vrijdag 29 augustus 2025

BALI. 1934. (DEEL 10)

 

BALI IN DE KOLONIALE PERIODE

GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDER.

                                         DEEL 10.


BALI.....


                                    VII. VOLKSKUNST.

DE LEGENDE VAN CALON ARANG.

Reeds al bij het noemen van de naam van deze demonische schrikwekkende vrouwenfiguur brengt bij iedere Balinees onwillekeurig een gevoel van afkeer en huivering teweeg.
En het lijkt wel of de Balinese volksziel in de legende, waarvan Calon Arang het middelpunt vormt, alle ellende en jammer heeft willen tekenen, die bij een geweldige epidemie het heerlijke eiland zou kunnen teisteren.

In Girah, zo luidt het verhaal, woonde eens een weduwe, Calong Arang genaamd, met een beeldschone dochter, Ratna Manggali. Het gemoed van menig jongeman geraakte in verwarring, wanneer hij eenmaal zijn ogen op de lieftallige verschijning van Ratna Manggali, had laten vallen.
Maar wanneer de aanbidder dan vernam, dat de moeder van zijn uitverkorene aan zwarte kunst  deed, bekromp hem het gevoel van vrees en trok hij zich in de regel na korte tijd terug.
Maar toen uiteindelijk bleek, dat Ratna, niettegenstaande haar deugdzaamheid en grote lieftalligheid, toch ongehuwd bleef, kwam er een gevoel van grote bitterheid in het hart van Calon Arang, en besloot zij zich te wreken op de mensheid, dat de goede hoedanigheden van haar dochter zo miskende.
Als de mensen dan met alle geweld wilden, dat zij zich met de zwarte kunst ophield, goed, dan zou zij de mensheid een tonen, wat daarvan inderdaad de gevolgen konden zijn. En zo maakte zij in de nacht haar opwachting in de dodentempel, de pura-dalem, bij de godin Durga, en smeekte haar demonische macht te verlenen om, gelijk de godin zelf, de mensen ziek te maken en te vernietigen.

Durga willigde haar verzoek in, waarna Calon Arang in het middernachtelijk uur op een viersprong van het dorp met haar vrouwelijke volgelingen een heksendans uitvoerde onder begeleiding van bekken en gongmuziek.
Reeds de volgende dag brak er in het land een hevige epidemie uit, en overal, waar volgelingen van Calog Arang verschenen, werden de mensen plotseling en op geheimzinnige wijze ziek.
In de woningen, op de erven, op de pasars en op de openbare wegen, allerwege talrijke gevallen van personen, die plotseling neervielen, en na korte tijd de geest gaven.
Landschappen met een welvarende en gelukkige bevolking, welke door Calo Arang tot veld van haar actie werden uitgekozen, waren in korte tijd ontvolkt. Zij die gespaard bleven werden door panische schrik bevangen en ontvluchten de streek, en na korte tijd was er van de welvarende dorpen niets anders over dan verlaten kampongs en verdorde gewassen, terwijl ook van de vluchtelingen vele nog langs de weg in elkaar zakten en stierven.


                                             ( Vorst Erlangga zitten op de Garuda.)

De vorst Erlangga, die zijn soldaten er op uit stuurde om de gevaarlijke toverheks te doden, zag slechts enkele van de uitgezondenen terugkeren. Zij, die Calon Arang wilden aangrijpen, waren op het zelfde ogenblik verlamd, anderen, die op een afstand stonden, werden gedood door de vlammen uit haar mond en uit haar ogen schoten, en de enkelen die gespaard bleven, sloegen op de vlucht.
Aangemoedigd door dit succes besloten Calon Arang en haar volgelingen metnog grottere kracht op te treden, en zij verdeelden voor dit doel de verschillende hemelstreken onder elkaar: Lende zou het zuiden krijgen, Larung het noorden, Gujang het oosten en Gandi het westen. Calo Arang zelf met haar getrouwen Woksirca en Mahisa-wadana zouden het centrum met het zenith nemen.
Intussen had koning Erlangga een vergadering belegd met zijn talrijke raadslieden, Siwaïtische en Boeddhistische priesters, geleerden en bestuurders; en op deze vergaring werd de vorst aangeraden om de hulp in te roepen van de kluizenaar van Lemahtulis, Sri Baradah. Alleen deze heilige man, die langdurig ernstig de ascese had beoefend, achttemen in staat om Calon Arang te bedwingen.

Baraha verklaarde zich bereid zijn krachten te beproeven; hij wist te bewerken, dat zijn leerling Bahula met Ratna Manggali in het huwelijk trad. Na zijn huwelijk echter merkte de laatste al spoedig , dat Calon Arang in de nacht regelmatig bezoeken aan de begraafplaats bracht en de dodentempel.  Dit was voor hem een aanleiding om de toverboeken van zijn schoonmoeder aan zijn leermeester Sri Baradah ter hand te stellen en hem bovendien op de hoogte te brengen van haar nachtelijke bezoeken aan de dodentempel. Toen was het ogenblik van de verlossing nabij.
Baradah riep Calon Arang ter verantwoording en toen deze laatste als antwoord de kracht van haar vlammen op de kluizenaar  beproefde, bleken deze volkomen onmachtig om iets tegen hem uit te richten.
Omgekeerd echter wist Baradah eerst de volgelingen van Calon Arang te bekeren en vervolgens Calon Arang door zijn blik te doden. Dank zij de wonderdadige kracht van de kluizenaar was de rust in hetland spoedig hersteld; de bevolking keerde weer, de markten herleefden en de pas overleden doden werden door Baradah in het leven terug geroepen, kortom land en volk herstelden zich en de welvaart keerde terug.

