maandag 12 januari 2026

VUURTORENS AAN DE EUROPESE KUSTEN. NOORWEGEN & ZWEDEN. (DEEL 2)

 

 EEN LICHTBAKENAAN DE KUST 

      OM IN DE DUISTERNIS DE

 ZEELIEDEN NAAR EEN VEILIGE

      HAVEN TE BEGELEIDEN.

                                       DEEL 2.

                     NOORWEGEN. 

Noorwegen, officieel het Koninkrijk Noorwegen is een land in Noor-Europa. Noorwegen ligt op het westelijke deel van het Scandinavisch Schiereiland en grenst aan Zweden, Finland en Rusland. Wordt van Groot-Brittannië gescheiden door de Noordzee en  Denemarken in het zuiden door het Skagerak. Ook de noordelijke eilandengroep Spitsbergen en het eiland Jan Mayen maken deel uit van het Noorse koninkrijk. Grote delen van de Noorse kust worden gedomineerd door Fjorden en Gletsjers.
De hoofdstad is Oslo. Het land is rijk aan gas en olievelden voor haar kust. Het land is geen lid van de Europese Unie.

LINDESNES FYR.

Lindesnes Fyr is de oudste en meest zuidelijke vuurtoren van Noorwegen, ongeveer 10 kilometer tien kilometer ten zuidwesten van het dorp Høllen in de gemeente Lindesnes. De huidige vuurtoren werd in 1915 gebouwd. hoewel het station al in 1656 werd gebouwd om de toegang tot de Skagerrak en de Oostzee vanuit de Noordzee te markeren.
De huidige vuurtoren is 16,1 meter hoog en is gebouwd van gietijzer met een granieten fundering. De vuurtoren is wit geschilderd met een rode top. Het licht bevindt zich op een hoogte van 50,1 meter en zendt een vast en knipperend wit licht uit dat altijd brandt en elke 20 seconden wisselt tussen een lage en een hoge lichtintensiteit. Het licht is afkomstig van een Fresnel-lens van de eerste orde en is zichtbaar tot op een afstand van 32,8 kilometer (21 zeemijl).
De vuurtoren werd voor het eerst gebouwd in 1656, en in de loop der eeuwen werden er verschillende bijgebouwd om de oudere te vervangen. In 1822 werd de vuurtoren voorzien van een kolenlamp, en in 1854 werd een nieuwe lamp met de huidige lens geïnstalleerd. De huidige gietijzeren toren werd in1915 opgericht en voorzien van de oude Fresnel-lens. In 1920 kreeg het vuurtorenstation zijn eerste mistsein, en sirene. Het mistsein en de bijbehorende apparatuur bevinden zich in een gebouw naast de toren. Tijdens de WO-II werd de toren ingenomen door de Duitsers en deze bouwden er een klein fort met vier kanonnen, daar het een belangrijk uitzicht punt was. De sporen ven de oorlog zijn nog steeds zichtbaar in de vorm van loopgraven, tunnels en andere versterkingen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw  werd het station geëlektrificeerd. Het mistsein werd in 1988 als navigatie hulpmiddel buiten gebruik gesteld.

ALNESS FYR.

De vuurtoren van Alnes werd in 1852 gebouwd om vissersboten veilig naar de haven van de kleine vissersgemeenschap Alnes te begeleiden, aan de noordkant van het eiland Godøya. De vuurtoren staat ongeveer 4 kilometer ten westen van Laitebakk.
De eerste vuurtoren was een houetntoren en werd gebouwd in 1853.. De huidige toren in 1876 en werd in 1982 geautomatiseerd. Het is een vierkante toren met balkon en lantaarn. De toren is wit geschilderd en heeft twee rode horizontale banden, Ook het lantaarn gedeelte is rood geschilderd. De toren heeft drie kleuren lichten: wit is 18 zeemijl zichtbaar, rood 15 zeemijl en groen 14 zeemijl. De toren is heden eigendom van de gemeente Giske.

KJEUNGSKÆR FYR.

De vuurtoren Kjeungskjaer is een voortoren in de gemeente Ørland. 
De vuurtoren staat op een klein eilandje  aan de monding van de Bjugnfjorden, ongeveer 3 tot 5  kilometer ten westen van het dorp Uthang en 5 kilometer ten zuiden van het dorp Nes.
De vuurtoren werd gebouwd in 1880 en geautomatiseerd in 1987. De toren is opgebouwd uit baksteen evenals de fundering. Het is een achthoekige toren die rood is geschilderd, en heeft een hoogte van 17,5 meter. Het licht van 14.400 candela bevindt zich bovenaan, op een hoogte van 20,5 meter boven zeeniveau. Het licht is wit, rood of groen afhankelijk van de richting en wordt een in de zes seconden verduisterd. Het wit licht is zichtbaar op 8 zeemijl, het groen op 5,6 zeemijl en het rood op 10,9 zeemijl. Er is een Fresnel-lens in gebruik die al sinds 1906 in gebruik is. De vuurtoren brandt elk jaar van 21 juli tot 16 mei. In de late lente en vroege zomer is het donker vanwege de middernachtzon. Bij hoog water loopt de rots onder.

UTVÆR FYR.

De vuurtoren van Utær is de meest westelijke kustvuurtoren van Noorwegen. Hij bevindt zich in het westelijke deel van de gemeente Solund in de provincie Vestland.
De gietijzeren toren, met een hoogte van 31 meter, werd in 1900 gebouwd en van licht voorzien. In 1999 werd het gebied aangewezen als beschermd natuurreservaat. De toren staat op een klein rotsachtig eiland en is alleen met een boot te bereiken. Het is een cilindrische toren met balkon en lantaarn
De toren is geheel rood geschilderd en de lamp geeft elke 30 seconden een witte flits op een hoogte van 45 meter boven zeeniveau. De vuurtoren markeert de overgangslijn tussen de Noordzee in het zuidwesten en de Noorse Zee in het noordwesten. Tijdens de WO-II raakte het vuurtoren complex zwaar beschadigd tijdens een luchtaanval in 1945. Veel gebouwen brandden af, maar de historische toren bleef gespaard. Na de oorlog werden de gebouwen herbouwd. De toren valt onder cultureel erfgoed.

SKROVA FYR.

Skrova fyr is een kustvuurtoren in de gemeente Vågan in de provincie Nordland. De toren staat op een klein rotseiland ten zuidwesten van het eiland Skrova, dat in de Vestfjorden ligt. De toren werd in 1920 ontworpen en in 1922 gebouwd. Het is gietijzeren ronde toren die rood geschilderd is en voorzien van twee horizontale witte banden. De toren heeft een hoogte van 24,5 meter en de brandpuntshoogte is 41 meter met een bereik van 18 zeemijlen. Het licht geeft elke 45 seconden twee witte flitsen. Sinds 1999 is het een beschermd monument.

note: Veel Noorse vuurtorens zijn omgebouwd tot overnachtingsplekken.

                      ZWEDEN.     

Zweden, officieel het Koninkrijk Zweden is een Scandinavisch land in Noord-Europa. Zweden grenst aan Noorwegen in het weste en noorden, aan Finland in het noorden en oosten aan de Botnische Golf en de Oostzee in het noorden, midden en zuidoosten en verder aan het Skagerak en het Kattegat in het zuidwesten. De hoofdstad en tevens grootste stad is Stockholm.

LANDSORT.

