nieuwe prooi te werpen.


Tussen de beide Wereldoorlogen heeft het ontluisteringsproces zich verder voltrokken. Zeker de brede havens waren er nog wel en het loog van iepen en platanen verborg barmhartig de armoede van veel moderne gevel architectuur, maar wie bekommerde zich eigenlijk nog om die gore gribus van steegjes en sloppen, waar je bij het passeren van Visserdijk of Goudsesingel tersluiks, en niet zonder kippenvel te krijgen, even in gluurde? En toch vielen er voor een geoefend oog wel kleine vreugden te beleven in deze ongure doolhof, waar bezinksel van de maatschappij zijn leven doorbracht in vervuiling en ontucht: een scheefgezakt oud huisje, een tuitelig trapgeveltje hier, een schilderachtig binnenplaatsje, een uitgestorven straatje daar. Kort voor de 2e Wereldoorlog, die Rotterdams binnenstad op een enkele middag wegvaagde, heeft de tekenaar L.K.Zeldenrust deze tekeningen gemaakt.

Kaartje van de binnenstad van Rotterdam met nummers die overeenkomen met de tekeningen.


Rotterdam is direct na het bombardement begonnen met puinruimen en de wederopbouw. Panden die het bombardement hebben overleefd staan nu nog overeind tussen het moderne hart van deze, nog altijd bouwende en vernieuwende, kosmospolistische wereldhaven met zijn fraaie skyline. Rotterdam leeft!
( Het boekje werd uitgegeven in 1945 door Ad Donker - Uitgever Antwerpen en Rotterdam.)





GESPREK MET 'OOME AI'. ANNO 3 APRIL 1940.



GESPREK MET 'OOME AI' 

     ANNO 3 APRIL 1940.



HET GESPREK.

In het boothuis aan een van onze plassen treffen we "Oome Ai": Vanzelfsprekend.
Oome Ai is bij ons weten altijd aanwezig: s'zomers als er gezeild wordt, in het najaar als de booten worden opgeborgen, in den winter als er boten worden gebouwd of opgeknapt en in het voorjaar als ze weer te water gaan.
Oome Ai, klein stevig mannetje, felle blauwe zeemansoogjes, grijs haar ( hij is al zeventig), onafscheidelijk pijpje en blauwe schipper trui, is steeds bezig op of bij het water. Hij is bij iedere watersporter in de omgeving bekend om zijn humor en om zijn verhalen over het leven als zeeman en later als binnen schipper, die soms werkelijk aan het ongeloofelijke grenzen.
Maar Oome Ai wordt ook algemeen gewaardeerd op zijn hulpvaardigheid. Heel wat nieuwelingen heeft hij ingewijd in de geheimen van de edele watersport. En in zijn motorboot, een halve woonschuit van alle gemakken voorzien, hebben heel wat Hollandsche jongens de eerste aarzelende stappen gezet op het glibberig pad van het splitsen en knopen.
Was er iets kapot of wist je ergens geen raad mee, Oome Ai stond altijd klaar om je te helpen of een vaderlijke raad te geven.

Vandaag is hij in overall gekleed en druk in de weer met bussen verf en blikken vernis. Wij begroeten hem, na onze winterslaap, als watersport liefhebbers als een soort lentebode en er ontspint zich een gesprek. We vinden dat Oome Ai er goed uit ziet. Ja, dat klopt, zegt hij, want deze winter heeft hij weer een poosje gevaren op een Rijnschip en dat heeft hem weer opnieuw jong gemaakt. Hij haalt zijn portefeuille uit zijn zak en vertoont ons fotokaarten uit Duitsland en België en vertelt een en ander van zijn belevenissen met zijn gewonnen humor.



Natuurlijk komt het gesprek op den oorlog. Een van ons zegt ongezouten zijn mening over het torpederen en beschieten van onze schepen.
"Ja, jongens" zegt Oome Ai op een gegeven ogenblik, als het gaat over het onlangs getorpedeerd schip, "zo is het nou ook gegaan met de X..... Hein, mijn kleinzoon, was machinist op die boot".
We kennen Hein. Een flinke aardige kerel, vol enthousiasme voor zijn werk, knap om te zien in zijn blauw uniform. Met zijn meisje kwam hij tijdens zijn spaarzame verlofdagen wel eens zeilen.
We kenden hem nog meer uit de verhalen van Oome Ai. Wat was hij trots op "zijn enige jongen".

"Is Hein gered, Oome Ai?" vraagt een van ons. de blik van Oome Ai zwerft af naar buiten, waar de voorjaarszon tere tinten tovert op het wijde water. dan zegt hij: "Hein zat in die sloep waar ze nooit meer iets van hebben gehoord ..... Hein is gebleven, jongens".
Zijn lichte blauwe ogen staren over de plassen. Er vertrekt geen spier op zijn bruin gegroefde gezicht. Dan kijkt hij ons weer aan en langzaam zegt oome Ai: "Die meneer in Den Haag weet er meer van. Op die onderzeeër wisten ze precies wat de X..... in had en waar hij naar toe ging".
Er is geen spoor van toorn of verwijt in zijn stem. Onbegrijpelijk. Geen van ons durft iets te zeggen of te vragen. We probeerden de betekenis van Oome Ai's woorden tot ons te laten doordringen. Het lijkt opeens kil op dezen mooie lentedag. Het tocht natuurlijk ook bij de open deur van die loods.

Oome Ai pakt zijn bussen op, recht zijn rug en zegt: "Nou jongens, ik ga nog een beetje kwasten, hoor. Als je me soms nodig hebt, hé . . . . "



( Dit artikel, dd 3 april 1940, vermoedelijk uit het Rotterdams Dagblad kwam ik tegen in een oud boekje met tekeningen uit Rotterdam van voor de 2e Wereldoorlog bij het opruimen van de zolder. Ik heb hierbij de originele tekst aangehouden.)