HET VERHAAL ACHTER DEZE LEGENDE.

Dat de legende als het Calon Arang verhaal in verband wordt gebracht mat de naam van een bekend vorst, die 900 jaar geleden regeerde is iets, dat meer voorkomt; maar het verhaal, zoals de op de lontarbladen te boek gestelde legende het geeft, vindt in de Balinese volksmond nog een curieuse aanvulling.
Calon Arang, de boze weduwe (Rangda) van Girah, zou volgensd die opvatting niemand anders zijn dan de moeder van Erlangga, de Javaanse prinses Mahendrdatta. Toen de Balinese "prins gemaal" Udajana stierf, beschuldigde zijn zoon Erlangga de koningin-weduwe van moord op haar gemaal door betovering, en werd zij naar het bos verbannen. Uit wraak zou zij toen werkelijk de zwarte kunst zijn gaan beoefenen met de bedoeling om Erlangga's rijk te verwoesten. In hoeverre er geschiedkundige waarheid in dit volksverhaal ligt opgesloten, is niet na te gaan. Merkwaardig is het intussen, dat een van de mooiste Hindoe-Balinese stenen beelden, aangetroffen bij Kutri en beschouwd als een bijzettingsbeeld van Erlangga's moeder, een uitbeelding van Durga voorstelt, de godin die, zoals reeds werd opgemerkt, op Bali het middelpunt vormt van de begraafplaatsen en de heksencultus.

HET CALON-ARANG TONEEL.

Wij verlaten nu de rampspoedige periode van de verschrikking uit Calo Arang's tijd en keren terug naar het hedendaagse Bali met zijn gelukkige bevolking, welke zich door haar goden en tempels, haar offers en priesters beveiligd weet tegen al te zware rampen en ongelukken.
Van het tempelterrein klinkt zacht het klingelende gamelanspel ons tegemoet. Het is reeds donker, maar in het rossige schijnsel in de rook welke hier achter de tempelmuren opstijgt, het gaan en komen van bezoekers in feestkleding, mannen, vrouwen en kinderen, het stemgezoem van een slenterende menigte voor het tempelterrein, alles wijst er op, dat er iets bijzonders aan de hand is.



En inderdaad blijkt er in de tempelhof een toneelvoorstelling in volle gang, een exotisch openluchtspel in een sfeer, welke zich zo volkomen aan de vertoning aansluit, dat iedere andere omgeving aan de schoonheid van dit fantastische spel slechts schade zou doen. 
 


De Rangda, de boze weduwe wordt vertoond. Zeker het is slechts een spel, maar met welk een spanning volgt een belangstellend publiek met beweeglijke trekken en met verschrikte ogen de demonische vertoning van de hierboven beschreven geschiedenis.

Hoe werkt hier alles mee om de toeschouwer van het eerste ogenblik af te boeien en voortdurend in spanning te houden! Welk een fantastisch figuur, deze Rangda zelf, met haar in groten stijl uitgesneden demonenmasker, met rollende ogen en slagtanden, en haar  lange lange met vuurrode vlammen versierde tong. Hoe dreigend klinken de krachtige gamelan-melodieën als in het spookachtige schijnsel van de fakkelverlichting van het tempelterrein het monsterachtige wezen nu naar deze, dan naar de andere kant uitschiet, en haar zwaaiende tong duidelijk de illusie schept van een vuurspuwend monster. Al zijn de aanvallen van dood en verderf om zich heen verspreidende calon Arang krachtig en plotseling. soms zelfs ruw en geagiteerd, toch treft het ritme, dat het gehele spel beheerst.

Want dat, wat in dit spel vooral tot de toeschouwer spreekt, is de volmaakte bewegingskunst, welke daarbij tot uiting komt. Standen en bewegingen zijn alle even stijlvol, streng van opvatting, onberispelijk en beheerst van uitvoering.
Vrouwen en kinderen, die in deemoedige houding om medelijden smeken, vluchtelingen die uitgeput neerzijgen, soldaten, die vruchteloze aanvallen op de verschrikkelijke demonische gestalte en haar volgelingen ondernemen en sneuvelen, bij allen is iedere beweging vol uitdrukking. Buitengewoon bekoorlijk is het smekende gebaar van de vrouwen en meisjes, de soepele beweging van handen en vingers, het gebaar van lijdende berusting bij het neerzijgen voor de brute overmacht.

En op wonderlijke schone wijze vloeien de cadans en de melodie van het in deze tropische maannacht zo melodieus door de avondlucht klokkende gamelanspel samen met dit stijlvolle evenwichtige bewegingsspel, fantastisch verlicht door de onrustig flakkerende vlammen van toortsen en houtvuren.

BARONG.


Bijna nog fantastischer dan de Rangga vertoning is die van de barong, een bijzonder achtig monster met een afschrikwekkende kop, grote dreigende ogen, slagtanden, en een lichaam geheel met lange haren bedekt. Twee mannen zijn nodig om dit diermonster te dragen en te laten optreden; de voorste van wie zijn benen de voorpoten vormen, draagt het voorstuk, de ander het achterstuk.