Landsort is een Zweeds dorp met een vuurtoren op het eiland Öja.
De eerste vuurtoren in de moderne zin van het woord werd in 1651 in gebruik genomen en tot de huidige toren werd gebouwd, werden verschillende gebouwen gebruikt om het licht te ondersteunen. De toren uit 1689 was ontworpen om een open vuur te dragen, waarin steenkool brandde. In 1840 werd een koolzaadolielamp geïnstalleerd. Vanaf 1887 werd er een lamp op parafine gestookt, maar in 1938 werd de vuurtoren geëlektrificeerd.
De toren heeft een fundering van steen en is opgebouwd uit steen en gietijzer. De toren heeft een hoogte van 25 meter en is tweedelig: cilindrisch onderste deel en conisch dak met dubbel balkon en lantaarn. De toren is wit geschilderd en heeft rood dak. Het brandpunt hoogte is 44,5 meter. Tijdens de WO-II en de Koude Oorlog was Landsort een militaire basis voor de Zweedse kustartillerie.

lÅNGE ERIK.

 Långe Erik, officieel Ölands norra udde is gelegen opeen klein eiland, Stora Grundet, in de baai van Grankullaviken aan de noordpunt van Öland, het op één grootste eiland van Zweden. Het eiland is verbonden met Öland door een kleine brug  die in 1965 werd gebouwd.
De vuurtoren gebouwd in 1845 is 32,1 meter hoog en is opgetrokken uit kalksteen evenals de fundatie. Naast de vuurtoren staat het huis van vuurtorenwachter, samen met een paar gebouwen uit rond 1900.
De oudere grote lens is nog steeds aanwezig, maar wordt niet meer gebruikt. De toren werd in 1976 geautomatiseerd en voorzien van een aerobeacon op het balkon van de lantaarn. Bereik 13,8 zeemijl. Het licht wordt op afstand bediend door de Zweedse Maritieme Dienst.

lÅNGE JAN.

"Lange Jan" is een vuurtoren gelegen aan de zuidpunt van Öland in de Oostzee, en is de hoogste vuurtoren van Zweden.
De vuurtoren werd gebouwd in 1785 en is opgetrokken evenals de fundering uit kalksteen afkomstig van een oude kapel. 
Oorspronkelijk was het licht een open vuur en was de toren niet geverfd. In 1845 werd de toren wit geschilderd en kreeg een paar later een brede horizontale zwarte band. In dat zelfde jaar werd de lantaarn in de toren geplaatst, om een koolzaadlamp te plaatsen. De hoogte van de toren is 41,6 meter, hij is cilindervormig, afgeknotte sokkel met balkon en lantaarn. De vuurtoren is nog steeds in gebruik en het licht heeft een brandpunthoogte van 42 meter met een bereik van 18 zeemijlen. Ook deze vuurtoren wordt op afstand bediend door de Zweedse Maritieme dienst.

VUURTOREN VAN NÄR.

De vuurtoren van När is een vuurtoren buiten het dorpje När aan de zuidoostkust van het eiland Gotland. De vuurtoren is gelegen in het natuur- en broedgebied Närsholmen en is een rijksmonument.
De start van de bouw, van deze ijzeren toren, was in 1872 en dat zelfde jaar werd de toren in gebruik genomen. De toren is rood geschilderd en heeft drie witte horizontale banden. Oorspronkelijk  was de toren voorzien van een kerosinelamp, maar in 1961 werd er overgestapt op elektrisch licht.
In dat zelfde jaar werd de toren geautomatiseerd en de ronddraaiende lens werd vervangen door een nieuwere.
De Zweedse Zeedienst is de eigenaar van het gebouw.


VÄDERÖBOD.


Väderöbod is een eiland en vuurtorens in het zuidelijke deel van de Väderö-archipel in de Zweedse gemeente Tanum, voor de kust van Fjällbacka en zijn een belangrijk onderdeel van de maritieme geschiedenis van Bohuslän. 
Het snel toenemende scheepvaartverkeer in de 19e eeuw, in combinatie met de vele strandingen, toonde een grote behoefte aan verbeterde navigatiemogelijkheden langs de Zweedse kust. Zo werd besloten een reeks nieuwe vuurtorens te bouwen langs de kust. De eerste vuurtoren zou gebouwd op een afgelegen eiland in de Väderöarna-eilanden in 1867, en bestond uit een ijzeren constructie. (linker afbeelding)
Het eiland waar dit moest gebeuren, Guleskär viel al snel af daar zelfs bij goed weer het nauwelijks bereikbaar was. In Plaats daarvan werd voor Väderöbod gekozen. De vuurtoren een 19 meter hoge staalconstructie werd in 1867 in gebruik genomen en haar licht werd dat jaar op 23 september ontstoken. In die tijd woonden een vuurtorenwachter en twee assistenten met hun gezinnen op het eiland. Het was de meest eenzame bemande vuurtoren van Zweden.

In 1964 werd er een nieuwe vuurtoren gebouwd, een moderne volledig geautomatiseerde betonnen vuurtoren die de oude verving.
De nieuwe heeft een torenhoogte van 19 meter en een lichthoogte van 32 meter, waardoor ze een bereik heeft van 6 zeemijlen. De toren is geheel rood geschilderd.
Tot 2000 werd de toren van stroom voorzien via een 50 kV-kabel vanaf de wal, waarna deze werd omgebouwd op zonne-energie.

De vereniging Väderöbod kocht de oude vuurtoren voor één kroon om deze te behouden. Leden renoveerden de oude toren en gebouwen. Deze maken nu deel uit van het natuurreservaat Väderöarna.

VUURTOREN VAN VINGA.


In het Zweeds Vinga Fyr is een vuurtoren op het Zweedse eiland Vinga, gelegen in de archipel van de stad Göteborg.  De huidige vuurtoren werd gebouwd in 1890, hoewel Vinga al veel langer een belangrijk eiland was voor de zeevaarders. De huidige vuurtoren is de derde die op het eiland is gebouwd.
De eerste toren werd gebouwd in 1841; het was de eerste Zweedse vuurtoren met een lens. Een tweede werd gebouwd in 1854 om van Vinga een "dubbele vuurtoren" te maken, omdat er klachten waren dat het moeilijk was om de vuurtoren in Skagen, Denemarken, en Vinga, Zweden, van een afstand van elkaar te onderscheiden. De vlam brandde op koolzaadolie. In de jaren 1880 was er dringend behoefte aan een betere en hogere vuurtoren en in 1890 werd de nieuwe vuurtoren gebouwd, die op paraffine brandde. De lantaarn van de tweede vuurtoren werd verwijderd en deze werd omgebouwd tot uitkijktoren (de rood-grijze korte toren). De eerste vuurtoren werd afgebroken en alleen de fundering is overgebleven.  De nieuwe vierkante toren, 29 meter hoog, met balkon en lantaarn werd gebouwd met porfier (hard vulkanisch stollingsgesteente). De toren is niet geschilderd en heeft een grijze metalen lantaarnkoepel. De  eerste stroombron was op kerosine en in 1948 werd de toren geëlektrificeerd en in 1974 geautomatiseerd. Het station Vinga heeft ook een opvallende rode piramide, een dagbaken, naast de toren. Dit baken werd gebouwd in 1857.


              Zie vervolg: VUURTORENS AAN DE EUROPESE KUSTEN. FINLAND. DEEL 3




zaterdag 10 januari 2026

VUURTORENS AAN EUROPESE KUSTEN. DENEMARKEN & IJSLAND. (DEEL 1)

 

      EEN LICHT AAN DE KUST

      OM IN DE DUISTERNIS DE 

ZEELIEDEN NAAR EEN VEILIGE

       HAVEN TE BEGELEIDEN.

                                         DEEL 1.

VUURTOREN.

