vrijdag 8 oktober 2010

MOLENS AAN DE ROODEBEEK (LIMBURG).



MOLENS AAN DE ROODEBEEK.

MEINWEGGEBIED - LIMBURG.







Naar Vlodrop-Station gereden aan het spoorlijn traject van de "IJzeren Rijn" dat door het Nationaal Park 'de Meinweg' loopt. Na een mooie wandeling door de natuur kwamen we bij de Dalheimer Mühle net over de grens in Duitsland gelegen.

Dalheimer Mühle, du Waltidyll; Perle der Grenze, so traut und still, Du bist es wert, daß man dein Bild verwendet und mit viel Grüßen in die Ferne sendet.


DALHEIMER MÜHLE.

De Dalheimer Mühle aan de stroom van de Rothenbach (Roodebeek) is in een geschreven schenkingsakte gedateerd 1231, dat zou betekenen dat het de oudste molen tussen de Maas en de Rijn zou zijn. Waarschijnlijk was de gehele molen opgebouwd uit hout.

Tot 1802 behoorde de molen toe aan het vlakbij gelegen Cisterciënser Klooster; ook wel "Vallei van de Hemel" genoemd, waarvan de laatste aanhangers de molen in 1775 geheel renoveerden. Deze verklaring is op een steen te zien boven de ingang van de molen. Na de verplichte sluiting van de abdij door de Fransen kende de molen verschillende eigenaars. Voor het einde van de 19e eeuw werd er een gasthuis aan de molen bijgebouwd met de naam "Waldesruh" (bosrust) en werd het een populaire bestemming voor bezoekers van beide zijden van de grens. in een advertentie uit 1910 schrijft men; "schoonste stopplaats voor een zomerse verfrissing op slechts 5 minuten lopen van Vlodrop-Station in Nederland".

Deze ontspannen stemming werd verstoord door het gevolg van agitatie door de opkomst van het Nationaalsocialisme, wat een moeilijke situatie tot gevolg had. Ook na de oorlog was de situatie in het grensgebied gevaarlijk en iedereen werd beschouw als smokkelaar en werd vaak zonder pardon neergeschoten. Het was bekend uit de geschiedenis dat de molenaar een dubieuze reputatie had en het werd ook verspreid door de roddel in het grensgebied. De grens oversteken zonder in het bezit zijn van een officieel identificatiebewijs was crimineel tot de opening van de EU-grens in 1990.


In 1998 werd de molen door een brand verwoest. Onder de nieuwe eigenaar Willemsen, werd de oude molen langzaam met liefde weer opgebouwd en vernieuwd. Helaas draait het schoepenrad loos en is het gemaal buitenwerking, maar het aandrijfmechanisme en de stenen zijn nog aanwezig.

GITSTAPPERMOLEN.

Aan de Roodebeek of Rothenbach, die bij Wilenrath in Duitsland ontspringt en in Nederland bij Vlodrop in de Roer uitmondt, bevindt zich de Gitstapper watermolen in het dorpje Etsberg (gemeente Roerdalen). De Roodebeek vormt tevens het grootste gedeelte van haar loop, de grens tussen Nederland en Duitsland.

In vroegere tijden werden de wegen en de paden tussen de dorpen zo uitgekozen, door de rondtrekkende mensen, dat zij gemakkelijk beken en rivieren konden passeren. Deze oversteekplaatsen werden de 'stappen' genoemd. Naar een van deze 'stap-namen' is later de Gitstapper watermolen genoemd. In 1296 is er nog sprake van een "Geystap in dem Kersel Vlootdorp". In 1377 wordt door het echtpaar de hertog en de hertogin van Gelre en Gulick de "Geitstapperbeeck beneden den Geitstapperberg" als een geschikte plaats aangewezen voor het bouwen van een molen.


Uit een akte uit 1447 blijkt dat de echtelieden Willem van Vlodrop en Ffelytz een schenking doen aan de pastoor van het begijnhof van Roermond en diens opvolgers. De nakomelingen van deze echtelieden blijven nog vele generaties in het bezit van de molen. het oorspronkelijke molengebouw was uit hout opgetrokken. Pa in 1750 kwam er een stenen molengebouw waarin naast de korenmolen ook een oliemolen was opgenomen. Iedere molen had toen zijn eigen scheprad. Hierna raakte de molen op onverklaarbare redenen in verval.