Wanneer uit de beschaduwde achtergrond van de tempelhof plotseling de dreigende kop van de barong te voorschijn komt en een ogenblik en later het grote gestalte van het beweeglijke ondier  een groot deel van de voorgrond in beslag neemt, gaat er een gemompel van een niet te bedwingen vrees door de toeschouwers. De barong is dan ook wel een van de expressiefste figuren van het Balinese tonaal; en de rossige gloed van de primitieve verlichting geeft het demonische van de grote ogen, de wilde haren, de in het toortslicht schitterende spiegeltjes van kop en staart en de grillige, vergulde uit buffelleer uitgesneden kopversiering een nog fantastischer aanzien. Niet altijd verschijnt de barong in de zelfde gestalte: soms is het een gestileerde tijger figuur, dan weer een olifant, een gevleugelde leeuw, of het alles verwoeste wilde zwijn Damalung.
Vooral het spel, waarin de barong in deze laatste gedaante optreedt is zeer geliefd.
In een in de 11e eeuw bewerkt oud-Javaans gedicht de Ardjunawiwaha (Ardjuna's bruiloft) komt een episode voor, waarin de held van het verhaal Ardjuna als kluizenaar leeft, en door de godheid Shiva op de proef wordt gesteld. Deze verschijnt in de gedaante van een jager (Shiva-kiratarupa), terwijl de barong optreedt in de gedaante van het demonische zwijn Damalung. Het wilde zwijn Damalung wordt bij een gelijk tijdig schot van Shiva en Ardjuna gedood, en dan ontstaat een twist over de vraag door wiens pijl het wilde zwijn werd getroffen. Dedurende deze twist heeft Ardjuna de gelegenheid om verschillende blijken te geven van zijn behendigheid en kracht, maar als Shiva zich tenslotte kenbaar maakt, bewijst Ardjuna hem de verschuldigde eer.


WAYANG TOPENG.

Zoals uit de beschrijving blijkt, zijn de hierboven genoemde Calon Arang en barong spelen nauwverwant aan het maskerspel, de ook bij de Javanen bekende wayang topeng. Toch maakt de Balinees onderscheidt tussen beide eerst genoemde spelen en de eigenlijke wayang topeng, welke de Rama legenden, Pandji verhelen en dergelijke ten tonele brengt. De reeds uitgebreide verscheidenheid van maskers wordt nog vergroot doordat de spelers
bij de verschillende momenten in hun rollen ook verschillende maskers met andere gelaatsuitdrukkingen dragen. het is duidelijk, dat deze eigenaardigheid hoge eisen stelt aan de bedrevenheid en kunstvaardigheid van de Balinese maskervervaardiger.

WAYANG WONG, PARWA, GAMBUH.

Evenals de Javaan een toneel kent, waarbij de rollen worden gespeeld door ongemaskerde personen, heeft ook de Balnees naast wayan topeng een dergelijk spel van ongemaskerden. Terwijl op Java echter deze spelen worden samengevat onder de algemene naam wayang wong, geeft de Balinees er naar gelang van het repertoire een andere naam aan. Alleen het toneel waarbij de Rama legenden worden opgevoerd draagt de naam wayang wong; de toneel stukken, welke hun stof hebben ontleend aan het Mahabharata en Bratajuda worden wayang parwa genoemd, terwijl onder de naam gembuh de Pandji-cyclus ten tonele wordt gebracht. Bij al deze toneelspelen wordt door de spelers zelf de tekst uit de rol gesproken of gezongen.


( Van links naar rechts: Balinese toneel speelster; Legong danseres; Sangjang danseres; Djanger danseres.)

WAYANG KULIT.

 
Het op Java zo geliefde schimmenspel, de wayang kulit, waarbij de dalang de dialoog uitspreekt, is ook op Bali zeer in trek.
De Javaanse onderscheiding in wayang purwa (klassiek Hindoe repertoire) en de wayang gedog (Pandji cyclus) kent de Balinees echter niet.
Het repertoire van de Balinese wayang kulit is er evenwel niet minder uitgebreid om: Mahabaharata, Bratajuda, Rama legenden, Pandji cyclus, Calon Arang verhaal, ze worden aal ook als schimmenspel opgevoerd.


LEGONG.

Even geliefd als de hierboven genoemde spelen zijn de door jonge meisjes opgevoerde legong dansen.
Al mag dan bij de vorige spelen aan de westerse toeschouwer menige fijne nuance in spel en dans ontgaan, veel minder is dit het geval bij de legong.
De aanschouwing van deze fijne gestileerde danstonelen is ook voor de westerling een kunstgenot.
Gelijk aan de sangjang's in de tempels geven zij alle danskunst, welke op een hoog peil staat, en men kan zich geen mooiere kunst uit de oost denken, dan de soepele dansbewegingen, welke deze slanke fragiele figuurtjes in hun exotische, beheerste stijlvolle danskunst te aanschouwen geven.
Bij de legong treden slechts twee of drie danseresjes tegelijk op, waarbij een dalang de rollen vertolkt en tekst en uitleg van de verschillende dansmomenten geeft.

JANGER.

Van heel andere aard en van veel modernere opzet, maar minstens even populair is de Janger vertoning.
Bij dit spel, dat door jonge jongens en meisjes tezamen wordt uitgevoerd, zitten de spelers in een vierkant: twee rijen jongens tegenover elkaar en twee rijen meisjes langs de beide andere zijden. De leider van het spel, de dag, bevindt zich gedurende de uitvoering in het midden. In tegenstelling tot de andere spelen wordt bij de janger opvoeringen op allerlei wijzen de traditionele voorschriften afgeweken, en aan de fantasie van de leider en zijn spelers ook het scheppen van nieuwe creaties overgelaten. Bij een vergelijking met de opvoeringen van de Javaanse wayang wong en wayang topeng en met de Javaanse dansen van serimbi, beddjd en ronggeng treft de veel grotere levendigheid en beweging bij spel en dans op Bali.

GAMELAN.