In eerdere publicatie op de weblog heb ik de Nederlandse vuurtorens beschreven. Nu wil ik het hebben over verschillende van deze antieke, maar vaak nog in gebruik zijnde vuurtorens op onze Europese kusten. Ondanks de moderne satelliet navigatie (GPS) zijn zij nog steeds een baken op de kust als ze werkzaam zijn.

Een vuurtoren is een lichttoren, een toren die vanuit de wal licht uitzendt door middel van een lamp, lenzen en spiegels die dient als navigatiehulpmiddel voor de scheepvaart langs de zeekusten en van binnenwateren. In vroege tijde werd er gebruik gemaakt van een open vuur.
Vuurtorens dienen ter aanduiding van onder andere gevaarlijke kusten, rotsen, riffen, kliffen en zandbanken of van toegangen tot zeetstraten of zeearmen, met name als de zichtbaarheid laag is, zoals 's nachts  , bij stormweer of mistomstandigheden. Vel haven met hun havengeulen hebben soms een of meer vuurtorens  of lichtbakens die de toegang aangeven en vaak een lichtlijn vormen.

Het oudste voorbeeld is de vuurtoren van Alexandrië (Egypte) de Pharos, een van de zeven wereldwonderen van de oudheid. OP deze toren werd hout verbrand, waar dan ook de naam vuurtoren vandaan komt. het bouwwerk deed voornamelijk dienst als een dagmerk: de opstijgen- de rook vergrootte de zichtbaarheid van de toren.
Na ongeveer 1600 jaar is deze toren, die een voorbeeld was voor vele andere, door een aardbeving in de zee verdwenen.

HOE WERKT EEN VUURTOREN.

Door de snelle opkomst van de stoomschepen ontstond er nood aan meer navigatiebakens op de kusten. De scheepvaart was immer gebonden aan tijdtafels en schepen voeren ook 's nachts langs de kusten. Het vuur dat reeds plaats had gemaakt voor olielampen (walvisolie) in de toren maakte plaats na een uitvinding, de Argandse lamp aan het einde van de 18e eeuw. ER wordt sinds die tijd elektrisch licht als de spitsbooglamp, de gloeilamp, of de metaalhalidelamp toegepast.

Een vuurtoren schijnt niet rondom maar met een of meer ronddraaiende  lichtbundels.
De lichtbundels worden gemaakt met fresnellenzen en holle spiegels. Een fresnellens is lichter dan een gewone lens en geeft minder sferische aberratie, dus een betere bundel.
Iedere vuurtoren heeft zijn eigen lichtkarakteristiek wat schijnsel op afstand betreft, variërend van een vast rondom schijnend licht tot een groepschitterlicht, waaraan hij herkend kan worden.
Al deze karakter staan aangeven in de lichtenlijsten en zeekaarten.
Buiten de vuurtorens als lichtbakens aan de wal voor de scheepvaart kennen we ook nog lichtschepen, die als een lichtbaken op zee verankert zijn.

                      DENEMARKEN.  


Veel van deze vuurtorens bevinden zich aan de ruige westkust van Jutland, Denemarken, waar ze schepen helpen navigeren langs gevaarlijke zandbanken en kusten. 

RUBJERG KNUDE RYR.


Rubjerg Knude Fyr is een vuurtoren bij Lonstrup in Noord-Jutland, Denemarken. De vuurtoren staat op Lonstruo Klint op een hoogte van 60 meter boven het zeeniveau.
De bouwwerkzaamheden begonnen in 1899. De vuurtoren werd in gebruik genomen op 27 december 1900 en weer buiten gebruik genomen op 1 augustus 1968.
Tussen 1910 en 1920 werd het stuifzand zo'n groot probleem dat er struiken en bomen geplant moesten worden om de omstandigheden in het gebied rond de toren te verbeteren. Ondanks deze inspanning groeide de zandduin alleen maar verder en begon het zand de planten te bedekken. In de jaren 50 werden de meeste planten weer verwijderd en werd veel zand uit het gebied verwijderd, omdat het te dicht bij de vuurtoren kwam. Uiteindelijk werden de zandduinen zo hoog dat ze het licht van de vuurtoren bedekten. Het waren de moderne navigatiemiddelen die het licht op 1 augustus 1968 voor het laatst ontstoken.

Gedurende de jaren 1970 stond de vuurtoren leeg, maar plannen om de gebouwen eromheen op te bouwen tot een museum werden gerealiseerd.

Ironische genoeg had het museum en de vuurtoren geen schijn van kans tegen het het zand en in 1992 werd het museum gesloten. 

Uiteindelijk werd besloten in 2019, dit navigatie kunstwerk 70 meter landinwaarts te verplaatsen met al de bijgebouwen en sindsdien probeert het Historisch Museum Vendsyssel het verhaal van de vuurtoren te vertellen.

BLåVANDSHUK FYR.

De vuurtoren van Blåvand Fyr in een kustvuurtoren in Blåvandshuk, vlakbij Esbjerg aan de Westkust van Jutland in Denemarken. De vuurtiren werd in 1900 gebouwd ter vervanging van een oudere vuurtoren en staat op Blåvandshuk, het meest westelijke punt van Denemarken, waardoor de toren het meest westelijke gebouw van Denemarken is. De toren heeft een hoogte van 39 meter, heeft een vierkante vorm en een brandpuntshoogte (de hoogte van het licht boven zeeniveau) van 55 meter. Het licht is tot op 20 zeemijl (37 km)  uit de kust te zien en flitst drie keer per 20 seconden. De toren is uitgerust met een Fresnel-lens van de tweede orde.  De toren heeft een plattegrond en is gebouwd op een granieten sokkel met baksteenmuren, die tegenwoordig zijn wit geschilderd. Toegang tot het gekanteelde dak is via een wenteltrap die omhoog loopt door een klein luik.   

LYNGVIG FYR.


Lyngvig Fyr, voorheen Nørre Lyngvig Fyr, is een vuurtoren op de westkust van Jutland, op Holmsland Klit. De 38 meter hoge toren werd in 1906 gebouwd op een 17 meter hoge duin en was de laatste vuurtoren die aan de Deense Noordzeekust werd opgericht.

 De reden tot de bouw van de toren was de stranding van het stoomschip Avona drie jaar eerder, waarbij 24 zeelieden om het leven kwamen. 

De fundering van de toren, evenals de basis en in de ingang, werden van beton gemaakt. De toren zelf is met bakstenen opgebouwd, terwijl voor de ramen en de ingangsdeur teakhout werd gebruikt.
Uitgerust met een Fresnel-lens en een acetyleenbrander, werd de vuurtoren op 3 november 1906 in gebruik genomen. De roterende lens werd voortgetrokken door een gewicht dat de gehele lengte van het trappenhuis kon verplaatsen. Na vier uur moest het gewicht met behulp van een kaapstander weer omhoog worden getrokken. 
De lichtbron werd in 1920 vervangen door een petroleummantelbrander en in 1955 werden de verlichting en de lensaandrijving geëlektrificeerd. De vuurtoren werkt sinds 1965 automatisch. Begin 2000 opnieuw uitgerust met een natriumlamp van 250 watt en 300.000 candela.

Vanwege technische problemen met het draaimechanisme werd de vuurtoren in november 2011 vervangen door een LED-lantaarn die extern op de galerij was gemonteerd. Deze verandering veranderde de lichtkarakteristiek en verminderde het bereik van 22 tot 17 zeemijl. (zeemijl is 1852 meter). Deze vermindering van de prestaties leidde tot de oprichting van een vereniging voor het behoud van de vuurtoren op 11 augustus 2012 in Hvide Sande.
Een bezoek aan het uitkijkplatform van de vuurtoren kost de bezoeker een trap omhoog te gaan met 228 treden, waarvan 79 treden zich bevinden op de houten trap vanuit een van de bijgebouwen aan de voet van de duin naar de ingang van de toren. Het is voor de Denen een populaire toren met een restaurant en speeltuin voor de kinderen.