In 1982 komt er een rapport van de Rijksdienst voor Monumenten, dat het van belang is, dat het gebouw en molenwerk ongeschonden moet blijven, dat het een staaltje vakmanschap uit de 18e eeuw is. In 1987 komt de molen in handen van de gemeente Vlodrop (Roerdalen) en wordt geheel gerestaureerd onder leiding van architect Palmen. De molen is weer volledig in bedrijf met kan er granen laten malen en worden er meelproducten verkocht.



LEONARDUSMOLEN MAASBRACHT.


              LEONARDESMOLEN 

                  MAASBRACHT.



De Leonardusmolen ligt in Maasbracht (gemeente Maasgouw) en is een beltkorenmolen. Tot voor de 19e eeuw had Maasbracht alleen een rosmolen. Een rosmolen is een molen waarbij de aandrijfkracht wordt geleverd door een paard (ros) of een ezel.
Op 16 november 1865 werd aan de heer Renier Hubert Vos vergunning verleend voor de bouw van een windmolen welke in 1867 gereed kwam. Op een plankje gevonden in de molen komt deze naam nog voor 
met het jaartal. De molen welke op naam stond van Helena Vos, echtgenote van Renier Hubert ging verscheidene keren over van eigenaar in de Vos familie.
In 1899 werd de molen met huis en tuin verkocht aan Jacques van de Venne, landbouwer te Maasbracht, met als mede eigenaar Theodoor van de Venne. In 1905 werd de molen met bijgebouwen verkocht aan de familie Faems te Melick welke reeds eigenaar was van de standaardmolen op de Melickerheide. De molen bleef daarna in het bezit van deze familie.
Kort na de 1e Wereldoorlog plaatste Christiaan Faems nog een hulpgemaal in de schuur aan zijn huis. In het midden van de jaren twintig liet hij de molenaars Gebr. Sjang en Sjef Hendrikx uit Beegden-Heel de houten as van de molen vervangen door een gebruikt ijzeren exemplaar. De houten borstroeden werden in de jaren dertig door ijzeren vervangen. Na het overlijden van Chr, Faems in 1933 werd het bedrijf in de familie voort gezet tot na de boedelscheiding in 1947 toen Leo Faems de laatste molenaar was. Een naamplaatje herinnerd aan de laatste molenaar.




Tijdens de slag om de Roerdriehoek in de 2e Wereldoorlog richten granaten enige schade aan toen ze dicht bij de romp insloegen. In 1946 werd de romp hersteld en een andere buitenroede gestoken. In 1947 raakte de bovenas en kap zwaar beschadigd toen de buitenroede tijdens het malen doorschoof en vast sloeg op de belt, waardoor het ashuis afbrak. Een andere molenas werd niet aangebracht vanwege de hoge kosten en werd daarna alleen nog elektrisch gemalen. In 1950 werd de binnenroede uitgenomen en daarna volgde snel de onttakeling door het verwijderen van de kap, de staart, de molenas en het binnenwerk. Een kleine elektrische hamermolen nam de functie van de maalstenen over. In 1973 werd het bedrijf opgeheven.



Rond 1987 begon men zich in te zetten voor het herstel van deze molen. Er werd een stichting opgericht die in korte tijd geld bijeen wist te krijgen om de romp te laten herstellen, de zolders weer aan te brengen en de eerste restauratie tot een maalvaardige molen. De molen heeft een ronde uit bakstenen opgetrokken romp met een houtenkap die is gedekt met dakleer en staat op een belt van 2,9 meter hoog. De wieken hebben een vlucht van 16,3 meter. De wieken zijn in oud-Hollandse vorm in 1992 vervaardigd door "Derckx" en de gietijzeren bovenas met een lengte van 5,53 meter werd in 1877 door "De Prins van Oranje" gemaakt voor de voormalige Oranjemolen in Lewedorp die in 1793 werd onttakeld. (zie foto) De molen is voorzien van een Engelskruiwerk met 30 rollen en kruilier en een Vlaamse vangtrommel. De molen heeft nu één koppel maalstenen. Op 17 juni 2000 werd de nu weer maalvaardige korenmolen officieel hernieuwd in gebruik genomen. De huidige eigenaar is de Molenstichting Maasbracht. Zondag 3 oktober 2010 werd het 145 jarig bestaan van deze molen feestelijk gevierd.