Het is dan ook begrijpelijk, dat de gamelan op Bali, welke ook hier voor een groot deel zijn karakter ontleent aan de begeleiding van toneel- en dansspel, veel levendiger klinkt dan de Javaanse. Niet alleen levendiger, maar ook voller en melodieuzer. Bij de Javaanse gamelan klinkt vooral in de begeleiding de sterk bewogen tonelen da krachtige klank en de rustige slag van saron en bonang sterk boven de andere instrumenten uit. Op Bali echter is aan de soepeler en melodieuzer klinkende gender een veel over-
heersende plaats ingeruimd. Zelfs bij het geluidskrachtigste van alle gamelan systemen op Bali, die geheel uit messing instrumenten samengestelde gamelan gong overheerst het warme volle en tedere klokkenspel van de gender's dat van al de andere instrumenten.

GAMELAN GONG.

Terwijl de zwaardere toetsen van de saron op een onderlaag van vilt rusten, djongkok (zitten) zegt de Balinees, zij de toetsen ven de gender aan draden boven bambu klankborden opgehangen (gantung).
Het sympathisch meeklinken van deze losse klamkbodems wordt bevorderd door een zorgvuldig afstemmen van de luchtkolommen in de kokers van de bovenliggende toetsen.
De overige instrumenten dienen slechts om het klankvolle weke geluid van de genders aan te vullen en te versterken: 

( Gender)

In de eerste plaats de sarons, waarvan een tweetal één octavige gongsa-djongkok tot de insrumenten van de gamelan gong behoren en die als tjoring bij de semar-pagulingan een paraphraserende functie hebben.

( Van links naar rechts: Tjoring; Gangsa Djongkok.)

Een van de hoofdinstrumenten is de trompong, die altijd minstens twee octaven omvat, en uit een tiental klankketels van het bonang-type bestaat.
Wanneer het orkest een leider heeft (pangliman-gong) gespeelt deze dan ook altijd de trompong, waarop hij de inleiding zowel het tussenspel geeft, en bovendien met variaties op het hoofdthema aan het gehele spel een eigen accent geeft.

Tot de oudste instrumenten behoort de rejong, bestaande uit een halterstang, aan eleke uiteinden twee bonang-ketels zijn bevestigd.
De speler legt de stang op zijn schoot, zodat hij belde handen voor de bespeling van de ketels vrij heeft. 
Op Java wordt de rejong tegenwoordig niet meer aangetroffen, alhoewel uit bas-reliëfs van de Panataran-tempel blijkt, dat eeuwen geleden ook daar dit instrument in gebruik was.

                                                                                                   ( Rejong.)
Evenals op Java wordt de interpunctie, de afsluiting van de
muziekstroom en muziekzinnen door de verschillende gongs,
aangegeven, terwijl de trombespeler de leiding heeft bij de regeling
van het ritme.
Tot de geraas makende instrumenten in de gamelan-gong behoren van schellenrak (gentorag) waarmee inderdaad dikwijls heel wat geraas kan worden verwekt, maar welke tenslotte weinig bijdragen tot de verfraaiing van de uitvoering.


De hierboven in grote trekken aangegeven gamelan-gong behoort wel tot de populairste gamelan orkesten van Bali. 
Wegens het krachtige geluid is deze gamelan hoofdzakelijk in gebruik bij tempelfeesten, optochten, bruiloften, lijkverbrandingen en dergelijke grote feesten.


GAMELAN-SEMAR-PAGULINGAN.


De gamelan-semar-pagulingan heeft een zachter geluid en wordt vooral gebruikt bij kleinere huislijke feesten, en als begeleiding van legong, djanger, Calon Arang en dergelijke vertoningen. De gentorag is dan ook bij deze gamelan niet in gebruik, en aan de bekkens (rintjik) is een veel bescheidener plaats ingeruimd dan bij de gamelan-gong.
Dit meer "con sordino" ingestelde orkest is trouwens voortgekomen uit de bedoeling om de vorst bij het ter ruste gaan in een tevreden, behagelijke stemming te brengen: semara pagulingan betekend eigenlijk bevredigende rust, behagelijkheid in het slaapvertrek (pagulingan).
Wanneer na een bewogen dag met drukke, zwoele warmte de weldadige  frisse avondlucht ontspanning brengt, geeft de vorstelijke of adellijke eigenaar van een gamelan zich gaarne over aan de bekoring van een zacht gespeelde muziek. Dan geeft het half dromend, half dommelend liggen luisteren naar de in de open nachtlucht wegtrillende deining van de klokketonen van zijn semar-pagulingan hem de gezochte verkwikking.



                                                     Zie vervolg: BALI. 1934. (DEEL 11)



woensdag 27 augustus 2025

BALI. 1934. (DEEL 9)

 

BALI IN DE KOLONIALE PERIODE

GEZIEN DOOR EEN NEDERLANDER.

                                           DEEL 9.


BALI.....


        VI. HET DORP EN HET WATERSCHAP. (VERVOLG)

HET WATERSCHAP.

Uit de wijze, waarop de Balinees zijn dorpsbestuur heeft georganiseerd, blijkt wel heel duidelijk zijn grote voorliefde voor verenigingsleven en coöperatie. En diezelfde voorliefde komt voor de dag bij de wijze, waarop hij de belangen behartigd van zijn kunstmatig bevloeide natte rijstvelden.
Ook voor voor de bevloeiing van zijn sawa's de aanleg en het onderhoud van de waterleidingen, stuwdammen, verdeelwerkjes, sluizen, enz, de verdeling van het bevloeiingswater, heeft de Balinees zijn vereniging (sekaha-subak, sekaha pekasih, enz.)

DE SUBAK.