HIRTSHALS FYR.

De vuurtoren van Hirtshals, een stad en zeehaven aan de kust van het Skagerrak op het eiland Vendsyssel-Thy, in het noorden van het schiereiland Jutland, is gelegen op de Stenberheuvel, het meest prominente herkenningspunt van de stad.
De vuurtoren werd gebouwd tijdens het bewind van koning Frederik VII. De bouw begon op 28 juni 1860 en werd ingewijd op 1 januari 1863. Het wapen van de koning siert de ingang van de toren. De vuurtoren is 35 meter hoog en opgetrokken uit rode baksteen en bedekt met Hollands dakpannen. De toren steekt 57 meter boven zeeniveau uit en  haar basis bevindt zich 22 meter boven zeeniveau.
Het licht van de vuurtoren is zichtbaar op een afstand van 25 zeemijl. De lamp heeft een vermogen van 400 watt en de eerste lens versterkt het licht 100.000 keer. De buitenste lenzen- de roterende lenzen- versterken het licht vervolgens nog een 1,25 miljoen keer. Het reinigen van de lenzen duurt zes uur.
Het beklimmen van 144 treden beloont de bezoeker met een geweldig mooi uitzicht over het Skagerrak en de Vendsyssel. Vlak bij de vuurtoren ligt een oud bunkercomplex dat ingericht is als museum.

DET HVIDE FYR & SKAGEN FYR.


De Det Hvide Fyr, de 'Witte vuurtoren van Skagen'  werd in 1747 gebouwd, was de eerste vuurtoren in Denemarken die van baksteen werd gebouwd De vuurtoren had oorspronkelijk een kolenvuur bovenop. De toten werd in 1816 verhoogd en het voorheen openbaken werd afgedekt met een signaallantaarn. In 1835 werd een spiegel in de lantaarn geplaatst, welke later weer werd verwijderd. De toren was oorspronkelijk gebouwd ter vervanging van een scheefstaande vuurtoren en werd in 1858, zelf na 111jaar dienst, vervangen door een nieuwe vuurtoren Skagen Fyr, 'de Grijze vuurtoren'.

De Det Grå Fyr, de 'Grijze vuurtoten' is een actieve vuurtoren ten noordoosten van Skagen in het uiterste deel van Jutland en werd op 1 november 1858 in gebruik genomen. De toren werd gebouwd met ongeverfde baksteen en een galerij, die een hoogte van 46 meter bereikt.
Toen hij werd gebouwd, stond hij in het midden van het schiereiland Skagen Odde, maar als gevolg van kusterosie ligt hij nu zeer dicht bij de kust van het Kattegat in het zuidoosten.
De vuurtoren heeft een roterende lens van twee ton die op kwik rust. Oorspronkelijk was er een paraffinelamp met vijf pitten, die achtereen volgens werd vervangen door een elektrische lamp van 1000 watt en vervolgens door een van 1.500 watt. Tegenwoordig is er een natriumlamp van 400 watt die elke vier seconden tot op 37 kilometer (20 zeemijl) afstand zichtbaar is. De toren is van april tot oktober open voor bezoekers.

BORNHOLM VUURTORENS.

Bornholm is een Deens eiland, en eigen gemeente, gelegen in de Oostzee.
De vuurtoren op het eiland is een zeer belangrijk lichtbaken voor de scheepvaart naar Zweden, Finland, Duitsland en Polen.
Het eiland heeft een eigen vlag.




SVANEKE-VUURTOREN.

De Svaneke vuurtoren bevindt zich te zuidoosten van de haven van Svaneke op de Deense eiland Bornholm. De vierkante bakstenen toren werd gebouwd in 1920, heeft een balkon en lantaarn. De toren is niet geverfd, heeft een wit lantaarn gedeelte en een rood dak. De brandpunthoogte van de toren ligt op 20 meter en heeft een bereik van 19 zeemijl.

De toren werd gebouwd, nadat in 1914 de Poolse schoener Louise & Helene, als gevolg van wind en mist, aan de grond liep bij Hullenakke voor de kust van Svaneke. Het schip verging op de rotsen en de driekoppige bemanning kwam om het leven. De gemeenteraad stelde daarop een stuk grond beschikbaar voor de bouw van een vuurtoren op Hullenakke. De bouw werd in 1919 voltooid. De fundering van het nogal ongebruikelijke vierkante gebouw is gemaakt van Nexø-graniet, terwijl de toren zelf is opgetrokken uit zandsteen en 15 meter hoog is. In januari 1920 werd een tijdelijk licht op het platform geplaatst en in augustus 1920 werden de laatste onderdelen toegevoegd en werd de toren volledig in gebruik genomen. Om dat de toren ook mistwaarschuwingen moest geven, werd een misthoorn geïnstalleerd die werd aangedreven door perslucht uit een motor in het machinehuis.
In 2010 werd de toren buiten gebruik gesteld en het jaar daarop aan particulieren verkocht.

DUEODDE-VUURTOREN.

De Dueodde-vuurtoren en staat op het Deense eiland Bornholm en is de moderne vervanger van de Svaneke-vuurtoren.
De toren werd gebouwd tussen 1960 en 1962 en in gebruik genomen op 15 augustus 1962.
Samen met de lantaarn en de dubbele galerij heeft de toren een totale hoogte van 47 meter en is daarbij de hoogste vuurtoren van Denemarken.
De vuurtoren is uitgerust met een roterende Fresnellens op een brandpunthoogte van 48 meter.
De Fresnellens, uit 1886, van de vuurtoren Dueodde Nord is naar deze toren overgebracht. De energie voorziening van 1000 watt wordt geleverd door het openbare nutsbedrijf als lichtbron voor de gloeilamp., die samen met de lens en de hoogte van de brander een zichtbereik van ongeveer 35 kilometer mogelijk maakt. De lens geeft elke tien seconden drie witte flitsen.
De fundering van de toren bstaat uit 14 meter lange gewapende betonnen palen. Water voor de bouw werd via een pijpleiding uit de Oostzee gehaald. Na de voltooiing van de fundering werd de bouw van de toren opgepakt en snel voltooid met behulp van een schuifbekistingprocedure om de zeshoekige cilindrische betonnen toren tot een hoogte van 45 meter te hijsen zonder de bevestigingsmaterialen.
Voor de constructie  werden 300 kubieke meter cementbeton en 50 ton bewapeningsstaal  gebruikt.
Er zijn 197 traptreden naar de top van de toren. Het is de enige vuurtoren van Bornholm die open is voor het publiek.

 IJSLAND.

IJsland is een eilandstaat ten noordwesten van het Europese vasteland.
Het eiland wordt omringt door de Atalntische Oceaan in het zuiden, de Straat van Denemarken, tussen IJsland en Groenland, in het westen en de Groenlandzee, een deel van de Noordelijke IJszee, in het noorden.
Het noordoosten van het eiland ligt net binnen de poolcirkel. het eiland heeft een oppervlakte van 103.000 km².
IJsland heeft ongeveer 104 vuurtorens langs de kustlijn, variërend van iconische en fotogenieke structuren, tot historische bakens. Veel vuurtorens, zijn verweven met lokale legendes over trollen en elfen.
In dit verslag zullen de belangrijkste beschreven worden.

TRÍDRANGAVITI.