De molen die eerst aan de zuidelijke kant van Maasbracht lag is door de stadsuitbreiding intussen binnen de bebouwde kom komen te liggen. Vanuit de top van de molen heb je prachtig uitzicht over het landschap. (klik op de afbeelding met de linkermuisknop om hem vergroot te bekijken)



dinsdag 5 oktober 2010

MOLENS VAN LINNE.


  MOLENS VAN LINNE. 

( GEM. MAASGOUW) 






Op het grondgebied van Linne (gemeente Maasgouw) stonden vroeger verschillende molens.
Bekend zijn nog de gebouwen van de oude watermolen aan de Vlootbeek en de molenstomp van de toenmalige beltkorenmolen aan de Maasbrachterweg. Beide zijn nu tot een woning omgebouwd en bewoond.
In het dorp lag vroeger de stoomkorenmolen St. Hendricus in de Marktstraat en bij het voormalige landgoed Osen heeft ook nog een watermolen gelegen.




De watermolen bestaande uit het molenaarshuis en bijgebouwen ligt aan de Maasbrachterweg die logischerwijs door de bevolking Molenweg werd genoemd.
Deze watermolen werd in 1833 gebouwd voor de weduwe Janssens (geb. van der Schoor). Vermoedelijk bestaat de huidige schuur nog uit die eerste bouwperiode.
Twintig jaar later werd aan de heer Frans Janssens toestemming verleend om de sluiswerken te herstellen. Door het opstuwen van het water van de Vloot- of Grachtbeek liepen de landerijen van de landbouwbedrijven in de plaatsen Posterholt, Montfort en Maasbracht onder water, wat de nodige gewas schade tot gevolg had.
Na veel protest leidde dit er toe dat in 1874 het Waterschap De Vlootbeek met zijvertakkingen het stuwrecht afkocht en in 1882 besloot de waterkerende werken en sluis naar het molenrad te ruimen. Het huis bleef staan en werd een vaste stopplaats voor de reizigers om hun dorst te lessen op hun weg van Roermond via Linne naar Maastricht.
Het doet vreemd aan, dat de oude watermolen in een diep dal ligt naast de huidige weg en dat is te wijten aan het feit, dat bij de aanleg van het spoor van de stoomtram tussen Roermond en Roosteren door de Limburgsche Tramweg Maatschappij in 1922 er een nieuwe brug moest worden aangelegd over de Vlootbeek en het baanvak zo horizontaal mogelijk aangelegd moest worden. Na het opheffen van deze stoomtram verbinding werd de weg over dit traject aangelegd. Door het enorme verval ter plaatse is er nu een vistrap in de Vlootbeek aangelegd.



De familie Janssens was ook eigenaar van de aan de andere kant van de weg gelegen beltkorenmolen die door hun twee zoons werd beheerd. de bouw van deze molen die ouder is dan de watermolen dateert uit 1800.
Pas nadat de watermolen, die volgens gegevens uit het Rijksarchief de "Linnermolen" heette, zijn functie als graanmolen had verloren ging de naam over op deze beltkorenmolen.
Deze beltkorenmolen heeft een bakstenen onderbouw en romp. Aan het einde van de 2e Wereldoorlog waren de wieken en het interieur verdwenen. Het is nu een woning.






MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG (4)




              MOLENTOCHT DOOR 

              MIDDEN-LIMBURG (4)



MOLENS IN- EN ROND WEERT.


We beginnen met onze tocht in Nederweert waar de beltkorenmolen St.Jozef staat. De molen heeft een bakstenen onderbouw en romp en werd in 1840 gebouwd. De houten kap van de bovenkruier is met asfalt gedekt en de wieken, gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, hebben ijzeren roeden met een vlucht van 25 meter. De molen had oorspronkelijk twee steenkoppels er werd vroeger door 12 landbouwers geëxploiteerd.