Nu worden in de regel de grenzen van banjars en desa's gevorm door rivieren, bergbeekjes, ravijnen, heuvelruggen en soortgelijke natuurlijke afscheidingen; en zo behoeft het dan ook ook niet te verwonderen, dat een bevloeiingsareaal, een subak, welke door een kleine waterleiding van geringe capaciteit wordt gevoed, meestal binnen de grens van een desagebied valt.
De vereniging, de sekaha-subak, welke de belangen van een dergelijke kleine subak behartigd, ziet haar leden dan ook meestal tot die van een enkele desavereniging beperkt. Dit sluit echter geenzins uit, dat de sawa's van een dezelfde subak zich even goed over het grondgebied van twee of meer desa's tegelijk kunnen uitstrekken, of wel dat de sawa's van één desa tot verschillende subaks kunnen behoren.

REMPEK EN DAMBEGIED.

Wanneer de belangen van het waterbeheer, van de sawabezitters of van het subakbestuur dit meebrengen of andere belangen dit wenselijk maken, zijn de subaks soms ook weer onderverdeeld in kleinere eenheden tempek genaamd.
Daar waar grotere leidingen, of wel kostbare tunnelbouw en grote stuwdammen voor de bevloeiing van meer uitgestrekte arealen nodig zijn, vormen verschillende subaks tezamen een damgebied, dat weer zijn eigen vereniging heeft (sekaha-pekasih).

SUBAK-BESTUUR.

Evenals deze desavereniging heeft ook de subakvereniging vaste dagen, waarop zij vergadert en de belangen van de subak bespreekt en regelt. Leden van de vereniging zijn in de regel alle sawa bezitters en sawa bewerkers, die uit een bepaalde leiding of leidingtak hun bevloeiingswater ontvangen.

Aan het hoofd van de subak staat meestal de klian-subak. In overleg met de overige subakleden regelt hij de sawawerkzaamheden in de subak. 
Hij deelt de subakleden mede, wanneer zij met de verschillende sawawerkzaamheden kunnen beginnen, en houdt toezicht er op, dat verschillende leidingen en verdeelwerkjes goed en tegelmatig functioneren. Ook houdt hij toezicht op een doelmatige  verdeling van het water voor de bevolking en waakt tegen diefstal ervan. Een van de voornaamste verplichtingen is verder de gelijkmatige verdeling van de subakdiensten. 


De werkzaamheden ten behoeve van de subak worden gelijkelijk onder de subakleden verdeeld, en bestaan hoofdzakelijk uit arbeid ten behoeve van de aanleg en het onderhoud van leidingen, verdeelwerkjes, overlaten, dammen, en dergelijke, het onderhoud van wegen en duikers, het oprichten en het onderhoud van vergaderloodsen, offernisjes en subaktempels.
Voor het uitoefenen van het politie toezicht beschikt hij over de diensten van enige handlangers (subakleden, die in dezelfde desa wonen als de klian) panglimans genaamd, terwijl hem bovendien nog enige saja's zijn toegevoegd, een soort boodschappers, tevens ceremoniemeesters, die bij toerbeurt voor de tijd van een maand uit de subakleden worden aangewezen. Ook houdt de klian nog een sawaregister bij, een verzameling lontarbladen waarop de namen van de eigenaars van de sawa's, hun woonplaatsen en de uitgestrektheid van ieders bezit zijn ingekrast; voor ieder subaklid een afzonderlijk blad. Op gelijke wijze is ook het bestuur en de werkverdeling geregeld bij de kleinere eenheden en de grotere damgebieden. Aan het hoofd van een tempek staat een klian-tempek, die weer ondergeschikt is aan de klian-subak; aan het hoofd van het grotere damgebied staat de klian-pekasih of de klian-sekaha-tlabah aan wie de gewone klian-subak weer ondergeschikt zijn. behalve de door deleden te presenteren subak diensten moeten de verenigingen echter ook over andere inkomsten kunnen beschikken, welke worden gevonden in dezelfde bronnen van inkomsten als die van de desavereniging: heffingen bij hanengevechten, boetes en wanneer nodig ook hoofdelijke omslagen.


DE SUBAKTEMPEL.

Er werd reeds vluchtig opgemerkt, dat ook het waterschap zijn tempel heeft. Dikwijls is de pura-subak zeer klein, en heeft dan niet meer dan een of twee altaren. In andere gevallen zijn de offernissen van het waterschap binnen de muren van de dorpstempel ondergebracht.
Het spreekt van zelf dat in de pura-subak als hoofdgodin van de landbouw en speciaal van de rijst, Dewi Sri, wordt vereerd. Een enkele keer heeft Dewi Sri een vorstelijke stenen zetel, zoals anders slechts aan Batara Surja, de zonnegod toekomt. In de regelechter is het offernisje voor Dewi Sri zeer eenvoudig, even eenvoudig als het subak-tempeltje zelf.

Dat zelfde geldt ook voor die andere tempeltjes, welke met de landbouw in verband staan: de pura Mastjeti, waarin Vishnu wordt vereerd als de god, die het vruchtbaarheid brengende regenwater aan de rijstvelden schenkt, en de pura Melanting, de godin van het uit de vruchtbare moederaarde opschietende gewas. Maar hoe eenvoudig dan ook, nooit ontbreekt voor deze oud-Balinese goden en godinnen een offernis of een primitieve pura. Want al mogen zij dan in de loop der eeuwen ten dele Hindoe getinte namen hebben ontvangen, van huis uit zijn het tenslotte oude inheemse goden, die bij alle eenvoud van hun eredienst in het religieuze denken van de Balinese landbouwer een ruime plaats innemen.