De Thridrangaviti is een actieve vuurtoren op 4,5 zeemijl voor de zuidwestkust van IJsland. Hij wordt beschreven als een van de meest geïsoleerde vuurtorens ter wereld.
Thridrangaviti beteken "drie rotszuilen", verwijzend naar de drie benoemde rotsformaties op die locatie: Stóridrangur, waarop de vuurtoren staat, Púfudrangur en Klofadrangur.
De vuurtoren werd in gebruik genomen op 5 juli 1942.


De vuurtoren van Thridrangaviti werd gebouwd in 1938 en 1939. Hij werd oorspronkelijk met de hand gebouwd, zonder machines, en was alleen bereikbaar door de hoogste van de drie rotsformaties te beklimmen, waarvan de top 36,5 meter boven de zeespiegel uitsteekt. Hij werd gebouwd onder leiding van ingenieur Árni G. Thorarinsson, die ervaren bergbeklimmers rekruteerde. Dit waren lokale bewoners van de Westman-eilanden die al lange tijd hun dieet aanvulden door eieren van zeevogels te verzamelen van de kliffen van IJsland.

De klim leverde aanzienlijke uitdagingen op: de zware deining aan de voet van de rots maakte de overstap van boot naar rots moeilijk, zelfs bij rustig weer, terwijl de verticale wand door de zee glad was gesleten en door het opspattend water glad was. Met boren en hamers sloeg het team stalenpinnen in de rots die met elkaar verbonden waren door zware kettingen. Bij elk bezoek tijdens rustig weer konden ze een paar extra schakels aan de ketting toevoegen, waardoor een kronkelende route naar boven ontstond.

Hun klimgereedschap kon zich niet vastbijten in de rots, dus gebruikten ze dezelfde techniek die ontwikkeld was voor het verzamelen van zeevogeleieren, en vormden ze een 'menselijke stapel' van drie personen; één man op zijn knieën, een tweede bovenop hem, en de derde die op de tweede klom- voor de laatste klim, Volgens Thorarinsson:

Het eerste wat zij moesten doen, was een weg naar de klif aanleggen. We brachten ervaren bergbeklimmers bijeen, allemaal afkomstig van de Westman-eilanden. Vervolgens brachten we boren, hamers, kettingen en klemmen om de kettingen vast te zetten. Toen ze bijna bovenaan waren, was er geen manier om grip op de rots te krijgen, dus ging een van hen op zijn knieën zitten, de tweede ging op zijn rug staan en de derde klom bovenop de andere twee en wist zo de rand van de klif te bereiken. Ik kan je niet eens beschrijven hoe ik me voelde toen ik getuige was van deze ongelooflijk gevaarlijke procedure. 

Ze begonnen in de zomer van 1938. De wind joeg de zee zo vaak op dat de klimmers maar een paar uur per keer konden blijven, anders zouden ze niet meer aan boord van de boot kunnen komen. De bemanning verbleef uiteindelijk een maand in tenten op de gevaarlijke rotsrichel om het huis af te bouwen. Het werd voltooid rond het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1030, maar de lampen die bij een Deens bedrijf waren besteld, konden niet worden geleverd omdat Denemarken toen door Duitsland bezet was. Daardoor liep de plaatsing van de verlichting drie jaar vertraging op, die nu later door Groot-Brittannië werd geleverd. De vuurtoren werd op 5 juli 1942 in gebruik genomen.
De verlichting werd kort na de oorlog geautomatiseerd met een lampenwisselaar. In de jaren vijftig werd een helikopterplatform toegevoegd. In 1993 werd het geheel omgebouwd naar zonne-energie.

Het vuurtoren gebouw bevindt zich ongeveer 30 meter boven zeeniveau. Het gebouw is een vierkant, witgekalkt betonnen hutje van 4 bij 4 meter, met één verdieping en een dak dat lijkt op een kantelenmuur van een middeleeuwse kasteeltoren, inclusief schietachtige openingen, De rode lantaarn staat op het dak en is 4 meter hoog.
Het licht bevindt zich 34 meter boven de zee (het brandpunt), wat een zichthoogte bepaalt, wat betekend dat de lichtstraal voor het eerst zichtbaar is op zeeniveau vanaf 9 zeemijl (16,7 kilometer). De lichtstraal bestaat uit een lange witte flits, gevolgd door een korte witte flits ( in morse code - . ) elke 30 seconden.
Note: Ik ben opzoek geweest naar afbeeldingen van de bouw van deze vuurtoren om deze in het verslag toe te voegen. Helaas niet gevonden.

SVÖRTULOFT.

Svörtuloft is een opvallend oranje vuurtoren gelegen in het westen van IJsland op de zwarte klippen.
De vuurtoren dankt zijn naam  aan de klippen waarop hij is gebouwd.
De omgeving rond de vuurtoren is net zo adembenemend, met ruige zwarte kliffen die scherp afsteken tegen de wilde Atlantische Oceaan.
De vuurtoren zelf is een eenvoudige , maar indrukwekkende structuur. gebouwd in de jaren 30 van de vorige eeuw en heeft sindsdien vele schepen veilig langs de kust van IJsland geleid. De huidige vuurtoren, ook wel Skálasnagaviti lighthouse genoemd,  werd in 1931 in gebruik genomen en heeft een hoogte van 13 meter. De voormalige vuurtoren die werd gebouwd in 1914, is ten onder gegaan door erosie van de kust.

MALARIFSVITI.

Malarrifsviti is een vuurtoren bij de stad Malariff, in het westen van IJsland, gelegen aan de zuidkust van het schiereiland Sæfellnes, ten zuiden van de vulkaan Sæfellnes. De witte cilindrische toren, met een diameter van 24 meter op de grond en vier steunpilaren bevindt zich in het Nationaal Park Snæfellsjökull.  De toren heeft een hoogte van 24,5 meter. Het licht dat zich 30 meter boven zeeniveau bevindt, zendt elke 30 seconden vier flitsen uit, in wit, rood of groen, afhankelijk van de richting.
De eerste toren werd gebouwd in 1917 en was 20 meter hoog. Deze had een metalen constructie die in de loop der tijd corrodeerde. In 1946 werd de constructie, die beschadigd was door de weersomstandigheden, vervangen door een betonnen constructie. Sinds 1957 heeft de nieuwe toren een elektrische stroomvoorziening. Het licht wordt versterkt door een lens van 1000 mm, die vanaf het begin in de oude vuurtoren werd gebruikt. De toren was verder uitgerust met een radiobaken.

REYKJANESVITI.

Reyjanes is de oudste vuurtoren van IJsland en ligt op het schiereiland Reykjanes.
De toren heeft een hoogte van 31 meter en de oorspronkelijke structuur werd gebouwd in 1878; slechts 8 jaar later werd het gebouw verwoest door een aardbeving.
In 1929 werd de huidige vuurtoren, een betonnen constructie, in gebruik genomen. Het brandpunt van de toren bevindt zich 73 meter boven zeeniveau.
De lichtkarakteristiek is "Fl (2) W 30 s", d.w.z. een groep van twee knipperlichten om de 30 seconden. Op het dak is een antenne gemonteerd voor de transmissie van DGPS-signalen in het lange golfbereik. De vaste vuurtoren wachter woont in een gebouw van twee verdiepingen. De vuurtoren bevindt zich in een gebied met thermische activiteit, en stoom van deze bron is vaak te zien in het gebied.

GARÖURKAGAVITI.

Gaöskagavitti is een vuurtoren op Garöskaöi, op meest oostelijke puntje het zuidelijkste schiereiland van IJsland.
De naam verwijst eigenlijk naar twee vuurtorens: de eerste werd gebouwd in 1897 en in 1944 werd de tweede vuurtoren gebouwd ter vervanging van de oorspronkelijke. De nieuwe vuurtoren huisvest sinds 1955 het Erfgoed- en Maritiem Museum.