Op weg van Nederweert naar Weert komen we langs Laar waar de St. Antoniusmolen staat.
Dit is een beltkorenmolen met een ronde bovenkruier en de houten kap is met asfalt gedekt.
De molen welke in 1903 werd gebouwd heeft een bakstenen onderbouw en romp. De wieken met hun ijzerenroeden, gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, hebben een vlucht van 25,8 meter. De molen heeft één steenkoppel en is aan de westelijke zijde wit geverfd.











In Weert aan het kanaal liggen twee molens. De Wilhelmusmolen is een beltmolen en werd in 1901 op de zelfde plaats gebouwd, waar eerst een standaardmolen heeft gestaan.
De molen heeft een bakstenen romp met een ronde bovenkruier en de houtenkap is gedekt met rubberoid. De wieken hebben een vlucht van 27 meter. De buitenwiek is oud-Hollands opgehekt en de binnenwiek is gestroomlijnd volgens het van Bussel systeem. Het geheel houten maalwerk dient voor aandrijving van een koppel stenen. Voorheen had de molen drie koppels stenen.





Even verder ligt de St. Odamolen. Het is eveneens een beltmolen met stenen romp, ronde bovenkruier en een houten kap die gedekt is met rubberoid.
De molen werd in 1830 gebouwd. De wieken uitgevoerd met ijzeren roeden hebben een vlucht van 26 meter en zijn gestroomlijnd volgens het van Bussel systeem. Het geheel houten drijfwerk drijft twee koppels stenen aan, waarvan één stel van blauwe steen en de andere van kunststeen.











Ten zuiden van de spoorlijn ligt Keent met de St. Annamolen. Deze beltmolen met een ronde bovenkruier werd in 1911 gebouwd. De molen heeft een bakstenen onderbouw en romp. De houten kap is gedekt met asfalt. De wieken met ijzeren roeden en gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel hebben een vlucht van 24,5 meter. Het drijfwerk drijft één koppel stenen aan.









Van Weert gaan we naar Swartbroek waar de naakten roeden van de molen "De Hoop" als een doods kruis boven het landschap uitsteken. Het is een beltmolen en werd in 1788 gebouwd. Rond 1800 werd de molen van Rotterdam naar Swartbroek gebracht. De achtkantige romp en de houten bovenkruier zijn met rubberoïd gedekt. De molen heeft ijzeren roeden en de wieken waren oorspronkelijk gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, maar zijn nu kaal i.v.m de veiligheid. De molen heeft een koppel stenen dat door de wind werd aangedreven en vroeger een koppel dat elektrisch werd aangedreven.











In Tungelroy staat de St. Annamolen. De beltmolen met een ronde bovenkruier, bakstenen onderbouw en romp werd in 1870 gebouwd. De houten kap is met rubberoïd gedekt. De wieken, gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, hebben ijzeren roeden en een vlucht van 24 meter. De molen is uitgevoerd met twee steen koppels.









Niet ver van Tungelroy ligt de plaats Stramproy waar twee molens staan. De beltmolen heeft geen naam maar is eigendom van de heer Nijs. Zij heeft een ronde bovenkruier en een bakstenen romp en onderbouw. De molen werd in 1903 gebouwd. De houten kap is gedekt met gegalvaniseerd plaatwerk welke groen is geverfd. De wieken hebben een vlucht van 25 meter en hebben ijzeren roeden met houtprofiel en zijn volgens het van Bussel systeem gestroomlijnd. De molen heeft twee steenkoppels en had vroeger een dieselmotor als hulpkrachtbron.











Aan de grens van Stramproy staat de standaardmolen St. Jan. Deze molen werd in 1783 gebouwd, maar kwam pas in 1804 op haar huidige plaats te staan. De St. Jan is een gesloten standaardmolen en de kap en de wieken zijde zijn bekleed met houten leiën (schaliën). De wieken met een vlucht van 24 meter waren voorheen gestroomlijnd volgen het van Bussel systeem, maar zijn tijdens de laatste restauratie oud-Hollands opgehekt.
Het geheel houten drijfwerk een koppelstenen aan op de tweede zolder. De zeer bekwame instructeur en molenaar, de heer L. van Winkel uit Stramproy werkt reeds 65 jaar met deze molen. De molen is thans instructie molen van de vrijwillige molenaars.