Uit bovenstaande zou men allicht de conclusie kunnen trekken, dat de grote zelfstandigheid van de subaks  gemakkelijk aanleiding zou kunnen geven tot verbreking van het verband tussen de subak en de desa. Dit laatste is echter geenzins het geval. Meestal zijn de desaleden ook lid van een of meer subaks. In veel desa's nemen leden van het subakbestuur, gedurende de vergaderingen van de desavereniging, bij het dorpsbestuur plaats. In veel gevallen hebben ook de vergaderingen van de subakvereniging in de dorpstempel plaats, en het onderhoud van de dorpstempel rust ook weer voor een deel op de subaks.
Bovendien treedt in tal van gevallen het dorpsbestuur in de subaks regelend, corrigerend en controlerend op. Om kort te gaan, uit tal van feiten blijkt, dat er integendeel een sterke band bestaat tussen dorp en waterschap, en dat het laatste, niettegenstaande een zekere mate van grote zelfstandigheid, toch in tal van opzichten van de desa afhankelijk is.

(Ook deze brug van bambu valt onder het onderhoud van de subak.)

Alhoewel de dorps- nog de waterschapbesturen zich ontzien om onwillige verenigingsleden, die nalatig zijn in het vervullen van hun verplichte diensten of in het betalen van hun bijdragen, te straffen met boetes, beslaglegging, en bij voortdurende onwil zelfs met verbanning en uitstoting uit de gemeenschap, kenmerkt toch het gehele dorpsleventje van de Balinees zich door een geest van grote gemoedelijkheid.
Zo gemoedelijk zelfs, dat men zich wel eens heeft afgevraagd, of een dergelijke gemoedelijke , primitieve, aartsvaderlijke bestuurs-methode wel opgewassen is tegen abnormaal zware verliezen tengevolge van natuurrampen en dergelijke. En dan is de geweldige aardbeving van 1917 met haar verschrikkelijke gevolgen daar om het antwoord op die vraag te geven. Honderden tempels stortten in, andere werden onherstelbaar beschadigd, hele waterleidingen en dammen werden omgewoeld, zo zelfs dat tal van deze waterwerken niets meer was terug te vinden.


(Aardbeving op Bali op 21 januari 1917, met een kracht van 6,6 op de schaal van Richter en 1500 doden. Het zwaarst in het zuidwestelijke deel. Ook op Lombok veel schade.)

Toch gelukte het de bevolking om binnen zeer korte tijd, meestal zelfs zonder inmenging van het Europese bestuur, de geleden schade met eigen krachten en op eigen kosten weer te herstellen.
Zeker waar nodig werd van bestuurs-zijde hulp en voorlichting verleend, maar de grote impuls om de geleden schade te herstellen, is van het dorp en waterschap zelf uitgegaan.

DORPSLEVEN.

HET BALINESE HUIS EN ERF.

Een Balinees huis (kuren) is bewoond door een gezin of een aantal verwante gezinnen, die binnen een omheining wonen en bidden in een gemeenschappelijke familietempel, met één poort en één keuken. Het vierkante stuk grond (pekarangan) waarop  de verschillende wooneenheden van het huis staan, is volledig omgeven door een muur van witgekalkte leem, bescherm tegen tegenerosie door een ruwe rieten dakbedekking.

RICHTLIJNEN VOOR HET TE BOUWEN HUIS.

Een oud hindoeïstisch manuscript, Lontar Asta Kosala, is de belangrijkste gids voor het bouwen van een goed Balinees huis. Er zijn ook andere manuscripten, zoals Lontar Asta Dewa & Lontar Wisma Karma, met informatie over de naam, vorm en functie van elk gebouw, en Lontar Dewa Tattwa, met informatie over de goedkeuringsceremonie voordat een huis wordt gebouwd. Deze handboeken zijn voor veel aspecten van het leven ontwikkeld op basis van de omringende, lokale topografie.

VERKLARING VAN DE CIJFERS: 
1. Familietempel. De huistempel genaamd Sanggah of Merajan, is de plaats om de voorouder en de Hyang Guru te aanbidden.
2. Slaappaviljoen. Dit gebouw is meestal een grote structuur met acht palen op een hoge basis. Een terras meestal aangebouwd om gasten te ontvangen bij familieceremonies.
3. Westpaviljoen. Het westpaviljoen of Bale dauh, is het werkhuis van het complex, Het dient verschillende doeleinden, van verzamelplaats tot slaapvertrekken.
4. Ceremonieel paviljoen. Het oostpaviljoen, of bale dangin, is het ceremoniële paviljoen. De plaats is waar de levensrituelen en sterfrituelen plaatsvinden.
5. Sakenam. Het gastenpaviljoen voor familieleden en kinderen verieert in grootte en aantal afhankelijk van de behoeften.
6. Graanschuur of de lumbung of jineng is de opslagplaats voor rijst.
7. Keuken of paon ligt in het zuiden vanwege de associatie met Brahma, de god van vuur, wiens plaats in het zuiden is.
8. Beschermde muur of aling-aling, meestal achter de poorten om kwaadaardige invloeden af te weren.

En zo leeft de Balinees zijn dagelijks leventje onder de hoede van zijn dorp en zijn waterschapbestuur. 
Op het Balinese erf, de door een muur afgesloten ruimte, waarop de verschillende families, afstammende van dezelfde vader, grootvader en zelfs overgrootvader bij elkaar wonen, viert het patriarchale bewind hoogtij. De erfpoort geeft toegang tot het woonerf waarop de rijstschuren en loodsjes, bale's voor de ontvangst van vreemdelingen, en de kralen en stallen voor paarden, runderen en geiten. Achter het voorerf ligt, door een afzonderlijke muur er van gescheiden, het woonerf met verschillende woningen, en keukens, en daar achter weer de huistempel.