DE OUDE VUURTOREN.

Het is een van de meest iconische kustmonumenten van IJsland. Deze hoge, witte toren, met twee rode banden, gebouwd in 1897 en herbouwd in 1944, staat op een landtong.
De plannen voor de bouw van deze vuurtoren begonnen in1878 toen IJsland, dat toen nog onder Deens bestuur stond, de Deense koning verzocht om de bouw van de vuurtoren te financieren, wat hij had beloofd. De Deense regering was echter niet bereidt de volledige kosten van de bouw te betalen, omdat er volgens hen niet veel schepen langs Garöskagi voeren en het weer ongeschikt was voor een vuurtoren.

Denemarken stemde er uiteindelijk mee in om de lichtinstallatie te betalen. De IJslanders  besloten in plaats van een vuurtoren een beschermede muur met verlichting te bouwen maar al snel erodeerden de muren en in 1895 verzocht de visserijvereniging om de bouw van een echte vuurtoren. De IJslandse regering stelde 11.000 kronen beschikbaar voor het project en verzocht de Deense regering om hetzelfde bedrag bij te dragen, wat ze ook deed.
 In 1897 bouwde de Koninklijke Deense Vuurtorencommissie de vuurtoren. De constructie is 11,4 meter hoog, vierkant en gemaakt van met ijzer versterkt beton; het is de op één na oudste betonnen constructie in IJsland. ER werd gebruik gemaakt van een petroleumlamp  en een enkele catadioptrische roterende lens die het licht vergrootte en een verzwaard mechanisme had om de lens te laten draaien. Al snel begon de oceaan het land waarop de vuurtoren was gebouwd te eroderen. In 1912 werd een voetbrug gebouwd zodat mensen de vuurtoren veilig konden bereiken, maar de golven en het slechte weer maakten de brug onbruikbaar bij hoogtij. In 1925 werd een betonnen platform gebouwd om de grond rond de vuurtoren te verstevigen. Desondanks schudde de vuurtoren op zijn fundatie tijden zware stormen om dat de ondergrond van de fundering niet stevig genoeg was. Sinds 1 december 2003, na de bouw van de nieuwe vuurtoren, is Garöskagaviti een bescherm cultureel erfgoed, dit omvat alle bijgebouwen en het gehele gebied waarop deze toren is gebouwd.

DE NIEUWE TOREN.

De bouw van de nieuw, tweede Garöskagaviti begon op 11 juni 1944 en werd slechts in drie maanden voltooid.
De nieuwe toren bevindt zich 215 meter ten zuidoosten van de oude; hij werd verder van de kustlijn gebouwd om erosie en opspattend zeewater te vermijden. De nieuwe toren is een ontwerp van ingenieur Axel Sveinsson. 
De vuurtoren is 28,6 meter hoog, gemeten vanaf de fundering tot de top, en de muren zijn 20 centimeter dik. De vuurtoren was oorspronkelijk bedekt met lichtgekleurd kwarts, maar werd later, tijden de reparaties in 1986, met een witte beschermende laag behandeld. De lantaarn is in Engelse stijl en de gebruikte oorspronkelijke verlichtingselementen van de oude toren, en door deze die in de nieuwe te plaatsen , werd het bereik van het licht vergroot van 13 naar 15,5 zeemijl. 
De verlichting werd twee jaar na de bouw in 1946, omgezet naar elektrische verlichting. In 1960 werd de originele lens uit 1897 vervangen door een viervoudige roterende lens. De vuurtoren is ook in staat radarsignalen te ontvangen. In 1933 werd er een vuurtorenwachter woning  welke tegenwoordig deels is in gebruik van het Garöskagi Erfgoed- en Maritiem Museum. Ook van deze plaats is het Noorderlicht goed te aanschouwen.

AKRANESVITI. 

Akranes, IJsland is trots op de aan de punt van het schiereiland bevindende twee vuurtorens; een oudere en nieuwe vuurtoren.
De oudere, kleine betonnen vuurtoren dateert uit 1918 en werd in 1947 buiten werking gesteld, maar blijft een belangrijk historisch monument. 
De hogere, nieuwe vuurtoren, Akranesviti,  werd in 1947 in gebruik genomen, en is buiten het feit dat deze als vuurtoren dienst doet een onderdak aan concerten en tentoonstellingen. 

DYRHÓAEY.


De Dyrhóaey is de bewaker van de zuidkust van IJsland, bekend om de adembenemende kustlijn en zeebogen.
De vuurtoren bestaat uit een vierkant betonnen toren,en is wit geschilderd. Aan de linker- en rechterkant van de toren bevinden zich de geïntegreerde vertrekken  van de vuurtorenwachter. De lichttoren staat op een rood geschilderd metalen lantaarnhuis. Het brandpunt van het licht bevindt zich op 118 meter. De totale hoogte van de toren is 13 meter. De eerste vuurtoren werd opgericht in 1910. Deze vuurtoren was een stalen skelettoren die in Zweden was gefabriceerd.  De huidige vuurtoren werd in 1927 gebouwd. Het licht flitst elke 10 seconden wit en heeft een bereik van 27 zeemijlen. Het markeert het meest zuidelijke punt van het vasteland van IJsland.


   Zie vervolg: VUURTORENS AAN DE EUROPESE KUSTEN. NOORWEGEN EN ZWEDEN.
                                                                           DEEL 2.




maandag 5 januari 2026

DE CEVENNEN. (FR.) HET GEBIED VAN DE HUGENOTEN. (DEEL 3)

 

   DE CEVENNEN GELEGEN 

 IN HET CENTRAAL MASSIEF 

         VAN FRANKRIJK, 

 EEN TOEVLUCHT VOOR DE

            HUGENOTEN.

                                                                              DEEL 3.

CAMARGUE GEBIED.


Met het bezoek aan Aigues-Mortes zijn we in de  Camargue aangekomen.
Wie nog even van deze route wil afwijken, kan naar les Saintes-Maries-de-la Mer, een dorp dat bekend staat om z'n Maria legende en de zigeunerbedevaarten. 
De Camargue is een moerasgebied in de Rhônedelta, gelegen in het departement Bouches-du-Rhône. Men onderscheidt twee gebieden: de Grande Camargue met een oppervlakte van 750 'vierkante kilometer. Het wordt ook wel beschreven als een eiland, omdat het van het vasteland is gescheiden door de twee vertakkingen van de Rhône die vanuit Arles naar zee lopen. De oostelijke vertakking; genaamd Grand Rhône, mondt uit in de zee bij Salin-de-Girand en de westelijke vertakking, genaamd Petit Rhône bij Saintes-Maries-de-la Mer. Dit zijn de enigste twee woonplaatsen in de Grande Camargue. De Petite camargue, oftewel Camargue Gardoise, ligt ten westen van de Petit Rhône. 
Het gehele gebied is ontstaan door aanslibbing en afzetting van de rivier de Rhône.


De Camargue staat bekend om zijn rijstvelden, wijngaarden, zoutwinning en een rijke flora en fauna en niet te vergeten de paarden, stieren en de prachtige flamingo's.





WIJNBOUW 'VIN DES SABLES'.

De wijnbouw in de Camague, vaak aangeduid als "Sable de Camague", vindt plaats op zandgronden langs de kust met een mediterraan klimaat. 
het terroir kenmerkt zich door kiezelzand en duinen, wat resulteert in frisse, minerale roséwijnen, vaak Grenache / Carignan, en de rode wijnen Marselan.