Aan de Nederlands-Belgische grens ligt de broekmolen.Broekmolen is een onderslagmolen en is ongeveer 200 jaar oud. Het bakstenen gebouw met een houten dak is met pannen gedekt.
De molen heeft een ijzeren waterrad en is uitgevoerd met een houten drijfwerk op een zware houten as. Het drijfwerk drijft drie koppels stenen aan. De molen heeft één maalsluis en twee los sluizen met houten schuiven en ligt aan de Aabeek welke België instroomt.

Hopelijk heeft u van deze tocht langs de Midden-Limburgse molens kunnen genieten als zijn de afbeeldingen dan wel 40 jaar oud en zal er in deze tijd het nodige veranderd zijn aan de conditie van de molens het het bestand.


zondag 3 oktober 2010

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN LIMBURG. (3)



MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG. (3)



MOLENS IN DE OMGEVING VAN ROERMOND. (2)


Van Stevensweert gaan we naar Grathem waar de Grathemerwatermolen ligt welke nog geregeld in bedrijf is. In haar huidige vorm dateert zij uit 1870 en verving toen al een eeuwenoude molen. Het is een turbinemolen met een ijzeren drijf- en maalwerk.







Van Grathem naar Baexem waar aan de rijksweg de half-gesloten standaardmolen Aurora ligt. De molen welke reeds in1599 werd gebouwd heeft zeer veel staan plaatsen gehad en de naam "Zwerver" zou heel wat toepasselijker zijn geweest. De wieken hebben ijzeren roeden en hebben een vlucht van 25,3 meter. Voorheen waren zij gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel, maar thans oud-Hollands opgehekt. De kap is gedekt met rubberoid en de molen heeft slechts één koppel stenen.



Van Baexem naar Heythuysen waar de St. Antonius molen staat. Deze ronde bakstenen bovenkruier staat op een bijzonder mooie belt welke is bezet met stapelzoden.
De molen werd in 1861 gebouwd en haar houten kap is bedekt met rubberoid. De molen heeft een ijzeren as met ijzeren roeden welke voorheen gestroomlijnd waren volgens het systeem van Bussel, maar thans op zijn oud-Hollands is opgehekt. De vlucht van de wieken is 26 meter.
Het volledige houten maalwerk drijft twee steenkoppels aan, waarvan één stel kunststenen en één stel natuurstenen van z.g.n blauwe steen bestemd voor het malen van tarwe en boekweit.
In de onderbouw is nog een maalstoel aangebracht met kunststenen welke door een elektromotor worden aangedreven. Van 1886 stond in de molen een stoommachine die in 1927 is vervangen door een elektromotor. De molen werkt nu weer uitsluitend op windkracht.




Van Heythuysen naar Roggel waar de uit 1900 daterende windmolen van Nijken staat. De molen is van het zelfde type als de St.Antonius-molen en heeft wieken met ijzeren roeden, één Pot- en één Belgische roede. De vlucht van de wieken is 25 meter en de molen heeft twee koppels stenen.












Volgen we nu de weg naar Haelen dan komen we bij het Natuurreservaat Leudal bij de gemeente Nunhem. Even voor we het reservaat ingaan zien we de ruïne liggen van de St.Elisabethmolen welke reeds in de 13e eeuw bestond en toen eigendom was van het aan de andere kant van de weg gelegen klooster. De molen werd in de 2e Wereldoorlog verwoest.





Trekken we nu verder door het natuurreservaat dan komen we de aan de Leubeek gelegen Leu- of Ursulamolen tegen. Deze onderslagmolen bestond reeds in de 14e eeuw en het huidige bakstenen molengebouw met pannenzadeldak en torentje dateert blijkens het ankerjaartal uit 1773. Rond 1900 kreeg de molen een turbine, maar in 1956 toen Staatsbosbeheer de molen aankocht werd er weer een waterad aangebracht met luifel. Het waterrad heeft een doorsnede van 5,6 meter. De molen heeft één maal- en drie lossluizen waarvan er een aansluit op de visvang. Dit is de enigste graan- oliemolen in Limburg. De graanmolen heeft twee koppels stenen en de oliemolen een kollergang, vuister en slagpers.