Terwijl de mannen de zwaardere landbouw arbeid verrichten, de buffels en runderen verzorgen, de rijstvelden ploegen, het werk verrichten voor het plantklaar maken van de sawa, en ook de verschillende desa- en subakdiensten aan wegen, waterleidingen en stuwdammen voor hun rekening nemen, speelt de vrouwenarbeid zich voor een groot deel op het erf af.
Op het erf hebben de vrouwen de rijststampblokken waarin de bolster van de rijst wordt los gestampt, haar keukens waar het maal wordt toebereid, terwijl daar tevens de levende have, varkens, eenden, kippen en ganzen rondloopt, welke eveneens aan haar zorgen is toevertrouwd.
Wanneer de zorgen voor het huishouden of het weefgetouw de Balinese vrouw niet op het erf houden, betoont zij zich op de pasar als een handige koopvrouw. Daar doet zij haar inkopen, maar daar verhandelt zij ook alles wat zij zelf van de hand heeft te doen van haar eigen kleine bedoening op het erf: kuikens, kippen, eieren, vruchten, speenvarkentjes, enz.

Ook de mannen hebben hun aandeel , en zeker niet de kleinste, in de veeteelt. Want de verzorging en het verhandelen op de veepasar van buffels, runderen en volwassen slachtvarkens is het werk van de mannen; en de grote hoeveelheden uitstekend slachtvee, welke geregeld uit Bali worden uitgevoerd, wijzen er wel op, dat deze teelt met succes wordt beoefend.
Ook de zwaardere koopwaar, welke met draagpaarden moet worden vervoerd; zakken met rijst, kokosnoten, palmsuiker, aardewerk, enz,, wordt door de mannen naar de pasar gebracht.

KARAPAN SAPI. (STIERENRENNEN)

In direct verband met de veeteelt staat een merkwaardig volksspel, dat behalve bij de Balinezen en de Madurezen, nergens ander in de Archipel in gebruik is: de karapan-sapi of stierenrennen.
Tegen de tijd, dat de regens beginnen door te breken, en de sawa's in het belang van een gemakkelijke bewerking onder water worden gezet, hebben overal op Bali de stierenrennen (karapan) plaats.
Met grote geestdrift en ware hartstocht worden de jaarlijkse rennen gehouden. De mooiste stieren worden reeds lang van te voren zorgvuldig voor de deelneming aan de wedrennen uitgezocht, nauwkeurig verzorgd en getraind. 

De lichte sierlijke slede wordt in heldere kleuren beschilderd, en met pluimvormige versieringen opgeschikt, het span stieren wordt getooid met à-jour uitgesneden, breed uitstaande vergulde hoofstellen, en na de nodige voorbereidingen waarbij offers, wierrook en andere magische hulpmiddelen niet mogen ontbreken, maken de fraai uitgedoste spannen op de morgen van de dag van de rennen hun pompeuse rondgang op het terrein van de wedstrijden.
De baan bestaat uit een voor het doel in orde gebracht stuk vlak sawaterrein, dat enigszins onderwater is gezet, zodat de oppervlakte modderig en glad is, de stieren worden van hun hinderlijke opschik ontdaan, de menners nemen half staande, half zittend achter op de sleden plaats, en dan maken de spannen, telkens twee tegelijk,  Het parcours is gezien het uithoudingsvermogen van de dieren, niet langer dan ongeveer 150 meter. Maar op dit korte parcours weten de meeste spannen, aangevuurd door menners en omstanders, bijna ongelofelijke snelheden te bereiken, die voor de winnende dieren van 12 tot 15 meter per seconde bedragen.


De karapan is tegenwoordig een algemene feestdag, de winnende spannen werden onder begeleiding van gamelanspel en voorafgegaan door hun begeleiders, eigenaar, of menner rond geleid, en de toeschouwers, die onder levendige belangstelling hun weddenschappen hebben afgesloten, volgen met dezelfde geestdrift de uitslagen van de rennen als de eigenaars van de stieren zelf.

Hij, die een dergelijk opgewekt, levendig feest bijwoont, kan zich moeilijk voorstellen, dat de oorsprong daarvan gezocht moet worden in een eenvoudige primitieve magische handeling.
Wanneer bij de aanvang van de natte west-moesson de regens wat lang op zich lieten wachten, zette men een sawavlak (kotak) onder water, joeg de buffels en de runderen er in rond, en hoopte dat op deze wijze het veelvuldig spatten van het water, door een soort van sympathische magie, ook overvloedige regens zou verwekken.


 Naast de zorgen voor de dagelijkse levensbehoeften, neemt in ieder huishouding de zorg voor een bescherming tegen kwade invloeden, boze geesten en demonen een voorname plaats in. 
Evenals de algemene dorpstempels verheugt ook de huistempel zich in een voortdurende belangstelling en geregeld bezoek. In de grond van de zaak is de Balinees feitelijk voortdurend in contact met zijn goden, voorouders, beschermgeesten, enz., van welke  hulp bij alle gebeurtenissen in het dagelijks leven wordt afgesmeekt, en aan wie door de zorg van de vrouwen geregeld offers worden aangeboden. Dit geschiedt voor het eerst reeds bij de geboorte van een nieuw lid van de familie, en later weer wanneer de jonge spruit de leeftijd van drie maanden heeft bereikt, ook wanneer  voor het eerst de haren en nagels worden geknipt, bij het vijlen van de tanden, bij het doorboren van de oorlellen, bij het sluiten van een huwelijksverbintenis, enz. Zo offert ook de vrouw, die een nieuw weefgetouw opspant, de handelaar, die een reis gaat ondernemen, en de landbouwer bij de aanvang van verschillende werkzaamheden ten behoeve van het plantklaar maken en het beplanten van de sawa, en voor het oogsten van het gewas. Het ene ogenblik gebeurt alles heel eenvoudig zonder veel omhaal, bijna ongemerkt, dan weer al naar gelang van de aard en de omstandigheden in samenhang met tal van festiviteiten, en pracht en praal, als slechts bij een feest van klassieke oosterse pracht verwacht kan worden.