De wijngaarden liggen op oude kustbars, bestaande uit kiezelzand en duinzand. Het zonnige klimaat wordt getemperd door de zee, wat zorgt voor een ideale rijping. Men verbouwd er o.a de blauw/rosé: Grenache, Carignan, Cinsault, Mourverde, Cabernet Sauvignon en de zeldzame Caladoc en Marselan. Verder de witte: Clairette, Grenache Blanc, Chardonnay, Sémillon en Sauvignon Blanc. Veel van deze wijngaarden werken duurzaam of biologisch.
De oogst van de druiven wordt 's nachts gedaan om de versheid te garanderen.

INVLOED VAN HET WATER.


Het aanzien van de Camargue is door de eeuwen heen voortdurend verandert. Eeuwenlange sedimentatie en de invloed van zowel zoet water van de rivier als zout water van de zee door eb- en vloedwerking gaven het gebied geleidelijk zijn eigen geofysisch karakter.  Bewoners die gedeelten het land bebouwden en bewerkten zagen hun oogsten vaak door overstroming verdrinken. Voor de bevolking was het niet eenvoudig zich van voldoende voedsel te voorzien.
Pas tegen het eind van de 19e eeuw was de strijd tegen het water omgebogen in het voordeel van de mens, zodat er meer land bebouwd kon worden. In 1859 werd de eerste zeedijk aangelegd. In 1869 werden de Rhône oevers ingedamd, waardoor het aantal overstromingen sterk afnam. Na de W.O II begon men met intensieve rijstteelt. Aangemoedigd door dit succes, legde men meer irrigatiekanalen aan om meer land te kunnen ontzilten. men verbeterde de waterbeheersing en hierdoor kon men ook de gevolgen van droogte en smeltwatervloeden vanuit de Alpen, beter in de hand houden.

Met deze successen kwamen ook nieuwe problemen: de Camargue werd door dit netwerk van dammen en dijken min of meer afgesneden van de natuurlijke, periodieke instroming van zout en zoet water. Dit bedreigede de flora en fauna in het gebied. Er werd een strikter reguleringssysteem ontworpen en aangelegd, met pompgemalen, irrigatiewerken, een afwateringssysteem en een fijnmazig netwerk van kanalen en sloten. Het gevolg was wel dat de Camargue een deel van de vermaarde 'wildheid' inleverde. Dit geldt trouwens ook voor de eens zo wilde paarden en stieren. De meeste hebben nu een eigenaar. 's nachts leven ze inderdaad nog in het wild, maar 's morgens worden ze weer opgehaald.

ZOUTWINNING.


De zoutwinning in de Camargue is een eeuwenoude traditie sinds en vermoedelijk ook al voor de Romeinen, rond Aigues-Mortes en Salin-de-Girand, goed voor ongeveer 300.000 ton zeezout per jaar,
inclusief de beroemde fleur de sel 1.200 ton. Door zeewaterverdamping ontstaan roze meren door algen. Door de opslag enorme zoutbergen.
Het water van de Middellandse Zee stroomt via een netwerk van kanalen in de afgedamde bassins. Tussen maart en augustus verdampt het water door zon en wind, waardoor de zoutconcentratie stijgt.
De kenmerkende roze kleur wordt veroorzaakt door de microalg Dunaliella salina, die gedijt in het zoute water.

FLEUR DE SEL.

Dit fijne zout vormt zich als een dun vliesje aan het oppervlak van het water en wordt in de zomer, de maanden juli-augustus met de hand geoogst met speciale houten schaven.

GROS SEL.

Het grove zout wat kristalliseert op de bodem van de bassins wordt in het najaar machinaal geoogst. het zout wordt daarna opgeslagen in "camelles" dit zijn grote witte zoutbergen om te drogen.

Het Fleur de Sel wordt vooral gebruikt voor consumptie en is door de bewerking ervan duur in prijs.
Het Gros Sel is na reiniging ook geschikt voor de consumptie en gaar verder naar de farmaceutische industrie, wordt gebruikt in zwembaden en als strooizout op ijzige en besneeuwde wegen.

ZOUTVLAKTEN EN ZOUTWINNING.

Op de zoutvlakten, salinas, tiert de zeekraal geweldig, en is een belangrijke voedingsbron voor de wilde stieren en paarden. In de winter overstroomt de vlakte, in de zomer droogt ze uit tot de grond barst, maar in de lente is ze ideaal waterland voor moeras- en watervogels als de grutto, de oeverloper en de zwarte steltloper. Maar vooral de meest sierlijke vogel; de flamingo.
In vroegere tijden werden de zeekraal en de zoutkristallen verast voor het maken van zeep en glas, maar tegen het eind van de 19e eeuw werd de plantaardige soda vervangen door industriële soda, wat ook werd gewonnen uit zout. Sinds de opkomst van de chemische industrie is zoutwinning, natrium en chloorzouten, een van de belangrijkste commerciële activiteiten in de Camargue.

DE FLAMINGO.

Het embleem van de Camargue is de flamingo (Phoenicopterus roseus). Het gebied is de enige plaats in Frankrijk en een van de weinige plaatsen rond de Middellandse Zee waar deze vogels te vinden zijn.
Het aantal wordt geschat op maximaal 20.000 paartjes; ze leven verspreid in groepen en staan onder bescherming.

Plankton, dat ze met hun bek uit het water kunnen zeven, is hun voornaamste voedselbron. Ze gebruiken de modder uit de rivieroevers van de twee Rhône's om hun nesten te bouwen. 
Het is waarlijk een fantastisch gezicht om deze vogels in een grote zwerm te zien opvliegen, net dames op hoge hakken die al klapperend mat hun vleugels een aanloop nemen om op te stijgen.

Behalve de flamingo's  huizen in het drassige merengebied vele vogelsoorten, zoals trekvogels uit noordelijke Europese landen als overwinteraars. Zilverreigers, de blauwe reiger, de wilde eend, de blauwe kiekendief en kwikstaarten.
De zeedijk langs de kust is ongeveer 20 kilometer lang en niet toegankelijk voor gemotoriseerd verkeer. In het westen bevindt zich de vuurtoren van Gacholle. Het zand van de duinen wordt hier op zijn plaats gehouden door genivelles, kastanjehouten palissaden.
Om dit gebied te bezoeken is het aan te raden een gids in te huren bij een van de Franse verkeersbureaus, die dan met een kleine groep een goede rondleiding geeft met tekst en uitleg.
Na een uitgebreide zeevismaaltijd en lokale wijnen hebben we hier overnacht om de volgende dag verder te reizen naar Montpellier, de laatste stad op onze route. 

MONTPELLIER.

Het wapen van Montpellier toont een azuurblauw schild met een zittende maagd (Madonna) in rode kleding en een blauwe mantel op een troon.
Zij staat afgebeeld  op een afbeelding van een kathedraal in het goud. 
Boven in het schild de Romeinse letters Alpha en Omega (het begin en het einde). Onder in het schild een klein wit schild met een rode bol (hiervan de betekenis niet bekend).
Dit historische embleem symboliseert de stad, die bekend staat als een bruisende, middeleeuwse Zuid-Franse stad met de geschiedenis in de regio Occitanië.
Het is het officiële wapenschild van de stad in het departement Hérault.

Na het over het algemeen kleine steden op onze route was Montpellier een drukke, levendige en bruisende stad, maar ook gezellig. 
De stad is ontstaan in de 10e eeuw, dankt zijn naam aan kruidenhandelaren, die zich vestigden op een heuvel vlakbij de zee. Monspistillarius, oftewel berg van de kruidenhandelaren. Helaas is niets meer van terug te vinden.