Van Nunhem over de Napoleonsweg naar Neer waar we aan de Neerbeek de Friedessemolen vinden. Volgens het ankerjaartal werd de onderslagmolen in 1717 gebouwd. De molen heeft een ijzeren rad en drijfwerk, houten kammer, twee steenkpples, één maalsluis, zes lossluizen en een electrische hamermolen. De molen is geheel buiten bedrijf.







Via de Rijksweg bereiken we de gemeente Kessel waar de langzaam in verval rakende gesloten standaardmolen St.Antonius staat. De molen werd in 1800 in Meijel gebouwd en vandaar in 1860 naar Kessel overgebracht. De kast is aan de wieken zijde zo betimmerd dat de planken elkaar dakpan gewijs overdekken. De houten kap is gedekt met dakleer en de wieken met ijzeren roeden zijn gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel. De wieken hebben een vlucht van 24 meter. Er is slechts één koppel stenen aanwezig.







We gaan nu in Kessel met het veer de Maas over om binnendoor naar de gemeente Beesel te gaan. Hier staat de "Grauwe Beer" een in vervallen staat verkerende molen. De molen heeft een bakstenen onderbouw en staat op een belt. De houten achtkantige romp en de houten kap zijn bekleed met dakleer. De wieken met ijzeren roeden zijn gestroomlijnd volgens het van Bussel systeem en hebben een vlucht van 22 meter. De wieken zijn uitgevoerd met remkleppen. Het houten maalwerk kan twee koppels stenen aandrijven, maar de molen is geheel buiten bedrijf. De molen werd in 1604 in Zaandam gebouwd en was de eerste bovenkruier onder de windzaag molens. In 1889 werd zij overgebracht naar Beesel en daar omgebouwd tot een graanmolen.



                                               (zie vervolg: Molens in- en rond Weert.)

zaterdag 2 oktober 2010

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG. (2)




        MOLENTOCHT DOOR 

       MIDDEN-LIMBURG (2)




MOLENS IN DE OMGEVING VAN ROERMOND. (1)

Het landschap van Midden-Limburg heeft, ondanks de zware molen verliezen gedurende de 2e Wereldoorlog, nog een groot aantal windmolens en dank zij de vele snel stromende riviertjes en beken een rijke hoeveelheid aan watermolens. Zowel de wind- als de watermolens komen we in verschillende vormen tegen.

We beginnen onze tocht in Sint Odiliënberg waar de molen van Verbeek staat.



Deze windmolen met een ronde bakstenen bovenkruier uit 1883 heeft een grondberg of een belt en is dus een berg- of beltmolen. Deze molen is nog geregeld in bedrijf. De houten kap is met dakleer bedekt en de wieken met hun ijzeren roeden zijn gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel. De wieken hebben een vlucht van 26,5 meter. De molen heeft een houten maalwerk met twee koppels kunststenen; een kopppel werkt op de windkracht en het andere op een elektromotor. De molen werd in 1941 gerestaureerd en in 1945 werd de geleden oorlogschade hersteld.


We gaan nu richting Vlodrop, waar de Gitstapper-watermolen ligt. De fraaie Gitstappermolen is landelijk mooi gelegen aan de Roode beek in een mooi natuurgebied en heeft een oud en zeer zeldzaam waterrad wat helaas net als de waterwerken sterk in verval is. Deze middenslagmolen ligt op de grens van Nederland en Duitsland. het bakstenen gebouw gedekt men pannen is in de huidige vorm 200 jaar oud, maar de molen bestond reeds eeuwen daarvoor. Het houten enkel spakige waterrad is zeer zeldzaam. Dit is de oudste bekende waterrad vorm. Het is bevestigd op een houten as, maar heeft ijzeren schoepen. De molen heeft nog twee koppels stenen van kunststeen. Een koppel wordt aangedreven door het waterrad en het andere door een elektromotor. De maal- en los sluis zijn bedienbaar vanuit de molen en vanaf de brug (duiker) in de weg.