OOGSTFEEST.


Van de landbouwfeesten is het oogstfeest (usaba) wel een van de voornaamste, en na bovenstaande is het begrijpelijk, dat de subak bij het organiseren van het usaba-feest de hoofdrol speelt.
De dag van te voren heeft het zo geheten mekihis plaats, waarbij onder begeleiding van de gamelanmuziek de rabut sedana, kleine beeldjes, vervaardigd van Chinese koperen muntjes en geschenken voor de goden van welvaart en voorspoed, naar de pura-segara (zeetempel) aan het strand worden gebracht.

Tronend in de met fijn uitgewerkt, verguld houtsnijwerk versierde goden-draagstoel, en in tempel kastjes, begeleid door de in feestgewaad gestoken subak leden en vergezeld van vrouwen met offeranden van bloemen en vruchten worden de goden zeewaarts gevoerd. Eén dag per jaar moeten de goden zich aan het strand kunnen verlustigen om na het nemen van een verfrissend bad 's avonds in feestelijke optocht weer naar de tempel te worden terug gebracht.
De volgende dag heeft een grote offermaaltijd in de subak- of in de dorpstempel plaats en dan volgt een rij van feestelijk heden welke een paar dagen aanhouden.


Met uitzondering van het eigenlijke godsdienstige ritueel zijn de meeste Balinese feesten aan elkaar gelijk: aanbieden van offers en geschenken, het houden van feestmaaltijden, gamelan-muziek, wajangvoorstellingen, optreden van danseressen, enz. afgewisseld door hanengevechten en krisdansen van sjamanen. Het is duidelijk, dat bij het oogstfeest vooral de sawa's en de leidingdammen niet mogen worden vergeten. Ook hier weer optochten en offers, maar offers van een bijzondere soort: (djrimpen), uit palmblad kunstig in elkaar gestrengelde hangers (gantung-gantungan) met vruchten en gebak, welke op de sawa's met wijwater worden besprenkeld, waarna het vlechtwerk aan een op de sawa geplante bambu staak wordt opgehangen.


TANDEN VIJLEN.

Zoals eerder hierboven vermeld, kent Bali ook nog een ceremonie van het tanden vijlen.
Deze ceremonie verwijst naar de traditionele Balinese rituele ceremonie Metatah of Potong Giogi, waarbij jonge Balinezen, zowel jongens als meisjes, hun hoektanden laten vijlen om zich te ontdoen van negatieve eigenschappen zoals hebzucht, jaloezie, woede, lust en dronkenschap, en om over te gaan naar volwassenheid. Dit gebeurt tijdens een belangrijke levensceremonie, begeleid door een priester en zijn helpers, waarbij de eerste zes bovenste tanden worden gevijld, wat symbool staat voor de strijd tegen de zes demonische eigenschappen (Sad Ripu).

WAAROM TANDEN VIJLEN OP BALI?

 Symbolische betekenis: 
Het vijlen van de tanden symboliseert het wegnemen van negatieve menselijke eigenschappen en instincten.

Overgangsritueel:
Het markeert de overgang van de adolescentie naar volwassenheid en verantwoordelijkheid.

Spirituele reiniging:
                                                                                    De ceremonie wordt gezien als een manier om het lichaam en de geest te zuiveren en voor te bereiden op de volwassenheid en een harmonieus leven.


DE CEREMONIE.

Wie: Het ritueel wordt ondergaan door tieners, zowel jongens als meisjes.
Wat: Vier snijtanden en twee hoektanden, de bovenste, worden gevijld, wat symboliseert de strijd tegen zes demonische eigenschappen (sad Ripu).
Wie: Een priester voert het ritueel uit in aanwezigheid van familie.
Wanneer: De ceremonie wordt vaak gehouden als een belangrijk onderdeel van een bruiloft of een andere grote levensgebeurtenis.

Het vijlen van tanden is een oude Balinese traditie, die deel uitmaakt van het Balinese Hindoeïsme.

MELASTI.

Het in deel 8 geplaatste artikel over de "dag van de stilte", Nyepi, werd niet stilgestaan bij een belangrijke feestdag enkele dagen voor Nyepi, Malasti.
Melasti is een hindoeïstische Balinese reinigingsceremonie en -ritueel dat volgens de Balinese kalender enkele dagen vóór de heilige dag Nyepi wordt gehouden. Het wordt door de hindoes in Indonesië, met name op Bali, in acht genomen. Melasti was bedoeld als een ritueel om de wereld te reinigen van al het vuil van zonde en slecht karma door de symbolische handeling van het verkrijgen van Tirta Amerta, "het water des levens".


De Melasti-ceremonie wordt gehouden aan de rand van het strand om je zelf te zuiveren van alle slechte dingen uit het verleden en ze in de oceaan te gooien. In het Hindoeïstische geloof worden waterbronnen zoals meren en zeewater beschouwd als de bron van het leven (Tirta Amrita).
Naast het uitvoeren van gebeden worden tijdens de Melast-ceremonie alle heilige voorwerpen die bij een tempel horen, zoals pralingga of pratima van Heer Ida Sanghyang Widi Wasa, en alle heilige apparatuur gereinigd en gezuiverd. Het is een van de meest drukke bezochte ceremonies en veel gelovigen dompelen zich onder in het zeewater met kleding en al.


                                                    Zie vervolg: BALI. 1934. (DEEL 10)