Montpellier werd voor het eerst vermeld in 985. De plaats ontstond uit een landbouwdomein dat gunstig lag op een verbindingsweg tussen de oude Romainse weg tussen Italië en Spanje in het noorden, de Via Domitia, en de Route du Sel in het zuiden.

De plaats lag aan de Verdanson, een zijriviertje van de Lez en hing af van de graven van Melgueil. Montpellier bloeide dankzij de handel, vooral van specerijen die werden aangevoerd via de haven van Lattes. De Heren van Montpellier werden rijk en stegen in aanzien. 
Montpellier werd in de eerste helft van de 12e eeuw een gemeente bestuurd door consuls. In de stad werden scholen opgericht waar rechten en geneeskunde werden onderwezen Rond 1289, werd de universiteit van Montpellier opgericht, nu een van de oudste van Europa. Montpellier groeide uit tot een belangrijk economisch centrum, totdat Marseille deze rol overnam in 1481.


In 1536 werd de bisschopszetel van Maguelone overgebracht naar Montpellier. De stad werd een centrum van de protestanten tijdens de Hugenotenoorlogen en werd in het Edict van Nantes in 1598 aangewezen als een der protestantse places de sûreté.  Na een lang beleg door kardinaal De Richeleieu werd de stad in 1622 ingenomen. Enkele jaren later liet hij de stadmuren slechten, maar de citadel bleef behouden. De protestanten konden enkele decennia lang nog hun geloof belijden in twee kerken, maar vanaf 1660 begon de repressie. In 1670 werd de Petit Temple gesloopt en in 1682 de Grand Temple.Nicolaas de Lamoignon de Basville, intendant van de koning Lodewijk XIV, in 1685 en 1718, voerde dragonnades in. Veel protestanten bekeerde zich onder zware druk tot het katholicisme, en velen vluchten de stad uit. Onder Lodewijk XIV werd de stad het bestuurscentrum van de streek. Vooral aan het einde van de 17e eeuw vonden in de stad ontelbare executies  plaats van de protestanten op de Esplanade. 

De meeste gebouwen in de stad zijn tijdens de strijd vernield. het enige overgebleven gebouw is de kathedraal Saint Pierre uit 1536.
De stad kende einde 17e en in de 18e eeuw een nieuwe periode van welvaart dankzij de handel, de wijnbouw en haar rol als hoofdstad van Langguedoc.

WAT WAS VAN TOEN EN WAT NU NOG IS.

Het aquaduct van Saint-Cl'ment, ook wel Aquaduct des Arceaux of kortweg Les Arceaux genoemd, is een aquaduct gebouwd in de Romeinse stijl maar daterend uit 1772.
Het is gebouwd met dubbele bogen die het water van de bron bij Saint-Clément-de-Rivière naar Montpellier bracht.  Het aquaduct is 22 meter hoog. Heden is er nog slechts 800 meter over van de oorspronkelijke negen kilometer.


De Promenade du Peyrou met het ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV. de Porte du Peyrou ofwel de triomfboog voor Lodewijk XIV, als ook de watertoren Le Peyrou bij de aquaduct uit de 18e eeuw.

De watertoren bevindt zichop de Promenade du Peyrou, het hoogste punt in de stad Montpellier. Onder de koninklijke tijd van Frankrijk droeg het plein de naam Place Royale du Peyrou. In de 18e eeuw besloot de regering van Languedoc tot project; het drinkwater van de bron Saint Clément aftevoeren naar Montpellier. De technische moeilijkheid was dubbel: er was slechts een klein niveauverschil tussen de bron en de stad, en er was de heuvelachtige omgeving die doorkruist moest worden. De bouw van het aquaduct duurde van 1753 tot 1766 tot het opslagreservoir Les Arcades, nabij de stad. De watertoren heeft een versiering met een zeshoekige tempel; de zijden zijn versierd met Korintischezuilen. Rondom de watertoren zijn later trappen en wandelpaden aangelegd.


Place de la Comédie. Het plein met daar om heen prachtige gebouwen met zeer fraai versierde gevel, wordt door de lokale bevolking l 'Oeuf, het ei genoemd, vanwege de vorm van het mooie fontein wat erop staat. Het operagebouw (zichtbaar achter het fontein) , Opéra Comédie, dateert uit 1888.

Tour des Pins of de Toren met de dennenbomen, dateert uit het eind van de 12e eeuw en begin 13e eeuw. De toren is een overblijfsel van de middeleeuwse vesting  ringmuur van Montpellier. Er stonden 25 wachttorens waarvan Tour de Pins de enige goede bewaarde is. Het is een viekant donjon. Het bovenste deel met kantelen is erop gemetseld op het einde van de 14e eeuw. De toren kreeg de bijnaam Tour des Pins, omdat op de top dennenbomen groeien.
Zo voorspelde Nostradamus, professor van de universiteit van Montpellier, dat de stad ten onder zou gaan op de dag dat de dennenbomen gekapt zouden worden. De voorspelling kwam nooit uit. Tijdens de godsdienstoorlogen verschansten katholieken zich in de toren. Na de Franse Revolutie diende de toren jaren als gevangenis. Van 1825 tot 1886 verbleven er jonge vrouwen die tot inkeer waren gekomen. Van 1886 tot 2000 gaf de toren onderdak aan het stadsarchief en werd in 1925 beschermd monument.

De Citadel van Montpellier is een vroegmoderne fortificatie in de stad.
In 1621 kwam koning Lodewijk XIII met soldaten om een opstand van de Hugenoten te onderdrukken, waarbij hij na een acht maanden durende belegering de stad overnam. De koning beval dat er dicht bij de stad een koninklijke citadel moest worden gebouwd om de stad en de omliggende regio, waar een groot aantal Hugenoten leefden, te controleren.
De citadel werd gebouwd tussen 1624 en 1627 tussen de vestingwerken van de Écusson, de oude stad, en de kustvlakte van de rivier de Lez. het was gescheiden van de eigenlijke stad door een brede esplanade, uitkijkend over de uiterwaarden van de Lez. Het bestond uit vier bastions georganiseerd in een vierkant.
Onder het koninklijke bewind van Frankrijk waren er koninklijke troepen in gelegerd, alsmede detachementen van dienstplichtige troepen uit de Languedoc. Later werd het een kazerne, een middelbare school voor jongens onder de Jezuïeten. Het is uiteindelijk een universitaire campus geworden.

Het lijkt rustig op deze afbeeldingen van het oude centrum van Montpellier.
Het is een gebied van smalle straatje en steegjes, waar het in de vroege ochtend nog rustig is, maar waar je later op de dag  in de file van de toeristen loopt.
Het is een een gebied met zijn eigen charme, een gebied van kunstenaars, die de traptreden in kleuren schilderden, o0f tussen de huizen gekleurde doeken ophangen. Ook hier kleine terrasjes voor een lokaal gerecht met een wijntje.

Mocht men zich in deze stad verder vervelen, dan kent deze stad acht verschillende musea en acht herenhuizen en stadpaleizen. Voor onze laatste overnachting moesten uitwijken naar een dorpje dat tot de buitenwijken van de stad behoord. Klein en eenvoudig met het gevoel dat je in een oude postkoetsstop was beland. De volgende ochtend de grote autoroute, de A9 opgezocht en aan onze thuisreis naar de  Les-Pays-Bays begonnen. Het was een zeer leerzame reis terug in de geschiedenis van de Hugenoten, de plaatselijke geschiedenis, culturen, ambachten en gebruik van land en water.

                                    FIN.