We gaan nu bij Vlodrop-Station de grens over en vinden daar aan de Roode-beek de Dalheimer-Mühle welke volledig in verval is. De oudste gegevens van deze molen dateren uit het jaar 1232 toen de edelheer von Helpenstein de molen voor 50 Keulse marken aan de zusters van Ophoven verkocht.
Via Roermond gaan we naar Horn waar nog twee molens staan; "De Hoop"en "De Welvaart". Windmolen "De Hoop" is een belt- of bergmolen en het bijzondere aan deze molen is, dat zij zestien kantig is. Zij is de enige met deze vorm in Nederland en waarschijnlijk in heel Europa. De molen dateert uit 1814. De Hoop, een bovenkruier, heeft een gecementeerde bakstenen onderbouw. De zestienkantige bovenbouw en de houten kap zijn bekleed met dakleer. De wieken; met de ijzeren roeden, zijn 'verdekkerd', d.w.z. getroomlijnd volgens het systeem Dekker en zij hebben een vlucht van 23 meter. De molen heeft twee stenenkoppels, waarvan een koppel natuursteen (blauwe steen) en een koppel kunststeen. Beide koppels worden door de windkracht aangedreven.




De Welvaart een bijzonder slanke ronde bakstenen beltmolen is een boven kruier en heeft een bijzonder zware kap. De molen werd in 1825 gebouwd.















Van Horn gaan we naar Beegden waar de standaard molen van Niessen staat. De molen welke in 1750 werd gebouwd op een terrein tussen Heel en Panheel is in 1856 naar Beegden overgebracht. In 1968 werd de molen gerestaureerd en van nieuwe, de eerste Derckx, roeden voorzien. De molen is een standaardmolen van het gesloten type en het achter op het bordes een 'wachthuisje' en is aan de wiekenzijde en op de kap gedekt met schaliën (kleine houten leien).








Van Beegden naar Panheel, waar de Panheeldermolen ligt. Het is een watermolen en het huidige gebouw dateert uit 1860, maar is in de plaats gekomen van een toen eeuwenoude watermolen. Rond 1950 is het geheel gemoderniseerd en daarbij is het waterrad vervangen door een turbine. De molen verkeert in een niet al te beste staat, vooral zover betreft de sluiswerken. De molen werkt nu nog alleen elektrisch.








Van Panheel gaan we naar Stevensweert. Op de grens van Stevensweert en Ohe en Laak op het grondgebied van Stevenweert ligt de Hompesche molen.




Het is een bijna 37 meter hoge stellingmolen en dateert uit het jaar 1722. De molen was gebouwd als een graan- en oliemolen en het verhaal doet zich de ronde dat een deel van de onderbouw als gevangenis dienst heeft gedaan. Zelfs in een van de pachtcontracten uit 1734 wordt er melding van gemaakt. Alhoewel de molen vrij ver weg gelegen was van het toenmalige kasteel Walborg. De wieken zijn nog oud-Hollands opgehekt geweest. De molen heeft drie koppels stenen, waarvan twee kunststenen en één natuurstenen. De molen heeft stalen "pot"-roeden en de wieken zijn in 1949 "verbusseld" d.w.z. gestroomlijnd volgens het systeem van Bussel.



                                                                   (zie vervolg deel 3)

MOLENTOCHT DOOR MIDDEN-LIMBURG. (1)




              MOLENTOCHT DOOR

            MIDDEN- LIMBURG. (1) 









Het was ergens tussen 1970 en 1975 dat ik het verzoek kreeg van de zoon van de eigenaar van de Verbeekmolen in St.Odiliënberg om een foto-dia reportage te maken van de nog bestaande wind- en watermolens in Midden-Limburg. Zo ontstond mijn verslag 'Molentocht door Midden-Limburg'.
Jongstleden  kwam deze diaserie weer boven water inclusief de beschrijving en ik wil dit jullie niet onthouden. Veel van deze wind- en watermolens zijn intussen gerestaureerd en zijn zelfs een gewilde stop geworden, om iets te nuttigen, in de toeristische routes van het vroege voorjaar tot ver in het najaar. Helaas ontbreekt de molen uit Maasbracht in deze route en zo ook de molenstomp van Linne en de voormalige watermolen, maar daar later meer over.